Eten of niet eten? –

Door Prof. Pinchas Shir en Dr. Eli Lizorkin-Eyzenberg (Israel Bible Center)

Het boek Openbaring bevat zeven brieven, bestemd voor de zeven gemeenten van Christus-volgelingen in de Romeinse provincie Lydië. Sommige van de ontvangers waren Joden, maar de meesten niet. Tot de zevende vergadering, in de stad Laodicea, zegt Hij: “Zie, Ik sta aan de deur en klop; indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en met hem dineren en hij met Mij” (Openb. 3:20).

Sommige christenen zeggen, terwijl ze een zoeker toespreken: “Jezus klopt aan de deur van je hart. Doe voor hem open en hij zal in je hart komen”. De mensen van deze gemeente kenden God echter al. Zij waren echter gelovigen wier levensstijl geen echte gemeenschap toeliet met de Joodse Messias en andere (waarschijnlijk Joodse) volgelingen van Jezus.

Joden aten niet wanneer zij de huizen van hun niet-Joodse kennissen bezochten, omdat niet-Joden gebruik maakten van de soorten voedsel die door de Torah verboden waren. Omdat zij er over het algemeen niet voor terugschrokken om voedsel te kopen dat al op de markt aan Romeinse goden was geofferd. Joden hadden er geen moeite mee om in hun eigen huizen met niet-Joden te eten, waar de door de Tora vereiste toewijding aan reinheid gewaarborgd was. Dit moet niet verward worden met de kwestie waarmee Paulus Petrus confronteerde in Antiochië.

De kwestie die Paulus met Petrus had (verhaald door Paulus in Galaten 2) had te maken met het verbreken van de gemeenschap met heidenen die nu Israëls God in Christus aanbaden, maar zich niet tot het Judaïsme bekeerden. Toen Paulus Petrus uitdaagde en tegen hem zei dat hij “leefde als een heiden”, verwees hij niet naar Petrus’ vermeende niet-joodse levensstijl, maar dat Petrus “leefde” (d.w.z. levend was gemaakt) in Christus op precies dezelfde wijze als heidenen in Christus levend waren gemaakt – uit genade door geloof, en niet vanwege gehoorzaamheid aan de Torah (Ef.2:1-22). Petrus’ apostolische opdracht om in de eerste plaats Joden te dienen, maakt onze moderne de-Judaïserende interpretatie (van “leef als een niet-Jood”) niets minder dan absurd. Dit was in overeenstemming met wat Petrus zelf meemaakte toen een groep niet-Joodse Godvrezenden de Heilige Geest van Israëls God ontvingen, zonder eerst als Joden volledig toegewijd te zijn aan de gehele Torah! (Handelingen 10)

Jezus’ berisping aan de gemeente te Laodicea is hard, maar biedt toch ongelooflijke hoop. Laodiceaanse Christen-volgelingen moeten hun heidense wegen verlaten of het oordeel tegemoet zien. Maar als zij zich in overeenstemming brengen met de brief van het Concilie van Jeruzalem (Handelingen 15), waarin niet-Joodse gelovigen werden herinnerd aan de Tora-vereisten voor inwoners van Israël, zou de Joodse Messias Jezus hun huizen persoonlijk bezoeken om samen met hen een intieme gemeenschap rond de tafel te hebben. Er was geen groter voorrecht voor zowel Jood als niet-Jood!

Er zijn nog meer verborgen schatten die op je liggen te wachten als je de Schriften begint te lezen vanuit een Joods perspectief.

Een vrouw in het ambt – een avond met ds. Van Veluw in Nunspeet

Het is 19 november 2019. Een dinsdagavond zijn we te gast bij de Confessionele Vereniging in Nunspeet. Aan de orde is de vraag “Hoe Bijbels is de vrouw in het ambt?”

Is er ruimte in de Schrift om vrouwen toe te laten tot de ambten – van diaken, ouderling en predikant? Doorgaan met het lezen van “Een vrouw in het ambt – een avond met ds. Van Veluw in Nunspeet”

3 Johannes – Bijbelbespreking in Heemstede, 18 september 2019

Ook in deze brief gaat het om de plicht van gelovigen om liefde en gastvrijheid te betonen binnen de grenzen van de trouw aan de waarheid. 2 Johannes laat de grens zien: valse leraren mogen niet gastvrij worden ontvangen. 3 Johannes laat ons de positieve kant zien: aan iedereen die de waarheid liefheeft, moet gastvrij worden ontvangen. Doorgaan met het lezen van “3 Johannes – Bijbelbespreking in Heemstede, 18 september 2019”

De Vrucht van de Geest en Gods geboden

We lezen in Johannes 15:16, “Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven.” Het woord “vrucht” is passend in dit gedeelte, vanwege de vergelijking van de ware wijnstok. De gelovigen in Christus zijn als ranken in de wijnstok. “Elke rank die vruchten draagt,” wordt gereinigd door de landman “opdat zij meer vrucht draagt.” Hoe belangrijk ook de rechtvaardiging door geloof is en de gave van het eeuwige leven, het christelijke leven moet uitmonden in een heilig leven, een leven waarin de woorden van Christus in ons blijven (15:5), dat wil zeggen “Zijn geboden” worden bewaard. Doorgaan met het lezen van “De Vrucht van de Geest en Gods geboden”