Is het hart van de Protestantse gemeente nog wel de Schrift?

Het is een vraag geworden terwijl het eerst een vast en zeker antwoord was. Komt de Protestantse gemeente nog wel samen rondom het Woord? Om het te horen verkondigen als evangelie, om vermaand te worden door het gezag van Gods geboden en verboden, om weer gericht te worden op het Verhaal dat de realiteit van cultuur en samenleving kritiseert? Kortom, leeft de Protestantse gemeente nog wel van het Sola Scriptura waarmee de Reformatie afstand nam van het gewijde gezag van de clerus in Rome? Of heeft zij beide vervangen door de anarchie van het moderne pluralisme?

Misschien moeten we dan eerst vragen over welk Protestantisme we het hebben. Gaat het om de Protestantse Kerk in Nederland of de Verenigde Protestantse Kerk van België dan moet het antwoord kort zijn: de stellingname van de gemeente ligt al vast, zij wordt bepaald door de ideologieën en ervaringen van de moderne tijd en voor intern gebruik kunnen daar nog wel wat Bijbelteksten bij gezocht worden. Een Sola Scriptura dat niet alleen de voetnoot, maar zowel het begin als het einde van de discussie mag bepalen, daarvan is zeker geen sprake meer.

Toch was dat oorspronkelijk het uitgangspunt. De ‘vergadering’ van de gelovigen was een wekelijkse gebeurtenis en betekende een openheid voor en een onderwerping onder een heilige tekst. Dat boek, zichtbaar minstens op de kansel, was de fysiek tastbare representatie van Gods gezag. De gemeente vergaderde rondom het Woord, ging “onder het Woord staan,” of zij vergaderde niet als gemeente. Zo constitueerde zich een “Kontrastgesellschaft”, een gemeenschap die niet bepaald werd in leven en denken door alles wat in de contemporaine wereld gezag en aantrekkingskracht had. Non-conformisme heet dat. Niet van de wereld zijn, hoewel we in de wereld leven – legde Paulus uit. Leven als “vreemdelingen en bijwoners” – zei de brief aan de Hebreeën. Zo was het in de eerste tijd van de gemeente, in de tijd van de periodieke vervolgingen van de verboden gemeente.

In plaats van deze duiding van de samenkomst van de gemeente “onder het Woord”, is de Protestantse Kerk geleidelijk aan weer de kenmerken gaan vertonen waartegen ze ooit protesteerde. Aan dat protest had ze haar eigen identiteit te danken. In plaats van contrastgemeenschap, non-conformisme en betrokkenheid op de Schrift, is ze nu (opnieuw) religieus geworden. Het gaat weer om ervaringen, beelden – in de preek – entertainment, of zelfs een protestantse versie van priesterlijk pastoraat, en de aanzegging van vergeving als een absolutie. (Een steeds weer herhaalde en geritualiseerde genadeverkondiging is niet veel anders dan het sacrament van de absolutie, maar verschilt daarin dat er tenminste geen belijdenis van zonden gevraagd wordt. Reden van de populariteit van het Protestantisme bij sommige Katholieken?) 

Het opnieuw religieus worden van het Protestantisme heeft ook gevolgen gehad voor de Christelijke ethiek. De centrale positie van de Schrift betekende dat onze identiteit en onze levensopdrachten hun oorsprong hadden buiten de samenleving. Er was een historisch verhaal dat onze identiteit vastlegde, en er was een “aanwijzing ten leven” die ook ons gedrag als dat van een culturele minderheid definieerde. Dat verhaal wordt nu ingeruild voor – in onze tijd – het pleidooi voor de uiterste tolerantie voor elke verhaal, voor de pluraliteit van verhalen waarin geen eenheid valt te ontdekken behalve de formele tolerantie waarin ieder verhaal aanvaard dient te worden. 

Dan mag het woord “assimilatie” gebruikt worden om te beschrijven wat in de VPKB en de PKN ook daadwerkelijk in de meerderheid van de gemeenten gebeurd is. In plaats van de inoefening van een verhaal om tot een afwijkende identiteit en levensstijl te komen, wordt onder het algemeen aanvaarde verhaal van de samenleving een legitimering geplaatst waarin de Schrift niet langer zelfstandig tegenover de samenleving staat. De gemeente assimileert aan de samenleving omdat zij zich bij voorbaat in eenheid met die samenleving weet – de Schrift die zij in haar midden plaatst, heeft niet langer het gezag om haar een andere identiteit te verlenen. 

Wat is dan werkelijk in de plaats van de Schrift komen te staan, in deze tot religie geworden Protestantse gemeente? Assimilatie en aanpassing aan de heersende samenleving omschrijven eerder het mechanisme dan de zaak. Is het niet zo dat de Christelijke gemeenschap zich vergadert rondom het idee van de gemeenschap zelf? Niet langer staat het idee van de gekruisigde Jezus als voorbeeld en voorloper voorop, niet langer wordt Hij niet alleen als Heiland vereerd maar ook als Heere gehoorzaamd. Het besef van de absolute voorrang van de Schrift is immers al eerder verdwenen. Is het niet de samenleving zelf die de gemeente haar identiteit verleent, nl. een zorg-gemeenschap te zijn waarin elementen van geloof een rol spelen? Is het niet juist zo in de VPKB dat de steun van de overheid, noodzakelijk voor het overeind houden van op zich maar weinig levensvatbare gemeenschappen, berust op het idee dat er een maatschappelijk nut verbonden is aan een Christelijke kerk, al is het dan maar vanwege de zorg die verleend kan worden aan haar eigen leden? Zo wordt het nut het kritiekpunt van de gemeente die zich beijvert om de overheid tevreden te stellen met haar (loyale)opstelling. Het is niet voor niets dat uitdrukkelijk bepaald is dat predikanten in de VPKB op geen enkele manier kritisch mogen zijn tegenover de overheid – wat de Belgische Protestantse predikanten dan ook in het geheel niet zijn. 

Vanuit de theologie van de Radicale Reformatie is met de term “Constantinisme” een dergelijke symbiose van kerk en samenleving aangeduid en historisch verklaard. Toen het Christendom eerst een “toegestane religie” en later de enige aanvaarde religie werd in de loop van de 4e eeuw, werd de kerk in twee generaties tijd van vervolgde minderheid tot dominante religie van de meerderheid. Burgerschap van de samenleving werd door de (kinder-)doop verworven. Kerk en samenleving gingen samenvallen. Dat heeft zich volgens de diagnose van John Howard Yoder in verschillende varianten van neo-Constantinisme voortgezet tot op de huidige dag.

De gevolgen voor de Christelijke ethiek zijn zonder meer ingrijpend te noemen. Je zou de moderne ethiek kunnen omschrijven  – maar dat is dan ook een simplificatie – met een verwijzing naar de filosoof Immanuel Kant. Deze formuleerde het formele beginsel van de ethiek als volgt: “Handel steeds zo dat je individuele gedrag een leefregel voor iedereen kan zijn.” Daar komen dan inhoudelijke generalisaties bij: “Elk mens heeft het recht om…” of “heb je naaste lief.” Alle specifieke plichten en beslissingen worden vanuit beginselen van gelijkheid en de bevordering van de vrijheid en het leven op logische wijze ingevuld. Tolerantie voor de morele beslissingen van anderen, zolang ze mijn vrijheid niet inperken, is vanuit de post-moderniteit erbij gekomen.

Tegenover deze meerderheidsethiek, en zeker in de postmoderne samenleving met haar pluralisme en relativisme, moet de Christelijke ethiek in haar oorspronkelijke zetting wel als een buitengewoon autoritaire en  intolerante moraal gezien worden. Die ethiek had immers een duidelijk joods karakter: zij was een ethiek van een minderheid die zich ervan bewust was dat men “de meerderheid niet in het kwaad mocht volgen.” Haar ethische normen werden ingegeven door de openbaring in de Schrift en konden daarom niet gerelativeerd worden.  

In haar oorspronkelijke vorm, vanuit het Nieuwe Testament tot en met de Apostolische Vaders, vind je ten eerste in de Christelijke gemeenten duidelijke gedragsregels of een “halacha”, ten tweede duidelijke procedures om die levensweg of halacha vast te stellen (Mattheus 16 en 18), en ten derde een duidelijke uitleg van de redenen om tot die minderheidsethiek te komen in de vorm van het identiteitsverhaal (jodendom: aggada). Het Constantinische verhaal, van een samenleving die grotendeels samenvalt met de kerk of dat zou moeten doen, maakt een synthese of beter een symbiose met het politieke establishment en dus een “heiliging” of sanctionering van de bestaande ideologieën en rechtsverhoudingen mogelijk. Daarmee verloor de Christelijke kerk haar positie als (profetische) minderheid. Zo werd de triomfantelijke kerk geboren. 

Die kerk gaat in het heden aan haar eigen assimilatie, lees: legitimeringsdrang, ten onder. De kerk is een minderheid geworden, terwijl ze zich toch nog als representant van de hele samenleving ziet. De huidige kerk keert niet terug tot het besef een minderheid te zijn, maar, zo blijkt uit de “milieusynode”, zij denkt nog steeds in het groot. “Wij moeten over onszelf niet te gering denken” – was daarom onlangs te horen. Ik meen dat wij alleen over de Heer van de gemeente niet te gering mogen denken.

Hoe kunnen we het antisemitisme bestrijden?

Door Kenneth Stern

Het is veel gemakkelijker te beschrijven hoe antisemitisme werkt dan wat ertegen werkt.

Antisemitisme is een haat. In wezen is het een samenzweringstheorie die stelt dat Joden samenzweren om niet-joden kwaad te berokkenen. Zoals de meeste samenzweringstheorieën, biedt het gemakkelijke antwoorden op moeilijke problemen. Doorgaan met het lezen van “Hoe kunnen we het antisemitisme bestrijden?”

De polarisatie tussen gevaccineerden en anti-vaccers

11 november 2021 door Willem J. Ouweneel

Een van de dingen die mij verdrietig maken, is het feit dat de groeiende polarisatie tussen gevaccineerden en ongevaccineerden ook de christenheid steeds meer in haar greep krijgt. Dat is ook niet zo’n wonder. Als ik het interview met huisarts Els van Veen lees, denk ik:hoe is het mogelijk dat het Nederlandse volk zulke voorlichting krijgt, zelfs van artsen? Ik ben ontzettend blij met de respons van een andere arts, Alie Hoek-van Kooten, die dokter Els stuk voor stuk weerlegd heeft. Ik ben het 200 procent met Alie eens. Maar wat helpt dat? Talloze antivaxxers zullen Els’ argumenten – naast vele soortgelijke argumenten, afkomstig van alternatieve websites –
dankbaar aangrijpen om zich niet te laten vaccineren en daarmee de pandemie langer te laten voortduren dan nodig is. En alsjeblieft, laten de meningsverschillen niet tot oorlog leiden. Dat gevaar is levensgroot.

Daarmee zullen we moeten leven, en daarbij ook nog eens respect hebben voor het standpunt van de andere partij. Ik snap de argumenten van sommige ongevaccineerden (hoewel die meestal op onjuiste informatie gebaseerd zijn), maar ik ben het er niet mee eens. Ik hoop dat die mensen ook de argumenten van Alie tot zich nemen en er wat mee doen. En alsjeblieft, laten de meningsverschillen niet tot oorlog leiden. Dat gevaar is levensgroot. Er zijn al gemeenten die over deze kwestie uiteengespat zijn. Er zijn al gemeenten die een QR-code eisen voordat ze mensen binnenlaten. En omgekeerd zijn er ook gemeenten waar ze op je loeren of je al ziekteverschijnselen vertoont, omdat hun wijs gemaakt is dat de gevaccineerden binnen enkele jaren ernstig ziek zullen worden, zo niet zullen overlijden aan het vaccin. Dit is wel een asboluut dieptepunt: vaxxers die stiekem hopen dat de anti-vaxxers corona zullen krijgen (lekker puh), en anti-vaxxers die op je loeren om te zien of je al ziek bent van het vaccin. Christenen die stiekem of openlijk uitkijken naar het ziek worden of zelfs de dood van andere christenen. Kan het nog erger? Nou, het volgende is ook wel erg: Daniël van Deutekom beroept zich in een tweet op Romeinen 5:3-4. Het is dwaas om de Bijbel te laten buikspreken en op die manier ook nog eens een slachtofferjasje aan te trekken.

Beide redeneringen zijn even overtrokken. Het is dwaas om de Bijbel te laten buikspreken en op die manier ook nog eens een slachtofferjasje aan te trekken. Kijk eens hoe zielig wij antivaxxers zijn… Hou toch op, zeg. Er is in ons land helemaal geen vaccinatieplicht (zoals in sommige andere landen wel), en die komt er ook niet. We leven zelfs in een land waar de kerken helemaal vrijgelaten worden (behalve door de radicale pers), al zijn de meeste kerken zo verstandig de aanbevelingen van het RIVM zo goed mogelijk te volgen. Wél is het zo, dat RIVM en overheid sterke aandrang uitoefenen om mensen tot vaccinatie aan te zetten, en daar hebben ze groot gelijk in. Maar drang is geen dwang. Je maakt jezelf alleen maar zielig als je van jezelf dan toch een slachtoffer of zelfs een martelaar maakt.

Ik ben bioloog, en daarom interesseren de biologisch-medische aspecten van de coronacrisis mij zeer. Maar ik ben ook theoloog, en daarom ben ik zo verdrietig over de
oneerbiedige wijze waarop steeds meer geestelijke ‘smaakmakers’ in dit land met de Bijbel omgaan. Ik zei het eerder tegen Jaap Dieleman en Paul Visser: Onderzoek nu toch eens waar Openbaring 13 echt over gaat. En nu zeg ik tegen Daniël: Onderzoek nu toch eens waar Romeinen 5 echt over gaat. Je doet me denken aan de man die de tijd van zijn baas misbruikte om tegenover zijn collega’s te ‘getuigen’. Ten slotte ontsloeg zijn baas hem, omdat de man een dief van de baas z’n tijd was. En hoe reageerde de man? Hij was een martelaar, die nu moest lijden voor de naam van Christus… Is dat je bedoeling, Daniël? Ben jij nu ook een martelaar van Christus, omdat de mensen je bekritiseren vanwege jouw anti-vaxxersopvatting? Ben je nu een martelaar van Christus, omdat je geen QR-code hebt en nu dus geen restaurant of bioscoop binnen mag? Ik zou niet graag naar een restaurant gaan waar ze een loopje nemen met de QR-code, want ik wil geen slachtoffer worden van ongevaccineerde gasten. (Je kunt ook besmet worden door een gevaccineerde, maar die kans is aanzienlijk kleiner.)

Ben je nu een martelaar van Christus, omdat je geen QR-code hebt en nu dus geen restaurant of bioscoop binnen mag?

Laat me eindigen aan wat een verpleegkundige mij mailde juist toen ik met deze column bezig was: ‘Als verpleegkundige op de long- (nu corona-)afdeling in het ziekenhuis in … ben ik u zo dankbaar voor uw blogs! Het is zo moeilijk te begrijpen dat zoveel broeders en zusters zo negatief over vaccineren zijn en er hele “Bijbelse theorieën” op na houden. Ik zie iedere dag wat corona teweegbrengt; ik heb zoveel mensen naar de IC gebracht of bijgestaan in hun laatste uren. Mijn collega’s en ik zijn moe en verdrietig!’
Precies. En ik ben als bijbelleraar al even ‘moe en verdrietig’ over het misbruik dat van de Bijbel gemaakt wordt om de antivaxxers aan te moedigen in hun negatieve houding.

https://cip.nl/cip+/88169-zijn-ongevaccineerden-bezig-martelaren-voor-de-naam-van-christus-te-worden/FRgKBgFdVS11bhNORhpLcRkZEhU

Bange vermoedens over het geloof in de PKN

Het geloof, waarmede geloofd wordt

Je zou als lid van de Protestantse Kerk de indruk kunnen krijgen dat Johannes de evangelist geen lid is van de PKN. Je zou kunnen denken dat deze uitleg van het evangelie naar Johannes prima past in de omgeving van een evangelische gemeente of behoort bij het gedachtengoed van de Baptisten, maar absoluut niet hoort bij een Gereformeerde of Hervormde Kerk.

Ik weet zeker dat dat niet zo is. Zondag 7 van de Heidelberger Catechismus bevestigt dat. Vraag 21 luidt: “wat is een oprecht geloof?” Die vraag is belangrijk, omdat de zaligheid, de behouden is, is voorbehouden aan “degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.” (Antwoord op vraag 20.) Het antwoord luidt als volgt:

Antwoord. Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis (notitia – RAV) , waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen (fiducia – RAV), hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.

Is de verlossing erfelijk? Wordt zij al gegeven door de kinderdoop? Je zou kunnen denken dat verlossing net zo werkt als de macht van de zonden uit het verleden. Het wordt van de ene generatie op de andere doorgegeven. Immers, God doet toch barmhartigheid aan duizenden geslachten van hen die Hem vrezen?

Precies dezelfde accenten die we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes, komen ook in de Catechismus aan de orde. Het woord “inlijven” in het antwoord op vraag 20 verwijst naar de wedergeboorte, en de uitdrukking “door een oprecht geloof” geeft niet weer wat de oorzaak is daarvan, maar het middel. Geloof is nadrukkelijk niet onze prestatie tegenover God. Zo wordt ook benadrukt dat het vaste vertrouwen (fiducia) door de Heilige Geest in mijn hart gewerkt wordt. Geloof is een gave, het vertrouwen wordt door God gewekt, de wedergeboorte is een werkelijke daad van God. En toch vinden we ook hier dezelfde heilzame tegenspraak, omdat wij wél de verantwoordelijkheid hebben te geloven en “Zijn weldaden aan te nemen.” Sterker nog dan bij Johannes, wordt hier in zekere zin de tegenspraak van de wedergeboorte en geloof afgezwakt, en benadrukt dat geloof een gave is. De wedergeboorte is dan de basis van het geloof, zoals de uitverkiezing dan weer de basis is van de wedergeboorte. Dat is langs de lijnen van het Calvinisme gedacht en daaruit komt het grootste deel van de Protestantse Kerk voort. Maar de denkrichting van de Heidelberger Catechismus is toch in beginsel dezelfde als in Johannes. De weg naar de behoudenis gaat van God uit. De onoverbrugbare kloof tussen God en de mens, wordt van God uit overbrugd. Wij hoeven niet naar de hemel op te klimmen, want Christus is van uit de hemel afgedaald. Geloven is dus eenvoudig een aannemen, wat door God al gedaan is. Het is een lege hand ophouden en de weldaden van Christus aannemen. Maar dat aannemen moet wél door de mens worden gedáán.

Er is geen fundamenteel verschil tussen wat de Protestantse Kerk in Nederland belijdt, en wat we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes. Het is een en dezelfde boodschap. Maar hoe zit het dan met het geloof van de leden van de Protestantse Kerken? Het zou best kunnen dat die denken, dat de bekering een steeds herhaalde afkeer is van de fouten en zwakheden van het dagelijks leven. Het is mogelijk dat zij geloven dat de behoudenis in Christus aan alle mensen geschonken wordt en niet alleen aangeboden aan de wereld zoals Johannes leert, en dat eigen kinderen en kleinkinderen door de doop al behouden zijn. Het is mogelijk dat zij het niet belangrijk achten om persoonlijk Christus als verlosser aan te nemen. Het is mogelijk dat zij de kerk alleen maar zien als de gemeenschap van mensen die goede werken nastreven, en die de hoop koesteren dat bij een eventueel laatste oordeel, het gewicht van hun goede daden dat van hun slechte zal overtreffen. Het is heel goed mogelijk dat veel mensen in de Protestantse Kerk een dergelijk geloof aanhangen, dat feitelijk meer verwantschap vertoont met het geloof van de Islam, of met een joodse uitleg van het Oude Testament. En misschien dat daarom veel mensen confessionele gemeenten verlaten en die verruilen voor een vrijzinniger gemeente, omdat het licht van de waarheid hun genoeglijke duisternis verstoort. Omdat ze in hun hart verhard zijn en de waarheid niet willen en niet meer kunnen horen.

Ik bid tot God dat mijn diagnose niet klopt. Ik hoop nu eens helemaal ongelijk te hebben. Ik bid tot God dat mijn broeders en zusters in de Protestantse Kerken het evangelie gehoord hebben van hun voorgangers en het in hun hart hebben aangenomen. Wat aan het alternatief durf ik niet eens te denken.

Kerkelijk recht en krom

 

I

Wat is de betekenis van kerkrecht? Dat is het geheel van regels voor het bestuur van de kerk in zoverre het een gemeenschap van mensen is, die een organisatie van hun activiteiten en relaties behoeven. Komt dat al voor in het Nieuwe Testament? Nee. Wel de verwijzing naar geboden en verboden in verband met huwelijk en echtscheiding. Wel de opdracht om bij geschillen tussen broeders – vermoedelijk geschillen over “burgerlijke” kwesties zoals eigendom en erfenis – niet te rade te gaan bij de wereldlijke rechtbank, maar bij de “heiligen”. (1 Kor. 6:1-5) “Is er dan niemand onder u die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?” (1 Kor. 6:5). Wel de opdracht om “buiten te sluiten” als een broeder zich schuldig maakt aan ontucht, hebzucht, afgoderij, laster, dronkenschap of diefstal. “Doe de kwaaddoener uit uw midden weg” (1 Kor. 5:13). Eigenlijk zijn dat de belangrijke aanwijzingen voor het kerkrecht. Het is maar de vraag of men daaraan gedacht heeft bij de opstelling van de regels, en of niet duidelijk is dat men doorgaans grote delen van dit “recht” uit het oog heeft verloren.

Maar is dat wel het onderwerp? Ik zei: “kerkelijk recht” en niet “kerkrecht.” Ik maak onderscheid tussen die twee. Wat is kerkelijk recht? Dat is het aan de gemeente van Jezus Christus onderwezen en de in de Schrift betuigde openbaring van de gerechtigheid die tussen mensen – gelovigen of ongelovigen – zopu moeten heersen. Kerkelijk recht is het ideale recht, dat ons ook leidraad moet zijn in onze houding tegenover de overheid, en die als basis dienen moet voor wat we kerkrecht moeten noemen. 

Nu is het doorgaans zo, dat men het evangelie ziet als een morele zaak, die zich niet laat verbinden met rechtsregels. Genade gaat toch altijd boven wet, en wij worden niet behouden door het navolgen van de wet en liefde is toch het antwoord op alle morele vragen? Dat heeft wel degelijk betekenis, en de verwijzing naar dergelijke beginselen is niet zonder kracht. Maar een wet-loos evangelie, een genade zonder ethiek, is in staat ongerechtigheid toe te dekken. We kennen de verhalen over de aarzeling waarmee men meldingen van sexueel misbruik in de kerk heeft ontvangen. De onwil en het onvermogen om resoluut te kiezen voor de slachtoffers en “de boosdoeners uit ons midden weg te doen.” Een bestuurlijk ethos van louter genade werkt zedeloosheid en zonde in de hand. Overplaatsing van een priester maakt geen einde aan misbruik, maar verspreidt het alleen. Ambtsherstel voor een gevallen dominee op grond van emotionele uitingen van berouw, is een klap in het gezicht van de slachtoffers.

Wanneer Jezus ons zegt dat onze “gerechtigheid groter moet zijn dan die van de Farizeeën” is dat geen aanbeveling van voor alomvattende vergeving, d.w.z. negeren van zonden. Grotere gerechtigheid is precies wat het woord zegt. Dezelfde Jezus laat ons merken dat Hij niet gekomen is om de Wet of de Profeten te ontbinden, maar om te vervullen. Hij is immers het einddoel van de Wet. Dat betekent geen afschaffing, maar juist intensivering van de Wet, ondanks de gelijktijdige aanscherping van de rol van de vergeving en de noodzaak van verzoening – waar mogelijk ook tussen mensen. 

 

II

 

Daarom mogen we deze tekst uit Deuteronomium (Dt. 1:16-18) lezen als een aanwijzing voor het kerkelijk recht – en daarmee ook als fundament voor kerkrecht.

We zetten het hier op een rijtje:

1. Er moeten rechters zijn – “is er dan niemand onder u die wijs is?”

Wanneer Mozes niet alleen de wet moet doorgeven, maar ook degene is die de wet uitlegt en toepast wordt zijn taak te zwaar. Blijkbaar zijn er veel conflicten over uitleg en toepassing. Blijkbaar is het volk Israël in de woestijn kwetsbaar voor zonden juist in de onderlinge verhoudingen. Vandaar de opdracht:

Geef voor uzelf (dus geen rechters uit het buitenland), ingedeeld naar uw stammen (dus representatief voor het hele volk), wijze (met praktische kennis van de Torah), verstandige (met een ontwikkeld oordeelsvermogen) ervaren (dus geen jonge mensen zonder levenservaring) mannen, dan zal ik hen tot hoofd (niet in politieke zin, maar wel zodanig dat zij als rechters gezag uitoefenen over de partijen in een geschil) over u aanstellen (zodat niemand zichzelf kan opwerpen als rechter in een zaak).

2.  De aanstelling van rechters behoeft instemming van het volk 

“Toen antwoordde u mij en zei: de zaak die u hebt gezegd te doen, is goed.” 

3. Rechtbanken moeten in verschillende “lagen” worden ingesteld

“…stelde hen tot hoofd over u aan, leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.”

4. Rechtbanken moeten worden ondersteund door ambtenaren, die aan het volk en niet aan de rechters verantwoording verschuldigd zijn.

“…en beambten voor uw stammen.”

5. De taak van de rechters is het luisteren naar een geschil dat wordt voorgelegd, niet dat zijzelf het initiatief daartoe nemen.

“Ook beval ik in die tijd uw rechters: “luister naar [de geschillen, d.w.z. datgene wat hier “tussen” broeders een conflict geeft].

6. De veronderstelling zelfs bij het conflict is, dat de partijen “broeders” zijn, d.w.z. zij in beginsel in een goede relatie (kunnen) staan.

Dat is een aanwijzing voor de rol die het rechterlijke oordeel moet spelen. Geen harde en onpersoonlijke gerechtigheid maar zoveel mogelijk het herstel van de geschonden relatie is het doel. 

7. Het oordeel mag echter niet alleen relatie-herstel zijn, het is geen “mediation”, maar er moet recht worden gedaan.

“Oordeel rechtvaardig tussen een man, zijn broeder.”

8. De rechtspraak moet zelfs “rechtvaardig” zijn wanneer er sprake is van een geschil tussen een Israëliet en een vreemdeling. Er moet recht worden gedaan.

Dat geldt uiteraard alleen maar voor de vreemdeling die in een of andere relatie tot de broeder staat: “…en de vreemdeling die bij hem is.” 

9. De rechterlijke uitspraak moet een zuivere toepassing van het recht in het onderhavige geschil zijn. 

“U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak.” 

10. Er mag geen verschil worden gemaakt tussen aanzienlijken en onaanzienlijken, er mag een klasse-justitie zijn. 

Ook niet wanneer dat het gevolg zou zijn van een financiële drempel voor sommigen.

11. De rechtspraak moet zichtbaar zijn gevrijwaard van intimidatie en omkoping.

De rechtspraak zou kunnen verlopen langs politieke voorkeuren, er zou sprake kunnen zijn van belangenverstrengeling, omkoop, of intimidatie en bedreiging. Omgekeerd moet elke poging tot beïnvloeding van de rechterlijke uitspraak door derden worden bestraft. “Want de rechtspraak behoort aan God.”

12. Er moet ruimte zijn voor een hoger beroep en er moet dus een hoogste rechtbank zijn.

“Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.” Is dit een aanwijzing voor een Hooggerechtshof? Of voor een uiteindelijke politieke beslissing over de wetsuitleg? Een hoogste beslissing toewijzen aan Mozes zou beide kunnen betekenen.   Ook in latere tijd is het bij voorbeeld Salomo die tegelijkertijd als hoogste politieke en als rechterlijke macht optreedt. 

 

III

Wat te doen met deze aanwijzingen vanuit het Oude Testament? Is dit behulpzaam bij het beoordelen van ons kerkrecht? Zowel naar de theorie ervan als naar de praktijk? 

Toen een gemeente in Nederland om losmaking verzocht van haar predikant – vrij vertaald: ontslag vanwege het “niet meer vruchtbaar kunnen dienen van de gemeente” – begon een procedure van kerkrecht.

Een commissie zou de hoogste rechter zijn (1) – maar hadden zij kennis van het kerkrecht? Waren het theologen die het kerkelijk recht in de Bijbel kenden? Welnee. Predikanten, ouderlingen en een paar juristen dienden in de commissie. Niemand behalve de adviseur van de commissie – die al eerder als mijn aanklager was opgetreden – kon het kerkrecht aan ze uitleggen.

Hebben zij geluisterd naar het geschil? Welnee. Ze lieten alleen samenvatten wat al schriftelijk al gezegd was – de kerkenraad en hij. Hebben zij daarbij vragen gesteld en toelichting gezocht? Welnee. Het was alleen maar formeel. Hebben ze de kerkenraad het woord ontnomen toen ze met nieuwe en absurde beschuldigingen kwamen? (” Dominee heeft mijn advies inzake een belastingconsulent niet aangenomen dus is het iemand die nooit luistert…”) Welnee. In strijd met (5) dus. Werd er “recht”  gedaan? Werd het geschil besproken om te zien wat hier de waarheid was? Welnee. Het ging om de bevestiging van het voornemen van de kerkenraad, daarvoor moest een grond worden gevonden. Hebben zij die gevonden? Jazeker.  Ze bedachten een mooie truc: omdat de dominee niet uitdrukkelijk had gezegd dat hij het ontslag aanvocht – d.w.z. hij had die woorden niet letterlijk gebruikt, maar inhoudelijk op de redenen geantwoord van het verzoek van de KR – daarom werd zijn bezwaar afgewezen. In strijd dus met (9). 

Maar was dit alles in strijd met het kerkrecht? Welnee. Het kerkrecht was prima gevolgd. De verschillende commissies – KR, districtsvergadering, Commissie ambten – hadden gedaan wat volgens de kerkregels mocht. Die regels maakten het alleen mogelijk dat het kerkelijk recht, de Torah, de gerechtigheid volgens de Schrift met voeten werd getreden.

Zo hebben valse beschuldigingen, een atmosfeer die iedereen tot consensus dwong, een kerkenraad die liever moeilijkheden uit de weg ging dan ze op te lossen, een commissie die alleen de feitelijke breuk wilde bestendigen en formaliseren, precies tot het resultaat geleid van het soort van (on-)recht dat de samenleving zo vaak kenmerkt. 

Daarom wordt het tijd dat we gaan luisteren naar het jodendom, want Christenen hebben geen benul van wat gerechtigheid is. Omdat we de Torah niet kennen, en de Bijbel niet willen toepassen op de praktische vragen van dit moment.

Het kerkrecht kan ons niet redden voor onrecht.