De genezingen van Tom de Wal

Ik kreeg de volgende email:

Beste Robbert,

Ik ben de video aan het beluisteren over 7 fragmenten waar je Martin Koornstra bespreekt.

Van de week was ik bij mijn lieve nicht en die heeft een boek van Tom van de Wal en dat heet: Jezus aanraken en gaat volgens mijn nicht helemaal over het verkrijgen van genezing.

Achterop de kaft las ik: 7 stappen tot genezing en ook dat mensen die niet genezen worden stappen hebben overgeslagen. Zulke beweringen blijven me raken.

Het debat dat volgde met deze lieve nicht die echt God zoekt en dient, was vruchteloos. Zij verdedigde het boek en is werkelijk overtuigd dat het juist is wat hij zegt. Dat het uitgebalanceerd is en vol bijbelteksten over genezing. Terwijl er dan iemand bij haar zit die duidelijk niet genezen is en ook niet gaat genezen en dat geaccepteerd heeft. Ook mijn geliefde zwager is overleden aan kanker op 55 jarige leeftijd. Ook haar vader is overleden op 55-jarige  leeftijd aan een hersenbloeding en die oom van mij was zeer godvruchtig en getuigde altijd.

Ook de man van haar zus, is ernstig ziek (nog geen 58) en ligt iedere keer op het randje van overlijden. Zij en die man en haar zus zijn overtuigd dat hij genezen kan. Terwijl het al een wonder is dat hij nog leeft. Als hij dan toch overlijdt hoeveel pijn geeft dat niet.

Bewijzen te over dat het dus niet zo is dat iedereen die God zoekt en bidt en getuigt, dus geneest. Wat Tom de Wal wel beweert.

Mijn argument dat ik juist door dagelijks mijn beperkingen te overwinnen en dagelijks te bidden voor energie en kracht en dat vertel aan mensen; dat dat het getuigenis is dat bemoedigt en mensen laat zien op God; het dringt niet door.

Robbert, stel ik genees; dat is een groot getuigenis. Echter, gaan mensen dan naar God om ook genezing te krijgen of omdat ze Jezus nodig hebben als hun verlosser?

Het boek van Tom de Wal ga ik misschien wel, misschien niet lezen; de enige reden om het te lezen zou zijn om zijn beweringen te onderzoeken.

Ik blijf het lastig vinden die charismatici. Mijn nicht komt helaas dus ook uit die hoek. Leest boeken van Joseph Prince en Martin Koornstra en luistert naar Joyce Meijer. En ze is een overtuigd christin. Maar met haar praten is moeilijk.

Terwijl we elkaar waarderen en ook van elkaar houden en het beste willen voor elkaar.

Met vriendelijke groet,

[Naam bij mij bekend]

 

De verleiding van de zonde – Confessiones B. 1, c. V, #10 en 11

V Niemand zondigt zonder reden

Augustinus heeft in een groot aantal paragrafen het verhaal verteld van zijn jeugd en zijn jeugd zonden. Trots, diefstal en seksuele begeerte komen het meeste voor. Wat is echter het motief dat bij de zonde een rol speelt? Daarover spreekt hij in de volgende paragrafen. Het staat voor Augustinus vast dat niemand zondigt ter wille van de zonde, niemand de zonde als zodanig wil en doet. Misschien wordt hij hierbij geleid door de uitspraken van Paulus in Romeinen 7. Wanneer wij het goede willen doen, is het kwade voorhanden. Elke zondaar bedoelt het goede – minstens het goede voor hem of haar – wanneer hij of zij zondigt. Wat is dan eigenlijk de oorzaak van de zonde in mij? Doorgaan met het lezen van “De verleiding van de zonde – Confessiones B. 1, c. V, #10 en 11”

Spreken en zwijgen over God – Confessiones I, 4

4. Wat is dan mijn God? Wat, vraag ik, anders dan God, de Heere? Want wie is de Heere, behalve de Heere? Of wie is God, behalve onze God? (Vgl. Ps. 18:32).

Het lijkt alsof Augustinus antwoord geeft op zijn vraag met een tautologie: de Heere is de Heere; God is God. Maar in die schijnbare nietszeggende tautologie ligt een grote wijsheid. Doorgaan met het lezen van “Spreken en zwijgen over God – Confessiones I, 4”

Confessiones I, 2 – Waar is God wanneer ik Hem aanroep?

2. En hoe zal ik mijn God aanroepen, mijn God en mijn Heer, daar ik Hem immers in mij roep, wanneer ik Hem aanroep?

Zeker, wij roepen God aan en we beseffen dat Hij dat heeft mogelijk gemaakt – mijn geloof roept U aan, het geloof dat U mij geschonken hebt. Maar de lofprijzing zet zich voort in de reflectie. We dienen en aanbidden God ook door het verstand. En daarom is deze vraag terecht. Hoe roep ik God dan aan? Want aanroepen is een innerlijke bezigheid, die zinloos is als het woord “God” alleen maar iets in mijn innerlijkheid zou aanduiden. Maar die ook een God die geheel buiten mij staat niet zou kunnen bereiken. Daar ligt een dilemma. Hoe kunnen wij vanuit ons innerlijk een God bereiken die toch buiten mij staat? Hoe is dat te begrijpen?

En welke plaats is in mij, dat mijn God daarheen in mij zou komen? Dat mijn God daarheen zou komen in mij, God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft? Ja, Heere mijn God, is er iets in mij, dat U zou kunnen bevatten?

Als aanroepen werkelijk een ontmoeting met God betekent, kun je je afvragen in welke “plaats”, in welke ruimte dat mogelijk is. Als mijn aanroepen innerlijk is, en God buiten en boven mij staat, dan zal God moeten binnengaan in mijn innerlijkheid – om het te horen, om te kunnen worden aangesproken, om in mijn aanroeping present te zijn. Voor Augustinus is het dan vanzelfsprekend dat als God mijn innerlijkheid binnengaat, mijn innerlijkheid Hem zou moeten omvatten. Hoe kan de schepper van hemel en aarde echter de ruimte van mijn innerlijkheid binnentreden? Hoe is het mogelijk dat die plaats van mijn innerlijkheid Hem bevat? Wij hebben de neiging om ons bij dit innerlijke aanroepen, bij het bidden, ons voor te stellen dat onze woorden vanuit de hemel worden gadegeslagen, waargenomen. Maar wat dan als wij in stilte bidden? Wij hebben de neiging ons voor te stellen, dat bij het bidden God oneindig ver van ons af blijft staan en dat alleen Hij die afstand in Zijn waarneming overbrugt.
Maar voor Augustinus staat het vast dat het aanroepen van God pas en waarachtige ontmoeting kan zijn, als God in het gebed wel degelijk een en dezelfde plaats deelt met degene die aanroept.

Kunnen dan de hemel en de aarde, die Gij gemaakt hebt en in welke Gij mij gemaakt hebt, U bevatten? Of kan daarom al wat is, U bevatten, omdat zonder U niet zijn zou, wat is? En daar nu ook ik ben, waartoe vraag ik dan, dat Gij komt in mij, die niet zijn zou, wanneer Gij niet in mij waart? Want ik ben toch niet de hel, en toch bent Gij ook daar. Want bedde ik mij in de hel, U bent daar. (Ps. 139:8) Ik zou dus niet zijn, mijn God, ik zou geheel niet zijn, wanneer Gij niet in mij waart.

Nu is er niets dat God kan bevatten. Maar er is ook niets dat God kan buitensluiten. Als ons aanroepen van God inderdaad een aanwezigheid van God in mij betekent, zegt dat nog niet dat God zichzelf in beweging moet zetten om een plaats in mijn innerlijkheid in te nemen. Ook voor het aanroepen is God “in mij”, in de eerste plaats omdat Hij overal is, nergens is buitengesloten. In de tweede plaats omdat ik niet zou bestaan, als God niet in mij was, als mijn “plaats” niet al Gods aanwezigheid kende.

Of is het zo, dat ik niet zijn zou, indien ik niet was in U, uit wie alles is, door wie alles is en in wie alles is? Ja ook zo is het, Heere; ook zo.

Dit is dan de werkelijkheid van Gods presentie: Hij is in elke plaats, dus ook in mij. Maar ook dit is waar: ik zou er niet zijn, als ik niet “in Hem” was. Daarom is God aanwezig in de innerlijkheid van mijn gebed. Hij is er al voordat ik Hem aanroepen. Mijn aanroepen brengt God niet in beweging zodat Hij er eerst niet was, en dan na mijn aanroepen wel. Maar dat roept een vraag op.

Waarheen roep ik U dan, daar ik in U ben? Of vanwaar zou Gij komen in mij? Want waar zou ik gaan buiten hemel en aarde, dat vandaar in mij zou komen mijn God, die gezegd heeft: “Ik vervul hemel en aarde?” (Jer. 23:24)

Als ik dan al in Hem bestaat, en als Hij dan al in alle dingen aanwezig is omdat geen plaats Hem kan buitensluiten, wat betekent dan mijn aanroepen? Wat is dan nog de betekenis van de presentie van God in mijn innerlijkheid tijdens het gebed? “Waarheen” roep ik God? In het gebed komt het tot een bijzondere presentie van God voor mij. Ik richt mijn aandacht op Hem. Maar is er ook iets dat gebeurt met God, die toch al overal aanwezig was? De reflectie op het bidden levert interessante vragen op die niet makkelijk te beantwoorden zijn.

U bent de Christus, de Zoon van de levende God – verkondiging in Katwijk

Hetzelfde thema als in de ochtenddienst in Aalst. Wat betekent het belijden van Jezus voor ons?

De tekst geeft een groot aantal aanwijzingen.

In de eerste plaats: we zijn in de om,geving van Caesarea Filippi, de stad gewijd aan de Griekse cultuur en godsdienst en aan de macht van de keizer. Hoe kunnen juist in de omgeving dan zeggen dat Jezus de Christus is? Want die titel betekent dat Hij de enige, door God aangestelde koning is, hoger dan de keizer. En dat Hij de enige weg tot de waarheid is. Daarmee is alles waar Caesarea Filippi voor staat weersproken. In feite is Petrus’ belijdenis verraad aan de bezettende macht, en een dwaasheid in de ogen van de grieken.

In de tweede plaats: je kunt Jezus als de Christus belijden, zonder te weten wat je doet. Dat blijkt uit het vervolg, waar Jezus moet uitleggen dat de Zoon des Mensen niet triomnfanbtelijk Zijn plaats in de wereld boven de keizer zal innemen, maar dat Gods weg met Hem door het lijden en de dood heen moet gaan.Het belijden van Jezus is het belijden van een gekruisigde koning!

In de derde plaats: er is veekl verwarring over wie Jezus is in de wereld van toen en in de wereld van nu. Maar het beslissende verschil tussen wat de mensen over Jezus zeggen en wat Petrus belijdt is, dat in al die mooie titels die mensen aan Jezus geven Hij in de marge van de geschiedenis blijft staan. Jezus komt er a.h.w. bij, Hij is een van de profetyen, een van de grote religieuze leiders, een bijzonder mens etc. Maar dat Hij uniek is wordt alleen door Petrus uitgesproken. Er kan maar één Christus zijn!

Ook in onze PKN is de verwarring groot. De enorme verschillen in belijden tussen de verschillende gemeenten in de PKN bewijzen dat. Maar laten we die rode draad vasthouden als een getuigenis naar de wereld toe: Hij is de Christus, de Zoon van de levende God.

De drie-enige God woont in ons leven – verkondiging in Lisse

Wie Christus liefheeft en Zijn geboden bewaart kan erop rekenen dat God de Vader hem liefheeft. Dat is de belofte van Joh. 14:23. Dan zullen de Vader en de Zoon ook komen wonen in ons leven. Dat betekent heel veel! Ook de Heilige Geest woont in ons trouwens, maar dat weten we meestal wel.

Maar dit heeft gevolgen! Dan kun je en mag je het evangelie niet bijsnijden tot het beter bij je eigen wensen past, door tussen de drie personen van de drie-eenheid te kiezen. Wie zichzelf meer als kind wil zien waarvoor gezorgd wordt, zal meer denken aan God als Vader – de Zoon en de Geest komen op afstand te staan. Wie bezig is met zonde en schuld denkt eerder aan de Zoon die Zijn leven voor ons gaf – maar als die Zoon eenmaal zo geïsoleerd geraakt is, sluipt de dwaalleer in. Jezus is een goed mens, een martelaar, een goede profeet (zoals in de Islam), maar niet God zelf. Wie de Zoon niet heeft, die heeft echter de Vader ook niet en strijdt tegen de Heilige Geest – die wil immers voortdurend Christus voor onze aandacht brengen. (Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.) Maar het is ook mogelijk de Geest los te maken uit de eenheid van de drie-enige God, en de aandacht te richten op het spektakel van de geestesgaven, op het charismatische in profetie, genezingen en tongentaal.

Dan is het evangelie bijgesneden tot het past bij het eigen verlangen. Het is dan niet langer het volle evangelie, dat een evenwichtige manier van Christelijk leven laat zien.

Paulus maakt mede om die reden in een soort preek duidelijk dat we met God de Geest (Rom. 8:1-30) te maken hebben die ons leert dat we kinderen van God zijn en die ons bijstaat in het gebed, maar ook met Gods Vaderlijke zorg (Rom. 8:31-32) en met de liefde van Christus (Rom. 8:33 tot einde). Het is dus van grote praktische betekenis, dat we in ons leven het werk van de drie-enige God zoeken.

Tenslotte ging het ook nog even over de vraag wie de liefde van de Vader en de Zoon zou kunnen tegenhouden. Geen enkel schepsel kan dat, is Paulus’ verzekering aan ons adres.

Voorzienigheid in de Vermaning van Enkhuizen – preek over Jozef

Terug in Enkhuizen na 22 jaar! Preek ging over de geschiedenis van Jozef. Een fraai voorbeeld van voorzienigheid. Drie stellingen heb ik naar voren gebracht n.a.v. Jozef:

1. Gods voorzienigheid handelt tegen onze eigen aspiraties en ons geluksgevoel in – denk maar aan de put, de slavernij, de gevangenis waar Jozef in beland is.

2. Gods voorzienigheid heeft doelen in ons leven die haaks staan op onze ambities en verlangens – God wilde Jozefs karakter vormen – nederigheid leren, meegevoel met anderen, doen beseffen dat trouw het enige is dat wij kunnen nastreven – en hem brengen op de juiste plaats op het goede moment om Egypte en Israel te redden van de hongersnood.

3. Trouw aan Gods gebed en gehoorzaamheid aan Gods wil in de omstandigheden van het leven is de enige manier om “mee te werken” aan Gods voorzienige leiding.

Uiteindelijk staat in het algemeen Gods doel met ons vast: ons “gelijkvormig te maken aan het beeld van Zijn Zoon.” (Rom. 8:29)

Augustinus zei het heel fraai: “Gods genade draagt mijn verleden, Gods liefde mijn heden en Gods voorzienige leiding mijn toekomst.”