De verleiding van de zonde – Confessiones B. 1, c. V, #10 en 11

V Niemand zondigt zonder reden

Augustinus heeft in een groot aantal paragrafen het verhaal verteld van zijn jeugd en zijn jeugd zonden. Trots, diefstal en seksuele begeerte komen het meeste voor. Wat is echter het motief dat bij de zonde een rol speelt? Daarover spreekt hij in de volgende paragrafen. Het staat voor Augustinus vast dat niemand zondigt ter wille van de zonde, niemand de zonde als zodanig wil en doet. Misschien wordt hij hierbij geleid door de uitspraken van Paulus in Romeinen 7. Wanneer wij het goede willen doen, is het kwade voorhanden. Elke zondaar bedoelt het goede – minstens het goede voor hem of haar – wanneer hij of zij zondigt. Wat is dan eigenlijk de oorzaak van de zonde in mij?

Schone dingen, goud en zilver en alle andere zijn mooi om te zien; bij aanraking komt het er het meest op aan, dat iets aangenaam aanvoelt, en zo is er in de dingen voor ieder van de overige zintuigen iets eigenaardigs, dat in het bijzonder bij dat zintuig past. Ook de tijdelijke eer en de macht om te heersen en boven anderen te staan, waaruit ook de begeerte om te straffen haar oorsprong neemt, hebben hun bekoorlijkheid, maar toch bij het nastreven van dit alles mag men zich niet verwijderen van U, o Heere, en niet afwijken van Uw wet. (1)

Het eerste antwoord is dat wij begeerte voelen naar mooie dingen. Er is in ons een begeren, een verlangen om te bezitten werkzaam. Dat geldt niet alleen voor mooie dingen die wij met onze zintuigen waarnemen. Dat geldt ook voor eer en macht gekoppeld aan de begeerte om te straffen. Zoals Augustinus het voorstelt is het op zich niet verkeerd om mooie dingen te begeren en zelfs niet om te verlangen naar macht. Waar het om gaat is dat men bij het nastreven daarvan niet mag afwijken van de wet van God. Er is blijkbaar een wettig en een onwettig begeren, een wettig en een onwettig nastreven.

En het leven, dat wij hier leven, heeft zijn eigenaardige bekoring door een zekere mate van schoonheid en door zijn harmonie (2)  met al deze mooie aardse dingen. Ook de vriendschap van mensen, die door een dierbaren band verbonden zijn, is liefelijk, omdat ze van de vele zielen een
eenheid maakt. (1)

Er is nog veel meer dat ons in bekoring kan brengen. Ook ons eigen leven heeft een zekere mate van schoonheid, en dat geldt zeker voor de vriendschap die ons tot een eenheid brengt. Ook daarvoor geldt dat er een wettige en een onwettige vorm is om dit na te streven.

Ter wille van al deze en dergelijke dingen wordt gezondigd, wanneer men in een ongebreidelde neiging tot deze goederen, ofschoon ze tot de onbeduidendste behoren, de betere en hoogste (3) in de steek laat, namelijk U, Heer onze God, en Uw waarheid en Uw wet. (4) Want ook die lagere dingen schenken ons genot, maar niet zoals mijn God, die alles gemaakt heeft; (5) want in Hem verblijdt zich de rechtvaardige en Hij is de lust van de oprechten van hart.

Wat gebeurt er nu wanneer wij voor deze “mooie dingen” een ongebreideld verlangen koesteren. Wij hebben dan een “ongebreidelde neiging” van begeerte tot de meest onbeduidende dingen. Want deze dingen die schoon zijn horen bij het aardse leven. Het zijn de “lagere dingen” die ons genot schenken. Door het ongebreidelde karakter van onze begeerte verliezen wij God (Zijn waarheid en Zijn wet) uit het oog. En dat is voor Augustinus de kern van de zonde. Niet de begeerte als zodanig, maar de ongebreidelde begeerte waardoor God buiten ons gezichtsveld raakt – evenals Zijn wet die juist is gegeven om onze begeerte te beteugelen.

Wanneer er nu gevraagd wordt naar de reden van een misdaad, dan wordt men gewoonlijk slechts geloofd, wanneer blijkt, dat die gelegen kan zijn in de begeerte om zich een van die goederen, die wij de lagere noemden, te verwerven of in de vrees om ze te verliezen. Want ze zijn schoon en sierlijk, ofschoon in vergelijking met de hogere en zaligmakende goederen verachtelijk en waardeloos.

Daarom zal iedereen ter verklaring van zijn misdaad, de begeerlijkheid beschrijven van het goed dat hij of zij heeft nagestreefd. Dat is de meest natuurlijke verklaring voor zoiets als diefstal of overspel. Het verlangen een bepaald voorwerp te bezitten is op zich niet zondig. Behalve wanneer dat verlangen op een onbeheerste wijze wordt uitgeoefend en dan de wet overtreedt. Wanneer de begeerte dus ongebreideld wordt.

Iemand beging een moord. Waarom? Hij vatte liefde op voor de vrouw of het goed van de vermoorde, of hij wilde plunderen, om van de buit te leven, of hij vreesde door toedoen van de ander iets dergelijks te verliezen, of hij was beledigd en brandde van wraakzucht. Zou hij de moord zonder reden begaan hebben alleen uit lust om te moorden?

Ook een moord wordt niet zuiver uit moordlust begaan. Het verleidelijke van de zonde is juist dat het aan de zondaar de illusie schenkt dat hij iets goeds nastreeft. David ziet Bathseba als een mooie en begeerlijke vrouw. Voor hem is dat “iets goeds” dat hij kan nastreven. Het is alleen de wet van God die hem kan zeggen, dat zijn voldragen begeerte een reeks van zonden met zich meebracht: overspel, moord, ontrouw aan een bondgenoot, het medeplichtig maken van een overste in het leger, liegen en veinzen.

Wie zou dat geloven? Want wel wordt van een zeker dolzinnig en buitengewoon wreed man verhaald, dat hij zonder de bedoeling om er iets mee te winnen slecht en wreed was; maar de mededeling van de reden gaat vooraf: “opdat niet”, zo zegt de geschiedschrijver “zijn hand en geest door nietsdoen zouden verslappen”. (Sallustius, Catil. 16.) Maar wat was hiervan de bedoeling?

Van een enkeling wordt wel vermeld dat zij hun misdrijf louter en alleen uit lust hebben gepleegd. Een dergelijke mens kan slecht en wreed worden genoemd. Maar zelfs aan Catalina wordt door de geschiedschrijver Sallustius een motief voor zijn wrede moorden toegekend. Zelfs de ergste misdadiger heeft een motief voor zijn handelingen.

Klaarblijkelijk deze, dat hij door die oefening in het plegen van misdaden, na de stad genomen te hebben, eer, macht en rijkdom zou verkrijgen en niet voor de wetten behoefde te vrezen en uit de moeilijkheden zou geraken, waarin hij verkeerde door geldgebrek en het bewustzijn van zijn misdaden. Dus ook zelfs Catilina beminde niet zijn schanddaden, maar iets anders, ter wille waarvan hij ze deed.

De conclusie is dat de zonde een misleiding is van onze natuurlijke begeerten. Dat wij allen het “goede” nastreven. Maar dat een ongecontroleerde en ongebreidelde begeerte naar het aardse goed er wel toe leiden moet dat wij de door God aan ons gedrag gestelde grenzen vergeten. En in die overschrijding van de grens ligt nu juist de zonde. De zonde komt dus niet voort uit een streven naar het slechte. En dat moet de reden zijn dat de meeste mensen rationele argumenten (kunnen) geven voor hun zonden, die in ieder geval vanuit hun eigen perspectief zowel goed als noodzakelijk zijn geweest.


(1) Augustinus volgt hier en in de volgende paragraaf (van mijn indeling) de drie elementen van de zonde van de wereld in de eerste brief van Johannes (2:16), nl.  de begeerte van het vlees – de tijdelijke eer en de macht– de begeerte van de ogen – mooi om te zien – en de hoogmoed van het leven – het leven, dat wij hier leven .
(2) De “congruentia” of overeenstemming van de dingen onderling en de dingen met de zintuigen – die het aangenaam maakt om te zien, te horen en aan te raken –  is voor Augustinus de definitie van schoonheid. Ook de onderlinge  harmonie en eenheid tussen mensen is om die reden “schoon.”
(3) De beeldspraak van de “lagere dingen” en de “hoogste dingen” is alomtegenwoordig bij Augustinus. Het laagste is volgens Augustinus het materiële (extrema), en dan is er een “middengebied” van dingen die zowel omhoog als omlaag kunnen streven zoals de menselijke wil (medium), en dan is er het hoogste niveau waarop het Goede en dus ook God zich bevinden (summa).
(4) Waarheid en wet worden door Augustinus meestal aan elkaar gelijkgesteld, zoals ook in Psalm 119:142, “Uw gerechtigheid is een gerechtigheid voor eeuwig en Uw wet is waarachtig.”
(5) De verwijzingen naar God als Schepper zijn dominant in de belijdenissen. Augustinus verwijst in mindere mate naar God als de verlosser en dus ook minder naar Christus. Het is vooral de scheppingsakt die Augustinus als het belangrijkste kenmerk van de godheid ziet. Daarom kenschetst hij ook de zonde als een perversie van een ingeschapen verlangen dat in zichzelf goed is. De schepper gaf het goede (verlangen), maar de mens rebelleerde – tegen zijn schepper! God gaf ook het hogere verlangen naar Hemzelf. Wat ons verlangen ongebreideld maakt, doet ons God als schepper vergeten, die maat stelt aan de uitwerking van onze begeerten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *