Jesjoea of Jezus? (En waarom niet Yeshua)

Waarom zeggen sommige mensen, met name Messiaanse Joden, “Jesjoea”, en niet “Jezus”?

Veel mensen denken dat dat maar een soort aanstellerij is. Wie opgegroeid is met de naam Jezus ervaart toch een zekere ergernis, als plotseling een Hebreeuwse naam als vervanger gaat optreden. Natuurlijk weten we wel dat “Jezus” uiteindelijk teruggaat op een Hebreeuwse naam, die via het Latijn bij ons is gekomen. Maar er is niks mis met vertalen, zolang we maar weten over wie we het hebben. Uiteindelijk is de Griekse term IHSOUS – uitgesproken als ISOE – ook een vertaling van het Hebreeuwse JeSJoeA.

Wat kan dan de reden zijn om weer terug te gaan naar het Hebreeuwse origineel?
Ik denk dat in de eerste plaats het misbruik van de naam Jezus een grote rol heeft gespeeld. Het is een naam die makkelijk in de mond wordt genomen, zelfs in de vorm van een vloek. (Ik zou dat dan spellen als: “jeeses”, want met een naam heeft het helemaal niks meer te maken. Het is een krachtterm geworden.) Ook het feit dat in de grote gevestigde kerken en in de doorsnee theologie van Europa over Jezus werd en wordt gesproken alsof het over een Griekse godheid gaan, speelt hier een rol. Er zijn theologische redenen om ook in het spraakgebruik te willen aangeven dat de hoofdlijn van het christendom niet gevolgd wordt. Ondanks het feit dat men ook wel weet dat de naam van de Messias, net als in titel, voor de wereld toegankelijk werd gemaakt in haar Griekse vorm: Jezus Christus.

Een tweede, en nog wel belangrijker reden, ligt in het feit dat het heidense christendom – in de ogen van veel Messiaanse Joden – de mens Jezus heeft vergoddelijkt. “Jezus” is de naam van een godheid die door een onzorgvuldig trinitarisch denken te veel is losgemaakt van zijn menselijkheid. Dat wil niet zeggen dat het Messiaanse Jodendom de triniteit verwerpt, maar wel een grotere voorzichtigheid en nauwkeurigheid wil betrachten in de dogmatische uitspraken over de godheid van Jezus. De anglicaanse priester die jaren geleden op de televisie zei: “de naam van mijn God is Jezus”, mag hier als voorbeeld dienen van de onzorgvuldigheid die men vermijden wil.

Wanneer feitelijk, hoewel tegen de intentie van christenen in, de naam Jezus gaat functioneren als de naam voor een godheid, dan wil dat zeggen dat er verwarring kan ontstaan. Het is immers niet meteen duidelijk of men met de naam Jezus een aparte godheid bedoelt, of uitsluitend over een mens spreekt zoals in de vrijzinnigheid, of dat daarmee het ambt en de identiteit van de Messias nauwkeurig wordt aangeduid. Dat heeft uiteindelijk zijn wortels in de thora: “bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!” Dit verbod uit Exodus 23:13 kan dan worden geïnterpreteerd als een verbod om de naam Jezus te gebruiken vanwege de mogelijke verwarring die dat in onze tijd zou geven; in het ergste geval een bevestiging van afgoderij.

Het effect van het gebruik van de naam Jesjoea ligt toch vooral bij het aannemen van een bepaalde identiteit. Laten merken dat je afstand neemt van het doorsnee christendom. Laten merken dat je de Messias Jezus in het kader van de taal en de cultuur van Zijn eigen volk wil beleven. Dat kan echter het misverstand oproepen bij “normale” christenen, dat ze hier te maken hebben met een sektarische theologie, die bijvoorbeeld de door het Nieuwe Testament geleerden identiteit van Jezus met God verloochent of in ieder geval wil marginaliseren.

In deze discussie neem ik een praktische positie in. Wie “Jesjoea” (en niet het engelse Yeshua!) gebruikt in een conversatie met mij, die zal ik zo veel mogelijk antwoorden met dezelfde naam. Een kwestie van duidelijkheid. Maar als de schrijvers van het Nieuwe Testament het geen probleem vonden om de naam van Jesjoea te ver-Grieksen tot ISOE, denk ik dat er geen argument is tegen het gebruik van die naam.
Ik weet niet meer waar het staat, maar ergens in de middeleeuwse joodse literatuur zeggen de rabbijnen, dat als christenen Jezus zeggen maar aan God denken, er toch geen sprake is van afgoderij. Terwijl die afgoderij nu juist wel aanwezig is bij wie God zegt en dan aan Jezus denkt.
Voer tot nadenken!

En waarom niet Yeshua? Omdat we dan ook nog eens een Engelse versie gaan gebruiken. Gewoon Nederlands is Jesjoea.

Waar komt het woord demon eigenlijk vandaan?

“Daimoon”  of demon is in de eerste plaats het Griekse woord voor een geestelijk wezen. Het wordt gebruikt om een godheid aan te duiden maar heeft ook een meer filosofische betekenis – zoals bij Plato de innerlijke stem die oordeelt voorbij het verstandelijke, een personificatie van de intellectuele intuïtie. De meest oorspronkelijke betekenis van het woord is zoiets als verstoring, uit elkaar halen. Langs die lijn wordt een demon iets wat het lichaam verteert.

Demon betekent dus zoiets als “goden.” Een onbekende, onzichtbare en bovenmenselijke oorzaak is aan het werk, en dan noemen we dat een demonische activiteit en daarmee wordt het een woord voor alles wat een mens overweldigt: het toeval, de dood, of een goed of slecht noodlot. Vandaar dat het ook de specifieke betekenis kan hebben van een beschermende godheid. Zo is er zelfs een tekst die spreekt over het ontstaan van een nieuwe demon aan het begin van de huwelijksnacht. Als een beschermende godheid van lagere rang dus.

In de filosofische systemen van de klassieke tijd , wordt steeds meer benadrukt dat de wereld een kosmos, een ordelijk geheel is, waarin onpersoonlijke krachten en onzichtbare machten werkzaam zijn. Maar die gedachte werd niet helemaal doorgevoerd. Het begrip demon krijgt daarom een kleine wending. Geleidelijk aan worden demonen gezien als persoonlijke wezens, die tussen de abstracte kosmische machten en de mensen in werkzaam zijn. Het is met name het volksgeloof dat tot deze nadere definitie van demonen geleid heeft.

Dit idee van demonen als tussenwezens werd na verloop van tijd steeds meer uitgewerkt. Verschillende klassen van demonen werden onderscheiden. De demonen werden gezien als de boodschappers tussen de goden en de mensen. Zo zegt Plato: “al het demonische staat tussen God en de sterveling in. Zij vertalen het menselijke in de richting van de goden en het goddelijke in de richting van de mensen; dat gebeurt in de gebeden en de offers.”

De demonen als goddelijke tussenwezens hebben drie bijzondere kenmerken:

  • Demonen worden vooral gezien in samenhang met magie en bezweringen.
  • Demonen worden gezien als heersers over het menselijk lot, en worden steeds vaker verbonden met noodsituaties en ongeluk.
  • In veel filosofische systemen wordt het populaire geloof opgenomen, dat demonen bezit kunnen nemen van mensen.

Buitengewone verschijnselen in de menselijke geest of in het lichaam worden in het volksgeloof toegeschreven aan inwonende half-goden. Die goden worden dan vaak met de term demon aangeduid. Soms wordt er gezegd dat kwaadaardige demonen de vorm kunnen aannemen van mensen om kwade begeerten op te roepen. De demonen zijn verantwoordelijk voor het ondermijnen van menselijke deugden.

In ieder geval is er een wijdverbreid populair geloof, dat demonen verantwoordelijk zijn voor magische invloeden en allerlei vormen van kwaad. Soms wordt er ook gezegd dat ziekten kunnen worden herleid tot demonen, wanneer er geen uiterlijke oorzaken kunnen worden aangewezen. Zo is er een demon van de slapeloosheid, evenals een demon van de koorts. Let wel, dit alles wordt niet uit de Bijbel afgeleid, maar dit is een onderdeel van het populaire Griekse bijgeloof.

In het Oude Testament zijn er sporen van een vergelijkbare overtuiging. Men kan bijvoorbeeld de doden raadplegen met behulp van hekserij, en die krijgen dan ook de benaming elohiem. Zo ziet Saul in 1 Samuel 28:13 een elohiem opkomen uit de aarde. Jesaja spreekt over het raadplegen van “goden”, waarmee demonen bedoeld worden – Jes. 8:19. Het is belangrijk dat in Israël (Deut.18:10) de Here het verbood om de demonen te raadplegen- zoals het ook elke vorm van magie verbood. Demonen staan daarom alleen maar in de marge van het Oude Testament.

Hoewel ze in de marge staan komen ze dus toch voor, soms met persoonlijke namen zoals Lilith, Azazel en Aloeka. Ook vinden we verwijzingen naar offers die aan de demonen gebracht werden. Dat wil zeggen dat er een verbod wordt gegeven in Leviticus 17:17 om aan de demonen te offeren.

We kunnen twee conclusies trekken:

  1. Het is duidelijk dat het geloof in demonen in het Oude Testament niet geaccepteerd wordt, en niet wordt bevestigd, maar dat het feit dat sommige er in geloven wel een deel uitmaakt van de historische beschrijvingen.
  2. Het Oude Testament kent geen demonen met wie een mens omgang kan hebben met behulp van (goede of slechte) magie, zelfs niet voor het doel deze demonen af te weren.

De krachten die van God uitgaan in de richting van de mensen worden in het Oude Testament aangegeven als boodschappers. Het Hebreeuwse woord “mal’ach” wordt in het Nieuwe Testament weergegeven met angelos, d.i. engel. Het kwade dat in de wereld komt, wordt over het algemeen toegeschreven aan God Zelf. Hij brengt de verwoestende engel in de wereld. De demonen worden door Hem niet gebruikt om Zijn oordeel te brengen. Hij alleen is verantwoordelijk voor een ingreep in de wereld in de vorm van straf. Als het echter gaat om de goede werken die God in de wereld doet, dat wil zeggen Zijn ingrijpen in onze geschiedenis, kan er sprake zijn van engelen.

Het Nieuwe Testament staat in de lijn van de ontwikkeling van het Oude Testament. Verder zien we dat er bijna geen verwijzingen zijn naar demonen, behalve in het geval van de bezetenen. (Waarover ik later nog zal schrijven.) Er is geen spoor te vinden van het (volks-)geloof in demonen als kwade geesten. Wanneer Paulus bijvoorbeeld spreekt over zijn reizen door eenzame plaatsen, spreekt hij niet over de gevaren vanwege de demonen (2 Kor. 11:23). Iets wat wel vaak gebeurt in de teksten van het vroege Jodendom. Wanneer hij wel over een engel van de satan spreekt, is het in verband met een voor hem blijkbaar vreemde fysische handicap ( 2 Kor. 12:7).

De meeste teksten die over demonen lijken te gaan, vertonen een zekere dubbelzinnigheid. Paulus gaat de term “demon” sterk overdrachtelijk of figuurlijk gebruiken. Bezig zijn met demonen staat gelijk aan het bezig zijn met de stomme afgoden – 1 Kor. 12:2. Diezelfde afgoden worden met de term demonen aangeduid in 1 Kor. 10:20. Net als in het Griekse bijgeloof, wordt de term demon dus bij Paulus gebruikt voor de afgoden. (Waarmee aan de niet-bestaande afgoden dus wèl een werking wordt toegeschreven!)

De taal van het Nieuwe Testament lijkt wel op de taal van teksten die existentie aan de demonen toeschrijven zoals ook duidelijk wordt aan de naamgeving van de demonen, en door teksten waarin hun kwalijke werking op de mensen als vanzelfsprekend wordt aangenomen. Als je echter nauwkeurig leest dan zie je dat de demonen niet worden behandeld zoals in het Joodse of Griekse populaire bijgeloof. Een fraai voorbeeld is de uitdrukking in 1 Joh. 4:1, “geloof niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn.” Losgemaakt van de context, zou dit in de wereld van demonologische teksten een bevestiging van het zelfstandig bestaan van demonen kunnen zijn. Maar het vervolg van de tekst luidt: “want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” Dan pas zien we dat het woord “geest” overdrachtelijk gebruikt wordt, als een aanduiding van een leer en een mentaliteit die van de profeten uitgaat – maar die verder reikt dan zij.

De tekst van Efeze 6:12 is hier van groot belang. Eerst lijkt het dat wij te maken hebben met een lijst van namen van demonische machten: [stand houden tegen] de listen van de duivel… [onze strijd is tegen] de overheden, de machten, de wereldbeheersers van deze duisternis.” Maar dan krijgen we deze uitdrukking: “tegen het geestelijke van de boosheid in het hemelse.” Vanuit de aanname dat Paulus volledig het populaire geloof in demonen als zelfstandige en kwaadaardige entiteiten deelt, wordt hier altijd vertaald met een toevoeging van de woorden “machten” en “gewesten.” Door de neutrale term “het geestelijke” aan te vullen met de term “machten” wordt gesuggereerd dat het hier om zelfstandige, individuele wezens gaat. De toevoeging van de term “gewesten” maakt van een bijwoordelijke bepaling “het hemelse” een specifieke plaats – want individuele wezens hebben altijd een bepaalde plaats die ze in de werkelijkheid innemen.

Lezen we de tekst echter correct, zonder deze interpreterende toevoegingen, dan kunnen we het volgende zeggen: onze strijd is niet met mensen als zodanig, niet met vlees en bloed, maar onze strijd is met overheden die boven de menselijke controle uitgaan, onze strijd is tegen alles wat met kracht optreedt in deze wereld, onze strijd is met instituties en systemen die deze wereld beheersen, die zelf in de duisternis zijn gehuld en duisternis veroorzaken, immers dit alles is het boosaardig en geestelijke dat vanuit een dimensie boven ons – het hemelse in de zin van datgene wat van bovenaf, dus zonder zichtbare herkomst, zonder menselijke controle, en met bovenmenselijke kracht werkzaam is – ons aanvalt.

(Wordt vervolgd)

Intro: de drie mogelijkheden van een politieke theologie

Hoe moeten we vanuit de Bijbelse theologie denken over onze verhouding tot de Staat? Ik zou denken dat er in het algemeen maar drie mogelijkheden zijn. De eerste twee worden mede bepaald door de vraag of we een negatief of positief beeld moeten hebben van de menselijke mogelijkheden:

1) een theologie van het verbond zou kunnen zeggen, dat God het aan mensen overlaat om ook onderling een verbond te vormen. God gaat er vanuit dat de mens het vermogen en de waardigheid heeft om een samenleving te organiseren Het verbond van God met de mensen is dan de basis voor het onderlinge verbond dat mensen zelf sluiten. De Amerikaanse Revolutie is historisch gezien op die politieke theologie gebaseerd. Vandaar de uitspraak: “alle mensen zijn geschapen als vrij en gelijkwaardig en hebben van hun Schepper onvervreemdbare rechten ontvangen.” Ruwweg is dit de theologie van Calvijn.

2) een negatief beeld van de menselijke mogelijkheden zou de basis kunnen zijn voor een Leviathan-theologie. Leviathan is de titel van een boek door Thomas Hobbes, waarin hij een utopische staat beschrijft, waarin de zekerheid van het bestaande hoogste waarde is. Geestelijke en wereldlijke macht is daar verenigd en het recht van verzet tegen de staat is uitgesloten.

Maar dan is er ook nog, zoals zo vaak, het Mennonitische alternatief.

3) de staat is een ordening van het leven die nodig is vanwege de zonde, maar tegelijkertijd zelf een zondig karakter heeft. Zolang de Staat orde en vrede garandeert, heeft Gods volk de gelegenheid om haar hemelse Koning te gehoorzamen. Wanneer de Staat echter demonisch wordt, probeert ze het volk van God te vernietigen en verheft ze zich tegen de bron van haar gezag en macht. De Bijbel is uitermate kritisch tegenover de staat, d.w.z tegen de stad. Het antwoord van God op de menselijke stad is het hemelse Jeruzalem, en voor christenen geldt dan: “ons burgerschap is in de hemelen.”

(Wordt vervolgd)

Kinderen van de toorn, verstoken van Gods leven

Als kinderen van de toorn, verstoken van Gods leven
ontging ons steeds de rust in deze duistere dreven
Ver van Uw aangezicht, ver van Uw Vaderhart,
Werd ons gemoed steeds meer in zonde en schuld verward,

(Geestelijke liederen 46:2)

We zijn van nature “kinderen van de toorn” zegt Paulus in Efeze 2:3. Het is een voorbeeld van de diagnose in het Nieuwe Testament van onze conditie: als kinderen van Adam dragen we de zonde met ons mee, doen wij de zonde, en staan we veroordeeld vanwege de zonde.

Een deel van de charismatische wereld kiest ervoor deze boodschap te negeren in een poging om de wereld voor zichzelf te winnen. Zonde wordt gereduceerd tot een verlies aan authenticiteit, een gevoel van vervreemding, een gebrek aan succes, en uiteraard, tot ziekte. Een dergelijke diagnose kan de moderne mens blijkbaar nog wel aan. Het evangelie van de charismatische beweging presenteert Jezus als de Heelmeester, die aan het kruis onze ziekten heeft gedragen. God wil, als we maar voldoende geloof hebben, elke nood die we hebben voor ons oplossen. Gelukkig maar dat zij daarvoor allerlei cursussen in de aanbieding hebben.

Wat vroeger een zondaar heette die verlossing nodig had, is nu een mens met een eenvoudig te verhelpen probleem. Het gaat erom zelfvertrouwen te krijgen, zekerheid over je toekomst en genezing, tot een beïnvloeder gemaakt te worden – of tot een Held in het “House of Heroes” van Van der Steen, of tot een “krachtig mens” in de “Shelter” van Giltjes. Is dat NT-ische leer? Ze menen van wel. En de Bijbel buikspreekt het ook. Paulus wil toch zeggen: “mijn geloof wordt in kracht volbracht”, en: “wanneer ik sterk ben, dan ben ik sterk!” En Galaten 2:20 luidt ongetwijfeld: “ik ben met Christus gekruisigd en nu leef ik krachtig voor mijzelf, dankzij mijn geloof in de Zoon van God, die mij onvoorwaardelijk liefheeft zoals ik ben en mijn ziekten heeft gedragen.” Zoek het maar op.

De Bijbelse waarheid is toch anders. Alle mensen zijn dood in hun zonden, verdienen geen verlossing en staan onder de toorn van God. Uiteraard is dat juist in onze body-culture-tijd geen populaire boodschap. Maar het is de voorwaarde van alle verkondiging van het evangelie. Het is een essentiële waarheid. Waarom geloven mensen niet in de Heer Jezus Christus? Waarom is niet iedereen lid van de christelijke kerk? Er kan maar één reden voor zijn, namelijk dat mensen niet inzien dat ze Hem nodig hebben. En ze denken Hem niet nodig te hebben, omdat ze niet inzien dat ze tegenover God zondaars zijn.

Hoe kunnen mensen echter inzien dat ze zondaars zijn tegenover God, als niemand ze uitlegt wat het betekent dat God volmaakt heilig is? Het is nodig te begrijpen dat God Zijn gerechtigheid ook in de vorm van een oordeel moet uitvoeren. Dat de ordening in deze schepping zo door Hem bepaald is dat de zonde tot de dood leidt. Waar dat niet meteen gebeurt, is er een interventie van Gods lankmoedigheid of geduld. Maar het is alleen Gods genade in Christus die iemand definitief kan redden van het oordeel wanneer hij in Christus gelooft – het zondoffer voor de zonde. Mensen weten dit niet. En krijgen het van charismatische evangelisten ook niet te horen. Dat is natuurlijk niet helemaal waar, zegt de charismatische evangelist, het wordt altijd wel ergens tussendoor even genoemd. Maar een leer verkondigen, de consequenties daaruit trekken, de elementen ervan begrijpen, is waarachtig niet hetzelfde als af en toe ernaar verwijzen.

Hoe krijg je dan echter mensen naar de kerk toe? Door ze te vertellen dat ze in hun leven meer, nog veel meer kunnen hebben en meemaken. Genezingen, financiële voorspoed, sociale cohesie, een scherp gevoel van voortreffelijkheid omdat je de ware kerk bent, God zelf elke dag op een podium ziet verschijnen, allemaal redenen om een charismatische gemeente op te zoeken. Daarom kan de charismatische gemeente bloeien, terwijl de christelijke kerk aan het aftakelen is. Dat laatste is echter waarachtiger dan het eerste.

Als je werkelijk gelooft in de redding die door Jezus Christus gebracht is, als je begrijpt wat de dood van Christus inhoudt en wat Hij heeft doorgemaakt door de zonde en schuld van de mensheid te dragen, dan begrijp je uit het karakter van het medicijn, wat de aard van de ziekte moet zijn. Daarom moet een prediking die niet begint bij het besef van zonde en het oordeel van God, niet alleen maar als onjuist worden bestempeld, maar ook als misleidend. Wie zonder besef van zonde Christus in geloof wil aannemen, is volgens de maatstaven van het Nieuwe Testament geen christen. De Heilige Geest, die de wereld overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel, woont niet in zo iemand.

Dit is nu juist een terrein, waar de Protestantse Kerk geroepen is om zich krachtig te verzetten tegen de postmoderne dwaalleer, dat een mens ook zonder zondebesef behouden kan worden.

8 sleutels tot het begrip van demonen en engelen

Door te denken dat demonen als aparte entiteiten in de lucht fladderen, wordt verborgen dat ze juist in onze geest, en in de structuren van ons samenleven hun oorsprong hebben. In naïeve opvattingen over fladderende demonen hebben zij hun oorsprong op diabolische wijze weten te verbergen.

Een van de belangrijkste bijdragen aan de discussie over engelen en demonen in het Nieuwe Testament is afkomstig van Walter Wink. Hieronder geef ik in acht stellingen het vertrekpunt weer van het eerste deel van het drieluik, getiteld “Naming the Powers”, (1984) waarin het vooral gaat over de taal van de machten in het Nieuwe Testament. Doorgaan met het lezen van “8 sleutels tot het begrip van demonen en engelen”

De verscheurdheid van de staat – Politieke theologie (2)

Het politieke denken van de wereld begint bij overwegingen over het karakter van de klassieke polis, de Griekse stadstaat. Hoe kan deze stedelijke samenleving bestaan? Zijn er niet in elke menselijke samenleving zulke grote en tegengestelde krachten, dat elke gemeenschap gedoemd is ten onder te gaan in anarchie? De Griekse polis bestaat als een harmonie van deze tegenstellingen. De polis is agressief tegenover de vijanden van de staat. Alle burgers moeten bereid zijn geweld te gebruiken om de vijand buiten de deur te houden. Vandaar de al zeer oude gedachte (bij de filosofoof Heraclitus) dat de strijd of de oorlog de “vader is van alle dingen.” Het geweld is de bron van alle cultuur maar ook de vernietigende kracht die aan alle vrede een einde kan maken. De Griekse goden die als de eigenlijke hoeders van de staat worden gezien, ontlenen hun betekenis aan de noodzaak om de staat te bewaren tegen de vijanden maar ook te voorkomen dat de gewelddadige krachten binnen de staat worden ingezet. Vijanden van buiten en vijanden van binnen moeten gelijkelijk bestreden worden. Het is de taak van de concrete politiek om de harmonie tussen deze tegenstellingen tot stand te brengen en te bewaren. Doorgaan met het lezen van “De verscheurdheid van de staat – Politieke theologie (2)”

Een schuldbelijdenis van de kerk t.a.v. Israël

De grote corruptie van de christelijke kerk is begonnen toen christenen met een niet-joodse achtergrond de meerderheid gingen vormen. Met de haat tegenover de ongelovige joden in de tweede eeuw n. Chr. begon een geschiedenis van verguizing dat in de 20e eeuw in de Holocaust zijn voorlopige dieptepunt bereikte. Zeker, het was het volledig heidense nazisme dat verantwoordelijk was voor de Holocaust. Maar zonder een eeuwenlange voorbereiding in een christelijk antisemitisme zou het nooit gebeurd zijn.

In de periode na de tweede wereldoorlog hebben de christelijke kerken in Nederland pogingen gedaan om zich van de smet van het antisemitisme te bevrijden. Met verschillende mate van succes. Vaak bleef bij de gewone leden van de gemeente een hoge graad van wantrouwen en afkeer tegenover vooral orthodoxe joden in stand. Vaak ook werd dat gevoed door onbegrip en afwijzing van het Oude Testament. In 2020 kunnen we niet zeggen dat de kerk zich geheel en al van het antisemitisme heeft kunnen ontdoen. Deze houding van haat en afkeer zet zich ook vaak voort in onverschilligheid of vijandschap tegenover Israël, en in de theologische leer dat de kerk het volk Israël heeft vervangen. Zelfs op hoog theologisch niveau wordt nog vaak beweerd dat de voorlopers van het huidige Jodendom, de Farizeeën, terecht worden aangezien voor hypocrieten en leugenaars. Dat zegt Jezus toch zelf in Mattheus 23? Of er wordt beweerd dat de Joden satan tot hun vader hebben, en rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de dood van de Messias – dat staat toch te lezen in het evangelie naar Johannes?

Het opruimen van deze theologische misdaden, valt natuurlijk in het niet bij het simpele feit, dat de christelijke Kerken in de tweede wereldoorlog door hun passiviteit en stilzwijgen medeplichtig zijn geworden aan de Jodenvervolging. Daardoor hebben ze gefaald tegenover de opdracht van Jezus om zorg te hebben voor “de minste van Zijn broeders.” Daardoor zijn ze afgeweken van de houding die Paulus ons voorhoudt, namelijk dat hij zijn volk zo liefheeft, dat hij wel zou willen te worden afgesneden van het heil in Christus, om het Joodse volk te winnen voor Gods heil.

De Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk heeft het hieronder afgedrukte document samengesteld. Een liturgie van schuldbelijdenis, waarin de kern van het evangelie niet wordt geloochend. Wel een schuldbelijdenis die aanwijst hoezeer de christelijke kerken tegenover dat evangelie hebben gefaald. De schade is niet alleen te bespeuren in de historische moord op 6 miljoen joden, en in de schandelijke behandeling van de joodse overlevenden na 1945, of in de angst waarmee opeenvolgende Nederlandse regeringen de zaak van Arabische terroristen hebben gesteund, waardoor zij het overleven van het volk in het land na 1947 hebben bemoeilijkt. De schade ervan raakt ook ons begrip van het evangelie, van de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging, de doorlopend geldigheid van de Wet van Mozes voor israël 9rechtstreeks) en voor de Gemeente van Christus – indirect via de “wet van Christus.”

Het is de moeite waard kennis te nemen van deze schuldbelijdenis en van de andere liturgische teksten die door de Gereformeerde Bond worden aangereikt. Ik hoop dat het ook diegenen bereikt die weinig of geen aandacht hebben besteed aan het belang van het volk Israël in Gods ogen, en van de relatie tussen verleden, heden en toekomst van Israël en de christelijke gemeente.

HANDREIKING

Ondergetekenden hebben voor de kerken een Handreiking opgesteld voor een zondag van verootmoediging en schuldbelijdenis, waarin de kerken uitspreken nalatig te zijn geweest in het opkomen voor de bedreigde Joodse gemeenschap in ons land tijdens de holocaust.

De Handreiking bevat een inleidende tekst, de schuldbelijdenis en een gebed. Ondergetekenden vragen de plaatselijke kerken deze teksten met de gemeente te delen in de kerkdienst op zondag 15 november 2020. Het staat in de vrijheid van de kerken om van de bewoordingen in de inleidende tekst en het gebed af te wijken. Wij vragen wel dringend de tekst van de schuldbelijdenis niet te wijzigen, want we willen hierin met één mond spreken.

Ds R. ter Beek (GKV)

Ds C.P. de Boer (CGK)

Ds L. van Dalen (CGK)

Ds D.J. Diepenbroek (HHK)

Ds R. van de Kamp (HHK)

Ds A.A.A. Prosman (Geref. Bond)

H.J. Schouten (CGK)

Ds J.H. Soepenberg (GKV)

P.J. Vergunst (Geref. Bond)

Ds M.W. Vrijhof (CGK)

* * *

Inleidende tekst

Gemeente,

We willen op deze zondag ons in een verklaring uitspreken over de nalatigheid van de kerken om op te komen voor de bedreigde Joodse gemeenschap in ons land tijdens de holocaust.

In de afgelopen week werd herdacht dat in Duitsland in 1938 de Kristallnacht plaatsvond. Het was de nacht waarin het streven van de Nazi’s om het Joodse volk in Europa te vernietigen levensgroot zichtbaar werd. Veertien honderd synagogen werden in brand gestoken; duizenden winkels van Joodse eigenaren vernield. Ook ons land kreeg met die vernietiging te maken toen we in 1940 door de Duitse legers bezet werden en de anti-Joodse maatregelen ook hier van kracht werden.

Inmiddels ligt die periode van de Tweede Wereldoorlog ver achter ons. We vieren dit jaar dat we alweer 75 jaar in vrijheid leven. Dat we nu aandacht vragen voor die periode uit het verleden heeft te maken met de overwegend afstandelijke houding die de kerken in die tijd aannamen tegenover het grote lijden dat over de Joodse gemeenschap in ons land kwam.

In de afgelopen tijd klonken er verschillende stemmen in onze samenleving, onder andere van de regering en de Nederlandse Spoorwegen, die uiting gaven aan de verbintenis tussen heden en verleden. Stemmen die erkenden dat de Joodse gemeenschap aan haar lot is overgelaten toen de vervolging losbarstte en de vernietiging zich aandiende. Ook de koning erkende dat het hem niet loslaat dat zijn overgrootmoeder te weinig deed vanuit Londen om op te roepen tot hulp aan de Joden in Nederland.

Deze stemmen uit de samenleving stellen ons een vraag: ‘Kerken, hebt u gedaan wat in uw vermogen lag om Joodse medeburgers te beschermen in het uur van het dodelijke gevaar?’ Deze ernstige vraag hebben de kerken zich al vaker gesteld. Maar nog nooit kwam het tot een gezamenlijk gedragen belijdenis van schuld uitgesproken voor het aangezicht van God.

We weten dat de kerken tijdens de Tweede Wereldoorlog op bepaalde momenten stelling hebben genomen tegenover de barbaarse maatregelen van de bezetter; en ook dat er christenen zijn opgestaan om bescherming te bieden aan Joodse medeburgers in nood. Maar in grote lijnen was er een neutrale houding. Er werd ook geen verband gelegd tussen de vernietiging van het Joodse volk en de plek die dit volk ontving in de geschiedenis van Gods heil (Romeinen 9:1-5). Dit is een duistere erfenis die de kerken met zich meedragen en die mede een verhindering is geworden voor het licht van het evangelie om helder in onze samenleving te schijnen.

Het past de kerken om nu gezamenlijk tegenover God schuld te belijden voor haar passieve houding bij de deportatie van het Joodse volksdeel in onze samenleving. We mogen eraan denken dat bij een oprechte erkenning van schuld zich door Godsbelofte van vergeving een nieuwe weg opent. In het gaan van een nieuwe weg moet duidelijk worden dat de kerken daadwerkelijk afstand hebben genomen van een schuldig verleden.

Belijdenis van schuld

Vanuit onze verbondenheid met de kerk van vroeger tijden en vanuit de erkenning dat wij al te lang onze stem niet hebben laten horen, belijden wij beschaamd onze nalatigheid ten aanzien van de Joodse gemeenschap en anderen aan wie door de kerken onrecht is aangedaan zowel voor, tijdens als ook in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. We erkennen dat onze nalatigheid het volk betrof waaraan een blijvende bijzondere positie is toevertrouwd in de geschiedenis van Gods heil.

We zijn nalatig geweest toen het antisemitisme in het Europa van voor de oorlog toenam en wij onze stem daar niet tegen hebben verheven.

We zijn nalatig geweest toen ten tijde van de bezetting in steeds ernstiger mate anti-Joodse maatregelen werden genomen en wij bleven zwijgen.

We zijn nalatig geweest toen om ons heen Joodse medeburgers werden opgepakt en afgevoerd en wij dat hebben laten gebeuren.

We zijn nalatig geweest toen opgejaagde Joodse medeburgers bij ons een schuilplaats zochten en wij onze huizen voor hen gesloten hielden.

We zijn nalatig geweest toen wij ervoor kozen minder krachtig tegen de Jodenvervolging te protesteren ten einde de eigen gemeenteleden van Joodse komaf te beschermen.

We zijn nalatig geweest toen de realiteit van de vernietigingskampen bekend begon te worden en wij dat onrecht niet aan de kaak hebben gesteld.

We zijn nalatig geweest toen Joodse medeburgers terugkeerden uit de kampen en de onderduik en hun rechtmatige eigendommen weer opeisten en wij niet naar hen luisterden en hun rechten niet erkenden.

We zijn nalatig geweest toen Joodse families hun in de oorlog ondergedoken kinderen weer kwamen ophalen en wij hen hun kinderen niet meer wilden afstaan.

Het is met schaamte dat wij onze nalatigheid erkennen. Tegelijk erkennen we met dankbaarheid de moed van hen uit ons midden die wel hun stem verhieven en tegen het onrecht streden.

We gedenken hen die de moed hadden Joodse medeburgers bescherming te bieden en in die onderduik hun Jood-zijn te respecteren. Hun moed brengen wij respectvol in herinnering.

We noemen met dankbaarheid hen die na de oorlog de Joodse kinderen in de onderduik weer toevertrouwden aan hun Joodse families.

We erkennen dat velen die moed en dat respect niet opbrachten. Het belijden van nalatigheid houdt het voornemen in dat wij, die niet anders en beter zijn dan de generaties die ons voorgingen, verplicht zijn lering te trekken uit wat wij nu als schuld benoemen.

Het is ons gebed dat God ons onze tekortkomingen vergeeft, onze schuld verzoent en onze harten vernieuwt. Moge Gods Geest ons verlichten om in onze dagen moedig het kwade te weerstaan waar het zich manifesteert in antisemitisme en vreemdelingenhaat, opdat wij niet opnieuw nalatig zullen zijn.

Wij verootmoedigen ons tegenover de Joodse gemeenschap van onze dagen. We nemen de verplichting op ons, ons naar vermogen in te zetten voor de veiligheid van de Joodse gemeenschap in ons land.

***

Gebed

God van Abraham, Izak, Jakob en Israël,

die wij omwille van Jezus, de Messias, onze Vader mogen noemen,

met eerbied en ontzag roepen wij U aan

en doen een beroep op Uw ontferming.

Gedenkend dat we 75 jaar in vrijheid leven,

zien we met afschuw terug op de tijd

dat hier een geest uit de afgrond heerste,

angst wekkend,

dood en verderf zaaiend,

zinnend op de uitroeiing van Israël, het Joodse volk.

Als deelgenoot van de kerk der eeuwen en haar geschiedenis

belijden wij met schaamte

dat we in veel opzichten nalatig zijn geweest tegenover U

en tegenover het volk,

dat U in Uw Woord, Uw oogappel noemt.

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door niet onze stem te verheffen

toen antisemitisme toenam in Europa

en ook onze samenleving vergiftigde?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door niet te spreken

toen de bezetter met anti-Joodse maatregelen

de vernietiging van Uw volk voorbereidde?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen we het stilzwijgend lieten gebeuren

dat Joodse medeburgers werden opgepakt en afgevoerd?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen wij nalieten om een schuilplaats te bieden

aan Joodse medeburgers die werden opgejaagd en vervolgd?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen wij nalieten om op te komen

voor gemeenteleden van Joodse herkomst

toen zij maatschappelijk en kerkelijk in het nauw werden gedreven?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door te weigeren bij ons ondergedoken Joodse kinderen

terug te geven aan hun ouders of hun families

die waren ontkomen uit de grote verschrikking?

Zie ons aan zoals wij zijn,

met de last van het verleden op onze schouders.

Ontferm U over ons en neem die last van ons af,

vergeef ons onze zonden.

MOMENT VAN STILTE

God van Abraham, Izak, Jakob en Israël,

die wij omwille van Jezus, de Messias, onze Vader mogen noemen,

met respect gedenken we hen

die wel de moed hadden hun stem te verheffen;

het onrecht te bestrijden;

een schuilplaats te bieden aan Joodse medeburgers.

Met dankbaarheid gedenken we hen

die na de bevrijding als vanzelfsprekend ondergedoken Joodse kinderen

weer toevertrouwden aan hun ouders of hun Joodse families.

Laat hun gedachtenis ons tot zegen zijn.

Met eerbied en ontzag roepen wij U aan

en doen een beroep op Uw ontferming

over de Joden die deze verschrikking hebben overleefd en over de generaties na hen die voort moeten leven met de erfenis van deze donkere nacht in de geschiedenis.

Zegen hen en bescherm hen,

laat het licht van Uw gelaat over hen schijnen,

wees hun genadig en geef hun vrede.

 

Laat ook ons delen in die zegen.

Vernieuw ons en verlicht ons door de heilige Geest

om in onze dagen niet nalatig te zijn

maar moedig het kwaad van antisemitisme en vreemdelingenhaat te weerstaan.

God van Israël, verhoor ons gebed omwille van Jezus, de Messias,

in Wie wij U mogen kennen.

In Zijn Naam bidden wij:

Onze Vader…

Het Paasoffer – Exodus 12:7-13

EXODUS 12


7 En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.


Van het bloed te nemen – in het bloed is immers het leven, en het verschieten van het bloed van het dier als een plaatsvervanger van het bloed van een mens, is het bijzondere symbool van de verzoening. Dat is de strekking van het bloedige offer.
Het bloed moet worden genomen door een huisgezin, dat wil zeggen door de vader van het huis. Vanwege de onreinheid van het volk werd later bepaald dat de Levieten dit offer zouden uitvoeren, volgens 2 Kronieken 30:17, “er waren er velen onder de gemeente die zich niet geheiligd hadden. Daarom waren de Levieten belast met het slachten van de paaslammeren voor ieder die niet rein was, om hen voor de Heere te heiligen.”

Strijken – met een bundel hyssop als een soort kwast gedoopt in het bloed werden de zijkanten van de deur bestreken. Waarom de zijkanten? Omdat de verderfengel door deze deur zou binnengaan en dan zowel links als rechts het teken van de bescherming zou zien.

De bovendorpel – dit woord lijkt in het bijzonder te slaan op de opening boven de deur die in Egyptische huizen was voorzien van een vlechtwerk van latjes. Doorgaans denkt men hier echter simpelweg aan de bovenkant van een deur, maar dit is alleen een opening in het huis waar een kleed voor kon worden gehangen.


8 En het vlees moet u dezelfde nacht nog eten; op vuur gebraden, met ongezuurde broden, en met bittere kruiden moeten zij het eten.


Gebraden – bij de offers in het Oude Testament moet het vlees doorgaans gekookt. Zie de beschrijving van het priesterlijke werk van de zonen van Eli in 1 Samuel 2:13, 14. Waarom gebraden? Braden gaat sneller en is eenvoudiger dan koken; het vuur kan gezien worden als een symbool van het oordeel; koken van een heel dier is lastiger dan het braden ervan.

Met bittere kruiden – letterlijk met bitterheden. In de Misjna vinden we wilde sla, brandnetels, en andijvie onder andere als voorbeelden van bittere kruiden.


9 U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar alleen op vuur gebraden, met zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.


Niets rauw eten – zoals in vele andere godsdiensten gebruikelijk was, met name in de Griekse godsdienst van Bacchus.

Met zijn kop, met zijn poten – waarom het hele dier? Omdat het hier een symbool is van de eenheid van Israël, of omdat het een symbool is van het ongebroken lichaam van Christus, die het ware Paaslam is.

De ingewanden – volgens de Joodse traditie werden die ingewanden er eerst uitgehaald, gewassen, het bloed werd eruit gehaald en daarna werden ze weer teruggeplaatst in het lam.


10 U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de volgende morgen van over is, moet u met vuur verbranden.


Niets overlaten – het gehele lam moet door de familie en de gasten in één maaltijd worden opgegeten. Wat er overbleefvan de maaltijd zoals de botten en vleesresten moest worden verbrand om te voorkomen dat het op een minachtende wijze werd gebruikt, bijvoorbeeld wordt weggegooid.

Met vuur verbranden – zonder dat dit zelf een ceremoniële betekenis had.


11 En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.


Uw middel omgord et cetera – geheel en al voorbereid op een lange reis. Niet aangekleed zoals je het in huis gewend zou zijn. Deze verplichting geldt volgens sommigen alleen maar voor deze eerste viering van het Pasen, terwijl anderen ook nog op de huidige dag dit als voorschrift nemen.
Met haast – want je weet niet wanneer de reis naar het beloofde land begint.


12 Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.


Ik zal door het land Egypte trekken – dat is de reden van dit nieuwe feest en een verklaring van de uitdrukking Pesach. De eerstgeborenen van elk huis zal worden geraakt. Dat geldt niet per se voor het vee, want het lijkt erop dat daarmee de dieren worden aangeduid die als symbool bij de verschillende Egyptische goden behoren. De uitdrukking “aan al de goden van de Egyptenaren” lijkt dus een verklaring te geven voor het slaan van de eerstgeborenen van het vee.


13 En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen.


Het bloed zal u tot een teken zijn – het is een teken voor God of de verderfengel, ten behoeve van de Israëlieten. Het is niet een teken voor de Israëlieten.

Zal Ik u voorbijgaan – dat is de kern van Pesach, Wanneer God voorbijgaat (passah) aan de Israëlieten van wie de deuren met bloed zijn gemarkeerd.

Waarom ik geen christen meer ben

Met de naam “christenen” worden alle mensen bedoeld die op een of andere wijze met een of andere christelijke traditie of kerk verbonden zijn. Daar schuilt nog tot op zekere hoogte de oorspronkelijke betekenis van het woord in. Een “christianos” was een oorspronkelijke scheldnaam voor de volgelingen van Jezus in de Grieks-Romeinse wereld. Het betekende letterlijk dat je tot het huisgezin van ene Christus behoorde. Maar die naam Christus was in de Grieks-Romeinse wereld niet te onderscheiden van een ander woord, namelijk “christos” in de betekenis van slaaf. Doorgaan met het lezen van “Waarom ik geen christen meer ben”