Het Paasoffer – Exodus 12:7-13

EXODUS 12


7 En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.


Van het bloed te nemen – in het bloed is immers het leven, en het verschieten van het bloed van het dier als een plaatsvervanger van het bloed van een mens, is het bijzondere symbool van de verzoening. Dat is de strekking van het bloedige offer.
Het bloed moet worden genomen door een huisgezin, dat wil zeggen door de vader van het huis. Vanwege de onreinheid van het volk werd later bepaald dat de Levieten dit offer zouden uitvoeren, volgens 2 Kronieken 30:17, “er waren er velen onder de gemeente die zich niet geheiligd hadden. Daarom waren de Levieten belast met het slachten van de paaslammeren voor ieder die niet rein was, om hen voor de Heere te heiligen.”

Strijken – met een bundel hyssop als een soort kwast gedoopt in het bloed werden de zijkanten van de deur bestreken. Waarom de zijkanten? Omdat de verderfengel door deze deur zou binnengaan en dan zowel links als rechts het teken van de bescherming zou zien.

De bovendorpel – dit woord lijkt in het bijzonder te slaan op de opening boven de deur die in Egyptische huizen was voorzien van een vlechtwerk van latjes. Doorgaans denkt men hier echter simpelweg aan de bovenkant van een deur, maar dit is alleen een opening in het huis waar een kleed voor kon worden gehangen.


8 En het vlees moet u dezelfde nacht nog eten; op vuur gebraden, met ongezuurde broden, en met bittere kruiden moeten zij het eten.


Gebraden – bij de offers in het Oude Testament moet het vlees doorgaans gekookt. Zie de beschrijving van het priesterlijke werk van de zonen van Eli in 1 Samuel 2:13, 14. Waarom gebraden? Braden gaat sneller en is eenvoudiger dan koken; het vuur kan gezien worden als een symbool van het oordeel; koken van een heel dier is lastiger dan het braden ervan.

Met bittere kruiden – letterlijk met bitterheden. In de Misjna vinden we wilde sla, brandnetels, en andijvie onder andere als voorbeelden van bittere kruiden.


9 U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar alleen op vuur gebraden, met zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.


Niets rauw eten – zoals in vele andere godsdiensten gebruikelijk was, met name in de Griekse godsdienst van Bacchus.

Met zijn kop, met zijn poten – waarom het hele dier? Omdat het hier een symbool is van de eenheid van Israël, of omdat het een symbool is van het ongebroken lichaam van Christus, die het ware Paaslam is.

De ingewanden – volgens de Joodse traditie werden die ingewanden er eerst uitgehaald, gewassen, het bloed werd eruit gehaald en daarna werden ze weer teruggeplaatst in het lam.


10 U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de volgende morgen van over is, moet u met vuur verbranden.


Niets overlaten – het gehele lam moet door de familie en de gasten in één maaltijd worden opgegeten. Wat er overbleefvan de maaltijd zoals de botten en vleesresten moest worden verbrand om te voorkomen dat het op een minachtende wijze werd gebruikt, bijvoorbeeld wordt weggegooid.

Met vuur verbranden – zonder dat dit zelf een ceremoniële betekenis had.


11 En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.


Uw middel omgord et cetera – geheel en al voorbereid op een lange reis. Niet aangekleed zoals je het in huis gewend zou zijn. Deze verplichting geldt volgens sommigen alleen maar voor deze eerste viering van het Pasen, terwijl anderen ook nog op de huidige dag dit als voorschrift nemen.
Met haast – want je weet niet wanneer de reis naar het beloofde land begint.


12 Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.


Ik zal door het land Egypte trekken – dat is de reden van dit nieuwe feest en een verklaring van de uitdrukking Pesach. De eerstgeborenen van elk huis zal worden geraakt. Dat geldt niet per se voor het vee, want het lijkt erop dat daarmee de dieren worden aangeduid die als symbool bij de verschillende Egyptische goden behoren. De uitdrukking “aan al de goden van de Egyptenaren” lijkt dus een verklaring te geven voor het slaan van de eerstgeborenen van het vee.


13 En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen.


Het bloed zal u tot een teken zijn – het is een teken voor God of de verderfengel, ten behoeve van de Israëlieten. Het is niet een teken voor de Israëlieten.

Zal Ik u voorbijgaan – dat is de kern van Pesach, Wanneer God voorbijgaat (passah) aan de Israëlieten van wie de deuren met bloed zijn gemarkeerd.

Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese

Midden in het dramatische conflict tussen de Here en de goden van Egypte, is er deze onderbreking. Drie verschillende belangrijke wetten worden hier, dat wil zeggen in Egypte, geïntroduceerd. Pesach, ongezuurde broden en de wijding van de eerstgeborene krijgen hun plaatsen daarmee ook hun betekenis juist binnen het verhaal van de exodus. De boodschap van alle drie deze feesten is eenvoudigweg dat Israël eigendom is van de Here vanwege de redding van het volk. Doorgaan met het lezen van “Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese”

Dat moeilijke geloof… Exegetische problemen in Rom. 1:17 – (eerste ruwe versie van de inleiding)

“Niet immers schaam ik mij voor het evangelie, want een kracht van God is het tot behoud voor een ieder die gelooft, en wel eerst voor de Jood en dan ook voor de Griek.
Gerechtigheid immers van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, ‘maar de rechtvaardige zal uit geloof (over –) leven.'”

Een bijzonder moeilijke tekst in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen zijn deze verzen 16 en 17. Wanneer aan deze verzen inderdaad de functie toekomt het thema van de brief te omschrijven, is het eigenlijk vreemd dat Paulus hier een uitdrukking gebruikt die op het eerste gezicht helemaal niet zo helder is. Het gaat om de uitdrukking “uit geloof tot geloof”, dat zowel op de gerechtigheid kan slaan, als op het woord geopenbaard. Gaat het om een gerechtigheid die het geloof als bron of voorwaarde heeft? Of gaat het om een gerechtigheid die wordt erkend of ontvangen vanuit geloof? Gaat het om een geloof dat bij een individu groeit tot meer geloof? Of om een geloof dat aanstekelijk werkt en anderen tot geloof brengt? Of is het subject van het eerste geloof iemand anders dan wij en moeten we denken aan de trouw, bijvoorbeeld de trouw aan het verbond, dat de Here Jezus kenmerkte?

Aan het woord “geloof” kleeft ook nog de dubbelzinnigheid, dat het zowel om een benaming van het evangelie met verstand en wil kan gaan, als ook om datgene wat met verstand en wil wordt erkend, terwijl het ook de eenvoudiger connotatie van vertrouwen of trouw kan hebben.

De oplossingen die in de exegetische literatuur te vinden zijn, lopen sterk uiteen. We geven een overzicht:

  1. Thomas van Aquino, “deze gerechtigheid van God wordt geopenbaard in het evangelie voorzover mensen worden gerechtvaardigd door geloof in het evangelie in elk tijdperk. Daarom voegt hij eraan toe ‘ uit geloof tot geloof’, dat wil zeggen, vanuit het geloof binnen het Oude Testament tot het geloof in het Nieuwe Testament, omdat in beide gevallen mensen rechtvaardig worden gemaakt en worden gered door geloof in Christus, omdat zij hebben geloofd in Zijn komst met het zelfde geloof dat wij hebben dat Hij gekomen is. […]
    Het kan echter ook betekenen: van het geloof van de predikers tot het geloof van de hoorders – Rom. 10:14. Of van het geloof in het ene geloofsartikel tot het andere, omdat rechtvaardiging het geloof in alle artikelen van het geloof vereist: ‘zalig is hij die de woorden van deze profetie leest en hoort’ (Op. 1:3).
  2. Johannes Calvijn (noot 1): gerechtigheid wordt door het evangelie aangeboden, het wordt door geloof ontvangen. Dus: uit geloof, d.w.z. uit het evangelie dat wij geloven. En hij voegt toe “tot geloof; want als ons geloof voortgang maakt en vooruitgaat in kennis, wordt ook de gerechtigheid van God in ons groter, en het bezit ervan wordt op zekere wijze bevestigd.” Het gaat dus om de dagelijkse vooruitgang die elke gelovige doormaakt.
  3. Kanttekeningen bij de Statenvertaling op Rom. 1:17.  Hier sluit men aan bij Calvijn. “36. Dat is, tot dagelijkse toeneming en versterking in het geloof.”
  4. BMK, de verklarende kanttekeningen van Dr. H.M. Matter: “de gerechtigheid is uit het geloof, dat wil zeggen we kunnen haar niet verwerven, zelfs niet uitdenken. We kunnen haar slechts als voldongen feit geloven. We zouden het kortweg kunnen weergeven door g”eloofsgerechtigheid” in tegenstelling tot de “werkgerechtigheid” der Joden. “Tot geloof” onderstreept het voorafgaande uit geloof nog eens. (…) Ons geloof wordt integendeel steeds meer geloof.”
  5. NET: “het zou kunnen betekenen dat deze gerechtigheid door het geloof wordt verworven omdat het voor geloof bestemd was.”
  6. MNC, John MacArthur: “uit geloof tot geloof lijkt een parallel te zijn van “een ieder die gelooft” in het voorafgaande vers. Als dat zo is, dan betekent het zoiets als “van geloof tot geloof tot geloof tot geloof,” alsof Paulus het geloof van elke individuele gelovige apart wilde benoemen.” Een keten van mensen die tot bekering komen.
  7. CNT (Jakob van Bruggen): Je zou kunnen zeggen: “de gerechtigheid van God wordt openbaar in het evangelie van geloof tot geloof.” Het evangelie kan enkel en alleen door geloof worden aangenomen. Deze interpretatie verwerpt Van Brugge echter en zegt het volgende: “het accent ligt op het evangelie als gebeurtenis van verkondiging in die tijd. Het evangelie verspreidde zich in de wereld als een lopend vuurtje van het geloof van de ene prediker naar het geloof van de andere gelovende.” Het geloof verbreidt zich dus ook van de joodse christenen naar de niet-joodse christenen toe. Belangrijk is ook dat Van Brugge de mogelijkheid verwerpt dat Paulus deze woorden gebruikt als een exegese van het citaat uit Habakuk. Het gaat er alleen maar om dat het geloof een kracht is tot behoud. Wanneer het wel een uitleg zou zijn van dit citaat, dan kan het niet gaan om het “overslaan van het geloof van de een op de andere dankzij het evangelie.”
  8. NIBC, “in het licht van 3:21-22 is de meest natuurlijke betekenis “vanuit Gods trouw tot menselijke trouw.” (Zo ook James Dunn.) De tekst in het derde hoofdstuk zegt “door het geloof [van Jezus Christus ] tot allen die geloven.” Als we de genitivus moeten lezen als een genitivus objectivus – dus als het geloof in Jezus Christus – is er echter geen sprake van een parallel tussen 3:21 e.v. en 1:17.
  9. IB, “de lastige uitdrukking, letterlijk weergegeven als uit geloof tot geloof, is waarschijnlijk alleen maar een manier om het exclusieve belang van het geloof te benadrukken, alsof je kan zeggen, “geloof van begin tot eind.” (Gerald R. Cragg) Het citaat van Habakuk past niet helemaal bij deze gedachte, maar ondersteunt het idee van Paulus dat dit geloof al in het Oude Testament is aangekondigd.
  10. EBC is van mening dat de uitdrukking “uit geloof” geen verwijzing is naar een uitgangspunt, noch het uitgangspunt van Gods trouw, noch het uitgangspunt van het geloof van een prediker. Het Griekse voorzetsel is immers niet apo, dat naar een herkomst verwijst, maar ek, dat door Paulus regelmatig samen met geloof wordt gebruikt om te spreken over de grondslag van de rechtvaar-diging. Of van de gerechtigheid. De term gerechtigheid kan vaak de kracht krijgen van de rechtvaardiging. Problematisch is alleen de uitdrukking tot geloof. “Misschien wil dit zeggen dat de gelovigen moet worden vermaand dat het geloof dat rechtvaardigt alleen het begin van het christelijk leven is. Dezelfde houding van het geloof moet ook dominant zijn in de voortgaande ervaring van gelovigen als kinderen van God.” Harrison en Hagner citeren met instemming Bruce, dat het citaat van Habakuk eigenlijk de tekst is van deze hele brief; “wat hierna volgt is in hoge mate een expositie van de woorden van de profeet.”
  11. Enduring Word (David Guzik) – “door geloof van begin tot eind.” Dat wil zeggen niet vanuit geloof tot werken, of uit werken tot geloof; maar van geloof tot geloof, dat is “alleen door geloof.”

De uitleg van vers 17 door de eeuwen heen en verspreid over verschillende tradities kan ruwweg in drie categorieën worden ingedeeld. Wat betekent de uitdrukking van geloof tot geloof?

1) het verwijst naar de voortgang van het evangelie door de prediking.
2) het verwijst naar de voortgang van het evangelie in het leven van een christen
3) het is een omschrijving van het evangelie: Gods trouw tot (ons) geloof

Welke van deze drie interpretaties wordt nu door de context gesteund?

Paulus heeft net hiervoor gezegd dat hij bereid is het evangelie te verkondigen. Het is immers een kracht tot behoudenis. In het evangelie wordt immers de gerechtigheid van God geopenbaard – een gerechtigheid die in het eerstvolgende gedeelte vooral gezien wordt als Gods maatstaf van gerechtigheid tegenover een goddeloze en onrechtvaardige wereld. Dat wordt helder in vers 18.

In de onmiddellijke context is de uitdrukking “voor ieder die gelooft” die eraan voorafgaat, en het citaat van Habakuk dat erop volgt van groot belang. Paulus introduceert de term “geloof” in eerste instantie in verband met de behoudenis. Die behoudenis ligt volgens het geheel van de brief in het ontvangen van Gods gerechtigheid als een gave. Geloof is dus vooral het aannemen van het aanbod van het evangelie. De erkenning van de gerechtigheid van Christus waaraan ik deel mag krijgen als ik mij daartoe wend in geloof.

Op grond hiervan lijkt mij de eerste uitleg niet helemaal ter zake. Wanneer het zou gaan om de prediking, dan leggen we een verband met vers 6 en vers 15. Paulus die het evangelie wil verkondigen in Rome, laat die gedachte mee klinken in de uitdrukking van geloof tot geloof. Ook vers 6 krijgt dan gewicht, waar Paulus spreekt over het feit dat het geloof van de gemeente in Rome over de hele wereld bekend is geraakt. Op grond daarvan zou je kunnen besluiten dat de prediking van het evangelie aan de orde is in de uitdrukking van geloof tot geloof. Het lijkt mij echter dat we daardoor de directe context te zeer verwaarlozen.

Ook de tweede uitleg is onbevredigend, omdat we voor die benadering helemaal geen aanknopingspunt hebben in de context. Hooguit zou je kunnen zeggen dat de vertroosting door elkaars geloof in vers 12 dan zou meewegen in de uitdrukking van vers 17. Ook dat lijkt mij te ver weg voor de uitleg van deze problematische uitdrukking.

Dan blijven er twee mogelijkheden over. Wanneer we het voorafgaande vers 16 benadrukken, zou de uitdrukking van geloof tot geloof te maken kunnen hebben met het ontvangen van de gerechtigheid van God door geloof in Jezus. Dat geloof is de voorwaarde van het ontvangen van Gods gerechtigheid, dat wil zeggen van de behoudenis. Het evangelie openbaart dat de gerechtigheid van God alleen maar door geloof kan worden aangenomen. Uit geloof betekent dan zoiets als “alleen maar door geloof aan te nemen”. Dat is dan de eerste mogelijkheid: in het evangelie wordt geopenbaard, dat de gerechtigheid (dat wil zeggen de rechtvaardiging die wij ontvangen) het geloof als grondslag heeft.

Dan blijven we echter zitten met de eigenlijk overbodige uitdrukking “tot geloof.” De verklaring van sommigen dat Paulus daarmee alleen maar een nadruk wil geven is voor mij niet bevredigend. De kanttekening van de EBC, dat het voorzetsel ek doorgaans bij Paulus gebruikt wordt om de grondslag aan te geven en niet de herkomst, moeten we hier ook verdisconteren.

Wanneer de gerechtigheid is op grond van geloof, wat betekent het dan dat ze ook “tot geloof” is? Zou het kunnen zijn dat Paulus “uit geloof” in verband brengt met vervullen van de voorwaarde voor het ontvangen van de gerechtigheid, en tot geloof verbindt met de openbaring daarvan? De gerechtigheid in het evangelie wordt ontvangen door het geloof, en is geopenbaard om dat geloof op te roepen.

Het nadeel echter van deze optie is, dat het citaat van Habakuk in het tweede deel van vers 17 nu geen belangrijk doel meer dient. Het illustreert alleen een samenhang tussen gerechtigheid en geloof. Is het wel zo zeker dat Paulus geen exegese van dit vers probeert te geven?

Sommigen sluiten deze mogelijkheid uit, ook met een beroep op het feit dat de lezers in Rome over het algemeen geen Hebreeuws kunnen lezen, en de Hebreeuwse tekst van Habakuk dus ook niet in het hoofd hebben. Die Hebreeuwse tekst bevat namelijk een dubbelzinnigheid. Letterlijk staat daar: “en (of: maar) de rechtvaardige zal leven in (door) “zijn” geloof. Het woordje “zijn” is in het Hebreeuws maar een enkele letter, een zogenaamde wav. De Hebreeuwse tekst maakt niet duidelijk of de rechtvaardige leven zal op grond van zijn geloof, dat wil zeggen zijn trouw en vertrouwen binnen het verbond, of dat hij zal leven op grond van Zijn, dat is Gods trouw aan het Verbond. Die ambiguïteit is wellicht ook opzettelijk. Het is juist de bedoeling, dat we met deze beide vertaalmogelijkheden rekening houden.

In het Grieks kan Paulus die mogelijkheden suggereren door het woordje “zijn” gewoon weg te laten. En daarmee is een exegese van de tekst van Habakuk voorbereid. Gerechtigheid van God wordt geopenbaard op grond van Gods trouw (uit geloof) die het vertrouwen en de trouw van de gelovigen mogelijk maakt (tot geloof). Dat is dan ook dezelfde gedachte van hoofdstuk 3:26.

Het lijkt daarmee duidelijk geworden dat de beste benadering ligt in de derde mogelijkheid. De behouden s is voor ieen eder die zijn geloof stelt in het evangelie. In dat evangelie wordt Gods gerechtigheid immers geopenbaard op een bijzondere wijze. Gerechtigheid van God blijkt te zijn een daad van Gods trouw die ontvangen wordt en erkend wordt in ons geloof. De gerechtvaardigde op grond van Gods trouw die zal leven. Want de gerechtigheid die nodig is om staande te blijven in het oordeel, wordt ontvangen en niet tot stand gebracht.

NOTEN


(1) When at first we taste the gospel, we indeed see God’s smiling countenance turned towards us, but at a distance: the more the knowledge of true religion grows in us, by coming as it were nearer, we behold God’s favor more clearly and more familiarly. What some think, that there is here an implied comparison between the Old and New Testament, is more refined than well-founded; for Paul does not here compare the Fathers who lived under the law with us, but points out the daily progress that is made by every one of the faithful. Calvin ad locum.

Johannes 1:1-6 – Grieks, met een nawoord van Augustinus.

Christenen hebben, anders dan joden en moslims, weinig of geen toegang tot de oerteksten van hun geloof.

Bijna niemand neemt de moeite om de Bijbel te lezen – te bestuderen – in een vertaling, laat staan met de nodige commentaren en in het Hebreeuws en Grieks. Er is nóg een gebrek: dat wij de tradities niet kennen, de gedachten van de Bijbellezers vóór ons die al over de Bijbel nagedacht hebben.

Zo iemand is Augustinus, die we uiteraard niet volgen in zijn hele theologie, maar die ons bij het lezen van zijn teksten wel dwingt om opnieuw na te denken over de Bijelse tekst. Soms geeft dat verrassend nieuwe inzichten.

Deze video wil laten zien hoe belangrijk kennis van het Grieks en de grammatika is om een tekst als Johannes 1:1-6 werkelijk te verstaan. En daarnaast wil het aan een enkele passage van Augustinus laten zien hoe belangrijk de kennis van de oude tradities is.

In de joodse benadering van de Schriften hebben we een goed voorbeeld van een andere en betere manier van lezen. De tekst in het Hebreeuws blijft het uitgangspunt; kennis van de grondtaal en de grammatika is cuciaal voor het correcte begrip en dus ook de gehoorzaamheid aan Gods woord. De traditie spreekt mee in de Talmoed, de Midrasj en in de joodse exegese door de eeuwen heen. Volgens mij is dat voorbeeldig!

Maar niet alleen dat wij moeten en mogen leren van de Rabbijnen, zoals ik elders uitvoerig betoogd heb, maar we moeten en mogen ook leren van onze eigen “Talmoed” de rijke traditie van de Apostolische Vaders en van de patristieke literatuur, waarvan Augustinus een uitstekend voorbeeld is.

De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19

Dan komt het einde. Nu zitten we in de sfeer van de voltooiing, terwijl we vanaf het zesde tot en met het 18e hoofdstuk in de sfeer zaten van de rechtvaardige oordelen. Nu is de behoudenis en de heerlijkheid en de macht van God volledig geopenbaard. Nu, dat wil zeggen met het oordeel over Babylon. Voor ons gevoel is het misschien vreemd dat hier een gejubel uitbreekt over de machtige oordelen die God over de aarde brengt. Maar de nadruk ligt ook eerder op de waarheid en de gerechtigheid die daardoor mogelijk worden, dan op het leed dat ongetwijfeld deze oordelen ook hebben gebracht. Doorgaan met het lezen van “De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19”

De vrouw en het beest – Openbaring #17

Het grote Babylon wordt hier in zijn geheel beschreven, wellicht aan de hand van een munt, geslagen voor Vespasianus, met daarop de Dea Roma, gezeten op zeven heuvels, met de god Tiber aan de linkerzijde, en de wolvin met Romulus en Remus aan haar rechterhand. Uiteraard draagt ze een zwaard.

Een dergelijke beschrijving van een munt – op zijn beurt waarschijnlijk afgeleid van een bronzen of marmeren monument voor Vespasianus – kwam veel voor en heette een “ekfrasis”. Krijgt Johannes hier in een visioen de ware aard te zien van wat monument en munt hebben afgebeeld?

De Hoer van Babylon  gaat vallen. Juist door de volkeren en staten die ze onder haar macht had. Wanneer de tien koningen zich tegen haar verzetten, is het einde nabij. Daarover meer in Openbaring #18.

Openbaring 11 – de Twee Getuigen en de Proclamatie van het Koninkrijk

Eerste deel van de bespreking van Openbaring 11.

In dit gedeelte vinden we eerst het optreden van de twee getuigen, waarin we vanwege het zesde vers, Mozes en Elia kunnen herkennen. In ieder geval twee figuren die over de attributen van Mozes en Elia kunnen beschikken.

Tweede deel van de bespreking van Openbaring 11.

Na drieënhalf jaar overwint het beest uit de afgrond deze getuigen. Hun lijken liggen op de straat van Jeruzalem, dat door de volkeren onder de voet is gelopen. De hele wereld verblijdt zich over de ondergang van deze profeten. Na drieënhalve dag worden ze uit de dood opgewekt en zien hun vijanden hun hemelvaart.

Het derde en laatste gedeelte van Openbaring 11 geeft ons een scène in de hemel: de proclamatie van het koningschap van God en Christus. De 24 oudsten (engelen, en niet de gemeente van Christus) lopen vooruit op het oordeel over de doden in hoofdstuk 20, de beloning voor de heiligen in hoofdstuk 21 en 22, en de vernietiging van de machten van de draak en het beest in hoofdstuk 19.

Alle drie deze delen als één geheel:

 

Robert Alter – The Art of Biblical Narrative – Samenvatting hoofdstuk 2

Heilige Geschiedenis en het begin van Proza/Fictie

Natuurlijk is de Hebreeuwse Bijbel gewijde geschiedenis. Dat heeft weer gevolgen:

  • Als de tekst gewijd, heilig is, hoe kan ze dan worden begrepen met behulp van categorieën die zijn ontwikkeld voor seculiere en esthetische literatuur?
  • Als de tekst geschiedenis weergeeft, hoe kan ze dan worden begrepen met de categorieën die wij gebruiken voor fictie?
    Dwingen we de bijbel niet in het keurslijf van de literatuur en brengen we de tekst niet in een volkomen vreemde omgeving hiermee?

Doorgaan met het lezen van “Robert Alter – The Art of Biblical Narrative – Samenvatting hoofdstuk 2”

Wat is de zin van het lijden? – poging tot een antwoord #4

 

Lijden is een deel van het leven van de wereld. Maar er is ook individuele en collectieve schuld die lijden met zich meebrengt als een gevolg van de zonde. Er is ook lijden vanwege de zonde van vorige generaties – zoals in Klaagliederen 5. Zonde en schuld brengen ook lijden met zich mee, en dat is zeker het geval bij het Laatste Oordeel. Doorgaan met het lezen van “Wat is de zin van het lijden? – poging tot een antwoord #4”