(On-)voorwaardelijke roeping – de soevereiniteit van God in het geding

“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.” (Mat. 9:13)

Wie worden dan wel geroepen en wie worden dan niet geroepen? Zijn dat nou zondaars in het algemeen? Want die zogenaamde “rechtvaardigen” zijn toch alleen in eigen ogen rechtvaardig, maar tegenover God net zo zondig als degenen die weten niet rechtvaardig te zijn? De tekst lijkt ons te zeggen, dat Christus niet gekomen is om alle zondaars te roepen, maar alleen diegenen die weten zondaars te zijn. “Christus kwam niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars, dat is gevoelig of met levend bewustzijn belaste zondaren tot bekering” zegt John Owen. Niet zondaars in het algemeen dus, want dat zijn alle mensen. De “rechtvaardigen” daarbij inbegrepen.

De consequentie is dat het evangelie alleen aan sommigen wordt aangeboden. Alleen diegenen die van zonde overtuigd zijn, zijn waarlijk zondaren, en alleen zij kijken uit naar de verlossing en alleen zij worden dus geroepen tot bekering. Alleen het verloren schaap wordt gered, maar dat is het schaap dat beseft verloren te zijn. Niet degenen die zeggen dat ze hopen op de verlossing, maar hen die zeggen dat er geen hoop is. 

Hoe zit het dan met die “rechtvaardigen” die toch evenzeer, omdat ook zij zondaars zijn, de genade nodig hebben? Zolang zij menen de genade niet nodig te hebben en zondaars te zijn, hebben zij te maken niet met het evangelie van de genade, maar met de Wet. De overtuiging van de zonde moet eerst worden gewekt, voordat het evangelie de genade aan hen verkondigen kan. 

Immers,  een drenkeling die meent zich door eigen zwemvaardigheid te kunnen redden, zal de uitgestoken hand niet aannemen die hem redden zal. Pas wanneer de ernst van de situatie tot hem doordringt en hij zich dus een drenkeling weet,  zal hij hulp aanvaarden. Tot dat moment zal hij zich zelfs verzetten tegen degene die hem uit het water probeert te halen. 

In ons vers sluit Jezus dus juist de waanrechtvaardigen – uitdrukking gevonden bij A. Weremeus – uit van zijn oproep tot bekering. 

Wat is in deze kwestie nu eigenlijk in het geding? Wanneer, als sommigen menen, het aanbod van genade en de roeping tot bekering alle zondaars gelden, dan is de verwerping van die roeping een weerstaan van Christus. Dan beslist de mens over de effectiviteit van die roeping en kan hem in geloof aanvaarden of in ongeloof verwerpen. Als we het vers dus zo begrijpen dat de Heer Jezus alle zondaren roept, dan verleggen we de laatste grond van het behoud naar de menselijke keuze voor of tegen Christus. De roeping door Jezus heeft dan geen effectiviteit. Het geloof van de mens komt daarmee voorop te staan. 

We kunnen daaraan wellicht ontkomen wanneer we verschil maken tussen een algemeen aanbod van genade en de roeping door Christus. Zoals Paulus spreekt over “God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4). Dat is niet de onweerstaanbare wil van Gods almacht, maar een uitvloeisel van Gods wezen. Hij kan het niet niet willen omdat Hij goedheid is, maar Hij wil het uiteindelijk niet, omdat Hij ook Zijn gerechtigheid en heiligheid tot uitdrukking moet brengen. Of zoals de prediking van Paulus wordt weergegeven in Hand.17:30, waar het God Zelf is die “verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren.” Sommigen die deze boodschap hoorden hebben haar ongetwijfeld verworpen: “sommigen spotten daarmee” zegt vers 32. Maar ook dit is een uitdrukking van Gods wezen en geen bevel dat onweerstaanbaar zal blijken te zijn. 

Tegenover dit algemene aanbod van genade binnen de regeringswegen van God kunnen we dan de effectieve roeping stellen die in Joh.3 als de wedergeboorte wordt aangeduid, en die in Rom.  8:30 dan zo wordt uitgedrukt:

“En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd.”

Wie kwam de Heere Jezus dus roepen en d.w.z. redden van het oordeel? Is dat de onbekeerde of de bekeerde zondaar? De bekeerde zondaar is al geroepen, lijkt het. Maar als dat de onbekeerde zondaar is, dan is er geen reden om de rechtvaardigen daarbij uit te sluiten omdat zij immers alleen “waanrechtvaardigen” zijn. Zij zijn toch evenzeer onbekeerde zondaars. En als we hen echter moeten uitsluiten, en de Heere dus niet kwam om hen te roepen, dan zijn de hier bedoelde “zondaren” degenen die weten zondaars te zijn – indien zij dat niet wisten, waren ook zij waanrechtvaardigen. 

Maar kan iemand dan weten een zondaar te zijn, zonder dat de Wet het hem heeft duidelijk gemaakt? Of is het juist de ontmoeting met de genade die in Jezus Christus openbaar is geworden, waardoor een mens zich van zijn zonde bewust wordt? Of zijn het nu precies deze beide elementen tezamen, die inbegrepen zijn in de roeping van zondaars? Is dat niet de tweevoudige wijze waarop de Heere geroepen heeft: door genade te schenken die ook bewijst waarom de genade nodig is? 

Moeten we niet vermijden dat we de grondslag van de roeping gaan leggen in het bewustzijn van een mens een zondaar te zijn? De soevereiniteit van de roeping door Christus wordt zeker verzwakt wanneer we aannemen dat die alleen voorwaardelijk is, en afhangt van het geloof of ongeloof van een mens. Maar wordt die soevereiniteit niet evenzeer verzwakt door de aanname dat alleen de zondaar die door schuldgevoel gebroken is, het evangelie kan horen en aannemen? Ook dan wordt aan de effectieve roeping door Christus een voorwaarde gesteld. Ook al is deze van andere aard en wordt niet de actieve aanname  van het evangelie maar het passieve besef van zonde als voorwaarde begrepen. 

Vanuit de Schrift moeten we toch zeggen dat de Heere Jezus zowel bij de Samaritaanse vrouw, die Hij aan haar zondestaat ontdekte, als bij de schriftgeleerde Nicodemus in zijn waangerechtigheid een bekering tot stand bracht. Daarom ontbreekt het onderscheid ook in Rom.8 – een ieder, dus zowel de waanrechtvaardige als de geknakte zondaar – wordt volgens Zijn voornemen geroepen, en dat is dus volstrekt in overeenstemming met Zijn soevereiniteit. Onvoorwaardelijk.

En zij is toch mijn zuster….

Kom en leer: “Zij is inderdaad mijn zuster; zij is de dochter van van mijn vader, maar niet van mijn moeder.” Gen. 20:11. Bewijst dit, dat de dochter van zijn moeder verboden is? Nu, is dat logisch: was zij dan zijn zuster? Zij was de dochter van zijn broer, en om die reden, of [die broer nu] van zijn vader of zijn moeder [is], aan hem toegestaan. Maar Abram verklaarde aan hem [Abimelech] aldus: “zij is de dochter van mijn broer aan mijn vaders kant, maar niet aan mijn moeders kant.” [Dat zei Abram om exact te zijn..] (BSanhedrin 58b)

“Zeg toch dat je mijn zuster bent…” De angst van Abram, eerst in Egypte en later bij Abimelech, om Sarai zijn vrouw te noemen, zegt evenveel over die koningen als over Abram. Abram, geroepen om het middel te zijn waarmee de Heere “alle geslachten van de aardbodem” zou zegenen, wordt bij de Farao het middel van een zware plaag die het hele gezin treft. De geschiedenis veronderstelt bij beide koningen het gebruik dat een jonge mooie vrouw bij de harem gevoegd kon worden tegen haar zin in. Als zij niet getrouwd was, betaalde de koning een bruidsschat aan het verantwoordelijke familielid; als zij getrouwd was, kon de zaak worden beslist door de echtgenoot te (laten) vermoorden. (Een echo van dit koninklijk geweld horen we in de geschiedenis van David en Bathseba.)

Door die angst gedreven vraagt Abram tot twee maal toe of Sarai voor hem liegen wil. “Zeg toch dat je mijn zuster bent. Anders zullen zij jou nemen en mij vermoorden.” Geeft dat echter een oplossing? Als de Egyptenaren denken dat Sarai zijn zuster is, zullen ze Abram niet doden. Het zal hem zelfs “goed” gaan, hoopt hij. Zeker. Nu is er geen noodzaak het huwelijk door de dood te ontbinden, wat de cynische oplossing kan zijn wanneer goddelijk recht zelfs in Egypte de onschendbaarheid van het huwelijk gebiedt. Maar beste Abram, intussen hebben ze wel jouw vrouw Sarai in de harem van de Farao opgenomen. Hoe kan dat een happy ending zijn?

Er is vanuit joods perspectief nog een probleem, want we willen niet dat Abraham, die in zoveel opzichten voorbeeldig is, een angstige leugenaar is die niet op de steun van de Heere vertrouwt. De gemara in Sanhedrin 58b zegt dan ook dat hij niet gelogen heeft. Maar is hij dan met zijn zuster getrouwd? Dan breekt hij met de wet van Mozes terwijl de aanname juist is, dat Abram de gehele Torah hield zonder die vanaf de Sinaï ontvangen te hebben. Hoe kunnen we dit dilemma vermijden? Ofwel Abram liegt, want Sarai, zijn vrouw, is niet zijn zuster. Ofwel Sarai is inderdaad zijn (half-)zuster, maar dan is hun huwelijk een verboden relatie. 

Als Sarai echter de dochter van zijn broer was, een nicht dus, dan kan hij haar zijn zuster genoemd hebben. Die relatie was niet verboden, zeker niet als zijn broer ook een halfbroer geweest is. Dat lost het probleem dus op. Zij is zijn zuster omdat zij de dochter van zijn broer is – de term achot wordt dan zo opgerekt dat zij ook de nichten kan omvatten. De gemara benadrukt dan ook nog het feit dat het gaat om een halfbroer van vaders zijde. Alles keurig in orde dus.

Blijft alleen nog het probleem dat Abram blijkbaar accepteert dat zijn vrouw in een harem verdwijnt, terwijl het hem als de gewaande broer juist goed gaat. Heeft Abram een irrationeel vertrouwen in God? Zal de Heere Sarai dan redden, gelooft Abram dat, zoals Hij dat ook inderdaad gedaan heeft? Je kunt je afvragen of de Schrift een dergelijk vertrouwen voor de redding van Sarai bij Abraham veronderstelt. Immers, diezelfde Schrift laat juist blijken dat Abram er niet op vertrouwt dat de Heere zal redden wanneer hij de waarheid spreekt. Dat lijkt toch heel logisch: als Abram vertrouwen heeft in Sarai’s redding, zou hij dan geen vertrouwen hebben gehad in zijn eigen redding? 

De oplossing moet dan toch liggen in wat ik zou noemen de compromisloze eerlijkheid waarmee de Schrift over de mens spreekt. Abram is een lafaard, die in zijn overwegingen de vernedering (verkrachting) van zijn vrouw minder zwaar acht, dan het gevaar voor hem. Op het eerste gezicht is dat niet eens onjuist. De moord op Abraham laat geen vervolg meer toe, het is het einde van het verhaal. De overdracht van Sarai in de harem van Farao is echter eveneens een einde. Weliswaar, zo nemen we aan, niet van het leven van Sarai, maar wel van de toekomst die door Abram en Sarai beide gedragen moet worden. 

Niet onjuist, de inschatting van het gevaar lijkt een nuchtere afweging. De fout ligt niet in de uitkomst van deze berekening, maar in het feit van het rekenen zelf. Dit is niet het vertrouwen dat Abram uiteindelijk wel in de Heere zou stellen, op dat beslissende ogenblik in zijn leven, onderweg naar Moria: “De Heere zal zichzelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon.” Dat is dan ook de doordringende analyse van de Schrift. Dat een weifelende, laffe Abram, die het eigen welzijn al rekenende hoger acht dan dat van zijn vrouw, kan uitgroeien tot een mens die geheel zijn leven en geheel zijn toekomst in de handen van de Heere God legt. En eenvoudig gehoorzaamt in alles wat de Heere hem beveelt.

Kinderen in de Eredienst – gesprek met Elke van der Linden

In gesprek met Elke van der Linden.

Kinderen in de eredienst? In de coronatijd als een “kindermomentje” in de digitale eredienst? Nevendienst of zondagsschool? Is het een opdracht aan ons kinderen het geloof “in te prenten”? Hoe werkt geloofsopvoeding eigenlijk?
Allemaal vragen die – ondanks het vaak geringe aantal kinderen in onze erediensten – toch nog steeds een rol spelen.