Kerkelijk recht en krom

 

I

Wat is de betekenis van kerkrecht? Dat is het geheel van regels voor het bestuur van de kerk in zoverre het een gemeenschap van mensen is, die een organisatie van hun activiteiten en relaties behoeven. Komt dat al voor in het Nieuwe Testament? Nee. Wel de verwijzing naar geboden en verboden in verband met huwelijk en echtscheiding. Wel de opdracht om bij geschillen tussen broeders – vermoedelijk geschillen over “burgerlijke” kwesties zoals eigendom en erfenis – niet te rade te gaan bij de wereldlijke rechtbank, maar bij de “heiligen”. (1 Kor. 6:1-5) “Is er dan niemand onder u die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?” (1 Kor. 6:5). Wel de opdracht om “buiten te sluiten” als een broeder zich schuldig maakt aan ontucht, hebzucht, afgoderij, laster, dronkenschap of diefstal. “Doe de kwaaddoener uit uw midden weg” (1 Kor. 5:13). Eigenlijk zijn dat de belangrijke aanwijzingen voor het kerkrecht. Het is maar de vraag of men daaraan gedacht heeft bij de opstelling van de regels, en of niet duidelijk is dat men doorgaans grote delen van dit “recht” uit het oog heeft verloren.

Maar is dat wel het onderwerp? Ik zei: “kerkelijk recht” en niet “kerkrecht.” Ik maak onderscheid tussen die twee. Wat is kerkelijk recht? Dat is het aan de gemeente van Jezus Christus onderwezen en de in de Schrift betuigde openbaring van de gerechtigheid die tussen mensen – gelovigen of ongelovigen – zopu moeten heersen. Kerkelijk recht is het ideale recht, dat ons ook leidraad moet zijn in onze houding tegenover de overheid, en die als basis dienen moet voor wat we kerkrecht moeten noemen. 

Nu is het doorgaans zo, dat men het evangelie ziet als een morele zaak, die zich niet laat verbinden met rechtsregels. Genade gaat toch altijd boven wet, en wij worden niet behouden door het navolgen van de wet en liefde is toch het antwoord op alle morele vragen? Dat heeft wel degelijk betekenis, en de verwijzing naar dergelijke beginselen is niet zonder kracht. Maar een wet-loos evangelie, een genade zonder ethiek, is in staat ongerechtigheid toe te dekken. We kennen de verhalen over de aarzeling waarmee men meldingen van sexueel misbruik in de kerk heeft ontvangen. De onwil en het onvermogen om resoluut te kiezen voor de slachtoffers en “de boosdoeners uit ons midden weg te doen.” Een bestuurlijk ethos van louter genade werkt zedeloosheid en zonde in de hand. Overplaatsing van een priester maakt geen einde aan misbruik, maar verspreidt het alleen. Ambtsherstel voor een gevallen dominee op grond van emotionele uitingen van berouw, is een klap in het gezicht van de slachtoffers.

Wanneer Jezus ons zegt dat onze “gerechtigheid groter moet zijn dan die van de Farizeeën” is dat geen aanbeveling van voor alomvattende vergeving, d.w.z. negeren van zonden. Grotere gerechtigheid is precies wat het woord zegt. Dezelfde Jezus laat ons merken dat Hij niet gekomen is om de Wet of de Profeten te ontbinden, maar om te vervullen. Hij is immers het einddoel van de Wet. Dat betekent geen afschaffing, maar juist intensivering van de Wet, ondanks de gelijktijdige aanscherping van de rol van de vergeving en de noodzaak van verzoening – waar mogelijk ook tussen mensen. 

 

II

 

Daarom mogen we deze tekst uit Deuteronomium (Dt. 1:16-18) lezen als een aanwijzing voor het kerkelijk recht – en daarmee ook als fundament voor kerkrecht.

We zetten het hier op een rijtje:

1. Er moeten rechters zijn – “is er dan niemand onder u die wijs is?”

Wanneer Mozes niet alleen de wet moet doorgeven, maar ook degene is die de wet uitlegt en toepast wordt zijn taak te zwaar. Blijkbaar zijn er veel conflicten over uitleg en toepassing. Blijkbaar is het volk Israël in de woestijn kwetsbaar voor zonden juist in de onderlinge verhoudingen. Vandaar de opdracht:

Geef voor uzelf (dus geen rechters uit het buitenland), ingedeeld naar uw stammen (dus representatief voor het hele volk), wijze (met praktische kennis van de Torah), verstandige (met een ontwikkeld oordeelsvermogen) ervaren (dus geen jonge mensen zonder levenservaring) mannen, dan zal ik hen tot hoofd (niet in politieke zin, maar wel zodanig dat zij als rechters gezag uitoefenen over de partijen in een geschil) over u aanstellen (zodat niemand zichzelf kan opwerpen als rechter in een zaak).

2.  De aanstelling van rechters behoeft instemming van het volk 

“Toen antwoordde u mij en zei: de zaak die u hebt gezegd te doen, is goed.” 

3. Rechtbanken moeten in verschillende “lagen” worden ingesteld

“…stelde hen tot hoofd over u aan, leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.”

4. Rechtbanken moeten worden ondersteund door ambtenaren, die aan het volk en niet aan de rechters verantwoording verschuldigd zijn.

“…en beambten voor uw stammen.”

5. De taak van de rechters is het luisteren naar een geschil dat wordt voorgelegd, niet dat zijzelf het initiatief daartoe nemen.

“Ook beval ik in die tijd uw rechters: “luister naar [de geschillen, d.w.z. datgene wat hier “tussen” broeders een conflict geeft].

6. De veronderstelling zelfs bij het conflict is, dat de partijen “broeders” zijn, d.w.z. zij in beginsel in een goede relatie (kunnen) staan.

Dat is een aanwijzing voor de rol die het rechterlijke oordeel moet spelen. Geen harde en onpersoonlijke gerechtigheid maar zoveel mogelijk het herstel van de geschonden relatie is het doel. 

7. Het oordeel mag echter niet alleen relatie-herstel zijn, het is geen “mediation”, maar er moet recht worden gedaan.

“Oordeel rechtvaardig tussen een man, zijn broeder.”

8. De rechtspraak moet zelfs “rechtvaardig” zijn wanneer er sprake is van een geschil tussen een Israëliet en een vreemdeling. Er moet recht worden gedaan.

Dat geldt uiteraard alleen maar voor de vreemdeling die in een of andere relatie tot de broeder staat: “…en de vreemdeling die bij hem is.” 

9. De rechterlijke uitspraak moet een zuivere toepassing van het recht in het onderhavige geschil zijn. 

“U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak.” 

10. Er mag geen verschil worden gemaakt tussen aanzienlijken en onaanzienlijken, er mag een klasse-justitie zijn. 

Ook niet wanneer dat het gevolg zou zijn van een financiële drempel voor sommigen.

11. De rechtspraak moet zichtbaar zijn gevrijwaard van intimidatie en omkoping.

De rechtspraak zou kunnen verlopen langs politieke voorkeuren, er zou sprake kunnen zijn van belangenverstrengeling, omkoop, of intimidatie en bedreiging. Omgekeerd moet elke poging tot beïnvloeding van de rechterlijke uitspraak door derden worden bestraft. “Want de rechtspraak behoort aan God.”

12. Er moet ruimte zijn voor een hoger beroep en er moet dus een hoogste rechtbank zijn.

“Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.” Is dit een aanwijzing voor een Hooggerechtshof? Of voor een uiteindelijke politieke beslissing over de wetsuitleg? Een hoogste beslissing toewijzen aan Mozes zou beide kunnen betekenen.   Ook in latere tijd is het bij voorbeeld Salomo die tegelijkertijd als hoogste politieke en als rechterlijke macht optreedt. 

 

III

Wat te doen met deze aanwijzingen vanuit het Oude Testament? Is dit behulpzaam bij het beoordelen van ons kerkrecht? Zowel naar de theorie ervan als naar de praktijk? 

Toen een gemeente in Nederland om losmaking verzocht van haar predikant – vrij vertaald: ontslag vanwege het “niet meer vruchtbaar kunnen dienen van de gemeente” – begon een procedure van kerkrecht.

Een commissie zou de hoogste rechter zijn (1) – maar hadden zij kennis van het kerkrecht? Waren het theologen die het kerkelijk recht in de Bijbel kenden? Welnee. Predikanten, ouderlingen en een paar juristen dienden in de commissie. Niemand behalve de adviseur van de commissie – die al eerder als mijn aanklager was opgetreden – kon het kerkrecht aan ze uitleggen.

Hebben zij geluisterd naar het geschil? Welnee. Ze lieten alleen samenvatten wat al schriftelijk al gezegd was – de kerkenraad en hij. Hebben zij daarbij vragen gesteld en toelichting gezocht? Welnee. Het was alleen maar formeel. Hebben ze de kerkenraad het woord ontnomen toen ze met nieuwe en absurde beschuldigingen kwamen? (” Dominee heeft mijn advies inzake een belastingconsulent niet aangenomen dus is het iemand die nooit luistert…”) Welnee. In strijd met (5) dus. Werd er “recht”  gedaan? Werd het geschil besproken om te zien wat hier de waarheid was? Welnee. Het ging om de bevestiging van het voornemen van de kerkenraad, daarvoor moest een grond worden gevonden. Hebben zij die gevonden? Jazeker.  Ze bedachten een mooie truc: omdat de dominee niet uitdrukkelijk had gezegd dat hij het ontslag aanvocht – d.w.z. hij had die woorden niet letterlijk gebruikt, maar inhoudelijk op de redenen geantwoord van het verzoek van de KR – daarom werd zijn bezwaar afgewezen. In strijd dus met (9). 

Maar was dit alles in strijd met het kerkrecht? Welnee. Het kerkrecht was prima gevolgd. De verschillende commissies – KR, districtsvergadering, Commissie ambten – hadden gedaan wat volgens de kerkregels mocht. Die regels maakten het alleen mogelijk dat het kerkelijk recht, de Torah, de gerechtigheid volgens de Schrift met voeten werd getreden.

Zo hebben valse beschuldigingen, een atmosfeer die iedereen tot consensus dwong, een kerkenraad die liever moeilijkheden uit de weg ging dan ze op te lossen, een commissie die alleen de feitelijke breuk wilde bestendigen en formaliseren, precies tot het resultaat geleid van het soort van (on-)recht dat de samenleving zo vaak kenmerkt. 

Daarom wordt het tijd dat we gaan luisteren naar het jodendom, want Christenen hebben geen benul van wat gerechtigheid is. Omdat we de Torah niet kennen, en de Bijbel niet willen toepassen op de praktische vragen van dit moment.

Het kerkrecht kan ons niet redden voor onrecht.

Digitaal avondmaal? Koinonia Bijbelstudie Live! van 29 januari 2021

In Knokke zijn we van plan om een digitale avondmaalsdienst te vieren. Aanstaande zondag is het zover. In deze aflevering van Koinonia Bijbelstudie Live! spreken we over de vraag of een digitaal avondmaal eigenlijk wel mogelijk is. En verder praten we over de 10 aspecten van de avondmaalsviering. Gedachtenis, dankdienst, priesterdienst, getuigenis, etc.

Intro: de drie mogelijkheden van een politieke theologie

Hoe moeten we vanuit de Bijbelse theologie denken over onze verhouding tot de Staat? Ik zou denken dat er in het algemeen maar drie mogelijkheden zijn. De eerste twee worden mede bepaald door de vraag of we een negatief of positief beeld moeten hebben van de menselijke mogelijkheden:

1) een theologie van het verbond zou kunnen zeggen, dat God het aan mensen overlaat om ook onderling een verbond te vormen. God gaat er vanuit dat de mens het vermogen en de waardigheid heeft om een samenleving te organiseren Het verbond van God met de mensen is dan de basis voor het onderlinge verbond dat mensen zelf sluiten. De Amerikaanse Revolutie is historisch gezien op die politieke theologie gebaseerd. Vandaar de uitspraak: “alle mensen zijn geschapen als vrij en gelijkwaardig en hebben van hun Schepper onvervreemdbare rechten ontvangen.” Ruwweg is dit de theologie van Calvijn.

2) een negatief beeld van de menselijke mogelijkheden zou de basis kunnen zijn voor een Leviathan-theologie. Leviathan is de titel van een boek door Thomas Hobbes, waarin hij een utopische staat beschrijft, waarin de zekerheid van het bestaande hoogste waarde is. Geestelijke en wereldlijke macht is daar verenigd en het recht van verzet tegen de staat is uitgesloten.

Maar dan is er ook nog, zoals zo vaak, het Mennonitische alternatief.

3) de staat is een ordening van het leven die nodig is vanwege de zonde, maar tegelijkertijd zelf een zondig karakter heeft. Zolang de Staat orde en vrede garandeert, heeft Gods volk de gelegenheid om haar hemelse Koning te gehoorzamen. Wanneer de Staat echter demonisch wordt, probeert ze het volk van God te vernietigen en verheft ze zich tegen de bron van haar gezag en macht. De Bijbel is uitermate kritisch tegenover de staat, d.w.z tegen de stad. Het antwoord van God op de menselijke stad is het hemelse Jeruzalem, en voor christenen geldt dan: “ons burgerschap is in de hemelen.”

(Wordt vervolgd)

8 sleutels tot het begrip van demonen en engelen

Door te denken dat demonen als aparte entiteiten in de lucht fladderen, wordt verborgen dat ze juist in onze geest, en in de structuren van ons samenleven hun oorsprong hebben. In naïeve opvattingen over fladderende demonen hebben zij hun oorsprong op diabolische wijze weten te verbergen.

Een van de belangrijkste bijdragen aan de discussie over engelen en demonen in het Nieuwe Testament is afkomstig van Walter Wink. Hieronder geef ik in acht stellingen het vertrekpunt weer van het eerste deel van het drieluik, getiteld “Naming the Powers”, (1984) waarin het vooral gaat over de taal van de machten in het Nieuwe Testament. Doorgaan met het lezen van “8 sleutels tot het begrip van demonen en engelen”

Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap

Een politieke theologie zou kunnen beginnen met het begrip theocratie. Letterlijk betekent dit Gods regering, oftewel Koninkrijk Gods, of Koninkrijk der hemelen. Dit woord staat centraal in de verkondiging van Johannes de Doper, en in de verkondiging van Jezus zelf.

Het woord theocratie wordt voor het eerst gebruikt door de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus om een goddelijk koningschap aan te duiden in onderscheid tot een monarchie of een hierocratie (een regering door de priesterlijke stand). God regeert rechtstreeks over Zijn volk. Een menselijke koning kan dan ook alleen maar een vice-koning zijn die de wil van God voor het volk zichtbaar maakt. Om het met een modern taalgebruik te zeggen: God is de wetgevende en de koning is hooguit de besturende macht. God is de eigenaar van het volk, en de koning alleen de aangestelde herder. Deze theocratie is de kern van wat we de politieke theologie van Israël zouden kunnen noemen. Ik geef hier het gehele citaat: Doorgaan met het lezen van “Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap”

Engelen als woorden van macht – Walter Wink

Hoe kunnen wij de taal van de Bijbel over de “overheden en machten” als moderne mensen verstaan? We nemen aan dat in de antieke wereld deze machten letterlijk werden gezien als onzichtbare demonen die met hun vleugels rond flapper een in de lucht, en ongelukkige sterfelijke mensen af en toe raken met ziekte, of dood.

Als moderne mensen nemen we aan dat we deze klassieke teksten alleen maar kunnen opvatten als uitingen van hallucinaties, zonder fysieke basis, zodat we hun beschrijvingen moeten afdoen als restanten van mythisch denken. (Hoewel sommigen met moderne fysische opvattingen de taal van de Bijbel geheel en al letterlijk nemen.)

Wat voor ons heel moeilijk is, dat is nadenken in een dimensie die tussen het fysische en het metafysische in staat, en die we de symbolische orde, of de orde van de verbeelding moeten noemen. Wij kunnen over de machten niet nadenken zoals de Bijbel dat doet: als realiteiten zonder substantie, als geestelijke wezens die toch geen bestaan hebben buiten hun concrete aanwezigheid in de zichtbare wereld. Onze tactiek om ermee om te gaan is meestal deze: we lezen de geestelijke wezens in de Bijbel alsof het personages zijn, en vervolgens beoordelen we het door ons gebruikte begrip persoon als onwetenschappelijke vorm van bijgeloof. Wat de Bijbel verstaat onder een macht en wat wij daarmee bedoelen komt daardoor volledig uit elkaar te liggen. Wanneer we willen begrijpen wat de Bijbel onder deze machten verstaat, moeten we niet onze eigen sociologische categorieën van macht op de Bijbelse teksten toepassen. Wat we moeten doen is kijken naar het unieke vocabulaire en de begrippen uit de eerste eeuw, en proberen ons voor te stellen wat mensen uit die tijd bedoeld hebben met deze taal van de machten, binnen hun eigen wereldvisie en binnen hun eigen mythische referentiekader.

Natuurlijk mogen wij niet geloven in wat niet bestaat. Maar het is gevaarlijk om niet te geloven in datgene wat bestaat buiten onze beperkte categorieën. De overheden en machten van het Nieuwe Testament kunnen niet zomaar worden vertaald in de categorieën van de moderne sociologie of psychologie. De overheden en machten kunnen zeker wel worden opgevat als instituties, sociale systemen en politieke structuren. Zo komt ook een christelijke sociale ethiek, of een politieke theologie tot stand vanuit de taal van het Nieuwe Testament.

Toch blijft er dan een onzichtbare, geestelijke dimensie over die een ernstige realiteit bevat. Zeker, de taal van de overheden en machten verwijst naar de innerlijke en uiterlijke kant van een manifestatie van macht. Er is een geestelijke mentaliteit werkzaam in instituties, en dat is de innerlijke kant. Er is ook een uiterlijke kant: politieke systemen, aangestelde ambtenaren, wetten, alle tastbare manifestaties die macht ook heeft. Elke macht heeft een zichtbare kant en een onzichtbare kant. En die twee kanten ontstaan tegelijkertijd.

Wanneer een bepaalde macht zichzelf boven God plaatst, wordt die macht demonisch. De taak van de kerk is de afgoderij te ontmaskeren en zo de machten terug te roepen tot het doel dat God voor hen heeft aangewezen. Zo zegt Efeze 3:10:

Opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt.

De uitdrukking “in de hemelse gewesten” duidt niet op hun fysieke plaats van bestaan, maar op de pretentie dat ze goddelijk zijn, boven de mens staan in gezag en macht. Een materialistische verklaring wordt hier metafysisch – het is dan een tastbare maar tegelijk onzichtbare realiteit in een specifieke, hoewel onzichtbare plaats. Een spiritualisme geeft als verklaring dat het uitdrukkingen zijn voor een mentaliteit of een ideologie. Beide voldoen echter niet.

De taal van de machten loopt door het hele Nieuwe Testament heen. De ontmaskering van de machten is een belangrijk thema in de uitleg van het evangelie. Het Koninkrijk van God behelst de vol van deze machten of nog beter: het terugbrengen van deze machten onder het gezag van God.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is zeer gevarieerd. Er is sprake van heersers in Mattheus 20, koningen, hogepriesters in Lukas 24, engelen en machten in Romeinen 8, machten en namen in Handelingen 4, autoriteiten en delegaties in Handelingen 26.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is niet systematisch en het is mogelijk dat woorden wisselend worden gebruikt zowel voor menselijke machthebbers als voor de “machten” in de hemelse gewesten, dus met een element van het metafysische.

Desalniettemin vertonen deze kernwoorden in het Nieuwe Testament een duidelijk patroon van hun gebruik.
Archè wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het ambt, of de structuur van de macht – regering, Koninkrijk, machtsgebied.
Exousia is een aanduiding voor de sancties en vormen van legitimatie waardoor de macht wordt gehandhaafd, het heeft normaal gesproken een abstracte betekenis.
Thronos duidt een zetel van de macht aan, de plaats waar de macht is geconcentreerd.
Het woord “naam” refereert aan het geheel van de persoon die macht uitoefent, een rang bekleed of beroemd is.

De lijst van Romeinen 8:38-39 is bijna compleet: dood, leven, engelen, overheden, tegenwoordige dingen, komende dingen, machten, hoogte, diepte zijn allemaal termen voor deze machten in de symbolische orde. Met een onzichtbare kant en een zichtbare kant.

Alle machten in het Nieuwe Testament zijn goddelijk en menselijk, geestelijk en politiek, onzichtbaar en structureel, hemels en aards. Zo lezen we in Kol. 1:16

“In Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.”

De machten komen uit Christus voort en zijn bestemd om Hem te dienen. De machten worden demonisch en afgodisch als ze zichzelf dienen er goddelijke eer opeisen.

Kijken we in het bijzonder naar de taal van de engelen.

Engelen zijn de machten in hun hemelse vorm. Ook hier vinden we de dubbelzinnigheid van alle termen van de macht. Een engel is ook een menselijke boodschapper, of een ander woord voor de Heilige Geest. Zo bijvoorbeeld in Lukas 9:26 waar we lezen dat de Zoon des mensen komen zal in zijn heerlijkheid en die van de Vader en van de – en dan verwachten we Heilige Geest maar dan staat er – en van de heilige engelen.

Engelen worden aangeduid met een veelheid van termen. Het woord engel is blijkbaar synoniem met de meeste andere woorden voor macht in het Nieuwe Testament. Het lijkt erop dat het woord engel gebruikt wordt om machten aan te duiden niet als personen zozeer, maar als gepersonifieerd, dat wil zeggen machten die van Gods wegen uitgaan met de verstaanbare boodschap, dus in een situatie van communicatie.

Sinds Daniël 10 is het ook gebruikelijk om engelen te beschouwen als vertegenwoordigers van de mentaliteit van een volk, als de hoeder van hun bestemming. Dat werd ook ligt op een passage in 1 Kor. 6:3 waar Paulus zegt dat wij engelen zullen oordelen. Het lijkt mij dat dat dan engelen zijn die de volkeren representeren, en dat Paulus hier eenvoudig zegt dat wij betrokken zullen zijn bij het oordeel over de volkeren – overigens een bekend motief in de rabbijnse literatuur.

(Wordt vervolgd)

De conversatie met het naturalisme

Het verschil in perspectief tussen een naturalist en mij kan misschien op deze manier nader bepaald worden: de fysica behandelt alles wat in de menselijke ervaring rechtstreeks kan worden bereikt. Het beweeglijke, veranderlijke, dat een bepaalde plaats heeft in de ruimte een bepaalde duur in de tijd, het levende en het psychische, maar ook de ruimte en de tijd zelf – voorzover deze door bijzondere experimenten en theorievorming ook bereikt kunnen worden. Als zodanig is de fysica een deel-wetenschap, omdat het de werkelijkheid op een specifieke manier benadert, dus niet over het levende als zodanig, of over het psychische als zodanig spreken kan. Alleen de stoffelijke dingen zijn het voorwerp van onderzoek in de fysica.

 


Een korte toelichting op deze post vind je hier:


De naturalist is iemand die zegt dat in het stoffelijke een voldoende verklaring kan worden gevonden voor alles wat bestaat zonder uitzondering. Een “spiritualist” is iemand die daarentegen meent dat juist uit de stelling dat alles stoffelijk is – in de ruime zin waarin ook kwantumvelden in de definitie vallen – blijkt dat er meer is dan het stoffelijke. Een dergelijke uitspraak is immers zelf niet stoffelijk en niet een effect van een natuurlijke oorzaak.  Doorgaan met het lezen van “De conversatie met het naturalisme”

Het charismatische gevoel – meditatie over Romeinen 1:1

“Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God”

I

In de uitleg van dit vers heb ik elders benadrukt dat de uitdrukking “evangelie van God” in het Grieks een fraaie dubbelzinnigheid vertoont. “Evangelie” zou ik hier in de meest ruime zin willen nemen, en niet willen beperken tot de boodschap van de evangelisten, of zelfs maar tot de oproep tot bekering aan zondaars. Evangelie als “goede boodschap” lijkt hier de totale openbaring van God over Zichzelf te omvatten. Dan blijkt een aantal verzen later, dat alles wat God over Zichzelf te melden had aan het einde van de tijden, wordt uitgedrukt in het “evangelie van de Zoon.” Evangelie in het eerste vers staat wat mij betreft gelijk aan Gods volledige openbaring van Zichzelf. De uitdrukking “van Zijn Zoon” maakt duidelijk dat deze volledige openbaring heeft plaatsgevonden in Christus. Zo zegt de schrijver van de brief aan de Hebreeën: “Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.” Daarin ligt een historisch onderscheid. Doorgaan met het lezen van “Het charismatische gevoel – meditatie over Romeinen 1:1”