Inleiding tot begrip van de Heilige Geest – inleiding voor Heemstede

Rom 8:15 Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!

1Co 12:13 Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.

Act_5:32 En wij zijn Zijn getuigen van deze dingen, en ook de Heilige Geest, Die God gegeven heeft aan hen die Hem gehoorzaam zijn.

Rom_8:16 De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn.

Rom_9:1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest,

1Jn_5:8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één.

Act_13:2 En terwijl zij de Heere dienden en vastten, zei de Heilige Geest: Zonder voor Mij zowel Barnabas als Saulus af voor het werk waartoe Ik hen geroepen heb.

Joh 16:8 En als Die gekomen is, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel:

Joh 16:9 van zonde, omdat zij niet in Mij geloven;

Joh 16:10 van gerechtigheid, omdat Ik heenga naar Mijn Vader en u Mij niet meer zult zien;

Joh 16:11 en van oordeel, omdat de vorst van deze wereld veroordeeld is.

Act_1:8 maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.

Eph_5:18 En word niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar word vervuld met de Geest,

Eph_6:17 En neem de helm van de zaligheid en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord,

Eph_6:18 terwijl u bij elke gelegenheid met alle gebed en smeking bidt in de Geest en daarin waakzaam bent met alle volharding en smeking voor alle heiligen.

Th_1:6 Ook bent u navolgers geworden van ons en van de Heere, toen u het Woord aannam temidden van veel verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest,

1Th_5:19 Blus de Geest niet uit.

2Th 2:2 dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn.

Gal_5:22 De vrucht van de Geest is echter: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.

Gal_5:25 Als wij door de Geest leven, laten wij dan ook door de Geest wandelen.

Jn_3:24 En wie Zijn geboden in acht neemt, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan weten wij dat Hij in ons blijft, namelijk aan de Geest, Die Hij ons gegeven heeft.

2Pe_1:21 want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken.

1Jn_4:2 Hieraan leert u de Geest van God kennen: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God;

1Jn_4:13 Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.

‘k Ben ver van U – meditatie over Guido Gezelle

Wat heb ik, zonder u,
Dat ik beminnen zal?

‘k Ben ver van u

(Guido Gezelle)

Wat hebben wij dan zonder Hem? De vraag zelf is een teken van zijn aanwezigheid. Door die aanwezigheid beseffen wij onze sterfelijkheid, ontvangen wij het getuigenis van de zonde, maar ook van de onrust van ons hart.

Het is arrogantie wanneer een mens dit besef en dit getuigenis negeert zonder de bron ervan te zoeken. Wie God zoeken zullen Hem vinden, en wie God vinden zullen Hem prijzen. Wie Hem niet zoekt zal iets anders vinden.

Fantasie versterkt de ervaring, en de ervaring schept een illusie, in de meest gevoeligen onder ons het besef van een verlangen en een kloof. “Laat alles zijn voorbij, gedaan, verleden, dat afscheid tussen ons en diepe kloven spant.” In deze onwetendheid wordt een ander dan God aangeroepen. Met schone namen. Een eeuwig licht. Een Vaderland. Een lieve zon. De Eeuwige. Een “alschone blomme”.

De dichter dicht: “Wat kan ik, zonder u, als eeuwig, eeuwig, sterven. Wat heb ik, zonder u, dat ik beminnen zal?”  Dat wij ver van hem zijn, leidt tot het gebed dat alleen Hij die afstand kan overbruggen. God heeft dat gedaan door ons aan te roepen, door ons geloof te schenken. Hij is ons verkondigd. Hij is ons gepredikt. Wij hebben Zijn Woord gehoord. Zo is ons geloof gewekt in de menswording van Gods zoon. Dan kennen wij Hem.

En wanneer wij Hem zo kennen, hebben wij andere schone namen. Mijn Heer en mijn God. Mijn bevrijder en Verlosser. Zoon van God, die wij aanbidden. Beeld van de Vader. Al Gods volheid, Zijn genade, en Zijn liefde onverdeeld.

‘k Was ver van U, maar U bent in mij, mij nabij zoals niets anders.

Openbaring – de drie benaderingen

De interpretatie van het boek Openbaring kent eigenlijk maar drie verschillende vormen. In de traditionele, Hervormde benadering is het een troostboek voor de lijdende kerk, zonder dat de gebeurtenissen die in visioenen worden beschreven als uitingen van profetie worden opgevat. In de traditionele visie is er dus geen opname van de gemeente, geen letterlijk duizend-jarig rijk, en is er geen rol weggelegd voor Israël in de toekomst. In sommige varianten van deze visie wordt gezegd dat een groot deel van de profetieën al vervuld zijn en dat het onduidelijk is of andere profetieën letterlijk in de toekomst nog zullen worden vervuld.

Geheel anders gaat het toe in de “maranata” visie op dit boek. De term is afkomstig van de bewerker van het boek over Openbaring dat werd geschreven door H.C. Voorhoeve in de 19e eeuw. Hier wordt Openbaring nadrukkelijk ingedeeld volgens Op. 1:19, waar gesproken wordt over “wat gij gezien hebt” – d.i. Op.1:9-20 – “wat is” – Op. 2 en 3 – “wat hierna gebeuren zal” – Op. 4-22. Samen met de verwachting van de opname van de gemeente leidt dat er bijvoorbeeld toe dat de 24 oudsten worden gezien als de aanwezigheid van de gemeente van Christus in de hemel (in Op.4), die dan in hoofdstuk 19 de hemel verlaat om deel te nemen aan de koninklijke heerschappij van Christus in de wereld. In hoofdstuk 4, 7, 9, 14 en 19 wordt deze hemelse positie van de gemeente getoond of verondersteld.

In deze visie is er wel plaats voor een toekomstig Israël dat dan het middelpunt van Gods handelen in deze wereld zal zijn, als het middel waarmee God al Zijn raadsbesluiten ten opzichte van de wereld ten uitvoer zal brengen. Het in deze tijd verworpen Israël – niet-Mijn-volk – leeft in de toekomst in het land met een hersteld Jeruzalem en een herstelde Tempel.

Een derde benadering van het boek Openbaring leest om te beginnen al de driedeling van Openbaring 1:19 op een andere wijze. Het is niet omstreden dat het boek Openbaring inderdaad zowel over heden, verleden en toekomst van de wereld (en de gemeente van Christus) handelt, maar dat wil niet zeggen dat we dat in een chronologische volgorde vinden. Het boek Openbaring is niet zozeer met een film te vergelijken waarin de volgorde van gebeurtenissen wordt beschreven, maar veeleer als een verzameling dia’s die het model kunnen zijn voor het duiden van gebeurtenissen in heden en verleden.

De tekst kan dan zo worden gelezen: “schrijf dan wat u hebt gezien, namelijk [wat betrekking heeft zowel] op datgene wat nu in het heden gebeurt als op wat na dit heden – hierna, maar dan eerder als consequentie dan als vervolg – staat te gebeuren. Wat Johannes heeft gezien, d.i. het geheel van de openbaring die hij heeft ontvangen staat gelijk aan een visionaire expositie van het heden, van wat is, en is tegelijkertijd een verwijzing naar wat hierna gebeuren zal. Elk visioen heeft dus dit drievoudige karakter: door Johannes gezien, met betrekking tot het heden en de toekomst beide.

Ik noem deze benadering de “hermeneutische” lezing van het boek Openbaring omdat in deze visie het boek eerder inzicht geeft in het algemene karakter van de geschiedenis van Gods volk op aarde – de gemeente en Israël worden dus in hun gemeenschappelijke positie beschouwd – en het eindpunt daarvan in de voltooiing van de tijden die God uiteindelijk tot stand zal brengen. Het boek laat in een duizelingwekkende variatie zien hoe de Heere kosmische krachten inzet om de zonden te oordelen aan de gehele mensheid, en wil nadrukkelijk het feit laten uitkomen dat God de uiteindelijke heer van de geschiedenis is.

Voor de concrete exegese betekent dat, dat bijvoorbeeld de zeven brieven aan de gemeente zowel verwijzen naar de concrete situatie van die gemeenten in klein-Azië, maar ook elk als een model kan worden gezien van een type gemeente, die in de loop van de geschiedenis kan voorkomen, zonder dat de zeven als opeenvolgende perioden van de feitelijke kerkgeschiedenis mogen worden beschouwd.

 Daarmee wordt vermeden dat er over die perioden oordelen worden geveld die vooral de eigen kerkelijke positie ondersteunen. Zo bijvoorbeeld in de visie van Voorhoeve, waar Sardis wordt geïdentificeerd met de “dode orthodoxie” van de Reformatie en Thyatira met de Rooms-Katholieke kerk, om dan vervolgens Filadelfia te identificeren met de “Broederbeweging” van de 19e eeuw. Hoe willekeurig dat alles is, wordt geïllustreerd met de merkwaardige overgang waarmee Laodicea eerst als de vrijzinnigheid werd gezien, maar in meer recente publicaties gezien wordt als typerend voor de charismatische beweging. 

Wanneer Openbaring 4 dan ook begint met de uitspraak “kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren” is dat niet een overgang naar de toekomst, d.i. na de kerkgeschiedenis als geheel, maar een aanduiding van de huidige werkelijkheid van de aanbidding van God in de hemel. De hemelse dienst van aanbidding wordt zo getoond als de eigenlijke bestemming en functie van de gemeente. “Hierna” betekent dus niet in de eerste plaats “toekomstig”, maar is een logische aanduiding. Het Griekse woord kan hier ook een conclusie aanduiden. D.i ik zal tonen wat hierna gebeuren “moet” is iets anders dan gebeuren “zal”. De dienst van de gemeente in de wereld wordt genormeerd door de dienst van de engelen in de hemel. Openbaring 4 is de conclusie van de realiteit van de zeven gemeenten, niet de overgang naar een hemels bestaan.

Zo wordt tevens de geforceerde uitleg vermeden waarmee de 24 oudsten als de gemeente uit Israel en de volkeren wordt geduid. Dat zij hun kronen afleggen voor Gods troon suggereert dat zij die al van aanvang af bezitten en het feit dat zij Johannes toespreken in het visioen maakt hen eerder tot een bepaalde klasse van engelen. In ieder geval is dat meer voor de hand liggend in de context van de apocalyptische literatuur in het algemeen, dan een hemelse status van de gemeente.

Daarmee valt ook het idee weg, dat er van een opname van de gemeente sprake zou zijn. Daarover heb ik elders al eens geschreven. Voor dit moment laat ik buiten beschouwing wat er nog gezegd zou moeten worden de samenhang tussen het boek Openbaring en de profetie van Daniël.

Sola Scriptura (De Schrift alleen) – gesprek in de Kustcombinatie

Het gesprek tussen Jannica de Prenter, Andries Boekhout en Robbert Veen, predikanten van de VPKB in de kustcombinatie (Knokke, Brugge en Oostende).
Thema was: sola scriptura.
Twee vragen kwamen aan de orde: wat betekent het voor jou dat de Bijbel Gods Woord is (zo genoemd wordt), en hoe werkt deze visie door in je prediking?
Jannica de Prenter benadrukte de ervaring met Gods Woord in het Christelijk leven en in de prediking. Gods Woord komt “loodrecht van boven” op ons af en inspireert en leidt ons. We moeten “verkleefd” raken aan dat Woord en er dagelijks mee leven.
Andries Boekhout benadrukt de meer horizontale dimensie van Gods heilige Woord: het prikkelt, het motiveert en is soms onbegrijpelijk. Een eerlijke omgang met de Schrift is nodig, waarin de ervaring van onszelf als predikers maar ook die van de mensen voor wie de prediking is bedoeld, zijn plaats krijgt.
Robbert Veen spreekt nog over de drie-voudige Schriftleer van Karl Barth, waarin het Woord, Gods openbaring, drie gestalten heeft:

1. Gods Woord is Christus, het vleesgeworden Woord
2. Gods Woord is de Bijbel (Barth: het wordt Gods Woord in de concrete ontmoeting met dat Woord), het getuigenis van apostelen en profeten over Gods spreken.
3. Gods Woord is de prediking van dat Woord – in het waagstuk van de prediking wordt Gods Woord verhelderd en toegepast op ons leven.

It wie in heul leuke preek, dominee!

In voorbije tijden preekte ik vaak in kleine plaatsjes in Friesland en Groningen. Hoe kleiner het plaatsje des te groter het aantal kerkbezoekers en des te langer ook de naam. In sommige plaatsen hadden ze zelfs twee borden nodig om de gehele plaats te kunnen aanduiden, en in Friesland wordt dat uiteraard verdubbeld omdat die provincie, gelijk allen weten, tweetalig is.

In een van die kleine maar grote Friese dorpjes was ik uitgenodigd om te komen preken. Men had nog geïnformeerd of dat ook in het Fries kon. Op mijn beschaamde antwoord dat ik wel in het Engels of Duits the Gospel of das Evangelium zou kunnen preach and verkunden was het snedige antwoord “dan bent u zeker geen Fries” gekomen. Dat zegt in Fryslan natuurlijk alles en vergrootte mijn schaamte. Je begrijpt meteen dat de ouderling van dienst over deze toedracht nog een stevig gesprek zal voeren met de onbevangen en oecumenisch denkende preekregelaar. Want er zijn grenzen.

Ik zorgde er daarom voor extra vroeg aan te komen in het dorpje waarvan ik me nog maar een van de borden kan herinneren: Ywittervolen-, zoiets herinner ik mij althans. Het was een aardig kerkje waar, zo men zei, wel 1200 kerkgangers in konden verdwijnen, het balkon bij het orgel niet meegerekend. Die dag waren er niet zoveel bezoekers, wat werd bewezen door grote lege plekken. Niet iedereen die Fries spreekt,  gaat naar de avonddienst, vertaal ik nu vlot de bemoedigende woorden van de ouderling van dienst, maar heel zeker van die vertaling ben ik niet. Het klonk als: “Net elkenien wol in dominee dy’t net Frysk praat.”

Na het consistoriegebed, dat men voor mij gelukkig uit het Fries vertaalde, werd ik naar mijn voorlopige plaats begeleid, waarna de voorzitter van de kerkenraad een gloeiend betoog hield en de gemeente voorhield dat het nu eens uit moest zijn met de gierigheid en dat men nu dringend iets moest doen aan de gaten in het dak. Althans dat begreep ik ervan, terwijl men mij later uitlegde dat hij het over de aanstaande fusie met de Gereformeerde kerk had gehad. En inderdaad meende ik later die avond op de lege plekken in de kerk wat sneeuw te zien dwarrelen, maar ik kan mij vergissen. In een andere hoek zaten enkele diehards (nee, dat waren eigensinnige, oanhâldende minsken fluisterde de ouderling) met een paraplu of rein skerm waarmee ze wilden bevestigen dat ze door een klein ongemak hun vaste plek niet zouden verlaten. Vasthoudende mensen dus. De ouderling van dienst zei nog iets wat ik niet verstond – het klonk als: stean net boppe op ‘e puls – ” er staan veel nette “boppen” op de puls – wat in Friesland weleens kan voorkomen dacht ik en na de handdruk spoedde ik mij dus opgewekt naar boven op de kansel.

Dit was de hoogste kansel die ik ooit had meegemaakt. Er leek aan de veel te smalle trap geen einde te komen, en ik struikelde enkele malen. Ik geef het u te doen: je toga vasthouden en lichtjes omhoog trekken omdat je anders op de zoom gaat staan en tegelijkertijd een loodzware Bijbel (Statenvertaling natuurlijk) met liedboek (Hervormde Bundel 1937) mee te zeulen. Dat is een klim en klauterwerk van de hoogste orde. Daarom zijn er zoveel gewezen predikanten onder de Alpinisten die dit jaar naar de Mount Everest vertrekken en na een kort gebed ook daadwerkelijk de top bereiken. Hun plaats in Nederland is dan vervolgens vacant omdat ze niet de gewoonte hebben ook terug te keren.  Ik hoor echter niet tot deze bevoorrechten.

Dat kwam deze avond ook op andere manieren tot uiting. Terwijl ik de smalle en steile trap besteeg hoorde ik achter mij rumoer. De ouderling van dienst stond te gebaren naar een bord dat evenwijdig langs de trap van de kansel was geplaatst. Ik was echter niet in staat dat bord vanaf die afstand te lezen en verstond het emotioneel geladen Fries niet, en meende daarom dat hij mij alleen wilde aanmoedigen. Ik zwaaide dus vriendelijk terug en viel daardoor bijna van de trap. Daarna heb ik, tot mijn ongeluk, niet meer achterom willen kijken.

De dienst verliep zoals ik mij had voorgenomen. Votum, groet en openingsgebed vloeiden vlot uit mij voort en op het moment dat ik met de preek moest beginnen was ik daarom in een zeer goede stemming. Diep beneden mij zaten de kerkgangers naar voren te kijken. Het leek alsof zij niet wilden luisteren maar de reden was niet moeilijk te raden. Van omhoog kijken zou iedereen al snel nekkramp hebben gekregen.

Mijn preek ging over Johannes 10:25, waarna ik en passant nog Mattheus 5:17 meenam, even flirtte met Jesaja 53 en toen uiteindelijk weer met beide benen op de stevige grond van zondag 1 van de Catechismus belandde. Daar dartelde ik even rond met Johannes 1:18 en sloot af met een daverende weergave van Openbaring 5, waarbij ik de kerkgangers aanmoedigde om die tekst ook later die avond nog even te bekijken.

Ook daarna ging het vlot met de afwikkeling van de dienst. Tot het moment dat ik een sterk en aanhoudend krakend geluid hoorde. Van boven af kwam een fijne stofwolk naar beneden. Was dit de Heilige Geest die mijn woorden wilde bevestigen? Dat dacht ik vergenoegd, misschien een beetje té, maar af en toe had ik daar in die tijd last van. Dat ik dronken werd van mijn eigen fraaie woorden. Nee, daar ben ik echt van genezen.

Met fijn stof op mijn hoofd en op mijn grote kanselbijbel daalde ik vervolgens af langs het smalle trapje, de afgrond in naar de bodem van de kerk. Het gekraak werd sterker. Toen ik beneden aan kwam keek ik om en zag nog net hoe het baldakijn boven de kansel een halve meter naar beneden kwam en het glas water, de microfoon en de kanselbijbel op de trap deed belanden. Als ik er gestaan had, realiseerde ik mij, zou dat baldakijn mij midden in het gelaat getroffen hebben.

“Dat had ik u nog gezegd,” zei de ouderling van dienst in het Nederlands. “Ik wees u op het bordje: deze kansel niet betreden, instortingsgevaar.” Ik keek verbaasd naar het bordje. Het stond er echt niet. Er stond: FORBIDDEN om de preekstoel yn te gean.  Ik dacht dat er stond: voorbeden (vereist) om de preekstoel in te gaan.  En daar had hij mij toch niet in een voor mij begrijpelijke taal voor gewaarschuwd. Hij nam gewoon aan dat ik zijn moedertaal machtig was.

Er werd veel voor mij gebeden die avond. Dat ik geen nachtmerrie (eangstich dream) zou krijgen van mijn ervaring. Dat ik veilig weer thuis zou komen (feilich thús komme) die avond.

Zijn laatste woorden waren: It wie in heul leuke preek, dominee!

Ikzelf vond het minder leuk. Mijn vrouw heeft echter daverend gelachen.

Een vrouwvijandige vertaling?

Hoe was het ook alweer? Een deugdelijke huisvrouw, wie zal haar vinden? (Spr. 31:10)  Ik heb een man gekend, lang geleden, die Spreuken 31 uit zijn hoofd leerde zodat hij de vrouw kon vinden die werkelijk bij hem paste en door de Heere voor hem bestemd was. Alle eigenschappen die daar werden genoemd moest zijn aanstaande wel bezitten. Alleen een “deugdelijke” d.w.z “deugdzame (huis-)vrouw”  kon in aanmerking komen.

Een goede vriend van mij wees mij er onlangs op, dat aan die vertaling “deugdzaam” toch wel een probleem kleeft. `Esjet (vrouw) chajil, zo staat er in het Hebreeuws. En dat woord chajil komt wel vaker voor. Zo lezen we in het boek Ruth dat Boaz een “isj giboor chajil” was, wat werd vertaald als “vermogend man” (Ruth 2:1). Een hoofdstuk later wordt datzelfde woord gebruikt voor Ruth zelf – vertaald als “deugdelijke vrouw” in de HSV (Ruth 3:11). Een “chajil” vrouw is deugdelijk en een “chajil” man is zeer vermogend? 

Wat betekent dan “chajil” in het Hebreeuws? Yastrow geeft het volgende:

(n-m) heb

  1. strength, might, 
  2. fortress 
  3. ability, efficiency
  4. wealth
  5. force, army

Zou een betere vertaling dan niet kunnen zijn: bekwaam? Of: vaardig? (Volgens betekenis #3.) Dan spreken we over een bekwame vrouw en een bekwame (sterke) man. In beide gevallen is “chajil” een zelfstandig naamwoord dat bijvoeglijk wordt gebruikt. Een vrouw als een vesting, een man die als een beschermende plaats kan optreden.

Op deze manier wordt voorkomen dat we een discriminerend verschil maken tussen een man en een vrouw, waar dat niet nodig is.

(Met dank aan René.)

Waar ik sta…

Laat ik mijn vorm van geloven, mijn manier van theologie bedrijven, gewoon benoemen met de geuzennamen die het in onze tijd heeft. Voor sommigen mag het (neo-)orthodox heten – want ik lees veel Barth en spreek soms Barthiaans – voor anderen is het “evangelisch” – want ik hecht aan persoonlijk doorleefd geloof en stel Christus als Heer en Heiland centraal. Voor anderen mag het “dogmatisch” heten want ik neem de Bijbel heel serieus, het is het Woord van God, en “dogma’s” zijn voor mij gewoon korte formuleringen van de waarheid die in Gods Woord te vinden is.

Dogmatisch dus. Dogma’s zijn formulering van de waarheid. Waarheden dus waar ik maar ook andere Christenen “op een of andere manier, in een of andere mate” aan gebonden zijn. Dogma’s zijn net als de witte strepen aan weerskanten van de weg. Ze zijn niet bedoeld om het rijplezier weg te nemen, maar bevorderen de veiligheid. Het is de bedoeling dat je ermee “op de weg blijft” en niet in de berm belandt.
Ik word orthodox genoemd door christenen die menen dat ze geen belijdenis nodig hebben en dat alleen de moderne cultuur met haar speelse vertelsels het gewaad van het evangelie mag zijn. “Modern” noemen ze zich.

Ik heet “evangelisch” bij mensen die een hekel hebben aan “hallelujageroep” en liever niet over hun persoonlijk geloof praten. Als ze het al hebben.

Ik heet “dogmatisch” bij vrijzinnigen die graag “ondogmatisch” willen zijn, want dogma’s zijn alleen maar benauwend, statisch, star en verstarrend. Men wil graag met een zeilboot het ruime sop kiezen zonder met vaargeulen rekening te hoeven houden.

Mijn punt is, dat ik het niet erg vind, dat al die mensen – modernen, vrijzinnigen – mij zo betitelen, want ze hebben me niet geheel en al verkeerd begrepen. Ik ben dan ook lid van de Confessionele Vereniging én van het Evangelisch Werkverband in de PKN. [Update: toen het Evangelisch Werkverband het Charismatisch “Er is méér” Genootschap bleek te zijn, heb ikmijn lidmaatschap opgezegd.] Ze hoeven er ook niet over te fluisteren dat ze mijn manier van geloven en denken in hun hart afwijzen. Want reken maar dat ze dat doen. Ik vertegenwoordig precies datgene waar zij graag afstand van willen nemen. En dat is ook wederzijds: zij vertegenwoordigen voor mij precies datgene waar ik afstand van genomen heb. Lees maar mijn roman: De Zegen van Ruben Verwij waar ik een hoofdpersoon veertien jaar vrijzinnigheid laat meemaken.

We zullen dus altijd een beetje ongemakkelijk tegenover elkaar staan. En denken dat een ander mijn geloof afwijst – neen, ik wijs een theologie af, een presentatie van het evangelie, een manier van Bijbellezen, en daar heb ik argumenten voor die in een gesprek kunnen worden uitgewisseld. Net zo min als mijn geloof, vind ik het belangrijk wat jij gelooft. Wij zijn allemaal zondaars en ons persoonlijke geloof stelt niet zoveel voor. Ik wil juist wegkijken van ons “geloof”, onze meningen en persoonlijke overtuigingen. Ik wil juist onze “ervaringen” vergeten want die vertellen ons niet de waarheid, die weerspiegelen die waarheid hooguit. Ik wil niet naar de slagschaduw, maar naar de zon kijken. Ik wil kijken naar het evangelie van Jezus Christus dat we gemeenschappelijk hebben.

Onze meningen houden ons vast in de verdeeldheid, alleen Christus Zelf kan ons verbinden. Maar Hem komen we tegen, Hem ontmoeten we alleen in Geest en in Waarheid – d.w.z. in de gelovige lezing van Gods Woord.

Maar ik vind onze geloofsverschillen helemaal niet zo erg als we samen presteren wat nu van ons gevraagd wordt: dat we samen beraadslagen over wat het evangelie betekent. Niet “voor ons”, niet wat het ons persoonlijk doet, maar wat het evangelie nu eigenlijk zegt en is.
Als zij de Bijbel anders lezen – OKAY! – als zij de Bijbel in het geheel niet lezen en hun standpunt er niet op funderen – NIET OKAY!

Je kunt geen gesprek hebben als je niet een gezamenlijk onderwerp en referentiekader hebt. Dat gezamenlijke onderwerp is: wie is Jezus Christus. Dat referentiepunt: wie zegt de Bijbel dat Jezus Christus is? Akkoord?

Akkoord. Laten we dan beraadslagen. Laat de Bijbel open gaan en ons toespreken. Laat Christus over ons lichten. Dan doen de etiketten er in het geheel niet toe.