De polarisatie tussen gevaccineerden en anti-vaccers

11 november 2021 door Willem J. Ouweneel

Een van de dingen die mij verdrietig maken, is het feit dat de groeiende polarisatie tussen gevaccineerden en ongevaccineerden ook de christenheid steeds meer in haar greep krijgt. Dat is ook niet zo’n wonder. Als ik het interview met huisarts Els van Veen lees, denk ik:hoe is het mogelijk dat het Nederlandse volk zulke voorlichting krijgt, zelfs van artsen? Ik ben ontzettend blij met de respons van een andere arts, Alie Hoek-van Kooten, die dokter Els stuk voor stuk weerlegd heeft. Ik ben het 200 procent met Alie eens. Maar wat helpt dat? Talloze antivaxxers zullen Els’ argumenten – naast vele soortgelijke argumenten, afkomstig van alternatieve websites –
dankbaar aangrijpen om zich niet te laten vaccineren en daarmee de pandemie langer te laten voortduren dan nodig is. En alsjeblieft, laten de meningsverschillen niet tot oorlog leiden. Dat gevaar is levensgroot.

Daarmee zullen we moeten leven, en daarbij ook nog eens respect hebben voor het standpunt van de andere partij. Ik snap de argumenten van sommige ongevaccineerden (hoewel die meestal op onjuiste informatie gebaseerd zijn), maar ik ben het er niet mee eens. Ik hoop dat die mensen ook de argumenten van Alie tot zich nemen en er wat mee doen. En alsjeblieft, laten de meningsverschillen niet tot oorlog leiden. Dat gevaar is levensgroot. Er zijn al gemeenten die over deze kwestie uiteengespat zijn. Er zijn al gemeenten die een QR-code eisen voordat ze mensen binnenlaten. En omgekeerd zijn er ook gemeenten waar ze op je loeren of je al ziekteverschijnselen vertoont, omdat hun wijs gemaakt is dat de gevaccineerden binnen enkele jaren ernstig ziek zullen worden, zo niet zullen overlijden aan het vaccin. Dit is wel een asboluut dieptepunt: vaxxers die stiekem hopen dat de anti-vaxxers corona zullen krijgen (lekker puh), en anti-vaxxers die op je loeren om te zien of je al ziek bent van het vaccin. Christenen die stiekem of openlijk uitkijken naar het ziek worden of zelfs de dood van andere christenen. Kan het nog erger? Nou, het volgende is ook wel erg: Daniël van Deutekom beroept zich in een tweet op Romeinen 5:3-4. Het is dwaas om de Bijbel te laten buikspreken en op die manier ook nog eens een slachtofferjasje aan te trekken.

Beide redeneringen zijn even overtrokken. Het is dwaas om de Bijbel te laten buikspreken en op die manier ook nog eens een slachtofferjasje aan te trekken. Kijk eens hoe zielig wij antivaxxers zijn… Hou toch op, zeg. Er is in ons land helemaal geen vaccinatieplicht (zoals in sommige andere landen wel), en die komt er ook niet. We leven zelfs in een land waar de kerken helemaal vrijgelaten worden (behalve door de radicale pers), al zijn de meeste kerken zo verstandig de aanbevelingen van het RIVM zo goed mogelijk te volgen. Wél is het zo, dat RIVM en overheid sterke aandrang uitoefenen om mensen tot vaccinatie aan te zetten, en daar hebben ze groot gelijk in. Maar drang is geen dwang. Je maakt jezelf alleen maar zielig als je van jezelf dan toch een slachtoffer of zelfs een martelaar maakt.

Ik ben bioloog, en daarom interesseren de biologisch-medische aspecten van de coronacrisis mij zeer. Maar ik ben ook theoloog, en daarom ben ik zo verdrietig over de
oneerbiedige wijze waarop steeds meer geestelijke ‘smaakmakers’ in dit land met de Bijbel omgaan. Ik zei het eerder tegen Jaap Dieleman en Paul Visser: Onderzoek nu toch eens waar Openbaring 13 echt over gaat. En nu zeg ik tegen Daniël: Onderzoek nu toch eens waar Romeinen 5 echt over gaat. Je doet me denken aan de man die de tijd van zijn baas misbruikte om tegenover zijn collega’s te ‘getuigen’. Ten slotte ontsloeg zijn baas hem, omdat de man een dief van de baas z’n tijd was. En hoe reageerde de man? Hij was een martelaar, die nu moest lijden voor de naam van Christus… Is dat je bedoeling, Daniël? Ben jij nu ook een martelaar van Christus, omdat de mensen je bekritiseren vanwege jouw anti-vaxxersopvatting? Ben je nu een martelaar van Christus, omdat je geen QR-code hebt en nu dus geen restaurant of bioscoop binnen mag? Ik zou niet graag naar een restaurant gaan waar ze een loopje nemen met de QR-code, want ik wil geen slachtoffer worden van ongevaccineerde gasten. (Je kunt ook besmet worden door een gevaccineerde, maar die kans is aanzienlijk kleiner.)

Ben je nu een martelaar van Christus, omdat je geen QR-code hebt en nu dus geen restaurant of bioscoop binnen mag?

Laat me eindigen aan wat een verpleegkundige mij mailde juist toen ik met deze column bezig was: ‘Als verpleegkundige op de long- (nu corona-)afdeling in het ziekenhuis in … ben ik u zo dankbaar voor uw blogs! Het is zo moeilijk te begrijpen dat zoveel broeders en zusters zo negatief over vaccineren zijn en er hele “Bijbelse theorieën” op na houden. Ik zie iedere dag wat corona teweegbrengt; ik heb zoveel mensen naar de IC gebracht of bijgestaan in hun laatste uren. Mijn collega’s en ik zijn moe en verdrietig!’
Precies. En ik ben als bijbelleraar al even ‘moe en verdrietig’ over het misbruik dat van de Bijbel gemaakt wordt om de antivaxxers aan te moedigen in hun negatieve houding.

https://cip.nl/cip+/88169-zijn-ongevaccineerden-bezig-martelaren-voor-de-naam-van-christus-te-worden/FRgKBgFdVS11bhNORhpLcRkZEhU

Bange vermoedens over het geloof in de PKN

Het geloof, waarmede geloofd wordt

Je zou als lid van de Protestantse Kerk de indruk kunnen krijgen dat Johannes de evangelist geen lid is van de PKN. Je zou kunnen denken dat deze uitleg van het evangelie naar Johannes prima past in de omgeving van een evangelische gemeente of behoort bij het gedachtengoed van de Baptisten, maar absoluut niet hoort bij een Gereformeerde of Hervormde Kerk.

Ik weet zeker dat dat niet zo is. Zondag 7 van de Heidelberger Catechismus bevestigt dat. Vraag 21 luidt: “wat is een oprecht geloof?” Die vraag is belangrijk, omdat de zaligheid, de behouden is, is voorbehouden aan “degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.” (Antwoord op vraag 20.) Het antwoord luidt als volgt:

Antwoord. Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis (notitia – RAV) , waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen (fiducia – RAV), hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil.

Is de verlossing erfelijk? Wordt zij al gegeven door de kinderdoop? Je zou kunnen denken dat verlossing net zo werkt als de macht van de zonden uit het verleden. Het wordt van de ene generatie op de andere doorgegeven. Immers, God doet toch barmhartigheid aan duizenden geslachten van hen die Hem vrezen?

Precies dezelfde accenten die we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes, komen ook in de Catechismus aan de orde. Het woord “inlijven” in het antwoord op vraag 20 verwijst naar de wedergeboorte, en de uitdrukking “door een oprecht geloof” geeft niet weer wat de oorzaak is daarvan, maar het middel. Geloof is nadrukkelijk niet onze prestatie tegenover God. Zo wordt ook benadrukt dat het vaste vertrouwen (fiducia) door de Heilige Geest in mijn hart gewerkt wordt. Geloof is een gave, het vertrouwen wordt door God gewekt, de wedergeboorte is een werkelijke daad van God. En toch vinden we ook hier dezelfde heilzame tegenspraak, omdat wij wél de verantwoordelijkheid hebben te geloven en “Zijn weldaden aan te nemen.” Sterker nog dan bij Johannes, wordt hier in zekere zin de tegenspraak van de wedergeboorte en geloof afgezwakt, en benadrukt dat geloof een gave is. De wedergeboorte is dan de basis van het geloof, zoals de uitverkiezing dan weer de basis is van de wedergeboorte. Dat is langs de lijnen van het Calvinisme gedacht en daaruit komt het grootste deel van de Protestantse Kerk voort. Maar de denkrichting van de Heidelberger Catechismus is toch in beginsel dezelfde als in Johannes. De weg naar de behoudenis gaat van God uit. De onoverbrugbare kloof tussen God en de mens, wordt van God uit overbrugd. Wij hoeven niet naar de hemel op te klimmen, want Christus is van uit de hemel afgedaald. Geloven is dus eenvoudig een aannemen, wat door God al gedaan is. Het is een lege hand ophouden en de weldaden van Christus aannemen. Maar dat aannemen moet wél door de mens worden gedáán.

Er is geen fundamenteel verschil tussen wat de Protestantse Kerk in Nederland belijdt, en wat we gevonden hebben in het evangelie naar Johannes. Het is een en dezelfde boodschap. Maar hoe zit het dan met het geloof van de leden van de Protestantse Kerken? Het zou best kunnen dat die denken, dat de bekering een steeds herhaalde afkeer is van de fouten en zwakheden van het dagelijks leven. Het is mogelijk dat zij geloven dat de behoudenis in Christus aan alle mensen geschonken wordt en niet alleen aangeboden aan de wereld zoals Johannes leert, en dat eigen kinderen en kleinkinderen door de doop al behouden zijn. Het is mogelijk dat zij het niet belangrijk achten om persoonlijk Christus als verlosser aan te nemen. Het is mogelijk dat zij de kerk alleen maar zien als de gemeenschap van mensen die goede werken nastreven, en die de hoop koesteren dat bij een eventueel laatste oordeel, het gewicht van hun goede daden dat van hun slechte zal overtreffen. Het is heel goed mogelijk dat veel mensen in de Protestantse Kerk een dergelijk geloof aanhangen, dat feitelijk meer verwantschap vertoont met het geloof van de Islam, of met een joodse uitleg van het Oude Testament. En misschien dat daarom veel mensen confessionele gemeenten verlaten en die verruilen voor een vrijzinniger gemeente, omdat het licht van de waarheid hun genoeglijke duisternis verstoort. Omdat ze in hun hart verhard zijn en de waarheid niet willen en niet meer kunnen horen.

Ik bid tot God dat mijn diagnose niet klopt. Ik hoop nu eens helemaal ongelijk te hebben. Ik bid tot God dat mijn broeders en zusters in de Protestantse Kerken het evangelie gehoord hebben van hun voorgangers en het in hun hart hebben aangenomen. Wat aan het alternatief durf ik niet eens te denken.

Kerkelijk recht en krom

 

I

Wat is de betekenis van kerkrecht? Dat is het geheel van regels voor het bestuur van de kerk in zoverre het een gemeenschap van mensen is, die een organisatie van hun activiteiten en relaties behoeven. Komt dat al voor in het Nieuwe Testament? Nee. Wel de verwijzing naar geboden en verboden in verband met huwelijk en echtscheiding. Wel de opdracht om bij geschillen tussen broeders – vermoedelijk geschillen over “burgerlijke” kwesties zoals eigendom en erfenis – niet te rade te gaan bij de wereldlijke rechtbank, maar bij de “heiligen”. (1 Kor. 6:1-5) “Is er dan niemand onder u die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?” (1 Kor. 6:5). Wel de opdracht om “buiten te sluiten” als een broeder zich schuldig maakt aan ontucht, hebzucht, afgoderij, laster, dronkenschap of diefstal. “Doe de kwaaddoener uit uw midden weg” (1 Kor. 5:13). Eigenlijk zijn dat de belangrijke aanwijzingen voor het kerkrecht. Het is maar de vraag of men daaraan gedacht heeft bij de opstelling van de regels, en of niet duidelijk is dat men doorgaans grote delen van dit “recht” uit het oog heeft verloren.

Maar is dat wel het onderwerp? Ik zei: “kerkelijk recht” en niet “kerkrecht.” Ik maak onderscheid tussen die twee. Wat is kerkelijk recht? Dat is het aan de gemeente van Jezus Christus onderwezen en de in de Schrift betuigde openbaring van de gerechtigheid die tussen mensen – gelovigen of ongelovigen – zopu moeten heersen. Kerkelijk recht is het ideale recht, dat ons ook leidraad moet zijn in onze houding tegenover de overheid, en die als basis dienen moet voor wat we kerkrecht moeten noemen. 

Nu is het doorgaans zo, dat men het evangelie ziet als een morele zaak, die zich niet laat verbinden met rechtsregels. Genade gaat toch altijd boven wet, en wij worden niet behouden door het navolgen van de wet en liefde is toch het antwoord op alle morele vragen? Dat heeft wel degelijk betekenis, en de verwijzing naar dergelijke beginselen is niet zonder kracht. Maar een wet-loos evangelie, een genade zonder ethiek, is in staat ongerechtigheid toe te dekken. We kennen de verhalen over de aarzeling waarmee men meldingen van sexueel misbruik in de kerk heeft ontvangen. De onwil en het onvermogen om resoluut te kiezen voor de slachtoffers en “de boosdoeners uit ons midden weg te doen.” Een bestuurlijk ethos van louter genade werkt zedeloosheid en zonde in de hand. Overplaatsing van een priester maakt geen einde aan misbruik, maar verspreidt het alleen. Ambtsherstel voor een gevallen dominee op grond van emotionele uitingen van berouw, is een klap in het gezicht van de slachtoffers.

Wanneer Jezus ons zegt dat onze “gerechtigheid groter moet zijn dan die van de Farizeeën” is dat geen aanbeveling van voor alomvattende vergeving, d.w.z. negeren van zonden. Grotere gerechtigheid is precies wat het woord zegt. Dezelfde Jezus laat ons merken dat Hij niet gekomen is om de Wet of de Profeten te ontbinden, maar om te vervullen. Hij is immers het einddoel van de Wet. Dat betekent geen afschaffing, maar juist intensivering van de Wet, ondanks de gelijktijdige aanscherping van de rol van de vergeving en de noodzaak van verzoening – waar mogelijk ook tussen mensen. 

 

II

 

Daarom mogen we deze tekst uit Deuteronomium (Dt. 1:16-18) lezen als een aanwijzing voor het kerkelijk recht – en daarmee ook als fundament voor kerkrecht.

We zetten het hier op een rijtje:

1. Er moeten rechters zijn – “is er dan niemand onder u die wijs is?”

Wanneer Mozes niet alleen de wet moet doorgeven, maar ook degene is die de wet uitlegt en toepast wordt zijn taak te zwaar. Blijkbaar zijn er veel conflicten over uitleg en toepassing. Blijkbaar is het volk Israël in de woestijn kwetsbaar voor zonden juist in de onderlinge verhoudingen. Vandaar de opdracht:

Geef voor uzelf (dus geen rechters uit het buitenland), ingedeeld naar uw stammen (dus representatief voor het hele volk), wijze (met praktische kennis van de Torah), verstandige (met een ontwikkeld oordeelsvermogen) ervaren (dus geen jonge mensen zonder levenservaring) mannen, dan zal ik hen tot hoofd (niet in politieke zin, maar wel zodanig dat zij als rechters gezag uitoefenen over de partijen in een geschil) over u aanstellen (zodat niemand zichzelf kan opwerpen als rechter in een zaak).

2.  De aanstelling van rechters behoeft instemming van het volk 

“Toen antwoordde u mij en zei: de zaak die u hebt gezegd te doen, is goed.” 

3. Rechtbanken moeten in verschillende “lagen” worden ingesteld

“…stelde hen tot hoofd over u aan, leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.”

4. Rechtbanken moeten worden ondersteund door ambtenaren, die aan het volk en niet aan de rechters verantwoording verschuldigd zijn.

“…en beambten voor uw stammen.”

5. De taak van de rechters is het luisteren naar een geschil dat wordt voorgelegd, niet dat zijzelf het initiatief daartoe nemen.

“Ook beval ik in die tijd uw rechters: “luister naar [de geschillen, d.w.z. datgene wat hier “tussen” broeders een conflict geeft].

6. De veronderstelling zelfs bij het conflict is, dat de partijen “broeders” zijn, d.w.z. zij in beginsel in een goede relatie (kunnen) staan.

Dat is een aanwijzing voor de rol die het rechterlijke oordeel moet spelen. Geen harde en onpersoonlijke gerechtigheid maar zoveel mogelijk het herstel van de geschonden relatie is het doel. 

7. Het oordeel mag echter niet alleen relatie-herstel zijn, het is geen “mediation”, maar er moet recht worden gedaan.

“Oordeel rechtvaardig tussen een man, zijn broeder.”

8. De rechtspraak moet zelfs “rechtvaardig” zijn wanneer er sprake is van een geschil tussen een Israëliet en een vreemdeling. Er moet recht worden gedaan.

Dat geldt uiteraard alleen maar voor de vreemdeling die in een of andere relatie tot de broeder staat: “…en de vreemdeling die bij hem is.” 

9. De rechterlijke uitspraak moet een zuivere toepassing van het recht in het onderhavige geschil zijn. 

“U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak.” 

10. Er mag geen verschil worden gemaakt tussen aanzienlijken en onaanzienlijken, er mag een klasse-justitie zijn. 

Ook niet wanneer dat het gevolg zou zijn van een financiële drempel voor sommigen.

11. De rechtspraak moet zichtbaar zijn gevrijwaard van intimidatie en omkoping.

De rechtspraak zou kunnen verlopen langs politieke voorkeuren, er zou sprake kunnen zijn van belangenverstrengeling, omkoop, of intimidatie en bedreiging. Omgekeerd moet elke poging tot beïnvloeding van de rechterlijke uitspraak door derden worden bestraft. “Want de rechtspraak behoort aan God.”

12. Er moet ruimte zijn voor een hoger beroep en er moet dus een hoogste rechtbank zijn.

“Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.” Is dit een aanwijzing voor een Hooggerechtshof? Of voor een uiteindelijke politieke beslissing over de wetsuitleg? Een hoogste beslissing toewijzen aan Mozes zou beide kunnen betekenen.   Ook in latere tijd is het bij voorbeeld Salomo die tegelijkertijd als hoogste politieke en als rechterlijke macht optreedt. 

 

III

Wat te doen met deze aanwijzingen vanuit het Oude Testament? Is dit behulpzaam bij het beoordelen van ons kerkrecht? Zowel naar de theorie ervan als naar de praktijk? 

Toen een gemeente in Nederland om losmaking verzocht van haar predikant – vrij vertaald: ontslag vanwege het “niet meer vruchtbaar kunnen dienen van de gemeente” – begon een procedure van kerkrecht.

Een commissie zou de hoogste rechter zijn (1) – maar hadden zij kennis van het kerkrecht? Waren het theologen die het kerkelijk recht in de Bijbel kenden? Welnee. Predikanten, ouderlingen en een paar juristen dienden in de commissie. Niemand behalve de adviseur van de commissie – die al eerder als mijn aanklager was opgetreden – kon het kerkrecht aan ze uitleggen.

Hebben zij geluisterd naar het geschil? Welnee. Ze lieten alleen samenvatten wat al schriftelijk al gezegd was – de kerkenraad en hij. Hebben zij daarbij vragen gesteld en toelichting gezocht? Welnee. Het was alleen maar formeel. Hebben ze de kerkenraad het woord ontnomen toen ze met nieuwe en absurde beschuldigingen kwamen? (” Dominee heeft mijn advies inzake een belastingconsulent niet aangenomen dus is het iemand die nooit luistert…”) Welnee. In strijd met (5) dus. Werd er “recht”  gedaan? Werd het geschil besproken om te zien wat hier de waarheid was? Welnee. Het ging om de bevestiging van het voornemen van de kerkenraad, daarvoor moest een grond worden gevonden. Hebben zij die gevonden? Jazeker.  Ze bedachten een mooie truc: omdat de dominee niet uitdrukkelijk had gezegd dat hij het ontslag aanvocht – d.w.z. hij had die woorden niet letterlijk gebruikt, maar inhoudelijk op de redenen geantwoord van het verzoek van de KR – daarom werd zijn bezwaar afgewezen. In strijd dus met (9). 

Maar was dit alles in strijd met het kerkrecht? Welnee. Het kerkrecht was prima gevolgd. De verschillende commissies – KR, districtsvergadering, Commissie ambten – hadden gedaan wat volgens de kerkregels mocht. Die regels maakten het alleen mogelijk dat het kerkelijk recht, de Torah, de gerechtigheid volgens de Schrift met voeten werd getreden.

Zo hebben valse beschuldigingen, een atmosfeer die iedereen tot consensus dwong, een kerkenraad die liever moeilijkheden uit de weg ging dan ze op te lossen, een commissie die alleen de feitelijke breuk wilde bestendigen en formaliseren, precies tot het resultaat geleid van het soort van (on-)recht dat de samenleving zo vaak kenmerkt. 

Daarom wordt het tijd dat we gaan luisteren naar het jodendom, want Christenen hebben geen benul van wat gerechtigheid is. Omdat we de Torah niet kennen, en de Bijbel niet willen toepassen op de praktische vragen van dit moment.

Het kerkrecht kan ons niet redden voor onrecht.

Digitaal avondmaal? Koinonia Bijbelstudie Live! van 29 januari 2021

In Knokke zijn we van plan om een digitale avondmaalsdienst te vieren. Aanstaande zondag is het zover. In deze aflevering van Koinonia Bijbelstudie Live! spreken we over de vraag of een digitaal avondmaal eigenlijk wel mogelijk is. En verder praten we over de 10 aspecten van de avondmaalsviering. Gedachtenis, dankdienst, priesterdienst, getuigenis, etc.

Intro: de drie mogelijkheden van een politieke theologie

Hoe moeten we vanuit de Bijbelse theologie denken over onze verhouding tot de Staat? Ik zou denken dat er in het algemeen maar drie mogelijkheden zijn. De eerste twee worden mede bepaald door de vraag of we een negatief of positief beeld moeten hebben van de menselijke mogelijkheden:

1) een theologie van het verbond zou kunnen zeggen, dat God het aan mensen overlaat om ook onderling een verbond te vormen. God gaat er vanuit dat de mens het vermogen en de waardigheid heeft om een samenleving te organiseren Het verbond van God met de mensen is dan de basis voor het onderlinge verbond dat mensen zelf sluiten. De Amerikaanse Revolutie is historisch gezien op die politieke theologie gebaseerd. Vandaar de uitspraak: “alle mensen zijn geschapen als vrij en gelijkwaardig en hebben van hun Schepper onvervreemdbare rechten ontvangen.” Ruwweg is dit de theologie van Calvijn.

2) een negatief beeld van de menselijke mogelijkheden zou de basis kunnen zijn voor een Leviathan-theologie. Leviathan is de titel van een boek door Thomas Hobbes, waarin hij een utopische staat beschrijft, waarin de zekerheid van het bestaande hoogste waarde is. Geestelijke en wereldlijke macht is daar verenigd en het recht van verzet tegen de staat is uitgesloten.

Maar dan is er ook nog, zoals zo vaak, het Mennonitische alternatief.

3) de staat is een ordening van het leven die nodig is vanwege de zonde, maar tegelijkertijd zelf een zondig karakter heeft. Zolang de Staat orde en vrede garandeert, heeft Gods volk de gelegenheid om haar hemelse Koning te gehoorzamen. Wanneer de Staat echter demonisch wordt, probeert ze het volk van God te vernietigen en verheft ze zich tegen de bron van haar gezag en macht. De Bijbel is uitermate kritisch tegenover de staat, d.w.z tegen de stad. Het antwoord van God op de menselijke stad is het hemelse Jeruzalem, en voor christenen geldt dan: “ons burgerschap is in de hemelen.”

(Wordt vervolgd)