Is Theologie een wetenschap?

(Gebaseerd op Thomas van Aquino, Summa Theologiae, Ia, Q1, a. 4.)

O.1.

Het lijkt uitgesloten dat we in de theologie te maken hebben met een echte wetenschap. Er zijn twee redenen voor aan te wijzen. In de eerste plaats is het kenmerkend voor een wetenschap dat ze op beginselen is gebaseerd die vanzelfsprekend zijn. De uitgangspunten van de natuurwetenschap bijvoorbeeld worden door niemand bestreden. Die uitgangspunten behoeven ook geen nader bewijs. Natuurwetenschap is de kennis van natuurlijke processen gebaseerd op natuurlijke oorzaken. Het is een verklarende wetenschap van datgene wat in ervaring en experiment gegeven is. De theologie heeft echter geen onomstreden uitgangspunten, en ze is niet gebaseerd op ervaring of experiment. De mogelijkheid van theologie wordt zelfs niet door iedereen erkend. Daaruit kun je alleen maar concluderen dat theologie in deze moderne zin van het woord geen wetenschap kan zijn.

O.2.

Er is nog een tweede reden dat theologie geen wetenschap kan zijn. Wetenschap, met uitzondering van de geschiedenis als wetenschap, is niet geïnteresseerd in individuele en unieke feiten. Een wetenschappelijk onderzoek naar de opstanding van Jezus is ondenkbaar. Een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheid van zoiets als een opstanding uit de dood daarentegen, is wel in beginsel en wetenschappelijk onderwerp. De theologie echte spreekt niet alleen over het universele, maar over de daden van Abraham, of van Mozes, of de betekenis van de teksten van Paulus. Dat maakt haar hooguit tot een historische wetenschap, maar niet een wetenschap in strikte zin.

Sed contra:

Toch wordt vanaf de vijfde eeuw de theologie opgevat als een wetenschap, in de zin van een geordende manier van weten die voorschrijft op grond van logische argumentatie. Augustinus zegt bijvoorbeeld dat de theologie over alle zaken gaat die te maken hebben met het geloof dat rechtvaardigt, dat wil zeggen het geloof dat behoudt van het oordeel. Alles wat het geloof kan opwekken, voelen, beschermen en versterken valt onder de theologie. Vanuit de traditie moet dus gezegd worden dat de theologie wel degelijk een wetenschap is.

Respondeo:

We moeten hier echter een onderscheid maken tussen twee soorten van wetenschappen. Er zijn wetenschappen die gebaseerd zijn op een beginsel dat wij vanuit ons natuurlijke verstand kunnen begrijpen en hanteren. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de meetkunde en de wiskunde. Er zijn echter ook wetenschappen die tot hun uitgangspunt bepaalde beginselen hebben, die in een andere wetenschap worden bewezen. In de kunst bijvoorbeeld bestaat zoiets als een “weten” over perspectief. Het inzicht in perspectief komt echter voort uit beginselen die door de wiskunde zijn vastgesteld. Op dezelfde manier is er een wetenschap van de muziek, die – afgezien van de muziekgeschiedenis – gebaseerd is op beginselen die in de wiskunde kunnen worden verhelderd en begrepen. Op diezelfde manier kunnen we nu zeggen dat de theologie een wetenschap is, niet omdat zij zelf over beginselen beschikt die vanzelfsprekend zijn, maar omdat zij vertrekt van beginselen die door een hogere vorm van wetenschap zijn vastgesteld. De menselijke theologie wordt geacht te zijn voortgekomen uit het weten van God zelf. De beginselen die besloten liggen in de openbaring van God zijn de beginselen waarop de theologie gebouwd is. Theologie als wetenschap veronderstelt openbaring, en daarmee veronderstelt zij een goddelijk weten. (De “sacra doctrina” is dus gebaseerd op”divina scientia.”)

Ad O. 1 en 2

Hoewel de beginselen van de theologie dus niet vanzelfsprekend zijn, kunnen ze worden opgevat als de conclusies van een hogere wetenschap. De beginselen van de theologie worden ontleend aan het weten van God Zelf, en als zodanig kan de theologie toch als een wetenschap worden beschouwd. Ondanks het feit dat het “weten” in de theologie gebaseerd is zuiver en alleen op de openbaring.
Het is waar dat de theologie zich ook bezighoudt met individuele feiten. Maar anders dan in de geschiedenis is de aandacht in de theologie niet gericht op de kennis van en de verklaring van dergelijke individuele feiten. De interesse van de theologie in individuele feiten zoals die in de openbaring gegeven zijn, kan van morele aard zijn. We zoeken naar voorbeelden voor ons eigen morele inzicht in het gedrag bijvoorbeeld van de aartsvaders. We kunnen ook geïnteresseerd zijn in het leven van de profeten, omdat we daarmee het gezag willen bevestigen van de mensen aan wie de goddelijke openbaring is toevertrouwd. Omdat de openbaring een geschiedenis van Gods daden behelst, is het evident dat de thelogie moet spreken over historische (heils-)feiten waarin God Zich geopenbaard heeft..

Daarom kan onze conclusie zijn dat de theologie in een hele bijzondere zin een wetenschap is, ondanks het feit dat haar funderende beginselen afkomstig zijn uit de openbaring. Haar onderzoek van individuele historische gegevens, wordt gemotiveerd door morele vragen en geleid door een interesse in de historische ontwikkeling van de openbaring.

In het moderne Engelse taalgebruik valt de theologie onder de “Humanities”, die scherp worden onderscheiden van de “sciences”, de empirische wetenschappen zoals die in de Moderne Tijd zijn ontstaan. Wij noemen theologie een wetenschap, omdat zij een menselijke vorm van weten is, gebaseerd op eerste beginselen, waarvoor een strikte logische procedure is voorgeschreven om daaruit conclusies te trekken. Ondanks het feit dat de openbaring is verondersteld, kan de theologie dus toch tot de wetenschappen worden gerekend. Zeker omdat we mogen aannemen dat ook voor de natuurwetenschappen geldt, dat de eerste beginselen van de natuurwetenschap uiteindelijk zijn ontleend aan de natuur zelf, en daarin uiteindelijk een fundering vinden.

[Dit is een parafrase en aanvulling op de tekst van Thomas.]

De verleiding van de zonde – Confessiones B. 1, c. V, #10 en 11

V Niemand zondigt zonder reden

Augustinus heeft in een groot aantal paragrafen het verhaal verteld van zijn jeugd en zijn jeugd zonden. Trots, diefstal en seksuele begeerte komen het meeste voor. Wat is echter het motief dat bij de zonde een rol speelt? Daarover spreekt hij in de volgende paragrafen. Het staat voor Augustinus vast dat niemand zondigt ter wille van de zonde, niemand de zonde als zodanig wil en doet. Misschien wordt hij hierbij geleid door de uitspraken van Paulus in Romeinen 7. Wanneer wij het goede willen doen, is het kwade voorhanden. Elke zondaar bedoelt het goede – minstens het goede voor hem of haar – wanneer hij of zij zondigt. Wat is dan eigenlijk de oorzaak van de zonde in mij? Doorgaan met het lezen van “De verleiding van de zonde – Confessiones B. 1, c. V, #10 en 11”

Confessiones I, 2 – Waar is God wanneer ik Hem aanroep?

2. En hoe zal ik mijn God aanroepen, mijn God en mijn Heer, daar ik Hem immers in mij roep, wanneer ik Hem aanroep?

Zeker, wij roepen God aan en we beseffen dat Hij dat heeft mogelijk gemaakt – mijn geloof roept U aan, het geloof dat U mij geschonken hebt. Maar de lofprijzing zet zich voort in de reflectie. We dienen en aanbidden God ook door het verstand. En daarom is deze vraag terecht. Hoe roep ik God dan aan? Want aanroepen is een innerlijke bezigheid, die zinloos is als het woord “God” alleen maar iets in mijn innerlijkheid zou aanduiden. Maar die ook een God die geheel buiten mij staat niet zou kunnen bereiken. Daar ligt een dilemma. Hoe kunnen wij vanuit ons innerlijk een God bereiken die toch buiten mij staat? Hoe is dat te begrijpen?

En welke plaats is in mij, dat mijn God daarheen in mij zou komen? Dat mijn God daarheen zou komen in mij, God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft? Ja, Heere mijn God, is er iets in mij, dat U zou kunnen bevatten?

Als aanroepen werkelijk een ontmoeting met God betekent, kun je je afvragen in welke “plaats”, in welke ruimte dat mogelijk is. Als mijn aanroepen innerlijk is, en God buiten en boven mij staat, dan zal God moeten binnengaan in mijn innerlijkheid – om het te horen, om te kunnen worden aangesproken, om in mijn aanroeping present te zijn. Voor Augustinus is het dan vanzelfsprekend dat als God mijn innerlijkheid binnengaat, mijn innerlijkheid Hem zou moeten omvatten. Hoe kan de schepper van hemel en aarde echter de ruimte van mijn innerlijkheid binnentreden? Hoe is het mogelijk dat die plaats van mijn innerlijkheid Hem bevat? Wij hebben de neiging om ons bij dit innerlijke aanroepen, bij het bidden, ons voor te stellen dat onze woorden vanuit de hemel worden gadegeslagen, waargenomen. Maar wat dan als wij in stilte bidden? Wij hebben de neiging ons voor te stellen, dat bij het bidden God oneindig ver van ons af blijft staan en dat alleen Hij die afstand in Zijn waarneming overbrugt.
Maar voor Augustinus staat het vast dat het aanroepen van God pas en waarachtige ontmoeting kan zijn, als God in het gebed wel degelijk een en dezelfde plaats deelt met degene die aanroept.

Kunnen dan de hemel en de aarde, die Gij gemaakt hebt en in welke Gij mij gemaakt hebt, U bevatten? Of kan daarom al wat is, U bevatten, omdat zonder U niet zijn zou, wat is? En daar nu ook ik ben, waartoe vraag ik dan, dat Gij komt in mij, die niet zijn zou, wanneer Gij niet in mij waart? Want ik ben toch niet de hel, en toch bent Gij ook daar. Want bedde ik mij in de hel, U bent daar. (Ps. 139:8) Ik zou dus niet zijn, mijn God, ik zou geheel niet zijn, wanneer Gij niet in mij waart.

Nu is er niets dat God kan bevatten. Maar er is ook niets dat God kan buitensluiten. Als ons aanroepen van God inderdaad een aanwezigheid van God in mij betekent, zegt dat nog niet dat God zichzelf in beweging moet zetten om een plaats in mijn innerlijkheid in te nemen. Ook voor het aanroepen is God “in mij”, in de eerste plaats omdat Hij overal is, nergens is buitengesloten. In de tweede plaats omdat ik niet zou bestaan, als God niet in mij was, als mijn “plaats” niet al Gods aanwezigheid kende.

Of is het zo, dat ik niet zijn zou, indien ik niet was in U, uit wie alles is, door wie alles is en in wie alles is? Ja ook zo is het, Heere; ook zo.

Dit is dan de werkelijkheid van Gods presentie: Hij is in elke plaats, dus ook in mij. Maar ook dit is waar: ik zou er niet zijn, als ik niet “in Hem” was. Daarom is God aanwezig in de innerlijkheid van mijn gebed. Hij is er al voordat ik Hem aanroepen. Mijn aanroepen brengt God niet in beweging zodat Hij er eerst niet was, en dan na mijn aanroepen wel. Maar dat roept een vraag op.

Waarheen roep ik U dan, daar ik in U ben? Of vanwaar zou Gij komen in mij? Want waar zou ik gaan buiten hemel en aarde, dat vandaar in mij zou komen mijn God, die gezegd heeft: “Ik vervul hemel en aarde?” (Jer. 23:24)

Als ik dan al in Hem bestaat, en als Hij dan al in alle dingen aanwezig is omdat geen plaats Hem kan buitensluiten, wat betekent dan mijn aanroepen? Wat is dan nog de betekenis van de presentie van God in mijn innerlijkheid tijdens het gebed? “Waarheen” roep ik God? In het gebed komt het tot een bijzondere presentie van God voor mij. Ik richt mijn aandacht op Hem. Maar is er ook iets dat gebeurt met God, die toch al overal aanwezig was? De reflectie op het bidden levert interessante vragen op die niet makkelijk te beantwoorden zijn.

De twee naturen van de kerkelijke Christus – kritiek op Kuitert

“Voor de meeste christenen is de kerkelijke Christus zo vertrouwd, dat het een moeilijk valt er iets anders in te zien dan de werkelijke Jezus.” – Kuitert

In bepaalde kringen is het gebruikelijk geworden om dit verschil te maken, tussen de kerkelijke, de verkondigde Christus van de dogmatiek, en de werkelijke, historische Jezus van Nazareth. Kuitert doet dat, maar ook Den Heyer. Ik hoorde onlangs een lezing van D. A. Carson waarin dat heel nadrukkelijk wordt weersproken. De echte Jezus is de zoon van God, mens en God tegelijk, de Godmens, die heeft rondgewandeld door het land Israël. Doorgaan met het lezen van “De twee naturen van de kerkelijke Christus – kritiek op Kuitert”

De valse profeten van de Charismatische beweging – #3

Laten we nog eens kijken naar een belangrijke tekst in verband met de claims van de Charismatische beweging.

2 Petrus 2:1 Maar er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die heimelijk verderfelijke afwijkingen in de leer zullen invoeren. Daarmee verloochenen zij zelfs de Heere, Die hen gekocht heeft, en brengen zij een snel verderf over zichzelf.
2 En velen zullen hen, door wie de weg van de waarheid gelasterd zal worden, op hun verderfelijke wegen navolgen.
3 En zij zullen u door hebzucht met verzonnen woorden uitbuiten. Het vonnis over hen is reeds lang in werking en hun verderf sluimert niet. Doorgaan met het lezen van “De valse profeten van de Charismatische beweging – #3”

Wie is toch de God van onze vaders? – De namen van God (1/30)

Ex. 3:13-15

“De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden.” Maar wie is Hij?

Het is blijkbaar niet genoeg om te zeggen dat “de God van onze vaderen” ons zal bevrijden. Dat ons voorgeslacht ergens in geloofde, brengt ons niet in een relatie met de God die zij kenden. Daarom moet er een nieuwe openbaring komen van de Naam, van Gods Persoon, voor deze generatie.

Dat veronderstelt wel dat die generatie een vraag stelt: “Wat is Zijn Naam?” Over Wie heb je het Mozes, wie is dan die God die bevrijden wil, tegen alle historische wetten en vanzelfsprekendheden in? Wie is Hij dan wel, dat Hij de ontembare dwang van de Farao breken kan?

De Naam is even krachtig als mystereus. Het lijkt er bijna op, dat het antwoord aan Mozes ontwijkend is. In een cultuur die gewend is vele namen te gebruiken, van Amon-Ra tot Osiris, zodat het karakter van een godheid nauwkeurig wordt vastgelegd, is deze Naam een niet-naam. “IK BEN DIE IK BEN”. Op de plaats in de zin waar de Naam moet staan, wordt het begin herhaald. “Wie ben jij? Ik ben wie ik ook maar ben. Hou maar op met vragen.” In de zin waarin naar die Naam wordt gevraagd – zodat deze god onderscheiden kan worden van al die andere, zodat Hij náást die andere goden zijn plaats krijgt, krijgt Mozes geen naam te horen.

Maar tegelijkertijd is dit een Naam die alle andere namen overtreft door de belofte die erin besloten ligt. Dit “zijn” van deze God is niet een onverschillig bestaan, maar juist een aanduiding van een onbegrijpelijke tegenwoordigheid binnen de geschiedenis. “Ik zal er voor jullie zijn, steeds zó, als ik er voor jullie zijn wil.” Hij is niet vast te leggen op een bepaalde eigenschap. Van deze God kun je en daarom mag je ook geen beeld maken. Deze God ontplooit een ontelbare veelheid van eigenschappen steeds zó als Zijn volk het nodig heeft. “Ik zal er voor je zijn, zoals ik er voor jou zijn zal. ”

Moet het als een “eigennaam” klinken, dan kan Mozes de korte formule gebruiken: JHWH, “Hij zal er zijn” betekent dat vermoedelijk, of: “Hij zal het doen zijn.” Dat is de God die hoog verheven boven alle goden van Egypte, Zich toch bemoeit met de geschiedenis van de kinderen van Abraham. Hij heeft Mozes gezonden, en in die zending ligt een raadsbesluit opgesloten: de Heere zal Zijn volk bevrijden uit Egypte. Hij doet het en Hij alleen. Mozes mag het aankondigen. De zogenaamde goden – letterlijk, die de naam van een god dragen – staan machteloos. In tien plagen wordt getoond hoe machteloos de Egyptische goden zijn over hun vermeende levensterrein. En wanneer zij zijn verslagen, is deze HEERE nog steeds God. “Dat is Zijn Naam voor eeuwig, dat is Zijn Naam die herinnerd, gevierd, vereerd moet worden, van de ene generatie op de andere. Zodat niemand meer vragen kan: wie is toch de God van onze vaderen?

Het Verbond met Abraham – Bijbelse Theologie #5

Dit is deel 5 van de nieuwe serie Bijbelse Theologie, gebaseerd op “Bij de Bron” van Dr. P. ten Have.

Het uitgangspunt van dit gedeelte vinden we in Hebreeën 11:8

“Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats die hij ter erfenis zal ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.”

Doorgaan met het lezen van “Het Verbond met Abraham – Bijbelse Theologie #5”