De onoverwinnelijke koning en het coronavirus – een korte beschouwing van Psalm 91

De laatste tijd wordt vanwege het coronavirus steeds maar weer verwezen naar Psalm 91. Daar lezen we immers “Hij zal u redden van de strik van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pest” en in vers 6 (u zult niet vrezen voor)… De pest, die in het donker rondgaat, voor het verderf dat midden op de dag verwoest.” “De onoverwinnelijke koning en het coronavirus – een korte beschouwing van Psalm 91” verder lezen

Contra Kuitert – over de Christelijke traditie

Of het christelijk geloof gebaseerd is op de christelijke traditie?

Antwoord: het christelijk geloof is gebaseerd op het apostolisch getuigenis, dat in het Nieuwe Testament zowel Gods openbaring, een te aanvaarden leer als ook “het eenmaal aan de heiligen overgeleverde geloof” genoemd wordt.

Hiertegen pleit het volgende:

Tegenwerping 1. Het lijkt erop dat de christelijke traditie geen rol mag spelen in de ontwikkeling van persoonlijke geloofsvoorstellingen. Wij krijgen nooit direct toegang tot het geloof, maar we komen met het geloof in aanraking uit de tweede hand. Het idee van de traditie is dubbelzinnig omdat het soms een aanbeveling maar ook een afkeuring kan zijn.

Tegenwerping 2. Bovendien is de geloofstraditie een kerkelijke traditie die meestal alleen maar wordt bewaard of verdedigd. Daarom hebben mensen over het algemeen een hekel aan de geloofstraditie die meestal wordt overeind gehouden door angst voor verandering.

Tegenwerping 3. Verder is het zo dat elke tijd zijn eigen traditie definieert. Elke generatie probeert te bepalen wat christenen geloven en proberen dat door te geven aan de volgende generatie. Het heeft dus geen zin om de traditie te funderen in de overtuigingen van de eerste generatie in de kerkgeschiedenis.

Tegenwerping 4. Bovendien zijn de geloofsvoorstellingen in de traditie alleen maar te zien als uitnodigingen of aanbevelingen. We moeten verschil maken tussen de traditie en het theologische systeem. Het woord traditie beschrijft alleen maar dat in kerk en gezin overtuigingen worden doorgegeven, maar ook worden gewijzigd en aangepast. Mensen moeten een persoonlijke beslissing nemen om elementen uit die traditie over te nemen of te verwerpen.

Tegenwerping 5. Wanneer de christelijke traditie – of de christelijke leer – wordt aangezien voor een “totaalvisie”, wordt die traditie verstikkend en gevaarlijk voor het geloof. We mogen de traditie niet uitbouwen tot een totaalvisie omdat we eenvoudig te weinig van God weten om zo’n afgerond bouwwerk te kunnen maken.

Tegenwerping 6. Wanneer de traditie worden uitgebouwd tot een totaalvisie, pretenderen we de mens en de wereld te kunnen beschouwen vanuit het perspectief van God. De ijzeren zekerheid waarmee die visie wordt gepresenteerd, is juist schadelijk voor het religieuze gevoel van mensen.

Tegenwerping 7. Wanneer de traditie wordt uitgebouwd tot een totaalvisie, dan moet de kerk zich gaan opstellen als de instantie die de waarheid in pacht heeft, en al helemaal begrijpt. De weten de kerk daalt af naar het onwetende volk. Maar het geloof is alleen de “neerslag van een cumulatie van ervaringen door de generaties heen.” (Kuitert, ABCG, p. 21)

Daar stellen wij tegenover dat wij door de apostel Judas worden vermaand om te strijden “voor het geloof, dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.” Ook de apostel Paulus noemt een mens opgeblazen en onwetend wanneer hij “een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus, en met de leer, die overeenkomstig de Godzaligheid is (1 Tim. 6:3).” En, zegt hij, dat er mensen zijn die “van de waarheid zijn afgeweken”, door hun eigen geloofsvoorstellingen te volgen, door te zeggen “dat de opstanding al had plaatsgevonden” (2 Tim. 2:18).

Ik antwoord op de vraag door te zeggen, dat het woord traditie in meerdere betekenissen gebruikt kan worden. We kunnen daaronder verstaan de feitelijke manier waarop het christelijke geloof wordt doorgegeven. In die betekenis is de traditie niet normatief voor ons geloof. We kunnen daar ook onder verstaan, het geheel van voorstellingen en principes die in een bepaalde historische ontwikkeling van een kerk als het gemeenschappelijke bezit worden beschouwd, en als zodanig een definitie geven van een bepaalde modaliteit of kerkelijke richting. Zo kan er een lutherse, Gereformeerde, of Hervormde traditie ontstaan. Ook een dergelijke kerkelijke traditie kan niet gezien worden als normatief, hoewel het wel pogingen zijn om de waarheid van het christelijke geloof tot gelding te brengen.

Het woord traditie kan echter ook gebruikt worden om de realiteit aan te duiden van de overlevering waarover de apostel Judas spreekt. Het gaat dan niet om een geheel van overtuigingen, maar om het evangelie zelf, over Gods Openbaring in de Schrift, dat wil zeggen heel de waarheid waarin “de Geest van de waarheid” eerst de apostelen en vervolgens ook ons heeft ingeleid (Joh. 16:13). Naar het woord van de Heer Jezus Zelf, is het de Bijbelse openbaring die voor ons de definitieve en normatieve waarheid is: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid” (Johannes 17:17). En dat deze aan de apostelen geopenbaarde waarheid moet worden doorgegeven zoals zij die hebben ontvangen, wordt duidelijk aan een andere uitspraak van de Heer Jezus wanneer Hij zegt: “Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen” (Johannes 17:20).

Daarom zegt ook Paulus nadrukkelijk, dat er in de kerk zware tijden zullen komen, waarin mensen nieuwsgierig van allerlei zaken kennis zullen nemen, zonder ooit tot een waarachtige kennis van de waarheid te kunnen komen (2 Tim. 3:7). Er zijn mensen die zich tegen de waarheid verzetten en daarom door de apostel worden aangeduid als: “verdorven in hun verstand, verwerpelijk in relatie tot het geloof (vers 8).” Daarom geeft Paulus nadrukkelijk de oproep aan Timotheüs om te blijven “in datgene wat je geleerd hebt, en waarvan je verzekering hebt ontvangen, in het besef van wie je het geleerd hebt”, namelijk van de apostelen. En dat geheel in overeenstemming met de in het volgende vers genoemde “heilige Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid” (vers 15). Tenslotte wijst Paulus er ook nog op, dat deze Schrift moet dienen tot lering, weerlegging, verbetering en onderwijzing. De zware tijden waarheid van spreekt, worden volgens 2 Tim. 4 hierdoor gekenmerkt, dat mensen, ook leden van de kerk, “de gezonde leer niet zullen verdragen, en “hun gehoor van de waarheid zullen afwenden” (4:3, 4).

Wanneer de traditie dus begrepen wordt als de apostolische traditie, gebaseerd op de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, uitgedrukt in de christelijke leer, dan is de traditie juist de neerslag van de kennis van de waarheid – de waarheid die als Gods Woord zowel aan de apostelen als ook aan ons is overgeleverd. Daarom moeten wij juist in deze postmoderne tijd vasthouden aan de overlevering van het geloof, dat wil zeggen aan datgene wat door de kerk in alle eeuwen eenstemmig als het fundament van de waarheid aanvaard is. In deze zin van het woord traditie kunnen we dus bevestigend antwoorden, dat het christelijk geloof in het heden gebaseerd is op de traditie van het evangelie en het apostolisch getuigenis, dat wil zeggen op het feit dat het geloof – met het bepaald lidwoord als het geheel van waarheden die voortvloeien uit de Schrift – aan ons is geopenbaard en overgeleverd om te worden doorgegeven zoals wij het hebben ontvangen uit de hand van de apostelen en daarmee uit de hand van de gevolmachtigden van de Heere zelf.

Antwoord op 1. Hoewel het waar is dat in de praktijk van het leven het geloof wordt doorgegeven door ouders, grootouders, leraren en predikanten, wil dat nog niet zeggen dat wij het uit de tweede hand ontvangen. Het onderwijs dat wij ontvangen moet immers vooral de verwijzing naar het apostolisch getuigenis en de Schriften zelf bevatten. De leer die Timotheüs heeft leren kennen van Paulus en de Schriften die hij heeft leren kennen door zijn ouders, is transparant op de waarheid hoewel hij er niet mee samenvalt.

De veronderstelling dat het geloof bestaat in de ontwikkeling van persoonlijke geloofvoorstellingen is in strijd met de Schrift, zoals ik al duidelijk heb gemaakt met de verwijzing naar de woorden van Paulus in 2 Tim. 2:18.

Antwoord op 2. Het is waar dat soms tradities die historisch gegroeid zijn in kerkelijk verband worden verdedigd en gehandhaafd alsof zij kunnen worden geïdentificeerd met de waarheid. Ook dat is in strijd met het begrip traditie dat ze in het Nieuwe Testament aantreffen. Timotheüs wordt alleen maar opgeroepen om te blijven bij datgene wat hij geleerd heeft, en waarover hij verzekering heeft ontvangen, omdat hij weet dat degene die het hem geleerd heeft werkelijk gezag heeft. In deze uitleg van 2 Tim. 3:14 is de enige normatieve traditie die van het apostolisch getuigenis. Dergelijke kerkelijke tradities moeten steeds weer opnieuw getoetst worden aan het gezag van de Schrift.

Antwoord op 3 en 4. Aangezien deze tegenwerpingen zijn gebaseerd op de definitie van traditie als feitelijke geloofsovertuigingen die men wil koesteren en doorgeven, zonder verband met de normatieve overlevering en het apostolische getuigenis, zijn deze al weersproken in het antwoord op de eerste tegenwerping.

Antwoord op 5. Het lijkt mij niet moeilijk om in te zien, dat een beweringen over ons gebrek aan kennis volledig juist is. Wij weten uit onszelf en vanuit onszelf niets over God. De kwestie is alleen, of onze kennis er wel toereikend om te constateren dat God gesproken heeft en Zich heeft geopenbaard. Is de uitspraak dat God heeft gesproken een uiting van onze kennis, dan deelt ze in dezelfde onzekerheid die alle menselijke kennis aankleeft. Ik denk dat hier een modern kennisbegrip een grote rol speelt, dat als vanzelfsprekend wordt verondersteld. In de moderne benadering heeft kennis en actief element, is het onmiddellijk al zoiets als interpretatie en duiding, heeft het geen echte transparantie tegenover datgene waarvan het kennis wil zijn. Zodra we het licht van het verstand op iets laten schijnen, wordt het object anders – een variant van het Heizenberg principe. In de klassieke opvatting van kennis, is het element van receptief hij tijd veel belangrijker. Karl Barth spreekt daarom terecht over het moment van “erkenning”, dat een cruciale rol speelt in de geloofskennis. Wij ontvangen de openbaring, maar produceren haar niet door iets te duiden. Met andere woorden: “openbaring” is geen predikaat van een kennis die wij tot stand hebben gebracht.

Zolang nog niet is beslist of openbaring mogelijk is, legt deze tegenwerping onvoldoende gewicht in de schaal om ons antwoord te beïnvloeden. Met name omdat wel duidelijk is hoe Paulus daarover denkt. Denk maar eens aan deze passage uit 1 Kor. 2. In de eerste plaats hebben wij niet ontvangen de geest van de wereld – de natuurlijke wijze van kennen en begrijpen – maar de Geest die uit God is. Er is een bijzondere kennis mogelijk zegt Paulus, zodat wij “zouden weten de dingen, die ons van God geschonken – en geopenbaard – zijn. Daarom krijgt ook de uitdrukking van deze bijzondere kennis een bijzonder karakter, zoals Paulus zegt: “(de dingen die ons geschonken zijn) daarover spreken wij ook, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke woorden samenvoegend.” Tussen de natuurlijke kennis door middel van de geest van de wereld, en de kennis in de kracht van de Heilige Geest in haar eigen manier van uitdrukken kent, bestaat een enorme kloof. “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn het dwaasheid, maar hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.” Het gaat het dus in het geheel niet om of wij wel voldoende kennis van God zouden hebben, want de Schrift zegt nadrukkelijk dat dat ook niet het geval is. Maar ons geloof berust dan ook niet “in de wijsheid van de mensen, maar in de kracht van God” (1 Kor. 2:5, 12, -14).

Antwoord op 6. Die “ijzeren zekerheid” kan alleen maar schadelijk of ongepast zijn voor mensen, als wij niets anders kunnen dan proberen een aanbeveling te doen voor een persoonlijke zingeving aan het leven die min of meer historische christelijke patronen volgt. De verkondiging van het evangelie heeft echter niks te maken met onschuldige aanpassingen van onze wereldbeschouwing. Hoe zou dat te rijmen zijn met de notie van de bekering? Die totale ommekeer van denken en leven waarin iemand tot de belijdenis komt dat Jezus Christus de Heere is, die gekruisigd is voor onze zonden, met wie wij één zijn geworden zodat Zijn Geest ons nu tot een kind van God gemaakt heeft? Als de boodschap van het evangelie niet gaat over de bekering van een zondaar door het geloof in Jezus Christus, dan heeft het evangelie al zijn waarde, inhoud en kracht verloren. Als dat niet met ijzeren zekerheid kan worden verkondigd, dan blijven het ijdele praatjes.

Antwoord op 7. Het verwijt aan de kerk, dat zij met te grote zekerheid en met een te absolute totaalvisie spreekt, is onterecht. Zij is alleen gemachtigd door te geven wat zij heeft horen spreken door Christus en Zijn apostelen en daarom wordt de “gemeente van de levende God”, door Paulus “een pilaar en fundament van de waarheid” genoemd. De waarheid van het geloof, de goede leer, de praktijk van het lezen van de Schrift, de heiliging door het Woord van God (en het gebed) maken de Gemeente tot die unieke plaats waar de kennis van de waarheid van het evangelie wordt bewaard, uitgediept, verspreid, en begrijpelijk gemaakt. En als het goed is, ook in de praktijk wordt gebracht.

De vijf kenmerken van een goed gemeentelijk lied – KOINONIA LIVE! #14

Vandaag over het artikel van Matt Boswell over de kenmerken van een goed kerklied. Besproken worden ook Psalm 96, Kol. 3:16 en 1 Kron. 16.
En heel kort ook nog Lied 812 uit de Nieuwe Liedbundel, van Huub Oosterhuis.

Een goed kerklied moet:
1. Gericht zijn tot God en over God gaan.
2. Bijbels zijn, verzadigd van Gods Woord.
3. Wijzen naar het evangelie, dus: de heilige God, de menselijke zonde, Christus’ tussenkomst en ons gelovig antwoord bevatten.
4. Werkelijk gemeentelijk zijn: een collectief zingt, niet een individu.
5. Evangeliserend zijn: het evangelie proclameren tegenover een ongelovige wereld.

Het gezag van de Schrift in de prediking

“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)

Het overkomt vaak studenten uit een christelijk gezin, die op de middelbare school of op de universiteit geconfronteerd worden met harde kritiek op de Bijbel. Ze beginnen te twijfelen. De antwoorden van vader en moeder zijn niet langer voldoende, en meestal weet de predikant er ook geen raad mee. Bovendien is het gezag van de gemeente gering in vergelijking met het gezag van de leraren waarmee een jonge student geconfronteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel jonge mensen afhaken, aan de Bijbel hooguit de status van interessante verhalen toekennen, en op die wijze het vertrouwen verliezen in de Bijbel als Gods Woord.

Dat is echter niet mijn onderwerp. Waar ik vandaag over schrijven wil, is over het verschijnsel dat volwassen christenen, die nog kerkelijk actief zijn, net als vele predikanten, subtiele manieren hebben gevonden om aan het gezag van de Bijbel te ontkomen. Ze belijden de waarheid van de Schrift nog wel, maar in de praktijk speelt dat gezag geen rol. Veel predikanten zijn in hun opleiding bedolven onder een stortvloed van argumenten voor de liberale Schriftkritiek. Dat begint bij twijfels aan het auteurschap en de ouderdom van sommige teksten. Bijvoorbeeld: is er een profeet geweest die het boek Jesaja heeft geschreven? Ook als het antwoord is dat het boek van deze profeet in meerdere fasen van de geschiedenis tot stand is gekomen, kun je het gezag van die tekst nog wel handhaven. Het ligt moeilijker wanneer we bijvoorbeeld moeten nadenken over het auteurschap van het evangelie naar Johannes. Als het is geschreven door de apostel voor het einde van de eerste eeuw, dan berust het zeker ook op het geheugen van de apostel die getuige was van deze gebeurtenissen. Als het echter geschreven zou zijn door zijn leerlingen meer dan 30 jaar na de dood van de apostel, die hun geschrift op naam van Johannes hebben gesteld, dan moeten we het gaan rekenen tot de kerkgeschiedenis en niet tot de schriftelijke openbaring. Maar het gaat nog verder wanneer ze in de opleiding leren dat het Nieuwe Testament vol zit met culturele veronderstellingen, met een verouderd wereldbeeld dat niet meer te handhaven is, en dat alles in de Bijbel van haar mythische vorm moet worden beroofd. Wat we dan overhouden is een kern die ons in ons persoonlijk leven nog als troost en bemoediging en oproep tot “authenticiteit” kan aanspreken.

Natuurlijk, predikanten komen in hun opleiding ook de gedachte tegen, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God zou zijn. Maar de universiteit is doordrongen van de liberale Schriftkritiek, dat wil zeggen dat een dergelijke opvatting als een rariteit uit het verleden wordt bijgezet in het museum. Alleen nog geschikt om mee bezig te zijn vanwege naïeve gelovigen in de gemeente.

Als predikanten dus geleerd hebben om het gezag van de Bijbel te negeren of zelfs in een poging om eerlijk te zijn tegen te spreken, wat moet de gemeente dan nog denken? Bij het lezen van de Bijbel kunnen gemeenteleden allerlei twijfels hebben. Vooral de passages uit het Oude Testament zijn ons welbekend, die steeds tot diepgaande zorgen aanleiding geven. Hoe zit het dan met de intocht in Kanaän. Met de overduidelijke genocide die daar gepleegd wordt. Gelukkig is dat dan het Oude Testament dat wij als christenen toch naast ons neer kunnen leggen – met uitzondering van de psalmen en het boek Genesis. Maar die vragen kunnen zich ook gaan uitbreiden in de richting van het Nieuwe Testament. Is het verhaal van de opstanding van Jezus een uiting van geloof zonder realiteit? Of is het een betrouwbaar ooggetuigenverslag – juist vanwege de inconsistenties tussen de evangelisten – dat ons een betrouwbare en historische grondslag geeft voor ons geloof?

Het gaat mij dus om mensen – gemeenteleden en predikanten – die de hele kwestie van het gezag van de Bijbel uit de weg willen gaan. Het gaat mij om christenen die eigenlijk niet langer het reformatorische beginsel van Sola Scriptura – alleen de Schrift – hanteren. Laat staan de toespitsing daarvan op het afgeleide beginsel van Tota Scriptura – heel de Schrift. Nog niet zolang geleden was in onze Hervormde Kerk het vanzelfsprekend dat de Bijbel gezag had omdat het de schriftelijke vorm was van Gods Woord. Respect voor Jezus als de hoogste autoriteit in de kerk was ondenkbaar zonder respect voor de Bijbel die Jezus als gezaghebbend citeerde en in Johannes 17 gelijkstelde aan de waarheid. Zonder de Schrift die door de Geest van Christus geïnspireerd was, hadden we ook geen enkel besef van wie Jezus was en is. Zo was het ook ondenkbaar om te tornen aan het idee, dat de Bijbel gezaghebbend was in alles wat zij leerde. Niet alleen maar inzake van geloof en leven, maar ook in haar weergave van historische realiteiten – hoewel het zeker noodzakelijk was om goed te letten op het genre zodat we de Bijbel niet gingen lezen als een handboek voor kosmologie of biologie.

Aan het gezag van de Bijbel was ons dus ooit veel gelegen. Daarom waren wij een kerk van de Reformatie. Wij hebben in onze traditie daarom altijd ook de noodzakelijkheid van de Schrift bevestigd. Al is het bij ons nooit zover gekomen dat wij ons letterlijk het beginsel van Calvijn hebben eigen gemaakt, dat de Schrift ook de enige norm en bron moest zijn van de inrichting van de eredienst. De grote waaier van rooms-katholieke invloeden op de inrichting van onze eredienst in de huidige tijd is daarvan het duidelijke bewijs. Maar toch, het was ons fundament. Zonder de schrift kon je Christus niet kennen. Als je Hem niet kende, kon je Hem niet eren. Waar zou de kerk echter toe dienen als zij haar Heer en Heiland niet zou kunnen eren?

Wat zijn nu “subtiele manieren” om je aan het gezag van de Bijbel te onttrekken?

1. Selectief zwijgen
Predikanten hebben zo hun lievelingspassages. Daarover kun je steeds weer opnieuw preken zodat de gemeente steeds een positieve en bemoedigende preek te horen krijgt. Het is zelden dat gepreekt wordt over een tekst die lijden en pijn als thema heeft. Het is zelden dat gepreekt wordt over Gods gerechtigheid, vooral als die in de vorm van oordeel en macht naar voren komt zoals vaak in het Oude Testament. Begrippen als straf en tucht zijn niet langer in de mode en daarom worden ook passages vermeden waarin dat naar voren komt. Wie van de predikanten durft nog te preken over de hel? Dat is een begrip dat zowel door Jezus als door de apostelen uitvoerig gebruikt wordt en vanzelfsprekend bij hun gedachtewereld hoort. Maar in onze preken wordt het zorgvuldig verwijderd om niet het predikaat “donder- en bliksempreek” op te roepen. Daarom wordt er ook niet gepreekt over zonde in het algemeen, over overspel, of over het homohuwelijk. Daarom wordt er ook niet gepreekt over de rolverdeling van mannen en vrouwen, of de rol van de vrouw in het ambt van predikant. Dat zijn zaken waar de gemeente immers verdeeld over is en omdat je niet wilt dat de ene helft van de gemeente wegloopt terwijl de andere applaudisseert, vermijd je dat soort onderwerpen maar.

In dit selectieve zwijgen is het duidelijk, dat de Bijbel haar gezag verliest omdat alleen die teksten nog aan de orde kunnen komen, die jouw eigen standpunt ondersteunen. (Of het algemeen gevoel van de gemeente ondersteunen.) Wanneer er passages in de Bijbel staan waarover wij niet kunnen preken, impliceert dat dat die passages niet Gods Woord zijn. Wanneer er passages zijn in de Bijbel waarover de gemeente alleen maar een negatief oordeel wil horen, zo in de trant van: wat jammer dat dat erin staat, of: ik begrijp dat u daar moeite mee hebt en ik ook, wordt zelfs nadrukkelijk het gezag van Gods Woord ondermijnd.

Ik heb het nu nog uitsluitend over de preken gehad, maar dit zet zich voort ook in andere verbale uitingen zoals in de catechese of de Bijbelkring. Wij dienen als predikanten ook te zwijgen over de waarde van het Nieuwe Liedboek om maar een ander pijnpunt te noemen – de toorn van kerkenraad, gemeente en organisten komt over je heen. We mogen als predikanten alleen maar zwijgen wanneer gastpredikanten het evangelie vervalsen, ook al is dat voor ieder mens die er aandacht aan geeft volstrekt helder te maken. Selectief zwijgen is een noodzakelijke overlevingsstrategie geworden voor een predikant die beseft, dat zijn baanzekerheid mede afhangt van het goede gevoel van de gemeente over zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid. De gemeente is niet geneigd om te begrijpen dat het Gods Woord is die een bepaalde prediking noodzakelijk maakt, en niet de vrije keuze van de predikant. Wanneer het Woord als negatief wordt beoordeeld, moet de schuld wel liggen bij de predikant die de verkeerde selectie maakte. Want waarom zou je de gemeente iets voorleggen, dat die gemeente onaangenaam in de oren moet klinken? Waarom zou je geen tekst kiezen voor de prediking, die het gehoor streelt? Of aansluit bij verwachtingen? Dat moet dan aan de recalcitrantie van de predikant liggen.

Onderbelichten en overbelichten

Een mooi voorbeeld van dit zwijgen is ook het verschijnsel van het onderbelichten van een passage of term. Ik geef als voorbeeld de prediking in de kersttijd over het evangelie naar Mattheus. Stel dat we voor kerstavond gekozen hebben voor een lezing uit Mattheus 1. De kerkenraad heeft al uitdrukkelijk gevraagd om de prediking op die avond toegankelijk te maken voor die buitenstaanders die maar één keer per jaar naar de kerk komen. Bij de uitleg van het geboorteverhaal komen we aan vers 20. “Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom.” En even later: “wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest.” Wat moeten moderne mensen met deze “engel”, met deze “droom”, en met de “ontvangenis uit de Heilige Geest”? De gebruikelijke tactiek is het onderbelichten van dergelijke bewoordingen. We zeggen: “Jozef kwam vanuit zijn geloof en trouw, en vanuit zijn liefde tot Maria tot een beslissing haar niet te verstoten”. We zeggen: “omdat Jezus een bijzonder mens was, hebben de eerste christenen geloofd dat ook zijn geboorte bijzonder moest zijn, net als bij de keizer.”

Ziet u wat hier gebeurt? Door het op een andere manier te willen zeggen, verminderen we de realiteit waarnaar de tekst verwijst. Gods ingrijpen in het leven van Jozef, wordt een persoonlijke beslissing. De bovennatuurlijke geboorte van Jezus – het Woord dat vlees is geworden! – wordt een onderdeel van de mythe waarin uitsluitend de eerste christenen geloofd hebben. Zodat wij moderne mensen kunnen menen daar ver boven verheven te zijn, want wij hebben dergelijke sprookjes niet meer nodig.

Selectief zwijgen over de passages uit de Bijbel die aanstoot kunnen geven voor het moderne levensgevoel; selectief spreken over wat het moderne levensgevoel ondersteunt en het gehoor streelt; en het onderbelichten van alles in de Bijbel waar we van aannemen dat moderne mensen er toch niet meer in kunnen geloven, en ook niet meer in hoeven te geloven. Omdat tegelijkertijd de tekst van de Bijbel toch wordt naverteld lijkt het net alsof alles in orde is. Een gemiddeld kerklid hoeft het niet eens in de gaten te hebben dat er van dit zwijgen en selecteren en onderbelichten sprake is. Maar in werkelijkheid, voor iedereen die een dergelijke preek rustig nog eens naleest en vergelijkt met de strekking van de gebruikte passage uit de Bijbel, kan er geen twijfel zijn dat op subtiele wijze het gezag van de Schrift is omzeild.

2. Schaamte tegenover de tekst
Veel predikanten lezen een tekst, met name uit het Oude Testament, waarvoor ze in de preek verontschuldigingen aanreiken. Soms gebeurt dat rechtstreeks, door het nare gevoel te verwoorden dat iedereen in eerste instantie wel zal hebben, maar om het daar bij dan ook te laten. Soms gebeurt het indirect, door een Oudtestamentische tekst te contrasteren met een tekst uit het Nieuwe Testament.

We lezen bijvoorbeeld uit 2 Koningen 1 de geschiedenis van Elia. Dan komen we bij vers 10: “Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.” God neemt het hier tegenover de gezalfdekoning van Israël Ahazia, op voor Zijn eigen eer. De koning heeft een afgod geraadpleegd vanwege zijn ziekte. Als de profeet hem het oordeel van de Heere aankondigt, stuurt de koning soldaten naar Elia om Hem daarvoor te straffen. Het wordt een strijd om de soevereiniteit. Wie is de waarachtige koning in Israël? De afgodendienaar Ahazia of de Heere God die spreekt door Zijn profeet?

Stel nu eens dat in de uitleg van deze passage de inzet van de strijd niet wordt vermeld. Er wordt alleen maar gezegd dat de koning ziek is, zoekt naar een genezing, en dan een woord van de profeet te horen krijgt, en dat die profeet met bovenmatige geweld onschuldige soldaten neerslaat met vuur uit de hemel. Opnieuw dus een voorbeeld van de onderbelichting van de strekking van een tekst. Daardoor wordt het heel makkelijk om de tekst te contrasteren met wat we lezen in Lukas 9. Wanneer de Samaritanen Jezus niet in hun dorp willen ontvangen, vragen Jacobus en Johannes: “Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?” De discipelen maken dus een connectie met het verhaal van Elia, niet Jezus. Maar na de uitleg van het verhaal van Elia kan de predikant op een bijzondere wijze voortredeneren. Dat leidt tot deze schijnbaar fraaie conclusie. Jezus keurt hier af wat Elia gedaan heeft. Immers, “de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden.” De implicatie in de preek waarin deze beide passages met elkaar verbonden worden, is duidelijk. Elia heeft de zielen van mensen te gronde willen richten, maar Jezus daarentegen wil ze behouden. De Oudtestamentische tekst wordt dus alleen maar gebruikt om de houding van Jezus in scherp contrast te plaatsen. En de gemeente heeft het goed begrepen: het Oude Testament, het heilige boek van de Joden, staat vol met geweld, maar Jezus kwam die nare visie corrigeren. Hij zou hebben gewild dat de soldaten in leven waren gebleven.

Niets is echter verder van de waarheid. Dat is wat het selectieve zwijgen dan bewerkstelligt. Voor het gemak wordt vergeten, dat deze Jezus ook kon zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” Zeker, Jezus is gekomen om zielen te behouden, maar dat impliceert dat sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf” (Mat. 25:46). En Hij kon zeggen: “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36).

Ziet u wat er gebeurt? Door de Oudtestamentische tekst te onderbelichten, en te contrasteren met een Nieuwtestamentische tekst, ontstaat er een overbelichting van de laatste. De reden van de strijd met de soldaten van de koning wordt weggelaten, en er wordt gesuggereerd dat Jezus’ weigering om vuur van de hemel te laten neerdalen, een bewijs is van Zijn allesomvattende vriendelijkheid. (Is het dan niet van belang dat beide teksten een geheel andere context hebben?) Maar in de eerste plaats zou Jezus het getuigenis van het Oude Testament nooit op die wijze verworpen hebben. In de tweede plaats is ook in het Nieuwe Testament de realiteit van Gods oordeel een belangrijke waarheid. In de derde plaats breng je, door die teksten op deze wijze met elkaar in verband te brengen, in feite alleen je eigen theologische mening naar voren. Terwijl de gemeente denkt dat de predikant bevestigt dat ze zich onrustig mag voelen door de teksten over Elia, en dat de predikant toch nauwkeurig de Bijbel heeft uitgelegd die duidelijk maakt dat Jezus een en al vriendelijkheid en liefde is. Ik noem dat een vervalsing van de Schrift in de preek. De schaamte over de tekst regeert en het inzicht in de diepte ervan ontbreekt. Wat overblijft is een tendentieuze prediking waarin de predikant meer zichzelf dan de waarheid heeft verkondigd.

Besluit
“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)
Wat zijn nu deze “schandelijke, verborgen praktijken”? In ieder geval is het de praktijk van het onderbelichten van een tekst, een eigen geheime agenda te hebben bij de uitleg van die tekst. Paulus verwijst met deze woorden het gedrag van een koopman op de markt. Een te hoge prijs rekenen, bijvoorbeeld voor wijn die je verkoopt als onvermengd maar intussen ruimschoots met water het aangelengd. Dat is een schandelijke praktijk.

Het onderbelichten van een tekst is als het aanlengen van de wijn met water, terwijl je doet alsof je het Woord van God zuiver uitlegt. Daarom is het bedrog. 

Wat is dan dit “vervalsen van het Woord van God”? Is het niet dit, dat we een tekst uitleggen volgens onze eigen intentie, en niet volgens de intentie van de schrijver zoals die blijkt uit de tekst? Het is om die reden dat de apostel Petrus zo nadrukkelijk stelt, dat “geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” Eigenmachtig wil zeggen dat we de tekst laten buikspreken om de boodschap te ondersteunen die wij zelf bedacht hebben.

In vers 5 vinden we de kern van de zaak. Het onderwerp van de prediking is niet wat wij zelf denken, ook niet onze eigen theologie, ook niet onze eigen hoogverheven of diepzinnige gedachten. Prediking is alleen maar het openbaar maken van de waarheid. En omdat die waarheid schriftelijk is vastgelegd in de Bijbel, is prediking niets anders wat Paulus aan Timotheüs schrijft: “predik het Woord.”

KOINONIA LIVE! #7 – Biddag voor gewas, arbeid en visserij – 8 maart 2017

Deze aflevering is geheel gewijd aan de preek van de Biddag voor gewas, arbeid en visserij.

De tekst voor deze avonddienst kwam uit Mattheus 20:1-16. De verkondiging ging over het falen van onze samenleving. Als de Heere ons niet door Zijn genade bewaart, zal onze afgoderij (Nationalisme, de Economie, het Populisme) grote schade blijven aanrichten. Maar Gods Geest houdt nog tegen, wat anders absoluut verderf zou brengen. Dat is de reden dat we een biddag hebben: omdat het slecht gaat, niet omdat we reden hebben om tevreden te zijn.

Goed om daaraan te denken als volgende week gekozen moet worden.