De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19

Dan komt het einde. Nu zitten we in de sfeer van de voltooiing, terwijl we vanaf het zesde tot en met het 18e hoofdstuk in de sfeer zaten van de rechtvaardige oordelen. Nu is de behoudenis en de heerlijkheid en de macht van God volledig geopenbaard. Nu, dat wil zeggen met het oordeel over Babylon. Voor ons gevoel is het misschien vreemd dat hier een gejubel uitbreekt over de machtige oordelen die God over de aarde brengt. Maar de nadruk ligt ook eerder op de waarheid en de gerechtigheid die daardoor mogelijk worden, dan op het leed dat ongetwijfeld deze oordelen ook hebben gebracht. “De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19” verder lezen

Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)

Het sjema – deel 2

De vraag is in welke relatie christenen staan tot wat we hier eerst genoemd hebben “de geloofsbelijdenis van Israël.” En bij die vraag is het van groot belang om ons niet te laten beïnvloeden door een gangbaar modern vooroordeel. Vanuit onze historische positie is het vanzelfsprekend om het christendom en het Jodendom als twee volstrekt gescheiden en aparte godsdiensten te beschouwen. Maar dat heeft te maken met de geschiedenis van de relatie tussen christenen en joden vanaf het einde van de tweede eeuw. In de eerste eeuw, de apostolische tijd, is er geen sprake van een dergelijk onderscheid. De grenzen tussen beide zijn heel beweeglijk en nog niet tot een tegenstelling verhard. Er is nog geen muur die beide van elkaar scheidt. “Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)” verder lezen

Een theologie van de liefde – hoofdstuk 3 – De kloof van de ongeloofwaardigheid

Het probleem waar we mee te maken hebben is het dualisme tussen belijdenis en praktijk. Omdat het praktische leven niet aansluit bij onze belijdenis wordt de boodschap van het evangelie ongeloofwaardig.

Jezus Christus is het antwoord van God op dit probleem. Het vleesgeworden Woord is de geloofwaardige boodschap van het evangelie. “Een theologie van de liefde – hoofdstuk 3 – De kloof van de ongeloofwaardigheid” verder lezen

Het laatste oordeel – Rijnsburg 25 november 2018

https://www.podbean.com/media/share/pb-4cntm-a050c2
Verkondiging op eeuwigheidszondag in Rijnsburg. Traditioneel wordt dan over Mattheus 25 vanaf vers 13 gepreekt. Het beeld van de scheiding van schapen en bokken, en van de eeuwige straf voor diegenen die Christus niet gediend hebben, is heftig, maar bevat belangrijke lessen voor ons. 

Wat te denken en wat te doen met diegenen die hun leven lang alleen maar gekarakteriseerd kunnen worden als “schoften”? Mensen die hun leven lang door het kwade worden beheerst en ermee weg komen? Het is de oude vraag van Job: waarom floreren de onrechtvaardigen en lijden de rechtvaardigen? De tekst vraag ook van ons een “commitment”- hoe zit het met onze menselijkheid? Ons geloof moet ook uitmonden in gehoorzaamheid aan Christus. Dat is behoorlijk concreet: de hongerigen voeden, de dorst lessen van de dorstigen, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken en de zieken. Dat gaat dan wel over degenen die God op onze weg plaatst, maar als gemeente ook de opdracht dat op grotere schaal te doen. 

Laten we maar niet vergeten dat Jezus niet alleen onze Heiland en Verlosser wil zijn, maar ook onze Heere is die gehoorzaamheid vraagt en ons roept tot de dienst aan Hem en de onze naasten.

Een boodschap om te delen – het evangelie van Paulus in Romeinen 1:8-18

https://www.podbean.com/media/share/pb-ue8jy-9ef869
De boodschapper is geheel en al betrokken bij zijn boodschap! Het is dan ook een boodschap waarvoor je je niet hoeft te schamen. Als wij ons laten intimideren en ons schamen voor de boodschap van het evangelie geven wij de Heilige Geest geen kans om het hart van mensen aan te raken. (Hoewel de Geest uiteindelijk ons niet nodig heeft, maar toch is het geloof uit het gehoor (Rom. 10). Laten we daarom in woord en daad getuigen zijn van Jezus Christus, de Heiland van de wereld.

Verkondiging in Schagen op 11-11-2018.

Johannes (15) – Zó heeft God de wereld lief gehad

Johannes 3:15, 16

Nicodemus heeft Jezus horen zeggen dat een mens alleen door de wedergeboorte, waaraan hij zelf niet kan bijdragen, het koninkrijk van God kan zien. Vanuit zijn traditie en ervaring kan Nicodemus dat niet geloven. Vers 11: “toch neemt u Ons getuigenis niet aan.” Vers 12: “en u niet gelooft.” Nicodemus kan het niet geloven. Heel zijn leven als leraar van Israël staat in het teken van de gerechtigheid uit de wet. Hij zoekt de gerechtigheid, dat wil zeggen de juiste relatie tot God, niet uit geloof, maar uit de vervulling van de wet. (Vergelijk Romeinen 9:31, 32) Toch had hij kunnen weten dat God niet de nauwkeurige vervulling van de wet heeft gezocht, maar een houding tegenover God en de naaste in het leven die uit geloof voortkomt. Hij had kunnen weten dat God met de komst van de Messias een nieuw tijdperk wilde inluiden, waarin de Geest van God zelf in de harten van de mensen woont. Daarom herinnert Jezus hem eraan, in vers 13, dat de Zoon des mensen uit de hemel komt, dat Hij het weten kan omdat Zijn Woord een openbaring van God inhoudt.

Vanaf vers 15 gaat het om de Zoon des mensen en om de menselijke verantwoordelijkheid. Ieder die in de Zoon des mensen gelooft, heeft eeuwig leven, en kan het koninkrijk van God zien. Je zou kunnen zeggen dat het misschien voor Nicodemus te moeilijk is om de wedergeboorte te begrijpen. Maar het zal toch minder moeilijk zijn om te begrijpen dat het nodig is om in de Messias te geloven. De leer van de wedergeboorte zegt dat je als mens niets aan je redding kunt bijdragen. Wedergeboorte is een soevereine daad van God vanuit de hemel. Maar geloof is toch tenminste iets wat je kunt doen als mens. Nicodemus die denkt in termen van de werken van de wet zou daar meer van kunnen begrijpen dan van de leer van de wedergeboorte. Over dit “zaligmakende” geloof gaat nu de rest van deze passage tot en met vers 21.

De woorden van Jezus in vers 15 zijn ongetwijfeld voor Nicodemus een nieuwe schok geweest. Niet alleen dat je niets aan je redding kunt bijdragen, maar het is ook nog eens zo dat de redding wordt gegeven aan “ieder die in Hem gelooft.” Dat houdt in dat er geen verschil is tussen Nicodemus, de leraar van de wet, en de tollenaar die op een afstand bij de tempel staat en om vergeving vraagt. Als de tollenaar gelooft in de Zoon des mensen ziet hij het koninkrijk van God, terwijl de ongelovige Nicodemus een buitenstaander is van het koninkrijk. De zondaar die gelooft krijgt eeuwig leven, en de rechtvaardige kenner van de wet wordt afgesneden van het eeuwige leven. Nog erger, de heiden die gelooft krijgt eeuwig leven terwijl het ongelovige deel van Israël buiten dat eeuwige leven staat. Waarom is dat zo’n schok voor Nicodemus? Omdat een groot deel van de Wet van Mozes bestond in het oprichten van een scheidsmuur tussen Israël en de volkeren. Israël moest het heilig volk zijn, afgezonderd in denken, voelen en praktijken van de rest van de wereld. Omdat Nicodemus een Messias verwachtte, die de heidenen zou straffen en Israël zou herstellen. En nu zegt Jezus dat alles eenvoudig op geloof aankomt, waardoor al die regels uit de Wet en heel die verwachting van het oordeel over de heidenen betekenisloos zijn geworden. Heel de joodse ijver voor het houden van de dieetwetten, de besnijdenis, het afweren van de heidenen heeft nu zijn functie verloren.

Nicodemus begrijpt wel heel goed wat “eeuwig leven” betekent. Die uitdrukking komt ongeveer 15 keer voor in dit evangelie. De nadruk ligt niet op het feit dat dit leven geen einde kent en tot in eeuwigheid voortduurt. Het eeuwige leven is leven dat rechtstreeks uit God voortkomt, is leven dat in overeenstemming is met het karakter van God. En dat leven – in zekere zin ook het ideaal van de Farizeeën hier op aarde – wordt zomaar geschonken aan iedereen die in Christus gelooft. Hoe was dat mogelijk? Waarom zou God dat eeuwige leven niet geven aan de mensen die zich keurig aan Zijn voorschriften en geboden hielden? Nee, zegt Jezus, het is op grond van geloof. Wat gelooft Nicodemus dan wel? Hij en de groep die hij vertegenwoordigt, geloven dat Jezus een leraar is van God gezonden, en dat Zijn boodschap vanuit de hemel wordt ondersteund met tekenen en wonderen. Hij gelooft dus wel iets. Zoals er veel mensen zijn die van alles en nog wat geloven. Maar dat geloof zal hem (en hen) niet redden. Want Nicodemus verwerpt de boodschap dat hij het Lam van God nodig heeft voor Zijn rechtvaardiging. Hij verwerpt de boodschap dat hij niet een koning nodig heeft die de heidenen zal straffen, maar een lam, een zondoffer, dat zijn zonden zal dragen. Hij gelooft wel in de triomfantelijke neerdaling van de Zoon des mensen – Daniel 7 – maar hij gelooft niet in de verhoging (kruisiging) van de Zoon des mensen, als de koperen slang in de woestijn.

In het gesprek met Nicodemus ligt het nu voor de hand dat deze de vraag zou stellen: “maar waarom is dat dan zo? Hoe komt God ertoe alleen maar geloof te vragen in de Zoon des mensen die gekruisigd werd, als een voorwaarde voor het schenken van de verlossing?” Het antwoord komt dan in vers 16. “Want.” – Daar begint het mee. Er is een reden dat God op deze manier met mensen omgaat. “Want zo lief heeft God de wereld gehad.” God vraagt van de mensen uitsluitend geloof, vanuit Zijn liefde voor de mensen. Wat is het motief? Gods liefde. Waarom maakt God het eeuwige leven toegankelijk voor iedereen in de wereld, ook voor heidenen, door een simpele daad van geloof? Omdat God de wereld liefheeft. En dat is precies de werkelijkheid van Gods hart die in de theologie van Nicodemus geen enkele plaats meer had.

Er is een samenhang tussen geloven en vertrouwen op God, en het inzicht dat God liefde is. Hoe meer je begrijpt van Gods liefde, des te duidelijker is je geloof. Wat weten we dan? Een moderne Nicodemus zou zeggen dat God alle mensen rechtvaardigt omdat Hij alle mensen liefheeft, immers God is liefde. God is zo uitsluitend en alleen liefde, dat het ondenkbaar is dat God verschil zou maken tussen zondaars en gerechtvaardigden, tussen christenen en niet christenen. En als je beseft dat God liefde is, dan is het ook passend dat je je naaste liefhebt. En meer heeft de wereld niet nodig.

Als een dergelijke Nicodemus nu in de nacht bij Jezus komt zou hij iets anders te horen krijgen:

“Hierin is de liefde van God aan ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefhebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening van onze zonden.” (1 Joh. 4:9, 10)

Ziet u wat ik bedoel? We begrijpen helemaal niet wat het betekent dat God liefde is, tenzij we de grote daad van liefde van God onder ogen zien. God heeft de wereld lief, dus zond Hij Zijn Zoon. Waarom was dat nodig? Omdat wij in de macht van de zonde lagen en de dood van het Lam van God nodig was om ons daaruit te bevrijden. Gods liefde drukt zich uit in een bijzondere daad in de geschiedenis. Het is niet zomaar een zweverig begrip waarbij we ons van alles en nog wat voor kunnen stellen. En daarom markeert het woord “geloof” in de Zoon van God wel degelijk een scheidslijn tussen wie Gods liefde aannemen, en wie over Gods liefde alleen spreken en er zichzelf mee rechtvaardigen, maar de grote daad van Gods liefde niet erkennen. Hoe kun je spreken over de liefde van God als je het bewijs van die liefde – de zending van de Zoon, “als verzoening voor onze zonden” – niet aanvaardt? De moderne Nicodemus doet geen beroep op de wet, maar op de liefde in het algemeen; de oude Nicodemus doet een beroep op de wet; maar het is een en hetzelfde. Je doet een beroep op iets – gerechtigheid uit de wet, de algemene liefde van God – met het doel jezelf te rechtvaardigen. Je aanvaardt niet dat God een specifieke voorwaarde heeft gesteld aan de ontvangst van het eeuwige leven. Namelijk geloof in de Zoon van God als het Lam van God. En als je dat niet aanvaardt, hoef je het dus over je zonden en je schuld en de noodzaak van het wegdragen van die zonde en die schuld door het Lam niet meer te hebben. Het rechtsgeding tussen God en de mens wordt echter niet opgelost door een beroep op onze eigen prestaties – de oude Nicodemus – maar ook niet met een beroep op Gods liefde in het algemeen – de nieuwe Nicodemus. Iemand betaalde de prijs van je zonden. Iemand heeft jouw schuld gedragen. Iemand wilde het zondoffer zijn, dat jouw plaats innam. Iemand heeft jou zo liefgehad, dat Hij voor jou wilde sterven. En die Iemand is Jezus, de Zoon van God.

Daarom staat er ook in vers 16 dat kleine woordje “zo”. Want zó lief etc. – dat wil zeggen op deze manier, met dit doel, in deze mate. Op welke manier? Door de zending van de Zoon. Met welk doel? Om mensen te redden. In welke mate? Door de Zoon over te geven in handen van onrechtvaardigen, en Hem te laten kruisigen. De liefde van God wordt zichtbaar in de gave van God. Gods liefde is niet zomaar een sympathiek karaktertrekje, op de manier waarop iemand als Voltaire het kon zeggen: “vergeven is nu eenmaal Gods beroep.” Spreken over Gods liefde klinkt sympathiek en charmant. Maar je vestigt daarmee alleen maar de aandacht op je eigen vriendelijkheid: “mijn God is alleen maar lief, mijn God aanvaardt alle mensen, mijn God ziet en hoort geen kwaad, mijn God zorgt voor alles en iedereen.” Dat is dan niet de God van de bijbel die Zijn Zoon overgeeft in de dood om zondaars te redden. Die een heilig God is, volkomen en zuivere gerechtigheid, en die gerechtigheid in overeenstemming wilde brengen met Zijn oneindige liefde voor de wereld. Johannes zegt hier heel duidelijk tegen de Nicodemus van toen en tegen de Nicodemus van nu, dat je dat eeuwig leven krijgt wanneer je gelooft in de gekruisigde Zoon van God, die de zonden van de wereld droeg.

“Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”