Openbaring 22: van aangezicht tot aangezicht

Het laatste hoofdstuk van het boek Openbaring heeft drie delen.

In de eerste vijf verzen vinden we de vierde beschrijving van het hemelse Jeruzalem. Nu gaat het om het leven in de stad: de boom van het leven, de bladeren van de genezing, het zien van Jezus van aangezicht tot aangezicht, en het licht van Gods heerlijkheid dat de zon en de maan geheel vervangt.

In het tweede gedeelte vanaf vers 6 gaat het over de terugkeer van de Heer Jezus. Hij komt spoedig en brengt loon voor Zijn dienstknechten. Het boek eindigt in de verzen 16 tot en met 21 met een laatste oproep tot bekering – laat hij die wil het levenswater nemen om niet – en een vermaning om aan de woorden van deze profetie niet toe te voegen en niet af te nemen. Voor de derde keer in dit hoofdstuk klinken dan de woorden van de Here Jezus: “ja, Ik kom spoedig!” – En de gemeente antwoordt: “amen, kom, Heer Jezus!”

Weten waar je vandaan komt…

Er is een programma op de televisie, waarvan me nu even de naam niet te binnen wil schieten, waar mensen op zoek gaan naar hun echte vader of hun echte moeder. Want “je wilt weten op wie je lijkt,” en je wilt de geschiedenis kennen waaruit je bent voortgekomen. Misschien maakt het voor jou zelf niet eens wat uit of je ouders je biologische ouders zijn of dat je geadopteerd bent. Maar je leeft niet alleen. Hoe mensen tegen jou aankijken, of ze je zien als buitenechtelijk kind, of als geadopteerd, of als verwekt in overspel of verkrachting, hoort ook tot je identiteit. De vraag “wie ben ik” kun je niet in vanuit jezelf  beantwoorden. “Weten waar je vandaan komt…” verder lezen

Johannes 1:1-6 – Grieks, met een nawoord van Augustinus.

Christenen hebben, anders dan joden en moslims, weinig of geen toegang tot de oerteksten van hun geloof.

Bijna niemand neemt de moeite om de Bijbel te lezen – te bestuderen – in een vertaling, laat staan met de nodige commentaren en in het Hebreeuws en Grieks. Er is nóg een gebrek: dat wij de tradities niet kennen, de gedachten van de Bijbellezers vóór ons die al over de Bijbel nagedacht hebben.

Zo iemand is Augustinus, die we uiteraard niet volgen in zijn hele theologie, maar die ons bij het lezen van zijn teksten wel dwingt om opnieuw na te denken over de Bijelse tekst. Soms geeft dat verrassend nieuwe inzichten.

Deze video wil laten zien hoe belangrijk kennis van het Grieks en de grammatika is om een tekst als Johannes 1:1-6 werkelijk te verstaan. En daarnaast wil het aan een enkele passage van Augustinus laten zien hoe belangrijk de kennis van de oude tradities is.

In de joodse benadering van de Schriften hebben we een goed voorbeeld van een andere en betere manier van lezen. De tekst in het Hebreeuws blijft het uitgangspunt; kennis van de grondtaal en de grammatika is cuciaal voor het correcte begrip en dus ook de gehoorzaamheid aan Gods woord. De traditie spreekt mee in de Talmoed, de Midrasj en in de joodse exegese door de eeuwen heen. Volgens mij is dat voorbeeldig!

Maar niet alleen dat wij moeten en mogen leren van de Rabbijnen, zoals ik elders uitvoerig betoogd heb, maar we moeten en mogen ook leren van onze eigen “Talmoed” de rijke traditie van de Apostolische Vaders en van de patristieke literatuur, waarvan Augustinus een uitstekend voorbeeld is.

Vervolg Talmoed voor Notsriem – BBerachot 2a-2b

In dit vervolg van de bespreking van de gemara wordt vooral duidelijk op welke manier de rabbijnse vorm van redeneren werkt. Het gaat om een nauwkeurig onderzoek van de bron van een uitspraak – dat hangt samen met het relatieve gezag ervan – en om een nauwkeurig onderzoek van de betekenis van de gebruikte termen. Elke dubbelzinnigheid moet worden onderzocht en uitgesloten. Het gaat immers om de nauwkeurigheid waarmee we Gods geboden vervullen. Wat het betekent om het sjema te bidden “besjochbecha”, bij het (gaan) liggen zal toch iets te maken moeten hebben met die tempeldienst. net als de indeling in de drie wachten van de nacht en de bepalinge van het “chatsoot”, wat precies het midden van de nacht(-elijke periode)  is.

In dit gedeelte zien we hoe erg geworsteld wordt met verschillende aanduidingen voor de tijden van het gebed. Heel anders dan in onze moderne tijd, waarin we over nauwkeurige horloges beschikken. Kan het sjema gezegd worden bij het inzetten van de avondschemering? Of bij het zichtbaar worden van de eerste drie middelgrote sterren? Maar wat zijn “middelgrote” sterren? En wat te doen als er wolken zijn die ons gezicht verduisteren? Komt dat overeen met de tijd waarop mensen normaal gesproken naar huis gaan om te eten? Of de tijd waarop de priesters die hun ritueel bad (in de mikve) hebben genomen, van de aan de tempel gewijde vruchten mogen eten? En welk tijdstip is dat dan precies?

Een van de redenen van die manier van onderzoeken is ongetwijfeld dat de bepaling van de tijden van het gebed sowieso verbonden wordt met de Tempeldienst, want dat is de enige acitiviteit waar tijdsvoorschriften een dominante rol spelen.

We zullen de discussies over deze en dergelijke details van de misjna niet verder volgen. In de komende afleveringen zullen we het vooral hebben over de verhalende of aggadische passages in de Talmoed waarin naar voren komt wat de “theologische” betekenis van het Joodse gebed is.

Bergen verzetten of verplaatsen? Waar gaat Marcus 11:23 eigenlijk over?

Een favoriete tekst in de genezingsbediening van onze charismatische neefjes – of het broeders zijn weet ik niet – is natuurlijk Marcus 11:23.

“Voorwaar, Ik zeg u, dat wie tot deze berg zegt: wordt opgeheven en in de zee geworpen, en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat wat hij spreekt gebeurt, het zal hem gebeuren.” “Bergen verzetten of verplaatsen? Waar gaat Marcus 11:23 eigenlijk over?” verder lezen