Johannes 1:1-6 – Grieks, met een nawoord van Augustinus.

Christenen hebben, anders dan joden en moslims, weinig of geen toegang tot de oerteksten van hun geloof.

Bijna niemand neemt de moeite om de Bijbel te lezen – te bestuderen – in een vertaling, laat staan met de nodige commentaren en in het Hebreeuws en Grieks. Er is nóg een gebrek: dat wij de tradities niet kennen, de gedachten van de Bijbellezers vóór ons die al over de Bijbel nagedacht hebben.

Zo iemand is Augustinus, die we uiteraard niet volgen in zijn hele theologie, maar die ons bij het lezen van zijn teksten wel dwingt om opnieuw na te denken over de Bijelse tekst. Soms geeft dat verrassend nieuwe inzichten.

Deze video wil laten zien hoe belangrijk kennis van het Grieks en de grammatika is om een tekst als Johannes 1:1-6 werkelijk te verstaan. En daarnaast wil het aan een enkele passage van Augustinus laten zien hoe belangrijk de kennis van de oude tradities is.

In de joodse benadering van de Schriften hebben we een goed voorbeeld van een andere en betere manier van lezen. De tekst in het Hebreeuws blijft het uitgangspunt; kennis van de grondtaal en de grammatika is cuciaal voor het correcte begrip en dus ook de gehoorzaamheid aan Gods woord. De traditie spreekt mee in de Talmoed, de Midrasj en in de joodse exegese door de eeuwen heen. Volgens mij is dat voorbeeldig!

Maar niet alleen dat wij moeten en mogen leren van de Rabbijnen, zoals ik elders uitvoerig betoogd heb, maar we moeten en mogen ook leren van onze eigen “Talmoed” de rijke traditie van de Apostolische Vaders en van de patristieke literatuur, waarvan Augustinus een uitstekend voorbeeld is.

De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19

Dan komt het einde. Nu zitten we in de sfeer van de voltooiing, terwijl we vanaf het zesde tot en met het 18e hoofdstuk in de sfeer zaten van de rechtvaardige oordelen. Nu is de behoudenis en de heerlijkheid en de macht van God volledig geopenbaard. Nu, dat wil zeggen met het oordeel over Babylon. Voor ons gevoel is het misschien vreemd dat hier een gejubel uitbreekt over de machtige oordelen die God over de aarde brengt. Maar de nadruk ligt ook eerder op de waarheid en de gerechtigheid die daardoor mogelijk worden, dan op het leed dat ongetwijfeld deze oordelen ook hebben gebracht. “De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19” verder lezen

De vrouw en het beest – Openbaring #17

Het grote Babylon wordt hier in zijn geheel beschreven, wellicht aan de hand van een munt, geslagen voor Vespasianus, met daarop de Dea Roma, gezeten op zeven heuvels, met de god Tiber aan de linkerzijde, en de wolvin met Romulus en Remus aan haar rechterhand. Uiteraard draagt ze een zwaard.

Een dergelijke beschrijving van een munt – op zijn beurt waarschijnlijk afgeleid van een bronzen of marmeren monument voor Vespasianus – kwam veel voor en heette een “ekfrasis”. Krijgt Johannes hier in een visioen de ware aard te zien van wat monument en munt hebben afgebeeld?

De Hoer van Babylon  gaat vallen. Juist door de volkeren en staten die ze onder haar macht had. Wanneer de tien koningen zich tegen haar verzetten, is het einde nabij. Daarover meer in Openbaring #18.

Openbaring 11 – de Twee Getuigen en de Proclamatie van het Koninkrijk

Eerste deel van de bespreking van Openbaring 11.

In dit gedeelte vinden we eerst het optreden van de twee getuigen, waarin we vanwege het zesde vers, Mozes en Elia kunnen herkennen. In ieder geval twee figuren die over de attributen van Mozes en Elia kunnen beschikken.

Tweede deel van de bespreking van Openbaring 11.

Na drieënhalf jaar overwint het beest uit de afgrond deze getuigen. Hun lijken liggen op de straat van Jeruzalem, dat door de volkeren onder de voet is gelopen. De hele wereld verblijdt zich over de ondergang van deze profeten. Na drieënhalve dag worden ze uit de dood opgewekt en zien hun vijanden hun hemelvaart.

Het derde en laatste gedeelte van Openbaring 11 geeft ons een scène in de hemel: de proclamatie van het koningschap van God en Christus. De 24 oudsten (engelen, en niet de gemeente van Christus) lopen vooruit op het oordeel over de doden in hoofdstuk 20, de beloning voor de heiligen in hoofdstuk 21 en 22, en de vernietiging van de machten van de draak en het beest in hoofdstuk 19.

Alle drie deze delen als één geheel:

 

Robert Alter – The Art of Biblical Narrative – Samenvatting hoofdstuk 2

Heilige Geschiedenis en het begin van Proza/Fictie

Natuurlijk is de Hebreeuwse Bijbel gewijde geschiedenis. Dat heeft weer gevolgen:

  • Als de tekst gewijd, heilig is, hoe kan ze dan worden begrepen met behulp van categorieën die zijn ontwikkeld voor seculiere en esthetische literatuur?
  • Als de tekst geschiedenis weergeeft, hoe kan ze dan worden begrepen met de categorieën die wij gebruiken voor fictie?
    Dwingen we de bijbel niet in het keurslijf van de literatuur en brengen we de tekst niet in een volkomen vreemde omgeving hiermee?

“Robert Alter – The Art of Biblical Narrative – Samenvatting hoofdstuk 2” verder lezen

Wat is de zin van het lijden? – poging tot een antwoord #4

 

Lijden is een deel van het leven van de wereld. Maar er is ook individuele en collectieve schuld die lijden met zich meebrengt als een gevolg van de zonde. Er is ook lijden vanwege de zonde van vorige generaties – zoals in Klaagliederen 5. Zonde en schuld brengen ook lijden met zich mee, en dat is zeker het geval bij het Laatste Oordeel. “Wat is de zin van het lijden? – poging tot een antwoord #4” verder lezen

Een wet in voorbeelden

De Wet in het Oude Testament heeft een bijzondere vorm die we “paradigmatisch” noemen. Een paradigma is een model, een voorbeeld van hoe iets zou moeten gaan. Dat kennen we wel van de lagere school, toen we het rijtje leerden: “ik loop, jij loopt, hij loopt, wij lopen, jullie lopen, zij lopen.” Dat rijtje is een voorbeeld van hoe een werkwoord in de tegenwoordige tijd wordt verbogen. Het is dus een paradigma van de tegenwoordige tijd. Kopen, en trouwen, en handelen gaan dus precies zo. Het voorbeeld bevat een algemene regel, een taalwet. Op dezelfde manier vinden we dat terug in de geboden en verboden van het Oude Testament. “Een wet in voorbeelden” verder lezen

Jezus is de BroLiDeOpHerWegWijn volgens Johannes

BroLiDeOpHerWegWijn

Het is simpel om dit woord uit het hoofd te leren. Zo leerde ik als kind het woord: “Superformiweldegeindefantakolosachtig.” Ik pauzeer hier even zodat u het kunt uitpakken: super, formidabel, (ge-) geweldig, geinig, fantastisch en kolossachtig. Het woord dat je daarvan kunt vormen is inderdaad meer dan “reusachtig, mooi en prachtig”, zoals het lied gaat.

Ook het woord brolideopherwegwijn moet worden uitgepakt. Maar dan heb je ook wat. Het gaat om de zeven uitdrukkingen die Jezus gebruikt om Zichzelf te omschrijven. Dit is het lijstje:

  1. Brood (van het leven – Johannes 6:35)
  2. Licht (van de wereld – 8:12)
  3. Deur (van de schaapskooi – 10:7, 9)
  4. Opstanding (en het leven – 11:25)
  5. Herder (de goede – 10:11, 14)
  6. Weg (en de waarheid en het leven – 14:6)
  7. Wijnstok (15:1, 5)

In het Grieks staat er steeds “ego eimi”, en dat is een merkwaardige uitdrukking. Het komt heel weinig voor in normaal Grieks. En de reden daarvoor is dat het eigenlijk een soort stotteren is. Ego betekent “ik”, en “eimi” betekent “ik ben.” Dus wat zegt Jezus? “Ik, ik ben.” Eimi alleen was dus al genoeg geweest. En zelfs “ego”, los gebruikt, was ook nog begrijpelijk geweest – hoewel het dan een wat te letterlijke vertaling vanuit het Hebreeuws zou zijn geweest.

De Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament uit de tijd van Jezus, gebruikt deze woorden in Exodus 3:14. Het vertaalt de lastige Hebreeuwse uitdrukking “Ik zal zijn die Ik zijn zal” met de Griekse uitdrukking “ego eimi ho oon.” Letterlijk dus: Ik, Ik ben Degene die (voortdurend) is. Dat betekent zoiets als: Ik ben er altijd, Ik zal er altijd bij zijn, Ik blijf altijd degene die Ik ben. Op die manier stelt God zich voor aan Mozes. Anders dan in het Hebreeuws is de constructie dus als volgt: eerst een zeer nadrukkelijk “Ik”, dan een vorm van het werkwoord waarin dat “ik” al is opgenomen, en dan een uitdrukking die als het predicaat fungeert. Dat predicaat is dan een nadere kwalificatie.

Wanneer Jezus in het evangelie naar Johannes zeven keer dezelfde constructie gebruikt in Zijn beschrijving van Zijn Persoon en missie, dan is dat niet toevallig. Ik, Ik ben (net als de Here die Zich aan Mozes openbaarde), en – Ik zal bij jullie zijn als – brolideopherwegwijn. Op welke wijze is Hij dan bij ons? Als Brood, als licht, als de Deur, als de Opstanding, als de goede Herder, als de Weg – en waarheid en leven – en als de Wijnstok.

De toehoorders in de tijd van Jezus begrepen heel goed, dat Jezus zich met deze uitspraken identificeerde met God. Omdat er altijd ook een predicaat gebruikt wordt, lezen we nergens dat ze Hem hierom aanvallen. Pas wanneer Hij uitlegt wat hiermee bedoeld kan zijn, – Ik en de Vader zijn één – nemen ze “stenen op om Hem te stenigen”, zoals we lezen in Johannes 10:31. Wanneer Hij de uitdrukking echter gebruikt zonder predicaat, dus zonder nadere kwalificatie verschijnt Hij in Zijn volle goddelijke heerlijkheid.

  • Dat gebeurt bijvoorbeeld in Johannes 4:26, wanneer de Samaritaanse vrouw zegt dat zij weet dat de Messias zal komen. Jezus antwoordt dan met de woorden: “Ik ben (het), die tot u spreek.” Dat zou je nog kunnen reconstrueren alsof Hij gezegd had: “Ik, Ik ben de Christus.”
  • We komen het ook tegen in Johannes 6:20. Daar zegt Hij tegen de discipelen die Jezus op het water zien lopen, en dan zonder een predicaat, “Ik ben (het), weest niet bang!”
  • We vinden het in 8:24 waar Jezus zegt: “als u niet gelooft dat Ik (het) ben, zult u inderdaad in uw zonden sterven.”
  • Een moeilijk geval is nog 8:58, “voor Abraham er was, ben Ik er al.” Maar ook hier denk ik dat de bedoeling was om te zeggen dat Hij, als de Zoon van God, uiteraard al bestond in de eeuwigheid. (Diezelfde gedachte al bij Johannes de Doper: “Na mij komt een man die mij vóór is, want Hij was eerder dan ik” ( 1:30).
  • Dan vinden we het ook nog zonder predicaat in hoofdstuk 13:20. Jezus legt uit dat Hij het verraad van Judas voorspelt, nog zonder zijn naam te noemen, opdat “u, wanneer het gebeurt, zult geloven dat Ik (het) ben.” Het is duidelijk dat de discipelen hier moesten begrijpen, dat Jezus Zichzelf werkelijk aan God gelijk kon stellen.

Wanneer Hij dan uiteindelijk zegt “ik, Ik ben (het)”, lezen we dat de soldaten en de dienaars van de overpriesters maar ook de Farizeeën terugdeinzen en op de grond vallen. Dat moet een onbeheersbare reactie zijn geweest. Het houdt geen erkenning in van de godheid van Jezus. Het is wel een gevolg van de macht die in deze eigennaam van Jezus ligt. Het zou ook kunnen zijn, dat ze het goed begrepen hebben en daarom als een godslastering hebben opgevat. Alsof God Jezus zou gaan straffen voor deze vermetele woorden en zij daarom niet in Zijn buurt willen zijn. Maar hoe het ook zij, hier zegt Jezus rechtstreeks dat Hij de “Ik ben” van Exodus 3:14 is.

Wat Hij verder allemaal is, op welke wijze Hij dan bij ons en met ons is, hoe Hij is tegenover ons en de wereld, kan in één woord gezegd worden:

Brolideopherwegwijn

Ik vind dit woord, om goed te onthouden wat de zeven “Ik ben” – uitspraken in het evangelie naar Johannes zijn, waarlijk

superformiweldegeindefantakolosachtig.