Aanvaard je het testament? – fragment van de preek van 21 februari 2021

Hebreeën 9 maakt duidelijk de dood van Christus noodzakelijk was om de zegeningen van het Testament (diathèkè in het Grieks betekent hetzelfde als “verbond”) aan de Zijnen te kunnen doorgeven. De testamentmaker moet sterven. Maar wat gebeurt er wanneer iemand dat testament niet aanneemt? Krijgt hij of zij dan tóch de zegeningen van dat testament?

Fragment van de preek over vooral dit ene onderwerp.

Waar ik sta…

Laat ik mijn vorm van geloven, mijn manier van theologie bedrijven, gewoon benoemen met de geuzennamen die het in onze tijd heeft. Voor sommigen mag het (neo-)orthodox heten – want ik lees veel Barth en spreek soms Barthiaans – voor anderen is het “evangelisch” – want ik hecht aan persoonlijk doorleefd geloof en stel Christus als Heer en Heiland centraal. Voor anderen mag het “dogmatisch” heten want ik neem de Bijbel heel serieus, het is het Woord van God, en “dogma’s” zijn voor mij gewoon korte formuleringen van de waarheid die in Gods Woord te vinden is.

Dogmatisch dus. Dogma’s zijn formulering van de waarheid. Waarheden dus waar ik maar ook andere Christenen “op een of andere manier, in een of andere mate” aan gebonden zijn. Dogma’s zijn net als de witte strepen aan weerskanten van de weg. Ze zijn niet bedoeld om het rijplezier weg te nemen, maar bevorderen de veiligheid. Het is de bedoeling dat je ermee “op de weg blijft” en niet in de berm belandt.
Ik word orthodox genoemd door christenen die menen dat ze geen belijdenis nodig hebben en dat alleen de moderne cultuur met haar speelse vertelsels het gewaad van het evangelie mag zijn. “Modern” noemen ze zich.

Ik heet “evangelisch” bij mensen die een hekel hebben aan “hallelujageroep” en liever niet over hun persoonlijk geloof praten. Als ze het al hebben.

Ik heet “dogmatisch” bij vrijzinnigen die graag “ondogmatisch” willen zijn, want dogma’s zijn alleen maar benauwend, statisch, star en verstarrend. Men wil graag met een zeilboot het ruime sop kiezen zonder met vaargeulen rekening te hoeven houden.

Mijn punt is, dat ik het niet erg vind, dat al die mensen – modernen, vrijzinnigen – mij zo betitelen, want ze hebben me niet geheel en al verkeerd begrepen. Ik ben dan ook lid van de Confessionele Vereniging én van het Evangelisch Werkverband in de PKN. [Update: toen het Evangelisch Werkverband het Charismatisch “Er is méér” Genootschap bleek te zijn, heb ikmijn lidmaatschap opgezegd.] Ze hoeven er ook niet over te fluisteren dat ze mijn manier van geloven en denken in hun hart afwijzen. Want reken maar dat ze dat doen. Ik vertegenwoordig precies datgene waar zij graag afstand van willen nemen. En dat is ook wederzijds: zij vertegenwoordigen voor mij precies datgene waar ik afstand van genomen heb. Lees maar mijn roman: De Zegen van Ruben Verwij waar ik een hoofdpersoon veertien jaar vrijzinnigheid laat meemaken.

We zullen dus altijd een beetje ongemakkelijk tegenover elkaar staan. En denken dat een ander mijn geloof afwijst – neen, ik wijs een theologie af, een presentatie van het evangelie, een manier van Bijbellezen, en daar heb ik argumenten voor die in een gesprek kunnen worden uitgewisseld. Net zo min als mijn geloof, vind ik het belangrijk wat jij gelooft. Wij zijn allemaal zondaars en ons persoonlijke geloof stelt niet zoveel voor. Ik wil juist wegkijken van ons “geloof”, onze meningen en persoonlijke overtuigingen. Ik wil juist onze “ervaringen” vergeten want die vertellen ons niet de waarheid, die weerspiegelen die waarheid hooguit. Ik wil niet naar de slagschaduw, maar naar de zon kijken. Ik wil kijken naar het evangelie van Jezus Christus dat we gemeenschappelijk hebben.

Onze meningen houden ons vast in de verdeeldheid, alleen Christus Zelf kan ons verbinden. Maar Hem komen we tegen, Hem ontmoeten we alleen in Geest en in Waarheid – d.w.z. in de gelovige lezing van Gods Woord.

Maar ik vind onze geloofsverschillen helemaal niet zo erg als we samen presteren wat nu van ons gevraagd wordt: dat we samen beraadslagen over wat het evangelie betekent. Niet “voor ons”, niet wat het ons persoonlijk doet, maar wat het evangelie nu eigenlijk zegt en is.
Als zij de Bijbel anders lezen – OKAY! – als zij de Bijbel in het geheel niet lezen en hun standpunt er niet op funderen – NIET OKAY!

Je kunt geen gesprek hebben als je niet een gezamenlijk onderwerp en referentiekader hebt. Dat gezamenlijke onderwerp is: wie is Jezus Christus. Dat referentiepunt: wie zegt de Bijbel dat Jezus Christus is? Akkoord?

Akkoord. Laten we dan beraadslagen. Laat de Bijbel open gaan en ons toespreken. Laat Christus over ons lichten. Dan doen de etiketten er in het geheel niet toe.

Kerkelijk recht en krom

 

I

Wat is de betekenis van kerkrecht? Dat is het geheel van regels voor het bestuur van de kerk in zoverre het een gemeenschap van mensen is, die een organisatie van hun activiteiten en relaties behoeven. Komt dat al voor in het Nieuwe Testament? Nee. Wel de verwijzing naar geboden en verboden in verband met huwelijk en echtscheiding. Wel de opdracht om bij geschillen tussen broeders – vermoedelijk geschillen over “burgerlijke” kwesties zoals eigendom en erfenis – niet te rade te gaan bij de wereldlijke rechtbank, maar bij de “heiligen”. (1 Kor. 6:1-5) “Is er dan niemand onder u die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?” (1 Kor. 6:5). Wel de opdracht om “buiten te sluiten” als een broeder zich schuldig maakt aan ontucht, hebzucht, afgoderij, laster, dronkenschap of diefstal. “Doe de kwaaddoener uit uw midden weg” (1 Kor. 5:13). Eigenlijk zijn dat de belangrijke aanwijzingen voor het kerkrecht. Het is maar de vraag of men daaraan gedacht heeft bij de opstelling van de regels, en of niet duidelijk is dat men doorgaans grote delen van dit “recht” uit het oog heeft verloren.

Maar is dat wel het onderwerp? Ik zei: “kerkelijk recht” en niet “kerkrecht.” Ik maak onderscheid tussen die twee. Wat is kerkelijk recht? Dat is het aan de gemeente van Jezus Christus onderwezen en de in de Schrift betuigde openbaring van de gerechtigheid die tussen mensen – gelovigen of ongelovigen – zopu moeten heersen. Kerkelijk recht is het ideale recht, dat ons ook leidraad moet zijn in onze houding tegenover de overheid, en die als basis dienen moet voor wat we kerkrecht moeten noemen. 

Nu is het doorgaans zo, dat men het evangelie ziet als een morele zaak, die zich niet laat verbinden met rechtsregels. Genade gaat toch altijd boven wet, en wij worden niet behouden door het navolgen van de wet en liefde is toch het antwoord op alle morele vragen? Dat heeft wel degelijk betekenis, en de verwijzing naar dergelijke beginselen is niet zonder kracht. Maar een wet-loos evangelie, een genade zonder ethiek, is in staat ongerechtigheid toe te dekken. We kennen de verhalen over de aarzeling waarmee men meldingen van sexueel misbruik in de kerk heeft ontvangen. De onwil en het onvermogen om resoluut te kiezen voor de slachtoffers en “de boosdoeners uit ons midden weg te doen.” Een bestuurlijk ethos van louter genade werkt zedeloosheid en zonde in de hand. Overplaatsing van een priester maakt geen einde aan misbruik, maar verspreidt het alleen. Ambtsherstel voor een gevallen dominee op grond van emotionele uitingen van berouw, is een klap in het gezicht van de slachtoffers.

Wanneer Jezus ons zegt dat onze “gerechtigheid groter moet zijn dan die van de Farizeeën” is dat geen aanbeveling van voor alomvattende vergeving, d.w.z. negeren van zonden. Grotere gerechtigheid is precies wat het woord zegt. Dezelfde Jezus laat ons merken dat Hij niet gekomen is om de Wet of de Profeten te ontbinden, maar om te vervullen. Hij is immers het einddoel van de Wet. Dat betekent geen afschaffing, maar juist intensivering van de Wet, ondanks de gelijktijdige aanscherping van de rol van de vergeving en de noodzaak van verzoening – waar mogelijk ook tussen mensen. 

 

II

 

Daarom mogen we deze tekst uit Deuteronomium (Dt. 1:16-18) lezen als een aanwijzing voor het kerkelijk recht – en daarmee ook als fundament voor kerkrecht.

We zetten het hier op een rijtje:

1. Er moeten rechters zijn – “is er dan niemand onder u die wijs is?”

Wanneer Mozes niet alleen de wet moet doorgeven, maar ook degene is die de wet uitlegt en toepast wordt zijn taak te zwaar. Blijkbaar zijn er veel conflicten over uitleg en toepassing. Blijkbaar is het volk Israël in de woestijn kwetsbaar voor zonden juist in de onderlinge verhoudingen. Vandaar de opdracht:

Geef voor uzelf (dus geen rechters uit het buitenland), ingedeeld naar uw stammen (dus representatief voor het hele volk), wijze (met praktische kennis van de Torah), verstandige (met een ontwikkeld oordeelsvermogen) ervaren (dus geen jonge mensen zonder levenservaring) mannen, dan zal ik hen tot hoofd (niet in politieke zin, maar wel zodanig dat zij als rechters gezag uitoefenen over de partijen in een geschil) over u aanstellen (zodat niemand zichzelf kan opwerpen als rechter in een zaak).

2.  De aanstelling van rechters behoeft instemming van het volk 

“Toen antwoordde u mij en zei: de zaak die u hebt gezegd te doen, is goed.” 

3. Rechtbanken moeten in verschillende “lagen” worden ingesteld

“…stelde hen tot hoofd over u aan, leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.”

4. Rechtbanken moeten worden ondersteund door ambtenaren, die aan het volk en niet aan de rechters verantwoording verschuldigd zijn.

“…en beambten voor uw stammen.”

5. De taak van de rechters is het luisteren naar een geschil dat wordt voorgelegd, niet dat zijzelf het initiatief daartoe nemen.

“Ook beval ik in die tijd uw rechters: “luister naar [de geschillen, d.w.z. datgene wat hier “tussen” broeders een conflict geeft].

6. De veronderstelling zelfs bij het conflict is, dat de partijen “broeders” zijn, d.w.z. zij in beginsel in een goede relatie (kunnen) staan.

Dat is een aanwijzing voor de rol die het rechterlijke oordeel moet spelen. Geen harde en onpersoonlijke gerechtigheid maar zoveel mogelijk het herstel van de geschonden relatie is het doel. 

7. Het oordeel mag echter niet alleen relatie-herstel zijn, het is geen “mediation”, maar er moet recht worden gedaan.

“Oordeel rechtvaardig tussen een man, zijn broeder.”

8. De rechtspraak moet zelfs “rechtvaardig” zijn wanneer er sprake is van een geschil tussen een Israëliet en een vreemdeling. Er moet recht worden gedaan.

Dat geldt uiteraard alleen maar voor de vreemdeling die in een of andere relatie tot de broeder staat: “…en de vreemdeling die bij hem is.” 

9. De rechterlijke uitspraak moet een zuivere toepassing van het recht in het onderhavige geschil zijn. 

“U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak.” 

10. Er mag geen verschil worden gemaakt tussen aanzienlijken en onaanzienlijken, er mag een klasse-justitie zijn. 

Ook niet wanneer dat het gevolg zou zijn van een financiële drempel voor sommigen.

11. De rechtspraak moet zichtbaar zijn gevrijwaard van intimidatie en omkoping.

De rechtspraak zou kunnen verlopen langs politieke voorkeuren, er zou sprake kunnen zijn van belangenverstrengeling, omkoop, of intimidatie en bedreiging. Omgekeerd moet elke poging tot beïnvloeding van de rechterlijke uitspraak door derden worden bestraft. “Want de rechtspraak behoort aan God.”

12. Er moet ruimte zijn voor een hoger beroep en er moet dus een hoogste rechtbank zijn.

“Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.” Is dit een aanwijzing voor een Hooggerechtshof? Of voor een uiteindelijke politieke beslissing over de wetsuitleg? Een hoogste beslissing toewijzen aan Mozes zou beide kunnen betekenen.   Ook in latere tijd is het bij voorbeeld Salomo die tegelijkertijd als hoogste politieke en als rechterlijke macht optreedt. 

 

III

Wat te doen met deze aanwijzingen vanuit het Oude Testament? Is dit behulpzaam bij het beoordelen van ons kerkrecht? Zowel naar de theorie ervan als naar de praktijk? 

Toen een gemeente in Nederland om losmaking verzocht van haar predikant – vrij vertaald: ontslag vanwege het “niet meer vruchtbaar kunnen dienen van de gemeente” – begon een procedure van kerkrecht.

Een commissie zou de hoogste rechter zijn (1) – maar hadden zij kennis van het kerkrecht? Waren het theologen die het kerkelijk recht in de Bijbel kenden? Welnee. Predikanten, ouderlingen en een paar juristen dienden in de commissie. Niemand behalve de adviseur van de commissie – die al eerder als mijn aanklager was opgetreden – kon het kerkrecht aan ze uitleggen.

Hebben zij geluisterd naar het geschil? Welnee. Ze lieten alleen samenvatten wat al schriftelijk al gezegd was – de kerkenraad en hij. Hebben zij daarbij vragen gesteld en toelichting gezocht? Welnee. Het was alleen maar formeel. Hebben ze de kerkenraad het woord ontnomen toen ze met nieuwe en absurde beschuldigingen kwamen? (” Dominee heeft mijn advies inzake een belastingconsulent niet aangenomen dus is het iemand die nooit luistert…”) Welnee. In strijd met (5) dus. Werd er “recht”  gedaan? Werd het geschil besproken om te zien wat hier de waarheid was? Welnee. Het ging om de bevestiging van het voornemen van de kerkenraad, daarvoor moest een grond worden gevonden. Hebben zij die gevonden? Jazeker.  Ze bedachten een mooie truc: omdat de dominee niet uitdrukkelijk had gezegd dat hij het ontslag aanvocht – d.w.z. hij had die woorden niet letterlijk gebruikt, maar inhoudelijk op de redenen geantwoord van het verzoek van de KR – daarom werd zijn bezwaar afgewezen. In strijd dus met (9). 

Maar was dit alles in strijd met het kerkrecht? Welnee. Het kerkrecht was prima gevolgd. De verschillende commissies – KR, districtsvergadering, Commissie ambten – hadden gedaan wat volgens de kerkregels mocht. Die regels maakten het alleen mogelijk dat het kerkelijk recht, de Torah, de gerechtigheid volgens de Schrift met voeten werd getreden.

Zo hebben valse beschuldigingen, een atmosfeer die iedereen tot consensus dwong, een kerkenraad die liever moeilijkheden uit de weg ging dan ze op te lossen, een commissie die alleen de feitelijke breuk wilde bestendigen en formaliseren, precies tot het resultaat geleid van het soort van (on-)recht dat de samenleving zo vaak kenmerkt. 

Daarom wordt het tijd dat we gaan luisteren naar het jodendom, want Christenen hebben geen benul van wat gerechtigheid is. Omdat we de Torah niet kennen, en de Bijbel niet willen toepassen op de praktische vragen van dit moment.

Het kerkrecht kan ons niet redden voor onrecht.

Gods Woord als een spreken van God – in gesprek met Karl Barth – KD I,1, pp124 – 145

In een eerdere bijdrage hebben we al gesproken over de drievoudige gestalte van Gods Woord volgens Karl Barth. Gods Woord is in de eerste plaats het vleesgeworden Woord, maar dan ook het geschreven Woord en tenslotte het verkondigde Woord. Deze drie gestalte van het Woord zijn samen het ene Woord. Het is, in de woorden van Bart, een analogie van de drie-eenheid. Misschien wel de enige echte analogie. (. Een “onechte” zou dan bijvoorbeeld zijn de vergelijking met de zon, zonlicht en zonnewarmte.) Doorgaan met het lezen van “Gods Woord als een spreken van God – in gesprek met Karl Barth – KD I,1, pp124 – 145”

Is Theologie een wetenschap?

(Gebaseerd op Thomas van Aquino, Summa Theologiae, Ia, Q1, a. 4.)

O.1.

Het lijkt uitgesloten dat we in de theologie te maken hebben met een echte wetenschap. Er zijn twee redenen voor aan te wijzen. In de eerste plaats is het kenmerkend voor een wetenschap dat ze op beginselen is gebaseerd die vanzelfsprekend zijn. De uitgangspunten van de natuurwetenschap bijvoorbeeld worden door niemand bestreden. Die uitgangspunten behoeven ook geen nader bewijs. Natuurwetenschap is de kennis van natuurlijke processen gebaseerd op natuurlijke oorzaken. Het is een verklarende wetenschap van datgene wat in ervaring en experiment gegeven is. De theologie heeft echter geen onomstreden uitgangspunten, en ze is niet gebaseerd op ervaring of experiment. De mogelijkheid van theologie wordt zelfs niet door iedereen erkend. Daaruit kun je alleen maar concluderen dat theologie in deze moderne zin van het woord geen wetenschap kan zijn.

O.2.

Er is nog een tweede reden dat theologie geen wetenschap kan zijn. Wetenschap, met uitzondering van de geschiedenis als wetenschap, is niet geïnteresseerd in individuele en unieke feiten. Een wetenschappelijk onderzoek naar de opstanding van Jezus is ondenkbaar. Een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheid van zoiets als een opstanding uit de dood daarentegen, is wel in beginsel en wetenschappelijk onderwerp. De theologie echte spreekt niet alleen over het universele, maar over de daden van Abraham, of van Mozes, of de betekenis van de teksten van Paulus. Dat maakt haar hooguit tot een historische wetenschap, maar niet een wetenschap in strikte zin.

Sed contra:

Toch wordt vanaf de vijfde eeuw de theologie opgevat als een wetenschap, in de zin van een geordende manier van weten die voorschrijft op grond van logische argumentatie. Augustinus zegt bijvoorbeeld dat de theologie over alle zaken gaat die te maken hebben met het geloof dat rechtvaardigt, dat wil zeggen het geloof dat behoudt van het oordeel. Alles wat het geloof kan opwekken, voelen, beschermen en versterken valt onder de theologie. Vanuit de traditie moet dus gezegd worden dat de theologie wel degelijk een wetenschap is.

Respondeo:

We moeten hier echter een onderscheid maken tussen twee soorten van wetenschappen. Er zijn wetenschappen die gebaseerd zijn op een beginsel dat wij vanuit ons natuurlijke verstand kunnen begrijpen en hanteren. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de meetkunde en de wiskunde. Er zijn echter ook wetenschappen die tot hun uitgangspunt bepaalde beginselen hebben, die in een andere wetenschap worden bewezen. In de kunst bijvoorbeeld bestaat zoiets als een “weten” over perspectief. Het inzicht in perspectief komt echter voort uit beginselen die door de wiskunde zijn vastgesteld. Op dezelfde manier is er een wetenschap van de muziek, die – afgezien van de muziekgeschiedenis – gebaseerd is op beginselen die in de wiskunde kunnen worden verhelderd en begrepen. Op diezelfde manier kunnen we nu zeggen dat de theologie een wetenschap is, niet omdat zij zelf over beginselen beschikt die vanzelfsprekend zijn, maar omdat zij vertrekt van beginselen die door een hogere vorm van wetenschap zijn vastgesteld. De menselijke theologie wordt geacht te zijn voortgekomen uit het weten van God zelf. De beginselen die besloten liggen in de openbaring van God zijn de beginselen waarop de theologie gebouwd is. Theologie als wetenschap veronderstelt openbaring, en daarmee veronderstelt zij een goddelijk weten. (De “sacra doctrina” is dus gebaseerd op”divina scientia.”)

Ad O. 1 en 2

Hoewel de beginselen van de theologie dus niet vanzelfsprekend zijn, kunnen ze worden opgevat als de conclusies van een hogere wetenschap. De beginselen van de theologie worden ontleend aan het weten van God Zelf, en als zodanig kan de theologie toch als een wetenschap worden beschouwd. Ondanks het feit dat het “weten” in de theologie gebaseerd is zuiver en alleen op de openbaring.
Het is waar dat de theologie zich ook bezighoudt met individuele feiten. Maar anders dan in de geschiedenis is de aandacht in de theologie niet gericht op de kennis van en de verklaring van dergelijke individuele feiten. De interesse van de theologie in individuele feiten zoals die in de openbaring gegeven zijn, kan van morele aard zijn. We zoeken naar voorbeelden voor ons eigen morele inzicht in het gedrag bijvoorbeeld van de aartsvaders. We kunnen ook geïnteresseerd zijn in het leven van de profeten, omdat we daarmee het gezag willen bevestigen van de mensen aan wie de goddelijke openbaring is toevertrouwd. Omdat de openbaring een geschiedenis van Gods daden behelst, is het evident dat de thelogie moet spreken over historische (heils-)feiten waarin God Zich geopenbaard heeft..

Daarom kan onze conclusie zijn dat de theologie in een hele bijzondere zin een wetenschap is, ondanks het feit dat haar funderende beginselen afkomstig zijn uit de openbaring. Haar onderzoek van individuele historische gegevens, wordt gemotiveerd door morele vragen en geleid door een interesse in de historische ontwikkeling van de openbaring.

In het moderne Engelse taalgebruik valt de theologie onder de “Humanities”, die scherp worden onderscheiden van de “sciences”, de empirische wetenschappen zoals die in de Moderne Tijd zijn ontstaan. Wij noemen theologie een wetenschap, omdat zij een menselijke vorm van weten is, gebaseerd op eerste beginselen, waarvoor een strikte logische procedure is voorgeschreven om daaruit conclusies te trekken. Ondanks het feit dat de openbaring is verondersteld, kan de theologie dus toch tot de wetenschappen worden gerekend. Zeker omdat we mogen aannemen dat ook voor de natuurwetenschappen geldt, dat de eerste beginselen van de natuurwetenschap uiteindelijk zijn ontleend aan de natuur zelf, en daarin uiteindelijk een fundering vinden.

[Dit is een parafrase en aanvulling op de tekst van Thomas.]

Of de mens of God het natuurlijke fundament van de ethiek is?

De middeleeuwse poging om de ethiek te funderen in de natuurlijke ordening van de wereld en van de samenleving, is in de moderne tijd niet geheel en al tot zijn eind gekomen. Waarom zou je de ethiek niet kunnen funderen in de menselijke natuur? Bij voorbeeld in het idee dat in de evolutie van de mens de ontdekking werd gedaan dat samenwerking beter was dan onderlinge strijd, en dat zorg voor anderen, zelfs voor de vijand, uiteindelijk beter was voor het eigen overleven. Overleving kan dan als de hoogste waarde worden gebruikt en de onderscheiding tussen goed en kwaad kan dan als een instrument van dit overleven worden gezien. De Nieuwe Atheïsten waren er goed in om een dergelijk natuurlijk mechanisme als vervanging van een theocentrische – in God gefundeerde – ethiek voor te stellen. Doorgaan met het lezen van “Of de mens of God het natuurlijke fundament van de ethiek is?”

Is de Christelijke ethiek een vorm van de seculiere ethiek?

Ethiek is de wetenschap die het menselijk handelen en zijn gevolgen onderzoekt voor zover dat kan worden gekarakteriseerd  met de begrippen goed en kwaad. We beoordelen een actie met behulp van gedragsregels of toetsen die aan waarden. Wordt in deze handeling de daarbij passende waarde gerealiseerd? Wordt door degene die handelt de in die situatie geldende gedragsregel gevolgd? Wat is de reikwijdte van deze regels en waarden? Waarop zijn de normen en waarden gebaseerd? Hoe worden ze in een gemeenschap gehandhaafd en doorgegeven? En wat zijn de goede of slechte gevolgen van een menselijke daad? Deze vragen omschrijven de inhoud van de algemene of seculiere ethiek.

Wat is dan “Christelijke ethiek”? Hier gaan de meningen uiteen. Is dat een algemene ethiek vanuit een Christelijk gezichtspunt, d.w.z. met behulp van specifiek Christelijke waarden ingevuld? Levert de seculiere ethiek dus het raamwerk dat dan vervolgens alleen door evangelische waarden moet worden ingevuld? 

Het antwoord op die vraag wordt in ieder geval bemoeilijkt door het feit dat in Europa twee verschillende typen van ethiek werden ontwikkeld. We kunnen immers besluiten om vooral te kijken naar de intenties van degene die handelt – die we vanaf nu de “actor” zullen noemen. Of we kijken naar de consequenties van die handeling – een positie die dan de naam “consequentialisme” heeft meegekregen. “Wat heeft de actor bedoeld?” of “wat zijn de gevolgen van zijn daad?” worden dan de twee vragen die ofwel zuiver of in samenhang met elkaar worden gesteld. Wie vooral de termen “goed en kwaad” gebruikt is waarschijnlijk te identificeren als ethicus in dit eerste type. Samengevat kunnen zowel de intentionele als de consequentiele ethiek als “teleologisch” worden aangeduid. Het gaat om het doel (telos) als effect of het doel als bedoeling in de ethiek. 

Daar staat een meer objectieve benadering tegenover die we naam “deontologisch” kreeg omdat het zwaartepunt nu verschuift naar de vraag of een handeling juist of onjuist,  “correct” of “incorrect” is. Volgens of tegen de norm? Is de handeling van de actor in overeenstemming met wat elke actor in die situatie behoort te doen? Het gaat dan vooral om wat “normen” of “plichten” kunnen noemen die omschrijven wat behoorlijk is. Een handeling is correct wanneer ze overeenstemt met de plicht die in die situatie geldt, ongeacht de intenties van de actor en zelfs ongeacht de gevolgen van zijn handeling. 

Een en dezelfde handeling kan vanuit deze verschillende typen van ethiek op een bijna tegengestelde wijze worden beoordeeld. Wie aan een bedelaar op het station in Brugge 10 euro geeft, handelt uit naastenliefde (intentie). Het feit dat de bedelaar een verslaafde is, die met dit geld geen voedsel maar drugs koopt, maakt de handeling echter (moreel) kwaad.  De consequentialist kijkt naar de aanschaf van drugs als een kwaad gevolg dat de handeling immoreel maakt, terwijl de subjectieve moralist de goede intentie prijst.  

In de deontologische ethiek zijn noch de intenties, noch de gevolgen relevant en er wordt alleen gekeken naar de vraag of de aalmoes aan de bedelaar een plicht is – wat volgens Kant bij voorbeeld alleen zo kan zijn, wanneer we het in gedachten als een natuurwet zouden kunnen opvatten die het gedrag van alle mensen vastlegt. (Het ontzien van andermans eigendom is dus plicht, omdat het een universele regel is of zou moeten zijn. Als die regel niet zou gelden is niemand zijn eigendom zeker.) 

De grote vraag wordt nu, aan welke bronnen de regels, plichten, normen en waarden ontleend zijn? Hoe weet iemand wat de goede/correcte, of de kwade/incorrecte handeling is? Dat is zelf al een ethische vraag: tot welke bronnen zou men zich moeten wenden om morele regels te leren kennen? Zelfs de filosofische vraag welke van beide typen van ethiek correct is, wordt een morele vraag. Immers, als men oordeelt zonder te kijken naar consequenties zoals in de deontologie, handelt men dan niet foutief volgens het consequentialisme? En stel dat dat de juiste theorie is? (Maar dan ook, hoe stellen we vast wat de “juiste” theorie is?) 

Hoe is nu een Christelijke ethiek mogelijk? Is er een aansluiting mogelijk bij de seculiere ethiek? Het ligt voor de hand om vast te stellen dat de seculiere ethiek bij het beoordelen van alle theoretische en praktische ethische vragen uitsluitend te kijken naar de realiteit van het menselijke bestaan. De vraag naar het goede is de vraag naar wat goed is voor een mens en gezien vanuit de menselijke realiteit. De deontologische vraag wordt dan: wat zijn de plichten die aan elk mens als mens toekomen? Wat zijn de handelingen die het menselijk bestaan bevorderen? Dat kan fraai worden samengevat in de uitspraak van Protagoras in een van de dialogen van Plato: “de mens is de maatstaf van alle dingen.”

Het is niet moeilijk in te zien dat de Bijbelse ethiek – als we daarvan kunnen spreken – in ieder geval de grondslag niet legt in het menselijke bestaan. De ethiek wordt gedomineerd door de wil van God en niet door de wil van de mens. Het is het onderwijs van God in de Torah – met zijn wettelijke voorschriften, instellingen, oordelen, gedragsregels etc. – is de bron voor het morele besef en van de beoordeling van menselijk handelen.  Kan een deontologische ethiek verenigbaar zijn met het theocratisch absolutisme? Ze zijn toch eerder elkaars tegendeel. De ethiek van de absolute imperatief en de imperatief van de vrijwillige opvolging van morele regels, die door een individu redelijk kunnen worden verantwoord, staan op gespannen voet met elkaar. 

We kunnen dat eenvoudig aan één enkel voorbeeld verduidelijken, namelijk de wijze waarop Immanuel Kant in zijn (deontologische) ethiek spreekt over Gods bevel aan Abraham om Izaak ten offer te brengen. In Bijbels perspectief is alles wat God beveelt een plicht voor de mens, ongeacht wat Hij gebiedt. In Kants oordeel had Abraham moeten beseffen dat het bevel van God immoreel was en had hij daarom moeten concluderen dat het niet van God afkomstig kon zijn. Het voorafgaande menselijke oordeel over goed en kwaad gaat in dat geval vooraf aan de vaststelling of we met een goddelijk of met een duivels bevel te maken hebben. De mens beschikt over het onderscheid van goed en kwaad.  In Bijbels perspectief is het echter duidelijk dat Abraham aan God gehoorzaam moest zijn, en dat zijn menselijke afwegingen, hoe “juist” die ook zijn in het geval van een goddelijk bevel geen betekenis kunnen hebben. God gebiedt, de mens volgt. Sterker nog: het goede is al datgene wat God gebiedt. Men spreekt dan van een theologisch absolutisme als we het over deze opvatting hebben.

De opdracht om Izaak te offeren lijkt op een parodie. Het universele oordeel dat een moord plegen een kwaad is, dat het vermoorden van een onschuldige met voorbedachte rade en onder het voorwendsel van een religieuze daad dat kwaad nog groter maken, wordt in deze geschiedenis met voeten getreden. Hoe kan een goddelijk bevel in strijd zijn met de algemeen aanvaarde beginselen van de menselijke moraliteit? Is het niet juist God Zelf die als Schepper deze universele wetten in het menselijk bestaan gegrift heeft? Misschien zijn het juist deze vragen die door de schrijver van Genesis 22 aan de orde gesteld worden. 

In de Griekse ethische traditie is dit dilemma eveneens bekend. Zijn de opdrachten van God of de goden voor ons menselijke plichten omdat ze het goede opdragen, of zijn ze goed omdat ze door de goden zijn gegeven? In de dialoog van Plato met de titel Eutyphro, wordt deze vraag behandeld maar niet tot een volledig antwoord gebracht. Socrates’ positie wordt echter wel duidelijk: “Ik bedoel te zeggen dat het heilige door ons wordt erkend als iets dat de goden liefhebben omdat het heilig is, niet dat het heilig is omdat de goden er van houden.” Voor Socrates, die in het algemeen instemt met de gedachte dat de ethiek binnen het domein van de menselijke zelfbeschikking valt, is het noodzakelijk dat mensen een oordeel vellen over goed en kwaad omdat wij niet (altijd) kunnen weten wat de wil van de goden is. God bevestigt uiteindelijk als het goede, wat inderdaad goed is voor en volgens de mens. Wat de goden beschikken moet goed zijn voor de mens, zodat wij als mensen een criterium krijgen om te beoordelen of iets door de goden beschikt is of niet.

[Zo werkt ook de manier van moreel oordelen die algemene definities van Gods karakter hanteert als basis voor een (alle) uitspraak (-ken) over morele vragen. Omdat God liefde is, moeten wij concluderen dat zus of zo goed of kwaad is.]

 Veel stromingen in de Christelijke ethiek hebben Socrates nagevolgd. Hoe kunnen we weten wat God van de mens wil? Door te kijken bij voorbeeld naar de biologische aard van de mens. Daarin ligt ook een begrip van de (functie van de ) menselijke sexualiteit inbegrepen. Ingrijpen in het menselijke even, of het nu een embryo betreft of een levensmoede grijsaard, vallen onder de bescherming van het even die als biologische overlevingsdrift alle mensen is aangeboren. Alle universele instincten zijn dus ons door de Schepper gegeven. Wat afwijkt van de Godgegeven biologie moet dus wel kwaad zijn in morele zin, omdat het uiteindelijk het menselijke welzijn niet bevordert. Op die grond kan men abortus, euthanasie en homosexualiteit uitsluiten. Afgezien van de biologische en dus naturalistische component in deze vorm van Christelijke ethiek, is wel in het algemeen te aanvaarden dat de ethiek rekening moet houden met de bijzondere plaats van de mens in de natuur en in de geschiedenis. Ook een normatieve ethiek heeft te maken met fundamentele feiten van onze natuur. Wat m.i. te ver gaat is de identificatie van deze natuur met de door God gewilde morele ordening. (Zoals het in het algemeen te ver gaat om de Bijbelse notie van schepping te identificeren met de modern Europese notie van de natuur.)

Zou een Christelijke ethiek dan gebaseerd kunnen zijn op de notie dat de mens de maatstaf is van alles? Sommigen menen van wel door de gedachte van de incarnatie als kernzaak van de ethiek te nemen. God is de maatstaf van alles wat goed is – zo kun je de theocentrische manier van kijken in het theologisch absolutisme bijvallen. Maar, zegt men dan, deze Bijbelse God is mensgeworden, vlees geworden in Jezus Christus. En dat betekent dat het deze God juist (en zelfs uitsluitend) om de redding van de mens te doen is, en daarom een menselijk leven beveelt dat volledig menselijk (humaan, menswaardig) is. Jezus als mens wordt daarmee het voorbeeld van een menselijke ethiek die voor het overige alle kenmerken van ofwel het teleologische ofwel het  deontologische type draagt. De vrijheid van de mens, zijn autonomie, wordt in de vormen van Christelijke ethiek die daardoor ontstaan niet bedreigd, maar juist bevestigd.

Tussen de middeleeuwse oplossing voor de vraag naar de Christelijke ethiek – een schepper God legde zijn normen vast in de natuur – en de modernistische, liberale opvatting die in de menselijkheid van Jezus zijn absolute vertrekpunt neemt, zit historisch nog de Lutherse, de Calvinistische en de Doperse ethiek. Daarover spreken we in volgende bijdragen. We nemen daarbij het thema van de verhouding van kerk en staat weer op, dat ons in vorige bijdragen heeft bezig gehouden.