Haatte God Esau werkelijk?

Haatte God Esau werkelijk?

(Door Dr. Eli Lizorsky – Israel Bible Center)

Er zijn bepaalde teksten in de Bijbel die moderne volgelingen van Christus ineen doen krimpen. Eén van de moeilijkste is Jezus’ uitspraak over het haten van je vader en moeder om zijn ware discipel te zijn (Lucas 14:26). De sleutel tot het oplossen van deze moeilijkheid ligt verborgen in de oude betekenis van het Hebreeuwse woord שנא (soneh) dat onjuist vertaald wordt met “haten”.

Wij lezen dat God Jakob liefhad, maar Ezau “haatte” (Maleachi 1:3). Wij zien echter dat God Ezau juist zeer zegende (Gen 33:9), en zelfs de Israëlieten waarschuwde de zonen van Ezau niet aan te vallen of het risico te lopen Zijn bescherming tegen hen in te trekken als zij dat toch zouden doen (Deut 2:4-6).

In feite is het Torah-verhaal zo ontwikkeld dat iedereen die het verhaal van de gestolen zegen en Jakobs bedrog van Izaäk hoort, sympathie zou hebben voor Esau in plaats van Jakob! Het lijdt geen twijfel dat God van Jakob hield met zijn verbondsliefde (een ander soort liefde en zorg dan Hij voor Esau had), maar Hij “haatte” hem niet in de moderne betekenis van het woord. De vertaling vertelt ons ook dat Jakob zijn eerste vrouw Leah “haatte”. Bij nadere lezing wordt echter duidelijk dat Jakob meer van Rachel hield dan van Lea (zie Gen 29:31). In deze gevallen betekent שנא (soneh) “van iemand/iets minder houden”.

In de Torah staat God echtscheiding toe op basis van bepaalde strikte omstandigheden die een huwelijksrelatie onmogelijk zouden maken om verder te gaan. Met andere woorden, God staat echtscheiding onder bepaalde omstandigheden toe. Wanneer onze vertalingen zeggen dat God echtscheiding “haat” (Mal 2:16), moeten we onze Engelse (en Nederlandse!) vertalingen ter discussie stellen en een meer genuanceerde (en accurate) interpretatie eisen. We weten allemaal dat echtscheiding een van de meest pijnlijke ervaringen is die een mens in zijn leven kan doormaken. Maar er is één ding dat nog erger is dan echtscheiding: een mishandelend huwelijk. De Torah beschermde mensen tegen de noodzaak om door te gaan in deze goddeloze band. Natuurlijk is echtscheiding en hertrouwen (zelfs op bijbelse gronden) niet ideaal, maar om Maleachi 2:16 te vertalen als “God haat echtscheiding,” en het te interpreteren als een algeheel verbod op echtscheiding, is een afschuwelijk verkeerde voorstelling van de liefdevolle God over onze gebroken wereld.

Hoeveel andere passages in de Bijbel hebben we niet verkeerd begrepen omdat we hun Joodse achtergrond niet hebben begrepen?

Geloofden de Apostelen in de Drieëenheid?

(Door Dr. Eli Lizorsky – Israel Bible Center)

Het is geen geheim dat de Christelijke doctrine van de Drievuldigheid als zodanig niet in de Bijbel wordt gevonden. Het is door latere Christenen uit verschillende Bijbelteksten gesystematiseerd om één samenhangende en nauwkeurige leer te presenteren die alle ware gelovigen tracht te verenigen. Het traditionele Christendom stelt dat:

  • De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn één God (geen drie Goden)
  • De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn gelijk in macht en heerlijkheid (hetzelfde in essentie).
  • De Vader functioneel superieur is aan de Zoon en de Heilige Geest (zowel de Zoon als de Geest zijn gehoorzaam aan de Vader).

Terwijl we dit belangrijke onderwerp doordenken, zijn hier een paar dingen om in gedachten te houden:

Ten eerste, de oorspronkelijke beweging die Christus volgde was nog erg Joods en als zodanig niet erg geïnteresseerd in doctrines op zich. Wat de Joden uit de eerste eeuw werkelijk bezighield, waren niet zozeer de details van correcte geloofsovertuigingen, maar veeleer de details van heilig leven.

Ten tweede dachten sommige Joden, zelfs vóór Jezus, over de relatie tussen God en zijn Woord in bijna identieke bewoordingen als in Johannes’ Evangelie (Johannes 1:1). Andere Joden van vóór Jezus geloofden, naast vele andere intrigerende dingen, in het begrip van “de Zoon des mensen” als eeuwig hemels wezen, dat God eens zal zetten op de troon van zijn heerlijkheid.

Ten derde, hoewel de apostelen de Heilige Geest niet eenvoudigweg beschouwden als Gods kracht zonder enige persoonlijkheid (zoals in de theologie van Jehovahs Getuigen) is er in het Nieuwe Testament beschamend weinig te vinden over de goddelijkheid van de Heilige Geest.

Ik concludeer dan ook dat als de apostelen de christelijke leer van de drie-eenheid in haar traditionele vorm voorgelegd zouden krijgen, zij diep verbaasd zouden zijn over de vraag waarom een dergelijke systematisering nodig was of als essentieel beschouwd werd. Maar nadat zij onder druk waren gezet om een antwoord te geven, zouden zij met enige aarzeling hebben ingestemd met de juistheid van de basisideeën die hun werden voorgelegd.

De Bijbel op drie manieren – Schleiermacher, Barth en Körtner

Drie moderne visies op de betekenis van de Schrift: Schleiermacher, Barth en Körtner. Vrijzinnigheid, neo-conservatisme en postmodernisme uit resp. de 19e, de 20e en de 21e eeuw.
Toch uiteindelijk een groot verschil met de leer van de Hervorming over Sola Scriptura, zelfs bij Barth.
Wat ontbreekt is S.C.A.N. – de Sufficiency, de Clarity, de Authority en de Necessity van de Schrift. (Laat staan de Infallibility…)
Een groot verschil ook, meen ik, met het getuigenis van het NT over de Schrift als openbaring van God – 2 Pe. 1; Heb. 4; 2 Tim. 3; Joh. 17:17 etc.

Voor Schleiermacher zie ook:
https://koinoniabijbelstudie.nl/schleiermacher-en-begin-modernisme-bespreking-studiegroep-gorssel/

 

De Bijbel als medium van oorsprong en uitdrukking

Schleiermacher – modernisme

Schleiermacher brengt de leer van de Schrift van de Prolegomena over naar de ecclesiologie

Hiermee wordt de Schrift getransformeerd van een dogmatisch kennisbeginsel naar een christelijk continuïteitsbeginsel.

Het brengt de context van de geschiedenis van Christus over.

  • Het christendom ontstaat met de verschijning van de persoon Jezus Christus.

  • De werking/kracht van Jezus maakt ons tot christenen.

  • Wij moeten in contact komen met de persoon Jezus, dit gebeurt met behulp van de Schrift.

  • De dogmatische betekenis ervan bestaat in de historische bemiddeling van de verlossende werkzaamheid van Jezus door de Geest die in Hem werkt.

  • Schleiermacher neemt het oude protestantse beginsel van de Schrift over.

  • Een expressieve functie van de Schrift

  • Principe in plaats van methode –

Karl Barth – neo-conservatisme / neo-orthodoxie

Karl Barth neemt het oude protestantse begrip van de Bijbel als het Woord van God over.

  • Barth is ook op de hoogte van het karakter van de Bijbel als historisch document.

  • De gebeurtenisfiguur van de openbaring biedt hem echter de mogelijkheid: De Schrift is niet het Woord van God, maar kan dat altijd en eeuwig worden (bij lezing).

  • Actueel en voor ieder individu toont God Zichzelf, maar op het moment dat het voor de mens tastbaar wordt, is het niet langer goddelijk, maar menselijk.

  • Goddelijk alleen in het actuele, in het moment.

Op deze manier vernieuwt Barth het Reformatorische verstaan van de Schrift en de reformatorische these van de zelfwerkzaamheid van de Schrift:

De Schrift bevestigt zichzelf in de uitvoering van haar onverkrijgbare werkzaamheid als het Woord van God.

Daarmee devalueert zij de hermeneutische vragen en de theologische irrelevantie van de historisch-kritische methode.

Ulrich Körtner – postmodernisme

Van geïnspireerde Schrift tot geïnspireerde lezer

Körtner bepleit een receptie-esthetische (tekst construeert zichzelf alleen in de handeling van het lezen) d.i. een herformulering van het beginsel van de Schrift.

Hij vat dit op als een programmatische wending van tekst en auteur naar lezer (er is niet één verklaring van de auteur/het boek maar een meervoudige betekenis van het schrijven – wij “schrijven” de tekst opnieuw.).

In plaats van de ene betekenis van de tekst komen de betekenisconstructies van de lezer.

Tegelijkertijd komt hij tot een nieuwe interpretatie van de klassieke leer van de inspiratie.

Het schrijven van de Bijbelse tekst wordt niet langer opgevat als een onbeschikbaar gebeuren van inspiratie, maar eerder als het lezen ervan.

G. H. Kramer over redding = genezing?

De charismaniak Tom de Wal beweert dat verlossing altijd ook genezing betekent omdat immers de Heer Jezus onze ziekten heeft gedragen – met een foutieve verwijzing naar Jesaja 53. Hij maakt dat ook duidelijk met een beroep op de tekst over de vrouw die aan bloedvloeiingen leed: vrouw, uw geloof heeft u behouden. (Gered betekent dan “genezen”.
Gerard Kramer schreef in 2013 daar al een weerlegging van, in de hem eigen nuchtere, nauwkeurige (academische) stijl. (Heel lang geleden heb ik nog Griekse les van hem gehad, in 1969 denk ik.)

Klik om toegang te krijgen tot OS1898.pdf

Geloof en werken

Naar aanleiding van een opmerking die iemand onlangs maakte over de brief van Jacobus, heb ik deze video-reactie gemaakt.

Ik denk dat er niet alleen sprake is van een misverstand over de betekenis van de tekst, maar dat er ook sprake is van een forse kritiek op predikanten die het vak van de prediking en de theologie ernstig nemen. Vandaar dat ik meende te moeten reageren. Het is niet bedoeld als persoonlijke aanval, vandaar dat ik geen naam en toenaam geef van degene die mij tot dit antwoord aangezet heeft.

Jesjoea of Jezus? (En waarom niet Yeshua)

Waarom zeggen sommige mensen, met name Messiaanse Joden, “Jesjoea”, en niet “Jezus”?

Veel mensen denken dat dat maar een soort aanstellerij is. Wie opgegroeid is met de naam Jezus ervaart toch een zekere ergernis, als plotseling een Hebreeuwse naam als vervanger gaat optreden. Natuurlijk weten we wel dat “Jezus” uiteindelijk teruggaat op een Hebreeuwse naam, die via het Latijn bij ons is gekomen. Maar er is niks mis met vertalen, zolang we maar weten over wie we het hebben. Uiteindelijk is de Griekse term IHSOUS – uitgesproken als ISOE – ook een vertaling van het Hebreeuwse JeSJoeA.

Wat kan dan de reden zijn om weer terug te gaan naar het Hebreeuwse origineel?
Ik denk dat in de eerste plaats het misbruik van de naam Jezus een grote rol heeft gespeeld. Het is een naam die makkelijk in de mond wordt genomen, zelfs in de vorm van een vloek. (Ik zou dat dan spellen als: “jeeses”, want met een naam heeft het helemaal niks meer te maken. Het is een krachtterm geworden.) Ook het feit dat in de grote gevestigde kerken en in de doorsnee theologie van Europa over Jezus werd en wordt gesproken alsof het over een Griekse godheid gaan, speelt hier een rol. Er zijn theologische redenen om ook in het spraakgebruik te willen aangeven dat de hoofdlijn van het christendom niet gevolgd wordt. Ondanks het feit dat men ook wel weet dat de naam van de Messias, net als in titel, voor de wereld toegankelijk werd gemaakt in haar Griekse vorm: Jezus Christus.

Een tweede, en nog wel belangrijker reden, ligt in het feit dat het heidense christendom – in de ogen van veel Messiaanse Joden – de mens Jezus heeft vergoddelijkt. “Jezus” is de naam van een godheid die door een onzorgvuldig trinitarisch denken te veel is losgemaakt van zijn menselijkheid. Dat wil niet zeggen dat het Messiaanse Jodendom de triniteit verwerpt, maar wel een grotere voorzichtigheid en nauwkeurigheid wil betrachten in de dogmatische uitspraken over de godheid van Jezus. De anglicaanse priester die jaren geleden op de televisie zei: “de naam van mijn God is Jezus”, mag hier als voorbeeld dienen van de onzorgvuldigheid die men vermijden wil.

Wanneer feitelijk, hoewel tegen de intentie van christenen in, de naam Jezus gaat functioneren als de naam voor een godheid, dan wil dat zeggen dat er verwarring kan ontstaan. Het is immers niet meteen duidelijk of men met de naam Jezus een aparte godheid bedoelt, of uitsluitend over een mens spreekt zoals in de vrijzinnigheid, of dat daarmee het ambt en de identiteit van de Messias nauwkeurig wordt aangeduid. Dat heeft uiteindelijk zijn wortels in de thora: “bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!” Dit verbod uit Exodus 23:13 kan dan worden geïnterpreteerd als een verbod om de naam Jezus te gebruiken vanwege de mogelijke verwarring die dat in onze tijd zou geven; in het ergste geval een bevestiging van afgoderij.

Het effect van het gebruik van de naam Jesjoea ligt toch vooral bij het aannemen van een bepaalde identiteit. Laten merken dat je afstand neemt van het doorsnee christendom. Laten merken dat je de Messias Jezus in het kader van de taal en de cultuur van Zijn eigen volk wil beleven. Dat kan echter het misverstand oproepen bij “normale” christenen, dat ze hier te maken hebben met een sektarische theologie, die bijvoorbeeld de door het Nieuwe Testament geleerden identiteit van Jezus met God verloochent of in ieder geval wil marginaliseren.

In deze discussie neem ik een praktische positie in. Wie “Jesjoea” (en niet het engelse Yeshua!) gebruikt in een conversatie met mij, die zal ik zo veel mogelijk antwoorden met dezelfde naam. Een kwestie van duidelijkheid. Maar als de schrijvers van het Nieuwe Testament het geen probleem vonden om de naam van Jesjoea te ver-Grieksen tot ISOE, denk ik dat er geen argument is tegen het gebruik van die naam.
Ik weet niet meer waar het staat, maar ergens in de middeleeuwse joodse literatuur zeggen de rabbijnen, dat als christenen Jezus zeggen maar aan God denken, er toch geen sprake is van afgoderij. Terwijl die afgoderij nu juist wel aanwezig is bij wie God zegt en dan aan Jezus denkt.
Voer tot nadenken!

En waarom niet Yeshua? Omdat we dan ook nog eens een Engelse versie gaan gebruiken. Gewoon Nederlands is Jesjoea.

Waar komt het woord demon eigenlijk vandaan?

“Daimoon”  of demon is in de eerste plaats het Griekse woord voor een geestelijk wezen. Het wordt gebruikt om een godheid aan te duiden maar heeft ook een meer filosofische betekenis – zoals bij Plato de innerlijke stem die oordeelt voorbij het verstandelijke, een personificatie van de intellectuele intuïtie. De meest oorspronkelijke betekenis van het woord is zoiets als verstoring, uit elkaar halen. Langs die lijn wordt een demon iets wat het lichaam verteert.

Demon betekent dus zoiets als “goden.” Een onbekende, onzichtbare en bovenmenselijke oorzaak is aan het werk, en dan noemen we dat een demonische activiteit en daarmee wordt het een woord voor alles wat een mens overweldigt: het toeval, de dood, of een goed of slecht noodlot. Vandaar dat het ook de specifieke betekenis kan hebben van een beschermende godheid. Zo is er zelfs een tekst die spreekt over het ontstaan van een nieuwe demon aan het begin van de huwelijksnacht. Als een beschermende godheid van lagere rang dus.

In de filosofische systemen van de klassieke tijd , wordt steeds meer benadrukt dat de wereld een kosmos, een ordelijk geheel is, waarin onpersoonlijke krachten en onzichtbare machten werkzaam zijn. Maar die gedachte werd niet helemaal doorgevoerd. Het begrip demon krijgt daarom een kleine wending. Geleidelijk aan worden demonen gezien als persoonlijke wezens, die tussen de abstracte kosmische machten en de mensen in werkzaam zijn. Het is met name het volksgeloof dat tot deze nadere definitie van demonen geleid heeft.

Dit idee van demonen als tussenwezens werd na verloop van tijd steeds meer uitgewerkt. Verschillende klassen van demonen werden onderscheiden. De demonen werden gezien als de boodschappers tussen de goden en de mensen. Zo zegt Plato: “al het demonische staat tussen God en de sterveling in. Zij vertalen het menselijke in de richting van de goden en het goddelijke in de richting van de mensen; dat gebeurt in de gebeden en de offers.”

De demonen als goddelijke tussenwezens hebben drie bijzondere kenmerken:

  • Demonen worden vooral gezien in samenhang met magie en bezweringen.
  • Demonen worden gezien als heersers over het menselijk lot, en worden steeds vaker verbonden met noodsituaties en ongeluk.
  • In veel filosofische systemen wordt het populaire geloof opgenomen, dat demonen bezit kunnen nemen van mensen.

Buitengewone verschijnselen in de menselijke geest of in het lichaam worden in het volksgeloof toegeschreven aan inwonende half-goden. Die goden worden dan vaak met de term demon aangeduid. Soms wordt er gezegd dat kwaadaardige demonen de vorm kunnen aannemen van mensen om kwade begeerten op te roepen. De demonen zijn verantwoordelijk voor het ondermijnen van menselijke deugden.

In ieder geval is er een wijdverbreid populair geloof, dat demonen verantwoordelijk zijn voor magische invloeden en allerlei vormen van kwaad. Soms wordt er ook gezegd dat ziekten kunnen worden herleid tot demonen, wanneer er geen uiterlijke oorzaken kunnen worden aangewezen. Zo is er een demon van de slapeloosheid, evenals een demon van de koorts. Let wel, dit alles wordt niet uit de Bijbel afgeleid, maar dit is een onderdeel van het populaire Griekse bijgeloof.

In het Oude Testament zijn er sporen van een vergelijkbare overtuiging. Men kan bijvoorbeeld de doden raadplegen met behulp van hekserij, en die krijgen dan ook de benaming elohiem. Zo ziet Saul in 1 Samuel 28:13 een elohiem opkomen uit de aarde. Jesaja spreekt over het raadplegen van “goden”, waarmee demonen bedoeld worden – Jes. 8:19. Het is belangrijk dat in Israël (Deut.18:10) de Here het verbood om de demonen te raadplegen- zoals het ook elke vorm van magie verbood. Demonen staan daarom alleen maar in de marge van het Oude Testament.

Hoewel ze in de marge staan komen ze dus toch voor, soms met persoonlijke namen zoals Lilith, Azazel en Aloeka. Ook vinden we verwijzingen naar offers die aan de demonen gebracht werden. Dat wil zeggen dat er een verbod wordt gegeven in Leviticus 17:17 om aan de demonen te offeren.

We kunnen twee conclusies trekken:

  1. Het is duidelijk dat het geloof in demonen in het Oude Testament niet geaccepteerd wordt, en niet wordt bevestigd, maar dat het feit dat sommige er in geloven wel een deel uitmaakt van de historische beschrijvingen.
  2. Het Oude Testament kent geen demonen met wie een mens omgang kan hebben met behulp van (goede of slechte) magie, zelfs niet voor het doel deze demonen af te weren.

De krachten die van God uitgaan in de richting van de mensen worden in het Oude Testament aangegeven als boodschappers. Het Hebreeuwse woord “mal’ach” wordt in het Nieuwe Testament weergegeven met angelos, d.i. engel. Het kwade dat in de wereld komt, wordt over het algemeen toegeschreven aan God Zelf. Hij brengt de verwoestende engel in de wereld. De demonen worden door Hem niet gebruikt om Zijn oordeel te brengen. Hij alleen is verantwoordelijk voor een ingreep in de wereld in de vorm van straf. Als het echter gaat om de goede werken die God in de wereld doet, dat wil zeggen Zijn ingrijpen in onze geschiedenis, kan er sprake zijn van engelen.

Het Nieuwe Testament staat in de lijn van de ontwikkeling van het Oude Testament. Verder zien we dat er bijna geen verwijzingen zijn naar demonen, behalve in het geval van de bezetenen. (Waarover ik later nog zal schrijven.) Er is geen spoor te vinden van het (volks-)geloof in demonen als kwade geesten. Wanneer Paulus bijvoorbeeld spreekt over zijn reizen door eenzame plaatsen, spreekt hij niet over de gevaren vanwege de demonen (2 Kor. 11:23). Iets wat wel vaak gebeurt in de teksten van het vroege Jodendom. Wanneer hij wel over een engel van de satan spreekt, is het in verband met een voor hem blijkbaar vreemde fysische handicap ( 2 Kor. 12:7).

De meeste teksten die over demonen lijken te gaan, vertonen een zekere dubbelzinnigheid. Paulus gaat de term “demon” sterk overdrachtelijk of figuurlijk gebruiken. Bezig zijn met demonen staat gelijk aan het bezig zijn met de stomme afgoden – 1 Kor. 12:2. Diezelfde afgoden worden met de term demonen aangeduid in 1 Kor. 10:20. Net als in het Griekse bijgeloof, wordt de term demon dus bij Paulus gebruikt voor de afgoden. (Waarmee aan de niet-bestaande afgoden dus wèl een werking wordt toegeschreven!)

De taal van het Nieuwe Testament lijkt wel op de taal van teksten die existentie aan de demonen toeschrijven zoals ook duidelijk wordt aan de naamgeving van de demonen, en door teksten waarin hun kwalijke werking op de mensen als vanzelfsprekend wordt aangenomen. Als je echter nauwkeurig leest dan zie je dat de demonen niet worden behandeld zoals in het Joodse of Griekse populaire bijgeloof. Een fraai voorbeeld is de uitdrukking in 1 Joh. 4:1, “geloof niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn.” Losgemaakt van de context, zou dit in de wereld van demonologische teksten een bevestiging van het zelfstandig bestaan van demonen kunnen zijn. Maar het vervolg van de tekst luidt: “want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” Dan pas zien we dat het woord “geest” overdrachtelijk gebruikt wordt, als een aanduiding van een leer en een mentaliteit die van de profeten uitgaat – maar die verder reikt dan zij.

De tekst van Efeze 6:12 is hier van groot belang. Eerst lijkt het dat wij te maken hebben met een lijst van namen van demonische machten: [stand houden tegen] de listen van de duivel… [onze strijd is tegen] de overheden, de machten, de wereldbeheersers van deze duisternis.” Maar dan krijgen we deze uitdrukking: “tegen het geestelijke van de boosheid in het hemelse.” Vanuit de aanname dat Paulus volledig het populaire geloof in demonen als zelfstandige en kwaadaardige entiteiten deelt, wordt hier altijd vertaald met een toevoeging van de woorden “machten” en “gewesten.” Door de neutrale term “het geestelijke” aan te vullen met de term “machten” wordt gesuggereerd dat het hier om zelfstandige, individuele wezens gaat. De toevoeging van de term “gewesten” maakt van een bijwoordelijke bepaling “het hemelse” een specifieke plaats – want individuele wezens hebben altijd een bepaalde plaats die ze in de werkelijkheid innemen.

Lezen we de tekst echter correct, zonder deze interpreterende toevoegingen, dan kunnen we het volgende zeggen: onze strijd is niet met mensen als zodanig, niet met vlees en bloed, maar onze strijd is met overheden die boven de menselijke controle uitgaan, onze strijd is tegen alles wat met geweld optreedt in deze wereld, onze strijd is met instituties en systemen die deze wereld beheersen, die zelf in de duisternis zijn gehuld en duisternis veroorzaken, immers dit alles is het boosaardig en geestelijke dat vanuit een dimensie boven ons – het hemelse in de zin van datgene wat van bovenaf, dus zonder zichtbare herkomst, zonder menselijke controle, en met bovenmenselijke kracht werkzaam is – ons aanvalt.

(Wordt vervolgd)

Intro: de drie mogelijkheden van een politieke theologie

Hoe moeten we vanuit de Bijbelse theologie denken over onze verhouding tot de Staat? Ik zou denken dat er in het algemeen maar drie mogelijkheden zijn. De eerste twee worden mede bepaald door de vraag of we een negatief of positief beeld moeten hebben van de menselijke mogelijkheden:

1) een theologie van het verbond zou kunnen zeggen, dat God het aan mensen overlaat om ook onderling een verbond te vormen. God gaat er vanuit dat de mens het vermogen en de waardigheid heeft om een samenleving te organiseren Het verbond van God met de mensen is dan de basis voor het onderlinge verbond dat mensen zelf sluiten. De Amerikaanse Revolutie is historisch gezien op die politieke theologie gebaseerd. Vandaar de uitspraak: “alle mensen zijn geschapen als vrij en gelijkwaardig en hebben van hun Schepper onvervreemdbare rechten ontvangen.” Ruwweg is dit de theologie van Calvijn.

2) een negatief beeld van de menselijke mogelijkheden zou de basis kunnen zijn voor een Leviathan-theologie. Leviathan is de titel van een boek door Thomas Hobbes, waarin hij een utopische staat beschrijft, waarin de zekerheid van het bestaande hoogste waarde is. Geestelijke en wereldlijke macht is daar verenigd en het recht van verzet tegen de staat is uitgesloten.

Maar dan is er ook nog, zoals zo vaak, het Mennonitische alternatief.

3) de staat is een ordening van het leven die nodig is vanwege de zonde, maar tegelijkertijd zelf een zondig karakter heeft. Zolang de Staat orde en vrede garandeert, heeft Gods volk de gelegenheid om haar hemelse Koning te gehoorzamen. Wanneer de Staat echter demonisch wordt, probeert ze het volk van God te vernietigen en verheft ze zich tegen de bron van haar gezag en macht. De Bijbel is uitermate kritisch tegenover de staat, d.w.z tegen de stad. Het antwoord van God op de menselijke stad is het hemelse Jeruzalem, en voor christenen geldt dan: “ons burgerschap is in de hemelen.”

(Wordt vervolgd)