Het Verbond met Abraham – Bijbelse Theologie #5

Dit is deel 5 van de nieuwe serie Bijbelse Theologie, gebaseerd op “Bij de Bron” van Dr. P. ten Have.

Het uitgangspunt van dit gedeelte vinden we in Hebreeën 11:8

“Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats die hij ter erfenis zal ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.”

Doorgaan met het lezen van “Het Verbond met Abraham – Bijbelse Theologie #5”

Johannes (3) – Leven en Licht

De eerste drie verzen van de proloog van het evangelie naar Johannes vertellen ons rechtstreeks iets over de godheid van Jezus Christus. Hij was vanaf de eeuwigheid. Hij was bij God, dat wil zeggen communiceerde met God, was voor Zijn aangezicht, er was een levende, persoonlijke betrekking en relatie tussen God en het Woord. En het derde wat hij zegt is dit: God heeft alle dingen door het Woord gemaakt, het Woord is de schepper van alle dingen, en niets dat bestaat, bestaat buiten Hem om.

In de verzen 4 en 5 gaat het vervolgens om het vleesgeworden Woord. Gaat het om de relatie tussen het Woord en de wereld. Twee dingen worden daar gezegd. In de eerste plaats, dat het Woord de bron van alle leven is. En dat dit leven ook het licht is van de menselijke wereld. Leven en licht. Dat is vers 4. En dan het tweede, dat rechtstreeks te maken heeft met de komst van Jezus in de wereld. Het Woord is licht, en schijnt in de duisternis die over onze wereld ligt. En de duisternis heeft dat licht niet kunnen overwinnen. Het is meer dan “niet begrepen” wat in de Herziene Statenvertaling staat. Het gaat er niet om dat de wereld die in duisternis ligt niet heeft begrepen dat Hij het Woord is, maar dat deze duisternis dat licht niet heeft kunnen overwinnen, niet heeft kunnen overmeesteren.

“In Hem was het leven.” Het woord dat hier gebruikt wordt is niet bios, wat op het fysieke en laten we zeggen biologische leven slaat. Het gaat om het geestelijke leven en om die reden gebruikt Johannes het woord dzoè. Als schepper van de wereld is Hij ook de bron van al het levende, dus van het leven. Maar Hij is ook de bron van het geestelijke leven. Dat leven is in Hem.

Wat is geestelijk leven? Het staat tegenover geestelijk dood zijn. Wat is dan geestelijk dood zijn? Paulus zegt in de brief aan Efeze: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.” (2:1) Geestelijk dood zijn betekent dat je niet bij machte bent om God te antwoorden, om in een levende betrekking tot Hem te staan. In deze wereld zijn de meeste mensen geestelijk dood, omdat hun zonden en overtredingen tegenover God niet vergeven zijn. Omdat ze de kracht van de levendmakende Geest niet hebben meegemaakt. Daarom gebruikt Johannes in dit evangelie meer dan 50 keer het woord dzoè, geestelijk leven. De mensen in de wereld waren dood, en Hij kwam om hen het leven te geven. Opdat de mensen wél met God in een levende betrekking konden staan, Hem waarachtig zouden kennen, met Hem zouden wandelen in hun leven. Daarom zegt Hij van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

En dan wordt dit Leven dat Jezus Christus kon brengen ook nog eens het licht genoemd. Dat Leven dat in Hem is, straalt naar buiten toe, verlicht alle mensen, verdrijft de duisternis. Net zoals licht vanuit een lichtbron straalt, zo straalt het leven uit Jezus Christus die de bron van het leven is. En dat licht van het leven straalt uit naar alle mensen in de wereld, zoals we lezen in vers 9. “Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” Hoe kun je dat leven ontvangen? Hoe kun je dat licht in je leven laten schijnen? Johannes gaat het in zijn evangelie uitleggen.

In de eerste plaats moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Als je dat niet gelooft zoek je het licht op de verkeerde plaats, of blijf je liever in de duisternis, en dan heb je de bron van het leven niet gevonden. Er worden in deze wereld zoveel leugens verteld, de waarheid is zo schaars, maar in Christus vind je de bron van alle waarheid, de Waarheid zelf.

In de tweede plaats moet je vertrouwen hebben in wat Hij geopenbaard heeft. Moet je geloven dat Hij werkelijk de Vader heeft laten zien en de Vader in eenheid met Hem is. Want alleen als je Zijn Woord aanvaard, weet je wat je doen moet en hoe je dat leven kunt ontvangen. Je moet Hem dus erkennen als de Weg die tot het leven leidt.

En in de derde plaats moet je je leven toewijden aan deze twee dingen, je moet de Zoon van God daadwerkelijk gehoorzamen en Hem je leven toevertrouwen. Niet alleen maar weten dat dat zo moet, maar het ook daadwerkelijk doen. Wie dat doet heeft het leven in zichzelf ontvangen, en wandelt in het licht, en is – zoals vers 12 het zegt – een kind van God. Daarom is Hij het Leven zelf, omdat Hij het geestelijke leven geeft aan iedereen die Hem aanneemt in geloof.

Oecumene

DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE GEMEENTE VAN

 

TER APEL

 

  1. Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus door de wil van God, en Timotheus, de broeder, aan de gemeente van God die in Ter Apel is, aan de geheiligden in Christus Jezus,
    2. met allen die de naam van onze Here aanroepen: genade zij u en vrede van God, onze vader, en van de Here Jezus Christus, in de gemeenschap van de Heilige Geest.
    3. Ik dank mijn God altijd voor u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus.
    4. U bent immers rijk in Hem, in spreken en kennis in de mate waarin het getuigenis van Christus bevestigd is onder u.
    5. God zal u ook bevestigen tot het einde toe, want Hij is getrouw door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.
    6. Maar ik roep u ertoe op, broeders en zusters, door de Naam van onze Here Jezus Christus, dat u eensgezind bent in uw spreken en handelen, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen.
    7. Want mij is over u bekend gemaakt, broeders en zusters, dat er scheuringen onder u zijn. Ik bedoel dit, dat sommigen van u zeggen ik ben van Calvijn, ik van Luther, ik van Benedictus en ik van Christus.
    8. Is Christus dan verdeeld? Is Benedictus soms voor u gekruisigd? Of bent u dan in de naam van Calvijn gedoopt?
    9. Onder u hebben velen het Evangelie verkondigd, niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus zijn inhoud niet verliest. Wie heeft u dan betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen?
    10.  U voor wie Jezus Christus gekruisigd is? Dit wil ik dan van u vernemen: hebt u de verlossing ontvangen op grond  van de werken van de wet? Of door de genade van het geloof?
    11. U bent met het Evangelie begonnen, gaat u dan nu eindigen met de werken van het vlees?
    12.  Broeders en zusters, ik kan u alleen maar overleveren wat ik ook ontvangen heb, dat Christus voor onze zonden gestorven is, en dat hij begraven is en op de derde dag is opgestaan, en dat hij ten hemel is gevaren en nu zijn plaats inneemt aan de rechterhand van de majesteit in de hoge.
    13. Als Christus niet is opgewekt uit de doden, dan is alle prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is dan ook uw geloof.
    14. Dan zijn uw voorgangers valse getuigen van God. Zij hebben namelijk van God getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt uit de doden.
    15. Ik zeg het u nog eens. Als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos. Maar dan bent u nog in uw zonden.
    16. Onderzoek uzelf of u nog in het geloof staat, beproef uzelf. Weet u niet van uzelf dat Jezus Christus in u is? Want zonder geloof in Hem is het onmogelijk God te behagen.
    17. Waarom is voor u het eerste onderwijs nog nodig met betrekking tot onze Heere Jezus Christus? Gaat dan voort tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van het geloof in God en in Zijn Zoon Jezus Christus, van de rechtvaardiging door geloof en van de heiliging door de werking van Zijn Geest.
    18. Verzuim dan de onderlinge bijeenkomst niet, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar spoort elkander aan.
    19. Laat dan het gebed van uw hart zijn, dat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, zodat u de liefde van Christus zou kennen, die alle kennis te boven gaat en vervuld zou worden tot heel de volheid van God.
    20. Geeft dan eer aan hen die Hij gegeven heeft om onder u te werken: pastoraal werkers en leraars, evangelisten en ouderlingen, om u toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot de opbouw van het lichaam van Christus, en de eenheid van het geloof en de kennis van de Zoon van God.
    21. Verdraagt elkander dan in liefde, in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met het geduld van de Geest. Bidt voor elkander.
    22. Want zo bent u geroepen: één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen en door allen en in u allen is.
    23. Vrede zij u allen, en liefde met geloof, van God de Vader en van de Here Jezus Christus.
    24. De genade zij met allen die onze Here Jezus Christus in waarheid liefhebben. Amen.

KOINONIA LIVE! over de zonde

De uitzending van zaterdag 14 april 2018. Bespreking van het thema “de zonde”, geïnspireerd door een lezing van Don Carson, en gebaseerd op de verkondiging in Hoofddorp vanafgelopen zondag en het gesprek in de Bijbelkring van Gorssel van afgelopen vrijdag.

Aan de orde komen:

  • De vier redenen dat de moderne cultuur liever niet spreekt over “zonde”.

  • Het begrip zonde in de geschiedenis van David en Bathseba, en Psalm 51.

  • De oorsprong van de zonde (Jesaja 14 en Ezechiel 28).

  • De zonde van de mens in Genesis 3 (zondeval).

  • De gevolgen van de zonde.

  • Het evangelie van Genesis 3.

 

 

Een nieuw project

De vakantieperiode breekt binnenkort weer aan en dan heb ik altijd een project, dat soms twee maanden in beslag neemt of zelfs meer dan een jaar duren zal.

Ik had mij voorgenomen nu eens helemaal te voltooien waar ik in de periode van mijn dissertatie aan begonnen was, maar vanwege tijdsdruk niet heb kunnen afmaken: een commentaar samenstellen op de brief van Paulus aan de Romeinen. Het begin is er nu, en het laat zich aanzien dat het me meerdere jaren zal bezighouden. De eerste fase is het doorwerken van de Griekse tekst, het vergelijken van commentaren – zowel van conservatieve en evangelische als van liberale zijde – en dan vervolgens ook de theologische inhoud proberen te doordenken.

Daarbij staat me voor de geest dat een dergelijk commentaar op zoek zal gaan naar de praktische toepassing. Vandaar dat ik me ook zal bezighouden – opnieuw – met de drie commentaren die Karl Barth op de Romeinenbrief geschreven heeft. Na een lange periode – meer dan drie jaar – me intensief in Johannes verdiept te hebben is nu dan eindelijk Paulus weer aan het woord.

Hier een voorproefje:

NB MACA = John MacArthur, DUNN = James D.G. Dunn (“Romans”), en NET = New English Translation (Bob Wallace).

Loader Loading...
EAD Logo Taking too long?

Reload Reload document
| Open Open in new tab

Download

Het gezag van de Schrift in de prediking

“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)

Het overkomt vaak studenten uit een christelijk gezin, die op de middelbare school of op de universiteit geconfronteerd worden met harde kritiek op de Bijbel. Ze beginnen te twijfelen. De antwoorden van vader en moeder zijn niet langer voldoende, en meestal weet de predikant er ook geen raad mee. Bovendien is het gezag van de gemeente gering in vergelijking met het gezag van de leraren waarmee een jonge student geconfronteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel jonge mensen afhaken, aan de Bijbel hooguit de status van interessante verhalen toekennen, en op die wijze het vertrouwen verliezen in de Bijbel als Gods Woord.

Dat is echter niet mijn onderwerp. Waar ik vandaag over schrijven wil, is over het verschijnsel dat volwassen christenen, die nog kerkelijk actief zijn, net als vele predikanten, subtiele manieren hebben gevonden om aan het gezag van de Bijbel te ontkomen. Ze belijden de waarheid van de Schrift nog wel, maar in de praktijk speelt dat gezag geen rol. Veel predikanten zijn in hun opleiding bedolven onder een stortvloed van argumenten voor de liberale Schriftkritiek. Dat begint bij twijfels aan het auteurschap en de ouderdom van sommige teksten. Bijvoorbeeld: is er een profeet geweest die het boek Jesaja heeft geschreven? Ook als het antwoord is dat het boek van deze profeet in meerdere fasen van de geschiedenis tot stand is gekomen, kun je het gezag van die tekst nog wel handhaven. Het ligt moeilijker wanneer we bijvoorbeeld moeten nadenken over het auteurschap van het evangelie naar Johannes. Als het is geschreven door de apostel voor het einde van de eerste eeuw, dan berust het zeker ook op het geheugen van de apostel die getuige was van deze gebeurtenissen. Als het echter geschreven zou zijn door zijn leerlingen meer dan 30 jaar na de dood van de apostel, die hun geschrift op naam van Johannes hebben gesteld, dan moeten we het gaan rekenen tot de kerkgeschiedenis en niet tot de schriftelijke openbaring. Maar het gaat nog verder wanneer ze in de opleiding leren dat het Nieuwe Testament vol zit met culturele veronderstellingen, met een verouderd wereldbeeld dat niet meer te handhaven is, en dat alles in de Bijbel van haar mythische vorm moet worden beroofd. Wat we dan overhouden is een kern die ons in ons persoonlijk leven nog als troost en bemoediging en oproep tot “authenticiteit” kan aanspreken.

Natuurlijk, predikanten komen in hun opleiding ook de gedachte tegen, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God zou zijn. Maar de universiteit is doordrongen van de liberale Schriftkritiek, dat wil zeggen dat een dergelijke opvatting als een rariteit uit het verleden wordt bijgezet in het museum. Alleen nog geschikt om mee bezig te zijn vanwege naïeve gelovigen in de gemeente.

Als predikanten dus geleerd hebben om het gezag van de Bijbel te negeren of zelfs in een poging om eerlijk te zijn tegen te spreken, wat moet de gemeente dan nog denken? Bij het lezen van de Bijbel kunnen gemeenteleden allerlei twijfels hebben. Vooral de passages uit het Oude Testament zijn ons welbekend, die steeds tot diepgaande zorgen aanleiding geven. Hoe zit het dan met de intocht in Kanaän. Met de overduidelijke genocide die daar gepleegd wordt. Gelukkig is dat dan het Oude Testament dat wij als christenen toch naast ons neer kunnen leggen – met uitzondering van de psalmen en het boek Genesis. Maar die vragen kunnen zich ook gaan uitbreiden in de richting van het Nieuwe Testament. Is het verhaal van de opstanding van Jezus een uiting van geloof zonder realiteit? Of is het een betrouwbaar ooggetuigenverslag – juist vanwege de inconsistenties tussen de evangelisten – dat ons een betrouwbare en historische grondslag geeft voor ons geloof?

Het gaat mij dus om mensen – gemeenteleden en predikanten – die de hele kwestie van het gezag van de Bijbel uit de weg willen gaan. Het gaat mij om christenen die eigenlijk niet langer het reformatorische beginsel van Sola Scriptura – alleen de Schrift – hanteren. Laat staan de toespitsing daarvan op het afgeleide beginsel van Tota Scriptura – heel de Schrift. Nog niet zolang geleden was in onze Hervormde Kerk het vanzelfsprekend dat de Bijbel gezag had omdat het de schriftelijke vorm was van Gods Woord. Respect voor Jezus als de hoogste autoriteit in de kerk was ondenkbaar zonder respect voor de Bijbel die Jezus als gezaghebbend citeerde en in Johannes 17 gelijkstelde aan de waarheid. Zonder de Schrift die door de Geest van Christus geïnspireerd was, hadden we ook geen enkel besef van wie Jezus was en is. Zo was het ook ondenkbaar om te tornen aan het idee, dat de Bijbel gezaghebbend was in alles wat zij leerde. Niet alleen maar inzake van geloof en leven, maar ook in haar weergave van historische realiteiten – hoewel het zeker noodzakelijk was om goed te letten op het genre zodat we de Bijbel niet gingen lezen als een handboek voor kosmologie of biologie.

Aan het gezag van de Bijbel was ons dus ooit veel gelegen. Daarom waren wij een kerk van de Reformatie. Wij hebben in onze traditie daarom altijd ook de noodzakelijkheid van de Schrift bevestigd. Al is het bij ons nooit zover gekomen dat wij ons letterlijk het beginsel van Calvijn hebben eigen gemaakt, dat de Schrift ook de enige norm en bron moest zijn van de inrichting van de eredienst. De grote waaier van rooms-katholieke invloeden op de inrichting van onze eredienst in de huidige tijd is daarvan het duidelijke bewijs. Maar toch, het was ons fundament. Zonder de schrift kon je Christus niet kennen. Als je Hem niet kende, kon je Hem niet eren. Waar zou de kerk echter toe dienen als zij haar Heer en Heiland niet zou kunnen eren?

Wat zijn nu “subtiele manieren” om je aan het gezag van de Bijbel te onttrekken?

1. Selectief zwijgen
Predikanten hebben zo hun lievelingspassages. Daarover kun je steeds weer opnieuw preken zodat de gemeente steeds een positieve en bemoedigende preek te horen krijgt. Het is zelden dat gepreekt wordt over een tekst die lijden en pijn als thema heeft. Het is zelden dat gepreekt wordt over Gods gerechtigheid, vooral als die in de vorm van oordeel en macht naar voren komt zoals vaak in het Oude Testament. Begrippen als straf en tucht zijn niet langer in de mode en daarom worden ook passages vermeden waarin dat naar voren komt. Wie van de predikanten durft nog te preken over de hel? Dat is een begrip dat zowel door Jezus als door de apostelen uitvoerig gebruikt wordt en vanzelfsprekend bij hun gedachtewereld hoort. Maar in onze preken wordt het zorgvuldig verwijderd om niet het predikaat “donder- en bliksempreek” op te roepen. Daarom wordt er ook niet gepreekt over zonde in het algemeen, over overspel, of over het homohuwelijk. Daarom wordt er ook niet gepreekt over de rolverdeling van mannen en vrouwen, of de rol van de vrouw in het ambt van predikant. Dat zijn zaken waar de gemeente immers verdeeld over is en omdat je niet wilt dat de ene helft van de gemeente wegloopt terwijl de andere applaudisseert, vermijd je dat soort onderwerpen maar.

In dit selectieve zwijgen is het duidelijk, dat de Bijbel haar gezag verliest omdat alleen die teksten nog aan de orde kunnen komen, die jouw eigen standpunt ondersteunen. (Of het algemeen gevoel van de gemeente ondersteunen.) Wanneer er passages in de Bijbel staan waarover wij niet kunnen preken, impliceert dat dat die passages niet Gods Woord zijn. Wanneer er passages zijn in de Bijbel waarover de gemeente alleen maar een negatief oordeel wil horen, zo in de trant van: wat jammer dat dat erin staat, of: ik begrijp dat u daar moeite mee hebt en ik ook, wordt zelfs nadrukkelijk het gezag van Gods Woord ondermijnd.

Ik heb het nu nog uitsluitend over de preken gehad, maar dit zet zich voort ook in andere verbale uitingen zoals in de catechese of de Bijbelkring. Wij dienen als predikanten ook te zwijgen over de waarde van het Nieuwe Liedboek om maar een ander pijnpunt te noemen – de toorn van kerkenraad, gemeente en organisten komt over je heen. We mogen als predikanten alleen maar zwijgen wanneer gastpredikanten het evangelie vervalsen, ook al is dat voor ieder mens die er aandacht aan geeft volstrekt helder te maken. Selectief zwijgen is een noodzakelijke overlevingsstrategie geworden voor een predikant die beseft, dat zijn baanzekerheid mede afhangt van het goede gevoel van de gemeente over zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid. De gemeente is niet geneigd om te begrijpen dat het Gods Woord is die een bepaalde prediking noodzakelijk maakt, en niet de vrije keuze van de predikant. Wanneer het Woord als negatief wordt beoordeeld, moet de schuld wel liggen bij de predikant die de verkeerde selectie maakte. Want waarom zou je de gemeente iets voorleggen, dat die gemeente onaangenaam in de oren moet klinken? Waarom zou je geen tekst kiezen voor de prediking, die het gehoor streelt? Of aansluit bij verwachtingen? Dat moet dan aan de recalcitrantie van de predikant liggen.

Onderbelichten en overbelichten

Een mooi voorbeeld van dit zwijgen is ook het verschijnsel van het onderbelichten van een passage of term. Ik geef als voorbeeld de prediking in de kersttijd over het evangelie naar Mattheus. Stel dat we voor kerstavond gekozen hebben voor een lezing uit Mattheus 1. De kerkenraad heeft al uitdrukkelijk gevraagd om de prediking op die avond toegankelijk te maken voor die buitenstaanders die maar één keer per jaar naar de kerk komen. Bij de uitleg van het geboorteverhaal komen we aan vers 20. “Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom.” En even later: “wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest.” Wat moeten moderne mensen met deze “engel”, met deze “droom”, en met de “ontvangenis uit de Heilige Geest”? De gebruikelijke tactiek is het onderbelichten van dergelijke bewoordingen. We zeggen: “Jozef kwam vanuit zijn geloof en trouw, en vanuit zijn liefde tot Maria tot een beslissing haar niet te verstoten”. We zeggen: “omdat Jezus een bijzonder mens was, hebben de eerste christenen geloofd dat ook zijn geboorte bijzonder moest zijn, net als bij de keizer.”

Ziet u wat hier gebeurt? Door het op een andere manier te willen zeggen, verminderen we de realiteit waarnaar de tekst verwijst. Gods ingrijpen in het leven van Jozef, wordt een persoonlijke beslissing. De bovennatuurlijke geboorte van Jezus – het Woord dat vlees is geworden! – wordt een onderdeel van de mythe waarin uitsluitend de eerste christenen geloofd hebben. Zodat wij moderne mensen kunnen menen daar ver boven verheven te zijn, want wij hebben dergelijke sprookjes niet meer nodig.

Selectief zwijgen over de passages uit de Bijbel die aanstoot kunnen geven voor het moderne levensgevoel; selectief spreken over wat het moderne levensgevoel ondersteunt en het gehoor streelt; en het onderbelichten van alles in de Bijbel waar we van aannemen dat moderne mensen er toch niet meer in kunnen geloven, en ook niet meer in hoeven te geloven. Omdat tegelijkertijd de tekst van de Bijbel toch wordt naverteld lijkt het net alsof alles in orde is. Een gemiddeld kerklid hoeft het niet eens in de gaten te hebben dat er van dit zwijgen en selecteren en onderbelichten sprake is. Maar in werkelijkheid, voor iedereen die een dergelijke preek rustig nog eens naleest en vergelijkt met de strekking van de gebruikte passage uit de Bijbel, kan er geen twijfel zijn dat op subtiele wijze het gezag van de Schrift is omzeild.

2. Schaamte tegenover de tekst
Veel predikanten lezen een tekst, met name uit het Oude Testament, waarvoor ze in de preek verontschuldigingen aanreiken. Soms gebeurt dat rechtstreeks, door het nare gevoel te verwoorden dat iedereen in eerste instantie wel zal hebben, maar om het daar bij dan ook te laten. Soms gebeurt het indirect, door een Oudtestamentische tekst te contrasteren met een tekst uit het Nieuwe Testament.

We lezen bijvoorbeeld uit 2 Koningen 1 de geschiedenis van Elia. Dan komen we bij vers 10: “Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.” God neemt het hier tegenover de gezalfdekoning van Israël Ahazia, op voor Zijn eigen eer. De koning heeft een afgod geraadpleegd vanwege zijn ziekte. Als de profeet hem het oordeel van de Heere aankondigt, stuurt de koning soldaten naar Elia om Hem daarvoor te straffen. Het wordt een strijd om de soevereiniteit. Wie is de waarachtige koning in Israël? De afgodendienaar Ahazia of de Heere God die spreekt door Zijn profeet?

Stel nu eens dat in de uitleg van deze passage de inzet van de strijd niet wordt vermeld. Er wordt alleen maar gezegd dat de koning ziek is, zoekt naar een genezing, en dan een woord van de profeet te horen krijgt, en dat die profeet met bovenmatige geweld onschuldige soldaten neerslaat met vuur uit de hemel. Opnieuw dus een voorbeeld van de onderbelichting van de strekking van een tekst. Daardoor wordt het heel makkelijk om de tekst te contrasteren met wat we lezen in Lukas 9. Wanneer de Samaritanen Jezus niet in hun dorp willen ontvangen, vragen Jacobus en Johannes: “Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?” De discipelen maken dus een connectie met het verhaal van Elia, niet Jezus. Maar na de uitleg van het verhaal van Elia kan de predikant op een bijzondere wijze voortredeneren. Dat leidt tot deze schijnbaar fraaie conclusie. Jezus keurt hier af wat Elia gedaan heeft. Immers, “de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden.” De implicatie in de preek waarin deze beide passages met elkaar verbonden worden, is duidelijk. Elia heeft de zielen van mensen te gronde willen richten, maar Jezus daarentegen wil ze behouden. De Oudtestamentische tekst wordt dus alleen maar gebruikt om de houding van Jezus in scherp contrast te plaatsen. En de gemeente heeft het goed begrepen: het Oude Testament, het heilige boek van de Joden, staat vol met geweld, maar Jezus kwam die nare visie corrigeren. Hij zou hebben gewild dat de soldaten in leven waren gebleven.

Niets is echter verder van de waarheid. Dat is wat het selectieve zwijgen dan bewerkstelligt. Voor het gemak wordt vergeten, dat deze Jezus ook kon zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” Zeker, Jezus is gekomen om zielen te behouden, maar dat impliceert dat sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf” (Mat. 25:46). En Hij kon zeggen: “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36).

Ziet u wat er gebeurt? Door de Oudtestamentische tekst te onderbelichten, en te contrasteren met een Nieuwtestamentische tekst, ontstaat er een overbelichting van de laatste. De reden van de strijd met de soldaten van de koning wordt weggelaten, en er wordt gesuggereerd dat Jezus’ weigering om vuur van de hemel te laten neerdalen, een bewijs is van Zijn allesomvattende vriendelijkheid. (Is het dan niet van belang dat beide teksten een geheel andere context hebben?) Maar in de eerste plaats zou Jezus het getuigenis van het Oude Testament nooit op die wijze verworpen hebben. In de tweede plaats is ook in het Nieuwe Testament de realiteit van Gods oordeel een belangrijke waarheid. In de derde plaats breng je, door die teksten op deze wijze met elkaar in verband te brengen, in feite alleen je eigen theologische mening naar voren. Terwijl de gemeente denkt dat de predikant bevestigt dat ze zich onrustig mag voelen door de teksten over Elia, en dat de predikant toch nauwkeurig de Bijbel heeft uitgelegd die duidelijk maakt dat Jezus een en al vriendelijkheid en liefde is. Ik noem dat een vervalsing van de Schrift in de preek. De schaamte over de tekst regeert en het inzicht in de diepte ervan ontbreekt. Wat overblijft is een tendentieuze prediking waarin de predikant meer zichzelf dan de waarheid heeft verkondigd.

Besluit
“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)
Wat zijn nu deze “schandelijke, verborgen praktijken”? In ieder geval is het de praktijk van het onderbelichten van een tekst, een eigen geheime agenda te hebben bij de uitleg van die tekst. Paulus verwijst met deze woorden het gedrag van een koopman op de markt. Een te hoge prijs rekenen, bijvoorbeeld voor wijn die je verkoopt als onvermengd maar intussen ruimschoots met water het aangelengd. Dat is een schandelijke praktijk.

Het onderbelichten van een tekst is als het aanlengen van de wijn met water, terwijl je doet alsof je het Woord van God zuiver uitlegt. Daarom is het bedrog. 

Wat is dan dit “vervalsen van het Woord van God”? Is het niet dit, dat we een tekst uitleggen volgens onze eigen intentie, en niet volgens de intentie van de schrijver zoals die blijkt uit de tekst? Het is om die reden dat de apostel Petrus zo nadrukkelijk stelt, dat “geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” Eigenmachtig wil zeggen dat we de tekst laten buikspreken om de boodschap te ondersteunen die wij zelf bedacht hebben.

In vers 5 vinden we de kern van de zaak. Het onderwerp van de prediking is niet wat wij zelf denken, ook niet onze eigen theologie, ook niet onze eigen hoogverheven of diepzinnige gedachten. Prediking is alleen maar het openbaar maken van de waarheid. En omdat die waarheid schriftelijk is vastgelegd in de Bijbel, is prediking niets anders wat Paulus aan Timotheüs schrijft: “predik het Woord.”