Waar ik sta…

Laat ik mijn vorm van geloven, mijn manier van theologie bedrijven, gewoon benoemen met de geuzennamen die het in onze tijd heeft. Voor sommigen mag het (neo-)orthodox heten – want ik lees veel Barth en spreek soms Barthiaans – voor anderen is het “evangelisch” – want ik hecht aan persoonlijk doorleefd geloof en stel Christus als Heer en Heiland centraal. Voor anderen mag het “dogmatisch” heten want ik neem de Bijbel heel serieus, het is het Woord van God, en “dogma’s” zijn voor mij gewoon korte formuleringen van de waarheid die in Gods Woord te vinden is.

Dogmatisch dus. Dogma’s zijn formulering van de waarheid. Waarheden dus waar ik maar ook andere Christenen “op een of andere manier, in een of andere mate” aan gebonden zijn. Dogma’s zijn net als de witte strepen aan weerskanten van de weg. Ze zijn niet bedoeld om het rijplezier weg te nemen, maar bevorderen de veiligheid. Het is de bedoeling dat je ermee “op de weg blijft” en niet in de berm belandt.
Ik word orthodox genoemd door christenen die menen dat ze geen belijdenis nodig hebben en dat alleen de moderne cultuur met haar speelse vertelsels het gewaad van het evangelie mag zijn. “Modern” noemen ze zich.

Ik heet “evangelisch” bij mensen die een hekel hebben aan “hallelujageroep” en liever niet over hun persoonlijk geloof praten. Als ze het al hebben.

Ik heet “dogmatisch” bij vrijzinnigen die graag “ondogmatisch” willen zijn, want dogma’s zijn alleen maar benauwend, statisch, star en verstarrend. Men wil graag met een zeilboot het ruime sop kiezen zonder met vaargeulen rekening te hoeven houden.

Mijn punt is, dat ik het niet erg vind, dat al die mensen – modernen, vrijzinnigen – mij zo betitelen, want ze hebben me niet geheel en al verkeerd begrepen. Ik ben dan ook lid van de Confessionele Vereniging én van het Evangelisch Werkverband in de PKN. [Update: toen het Evangelisch Werkverband het Charismatisch “Er is méér” Genootschap bleek te zijn, heb ikmijn lidmaatschap opgezegd.] Ze hoeven er ook niet over te fluisteren dat ze mijn manier van geloven en denken in hun hart afwijzen. Want reken maar dat ze dat doen. Ik vertegenwoordig precies datgene waar zij graag afstand van willen nemen. En dat is ook wederzijds: zij vertegenwoordigen voor mij precies datgene waar ik afstand van genomen heb. Lees maar mijn roman: De Zegen van Ruben Verwij waar ik een hoofdpersoon veertien jaar vrijzinnigheid laat meemaken.

We zullen dus altijd een beetje ongemakkelijk tegenover elkaar staan. En denken dat een ander mijn geloof afwijst – neen, ik wijs een theologie af, een presentatie van het evangelie, een manier van Bijbellezen, en daar heb ik argumenten voor die in een gesprek kunnen worden uitgewisseld. Net zo min als mijn geloof, vind ik het belangrijk wat jij gelooft. Wij zijn allemaal zondaars en ons persoonlijke geloof stelt niet zoveel voor. Ik wil juist wegkijken van ons “geloof”, onze meningen en persoonlijke overtuigingen. Ik wil juist onze “ervaringen” vergeten want die vertellen ons niet de waarheid, die weerspiegelen die waarheid hooguit. Ik wil niet naar de slagschaduw, maar naar de zon kijken. Ik wil kijken naar het evangelie van Jezus Christus dat we gemeenschappelijk hebben.

Onze meningen houden ons vast in de verdeeldheid, alleen Christus Zelf kan ons verbinden. Maar Hem komen we tegen, Hem ontmoeten we alleen in Geest en in Waarheid – d.w.z. in de gelovige lezing van Gods Woord.

Maar ik vind onze geloofsverschillen helemaal niet zo erg als we samen presteren wat nu van ons gevraagd wordt: dat we samen beraadslagen over wat het evangelie betekent. Niet “voor ons”, niet wat het ons persoonlijk doet, maar wat het evangelie nu eigenlijk zegt en is.
Als zij de Bijbel anders lezen – OKAY! – als zij de Bijbel in het geheel niet lezen en hun standpunt er niet op funderen – NIET OKAY!

Je kunt geen gesprek hebben als je niet een gezamenlijk onderwerp en referentiekader hebt. Dat gezamenlijke onderwerp is: wie is Jezus Christus. Dat referentiepunt: wie zegt de Bijbel dat Jezus Christus is? Akkoord?

Akkoord. Laten we dan beraadslagen. Laat de Bijbel open gaan en ons toespreken. Laat Christus over ons lichten. Dan doen de etiketten er in het geheel niet toe.

Is Theologie een wetenschap?

(Gebaseerd op Thomas van Aquino, Summa Theologiae, Ia, Q1, a. 4.)

O.1.

Het lijkt uitgesloten dat we in de theologie te maken hebben met een echte wetenschap. Er zijn twee redenen voor aan te wijzen. In de eerste plaats is het kenmerkend voor een wetenschap dat ze op beginselen is gebaseerd die vanzelfsprekend zijn. De uitgangspunten van de natuurwetenschap bijvoorbeeld worden door niemand bestreden. Die uitgangspunten behoeven ook geen nader bewijs. Natuurwetenschap is de kennis van natuurlijke processen gebaseerd op natuurlijke oorzaken. Het is een verklarende wetenschap van datgene wat in ervaring en experiment gegeven is. De theologie heeft echter geen onomstreden uitgangspunten, en ze is niet gebaseerd op ervaring of experiment. De mogelijkheid van theologie wordt zelfs niet door iedereen erkend. Daaruit kun je alleen maar concluderen dat theologie in deze moderne zin van het woord geen wetenschap kan zijn.

O.2.

Er is nog een tweede reden dat theologie geen wetenschap kan zijn. Wetenschap, met uitzondering van de geschiedenis als wetenschap, is niet geïnteresseerd in individuele en unieke feiten. Een wetenschappelijk onderzoek naar de opstanding van Jezus is ondenkbaar. Een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheid van zoiets als een opstanding uit de dood daarentegen, is wel in beginsel en wetenschappelijk onderwerp. De theologie echte spreekt niet alleen over het universele, maar over de daden van Abraham, of van Mozes, of de betekenis van de teksten van Paulus. Dat maakt haar hooguit tot een historische wetenschap, maar niet een wetenschap in strikte zin.

Sed contra:

Toch wordt vanaf de vijfde eeuw de theologie opgevat als een wetenschap, in de zin van een geordende manier van weten die voorschrijft op grond van logische argumentatie. Augustinus zegt bijvoorbeeld dat de theologie over alle zaken gaat die te maken hebben met het geloof dat rechtvaardigt, dat wil zeggen het geloof dat behoudt van het oordeel. Alles wat het geloof kan opwekken, voelen, beschermen en versterken valt onder de theologie. Vanuit de traditie moet dus gezegd worden dat de theologie wel degelijk een wetenschap is.

Respondeo:

We moeten hier echter een onderscheid maken tussen twee soorten van wetenschappen. Er zijn wetenschappen die gebaseerd zijn op een beginsel dat wij vanuit ons natuurlijke verstand kunnen begrijpen en hanteren. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de meetkunde en de wiskunde. Er zijn echter ook wetenschappen die tot hun uitgangspunt bepaalde beginselen hebben, die in een andere wetenschap worden bewezen. In de kunst bijvoorbeeld bestaat zoiets als een “weten” over perspectief. Het inzicht in perspectief komt echter voort uit beginselen die door de wiskunde zijn vastgesteld. Op dezelfde manier is er een wetenschap van de muziek, die – afgezien van de muziekgeschiedenis – gebaseerd is op beginselen die in de wiskunde kunnen worden verhelderd en begrepen. Op diezelfde manier kunnen we nu zeggen dat de theologie een wetenschap is, niet omdat zij zelf over beginselen beschikt die vanzelfsprekend zijn, maar omdat zij vertrekt van beginselen die door een hogere vorm van wetenschap zijn vastgesteld. De menselijke theologie wordt geacht te zijn voortgekomen uit het weten van God zelf. De beginselen die besloten liggen in de openbaring van God zijn de beginselen waarop de theologie gebouwd is. Theologie als wetenschap veronderstelt openbaring, en daarmee veronderstelt zij een goddelijk weten. (De “sacra doctrina” is dus gebaseerd op”divina scientia.”)

Ad O. 1 en 2

Hoewel de beginselen van de theologie dus niet vanzelfsprekend zijn, kunnen ze worden opgevat als de conclusies van een hogere wetenschap. De beginselen van de theologie worden ontleend aan het weten van God Zelf, en als zodanig kan de theologie toch als een wetenschap worden beschouwd. Ondanks het feit dat het “weten” in de theologie gebaseerd is zuiver en alleen op de openbaring.
Het is waar dat de theologie zich ook bezighoudt met individuele feiten. Maar anders dan in de geschiedenis is de aandacht in de theologie niet gericht op de kennis van en de verklaring van dergelijke individuele feiten. De interesse van de theologie in individuele feiten zoals die in de openbaring gegeven zijn, kan van morele aard zijn. We zoeken naar voorbeelden voor ons eigen morele inzicht in het gedrag bijvoorbeeld van de aartsvaders. We kunnen ook geïnteresseerd zijn in het leven van de profeten, omdat we daarmee het gezag willen bevestigen van de mensen aan wie de goddelijke openbaring is toevertrouwd. Omdat de openbaring een geschiedenis van Gods daden behelst, is het evident dat de thelogie moet spreken over historische (heils-)feiten waarin God Zich geopenbaard heeft..

Daarom kan onze conclusie zijn dat de theologie in een hele bijzondere zin een wetenschap is, ondanks het feit dat haar funderende beginselen afkomstig zijn uit de openbaring. Haar onderzoek van individuele historische gegevens, wordt gemotiveerd door morele vragen en geleid door een interesse in de historische ontwikkeling van de openbaring.

In het moderne Engelse taalgebruik valt de theologie onder de “Humanities”, die scherp worden onderscheiden van de “sciences”, de empirische wetenschappen zoals die in de Moderne Tijd zijn ontstaan. Wij noemen theologie een wetenschap, omdat zij een menselijke vorm van weten is, gebaseerd op eerste beginselen, waarvoor een strikte logische procedure is voorgeschreven om daaruit conclusies te trekken. Ondanks het feit dat de openbaring is verondersteld, kan de theologie dus toch tot de wetenschappen worden gerekend. Zeker omdat we mogen aannemen dat ook voor de natuurwetenschappen geldt, dat de eerste beginselen van de natuurwetenschap uiteindelijk zijn ontleend aan de natuur zelf, en daarin uiteindelijk een fundering vinden.

[Dit is een parafrase en aanvulling op de tekst van Thomas.]

(On-)voorwaardelijke roeping – de soevereiniteit van God in het geding

“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.” (Mat. 9:13)

Wie worden dan wel geroepen en wie worden dan niet geroepen? Zijn dat nou zondaars in het algemeen? Want die zogenaamde “rechtvaardigen” zijn toch alleen in eigen ogen rechtvaardig, maar tegenover God net zo zondig als degenen die weten niet rechtvaardig te zijn? De tekst lijkt ons te zeggen, dat Christus niet gekomen is om alle zondaars te roepen, maar alleen diegenen die weten zondaars te zijn. “Christus kwam niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars, dat is gevoelig of met levend bewustzijn belaste zondaren tot bekering” zegt John Owen. Niet zondaars in het algemeen dus, want dat zijn alle mensen. De “rechtvaardigen” daarbij inbegrepen.

De consequentie is dat het evangelie alleen aan sommigen wordt aangeboden. Alleen diegenen die van zonde overtuigd zijn, zijn waarlijk zondaren, en alleen zij kijken uit naar de verlossing en alleen zij worden dus geroepen tot bekering. Alleen het verloren schaap wordt gered, maar dat is het schaap dat beseft verloren te zijn. Niet degenen die zeggen dat ze hopen op de verlossing, maar hen die zeggen dat er geen hoop is. 

Hoe zit het dan met die “rechtvaardigen” die toch evenzeer, omdat ook zij zondaars zijn, de genade nodig hebben? Zolang zij menen de genade niet nodig te hebben en zondaars te zijn, hebben zij te maken niet met het evangelie van de genade, maar met de Wet. De overtuiging van de zonde moet eerst worden gewekt, voordat het evangelie de genade aan hen verkondigen kan. 

Immers,  een drenkeling die meent zich door eigen zwemvaardigheid te kunnen redden, zal de uitgestoken hand niet aannemen die hem redden zal. Pas wanneer de ernst van de situatie tot hem doordringt en hij zich dus een drenkeling weet,  zal hij hulp aanvaarden. Tot dat moment zal hij zich zelfs verzetten tegen degene die hem uit het water probeert te halen. 

In ons vers sluit Jezus dus juist de waanrechtvaardigen – uitdrukking gevonden bij A. Weremeus – uit van zijn oproep tot bekering. 

Wat is in deze kwestie nu eigenlijk in het geding? Wanneer, als sommigen menen, het aanbod van genade en de roeping tot bekering alle zondaars gelden, dan is de verwerping van die roeping een weerstaan van Christus. Dan beslist de mens over de effectiviteit van die roeping en kan hem in geloof aanvaarden of in ongeloof verwerpen. Als we het vers dus zo begrijpen dat de Heer Jezus alle zondaren roept, dan verleggen we de laatste grond van het behoud naar de menselijke keuze voor of tegen Christus. De roeping door Jezus heeft dan geen effectiviteit. Het geloof van de mens komt daarmee voorop te staan. 

We kunnen daaraan wellicht ontkomen wanneer we verschil maken tussen een algemeen aanbod van genade en de roeping door Christus. Zoals Paulus spreekt over “God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4). Dat is niet de onweerstaanbare wil van Gods almacht, maar een uitvloeisel van Gods wezen. Hij kan het niet niet willen omdat Hij goedheid is, maar Hij wil het uiteindelijk niet, omdat Hij ook Zijn gerechtigheid en heiligheid tot uitdrukking moet brengen. Of zoals de prediking van Paulus wordt weergegeven in Hand.17:30, waar het God Zelf is die “verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren.” Sommigen die deze boodschap hoorden hebben haar ongetwijfeld verworpen: “sommigen spotten daarmee” zegt vers 32. Maar ook dit is een uitdrukking van Gods wezen en geen bevel dat onweerstaanbaar zal blijken te zijn. 

Tegenover dit algemene aanbod van genade binnen de regeringswegen van God kunnen we dan de effectieve roeping stellen die in Joh.3 als de wedergeboorte wordt aangeduid, en die in Rom.  8:30 dan zo wordt uitgedrukt:

“En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd.”

Wie kwam de Heere Jezus dus roepen en d.w.z. redden van het oordeel? Is dat de onbekeerde of de bekeerde zondaar? De bekeerde zondaar is al geroepen, lijkt het. Maar als dat de onbekeerde zondaar is, dan is er geen reden om de rechtvaardigen daarbij uit te sluiten omdat zij immers alleen “waanrechtvaardigen” zijn. Zij zijn toch evenzeer onbekeerde zondaars. En als we hen echter moeten uitsluiten, en de Heere dus niet kwam om hen te roepen, dan zijn de hier bedoelde “zondaren” degenen die weten zondaars te zijn – indien zij dat niet wisten, waren ook zij waanrechtvaardigen. 

Maar kan iemand dan weten een zondaar te zijn, zonder dat de Wet het hem heeft duidelijk gemaakt? Of is het juist de ontmoeting met de genade die in Jezus Christus openbaar is geworden, waardoor een mens zich van zijn zonde bewust wordt? Of zijn het nu precies deze beide elementen tezamen, die inbegrepen zijn in de roeping van zondaars? Is dat niet de tweevoudige wijze waarop de Heere geroepen heeft: door genade te schenken die ook bewijst waarom de genade nodig is? 

Moeten we niet vermijden dat we de grondslag van de roeping gaan leggen in het bewustzijn van een mens een zondaar te zijn? De soevereiniteit van de roeping door Christus wordt zeker verzwakt wanneer we aannemen dat die alleen voorwaardelijk is, en afhangt van het geloof of ongeloof van een mens. Maar wordt die soevereiniteit niet evenzeer verzwakt door de aanname dat alleen de zondaar die door schuldgevoel gebroken is, het evangelie kan horen en aannemen? Ook dan wordt aan de effectieve roeping door Christus een voorwaarde gesteld. Ook al is deze van andere aard en wordt niet de actieve aanname  van het evangelie maar het passieve besef van zonde als voorwaarde begrepen. 

Vanuit de Schrift moeten we toch zeggen dat de Heere Jezus zowel bij de Samaritaanse vrouw, die Hij aan haar zondestaat ontdekte, als bij de schriftgeleerde Nicodemus in zijn waangerechtigheid een bekering tot stand bracht. Daarom ontbreekt het onderscheid ook in Rom.8 – een ieder, dus zowel de waanrechtvaardige als de geknakte zondaar – wordt volgens Zijn voornemen geroepen, en dat is dus volstrekt in overeenstemming met Zijn soevereiniteit. Onvoorwaardelijk.

En zij is toch mijn zuster….

Kom en leer: “Zij is inderdaad mijn zuster; zij is de dochter van van mijn vader, maar niet van mijn moeder.” Gen. 20:11. Bewijst dit, dat de dochter van zijn moeder verboden is? Nu, is dat logisch: was zij dan zijn zuster? Zij was de dochter van zijn broer, en om die reden, of [die broer nu] van zijn vader of zijn moeder [is], aan hem toegestaan. Maar Abram verklaarde aan hem [Abimelech] aldus: “zij is de dochter van mijn broer aan mijn vaders kant, maar niet aan mijn moeders kant.” [Dat zei Abram om exact te zijn..] (BSanhedrin 58b)

“Zeg toch dat je mijn zuster bent…” De angst van Abram, eerst in Egypte en later bij Abimelech, om Sarai zijn vrouw te noemen, zegt evenveel over die koningen als over Abram. Abram, geroepen om het middel te zijn waarmee de Heere “alle geslachten van de aardbodem” zou zegenen, wordt bij de Farao het middel van een zware plaag die het hele gezin treft. De geschiedenis veronderstelt bij beide koningen het gebruik dat een jonge mooie vrouw bij de harem gevoegd kon worden tegen haar zin in. Als zij niet getrouwd was, betaalde de koning een bruidsschat aan het verantwoordelijke familielid; als zij getrouwd was, kon de zaak worden beslist door de echtgenoot te (laten) vermoorden. (Een echo van dit koninklijk geweld horen we in de geschiedenis van David en Bathseba.)

Door die angst gedreven vraagt Abram tot twee maal toe of Sarai voor hem liegen wil. “Zeg toch dat je mijn zuster bent. Anders zullen zij jou nemen en mij vermoorden.” Geeft dat echter een oplossing? Als de Egyptenaren denken dat Sarai zijn zuster is, zullen ze Abram niet doden. Het zal hem zelfs “goed” gaan, hoopt hij. Zeker. Nu is er geen noodzaak het huwelijk door de dood te ontbinden, wat de cynische oplossing kan zijn wanneer goddelijk recht zelfs in Egypte de onschendbaarheid van het huwelijk gebiedt. Maar beste Abram, intussen hebben ze wel jouw vrouw Sarai in de harem van de Farao opgenomen. Hoe kan dat een happy ending zijn?

Er is vanuit joods perspectief nog een probleem, want we willen niet dat Abraham, die in zoveel opzichten voorbeeldig is, een angstige leugenaar is die niet op de steun van de Heere vertrouwt. De gemara in Sanhedrin 58b zegt dan ook dat hij niet gelogen heeft. Maar is hij dan met zijn zuster getrouwd? Dan breekt hij met de wet van Mozes terwijl de aanname juist is, dat Abram de gehele Torah hield zonder die vanaf de Sinaï ontvangen te hebben. Hoe kunnen we dit dilemma vermijden? Ofwel Abram liegt, want Sarai, zijn vrouw, is niet zijn zuster. Ofwel Sarai is inderdaad zijn (half-)zuster, maar dan is hun huwelijk een verboden relatie. 

Als Sarai echter de dochter van zijn broer was, een nicht dus, dan kan hij haar zijn zuster genoemd hebben. Die relatie was niet verboden, zeker niet als zijn broer ook een halfbroer geweest is. Dat lost het probleem dus op. Zij is zijn zuster omdat zij de dochter van zijn broer is – de term achot wordt dan zo opgerekt dat zij ook de nichten kan omvatten. De gemara benadrukt dan ook nog het feit dat het gaat om een halfbroer van vaders zijde. Alles keurig in orde dus.

Blijft alleen nog het probleem dat Abram blijkbaar accepteert dat zijn vrouw in een harem verdwijnt, terwijl het hem als de gewaande broer juist goed gaat. Heeft Abram een irrationeel vertrouwen in God? Zal de Heere Sarai dan redden, gelooft Abram dat, zoals Hij dat ook inderdaad gedaan heeft? Je kunt je afvragen of de Schrift een dergelijk vertrouwen voor de redding van Sarai bij Abraham veronderstelt. Immers, diezelfde Schrift laat juist blijken dat Abram er niet op vertrouwt dat de Heere zal redden wanneer hij de waarheid spreekt. Dat lijkt toch heel logisch: als Abram vertrouwen heeft in Sarai’s redding, zou hij dan geen vertrouwen hebben gehad in zijn eigen redding? 

De oplossing moet dan toch liggen in wat ik zou noemen de compromisloze eerlijkheid waarmee de Schrift over de mens spreekt. Abram is een lafaard, die in zijn overwegingen de vernedering (verkrachting) van zijn vrouw minder zwaar acht, dan het gevaar voor hem. Op het eerste gezicht is dat niet eens onjuist. De moord op Abraham laat geen vervolg meer toe, het is het einde van het verhaal. De overdracht van Sarai in de harem van Farao is echter eveneens een einde. Weliswaar, zo nemen we aan, niet van het leven van Sarai, maar wel van de toekomst die door Abram en Sarai beide gedragen moet worden. 

Niet onjuist, de inschatting van het gevaar lijkt een nuchtere afweging. De fout ligt niet in de uitkomst van deze berekening, maar in het feit van het rekenen zelf. Dit is niet het vertrouwen dat Abram uiteindelijk wel in de Heere zou stellen, op dat beslissende ogenblik in zijn leven, onderweg naar Moria: “De Heere zal zichzelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon.” Dat is dan ook de doordringende analyse van de Schrift. Dat een weifelende, laffe Abram, die het eigen welzijn al rekenende hoger acht dan dat van zijn vrouw, kan uitgroeien tot een mens die geheel zijn leven en geheel zijn toekomst in de handen van de Heere God legt. En eenvoudig gehoorzaamt in alles wat de Heere hem beveelt.