De kleine goedheid

Een relatie waarvan de termen geen totaliteit vormen kan dus alleen worden geproduceerd binnen de algemene economie van het zijn alleen als voortgaand van het ik naar de ander, als van aangezicht tot aangezicht, als afbakening van een afstand in de diepte – die van gesprek, van goedheid, van Verlangen – die niet te herleiden is tot de afstand die de synthetische activiteit van het begrip tussen de verschillende begrippen tot stand brengt, anders ten opzichte van elkaar, die zich lenen voor zijn synoptische werking.

E. Lévinas, Totaliteit en het Oneindige

Over deze goedheid spreekt Vassili Grossman:

“Ik heb in mijn eigen land de onverminderde kracht van het idee van het goede kunnen waarnemen. Ik heb deze kracht waargenomen tijdens de algemene collectivisaties en ik heb ze waargenomen in 1937. Ik heb gezien hoe mensen werden vernietigd in de naam van een ideaal dat zo mooi en menselijk is als het christendom. (…) Naast het verschrikkelijke grote goed, is er (…) de eenvoudige menselijke goedheid. Het is de goedheid van de oude vrouw die de gevangene een stukje brood geeft, de goedheid van de soldaat die een gewonde vijand een veldfles aanreikt (…) Dit is de echte goedheid van het individu tegenover een ander individu, de kleine goedheid die geen getuigen en geen ideeën heeft; men zou het de onnadenkende goedheid kunnen noemen; de goedheid van de mens buiten de religieuze en sociale goedheid”

De messiaanse tijd bij Paulus – Giorgio Agamben

Lumen5 presentatie van een interessante overweging van Giorgio Agamben – (Rome, 22 april 1942) is een hedendaagse Italiaanse filosoof, die vooral bekend is door zijn boek Homo sacer (1995) –
Christenen zouden moeten leven in een eindtijdverwachting die afwijkt van de apocalyptische en de joodse tijdsbeleving. De messiaanse tijd brengt het heden in een relatie tot de toekomst – het heden wordt een “krimpende” tijd.
In feite heeft de Christelijke kerk deze beleving echter verloren en richt zij zich op de “voortdurende tijd” van het heidendom. Ze is daarom niet langer vreemdeling en bijwoner, maar is gesettled, bourgeois, burger van deze wereld geworden.

Over Schleiermacher en het begin van het Modernisme – bespreking in de studiegroep Gorssel

Vijfde deel van de serie besprekingen in de Studiekring Gorssel over de Reformatie.

Op 17 maart 2017 hebben we Friedrich Schleiermacher besproken. De grote kerkvader van de 19e eeuw die aan de wieg staat van het Modernisme in de theologie.
Geloof wordt in deze eeuw het dominante thema, maar dan in de versie van de Romantiek: het diepe gevoel van “absolute afhankelijkheid”, dat kan worden begrepen als de “ontvankelijkheid” voor de Totaliteit, de Kosmos, d.w.z. het Goddelijke.
Alle religies en zelfs atheïsten kennen dit diep menselijke gevoel, en daarop zijn alle religies gebaseerd. Uiteindelijk berust hierop ook het “waardenbewustzijn” van de samenleving. Om goed in het leven te staan moet een mens zijn eigen religieuze overtuigingen opbouwen met dit gevoel als bron en als criterium. Een consequentie daarvan is de achterstelling van het Woord, de Openbaring door de Heilige Geest en de exclusiviteit van het Evangelie. Individualisme vervangt het opperste gezag van Christus in de kerk.
Kritiek op Schleiermacher was er genoeg: van de kant van Hegel, van de kant van orthodoxe theologen, maar ook van de beweging van het Réveil, dat óók het gevoel een plaats gaf in het geloof, maar hier bleef het Woord, het Evangelie en de Heilige Geest dominant.
Schleiermacher is het beste te begrijpen als een “seculiere Piëtist”.

Het godsbewijs in de discussie tussen gelovigen en ongelovigen

In de gesprekken met ongelovigen gaat het soms over de bewijzen voor het bestaan van God. Wie daar een beetje kennis van heeft genomen, die weet om wat voor “bewijzen” het dan gaat. We zeggen bijvoorbeeld dat het toch evident is dat de complexe natuur die wij om ons heen zien niet door zichzelf kan zijn ontstaan. Wat een “design” laat zien, heeft een “designer” nodig. Of we zeggen dat alle dingen een oorzaak hebben, maar dat je niet eindeloos kunt teruggaan in de tijd zodat er wel een eerste oorzaak moet zijn die zelf weer geen oorzaak heeft. Of we zeggen dat wij zonder een absoluut Wezen die ook wetgever is, geen echt fundament hebben voor onze morele waarden. Zonder God zouden we aan een moreel relativisme zijn overgeleverd, met funeste gevolgen voor onze samenleving. Doorgaan met het lezen van “Het godsbewijs in de discussie tussen gelovigen en ongelovigen”