Sam Storms over het cessationisme – Charismania #1

https://www.podbean.com/media/share/pb-fdbr6-9d38fb
Nieuwe serie over de charismatische beweging. In deze serie bespreken we uitlatingen van leiders van de charismatische beweging en de critici. In deze eerste aflevering kijken we naar enkele opmerkingen van Sam Storms – onlangs te gast in Nederland op de “There is more” conferentie – over de drie vormen van continuationisme. Dat is de leer dat de Geestesgaven van het NT sinds het begin van de 20e eeuw werden herontdekt.

Cessationisme is een zonde! Want als God deze gaven heeft gegeven aan de gemeente, zegt Storm, dan gehoorzamen we niet aan de oproep van Paulus dat we naar deze geestelijke gaven moeten streven – 1 Kor. 14:1.

Ik maak enkele kritische kanttekeningen bij zijn opmerkingen – als cessationist…

Het gehele fragment staat op YouTube:

Sam Storms over Cessationisme

Johannes (8) – Filippus en Nathanaël – De roeping van de eerste twee discipelen in Joh. 1:44-52

Het doel van het evangelie van Johannes is te bewijzen dat Jezus de Zoon van God is. Elk mogelijk getuigenis moet daarvoor worden verzameld. Om die reden is Johannes niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de manier waarop de eerste discipelen door Jezus zijn geroepen. Daarom vertelt hij over de ontmoeting met Andreas en Simon Petrus op de manier die we net gelezen hebben. Andreas en Johannes zijn in een gesprek met Jezus overtuigd geraakt van de waarheid van de prediking van Johannes de Doper. Dat maakt hen tot getuigen. Simon Petrus in het bijzonder is onder de indruk van het feit, dat Jezus al weet hoe hij heet voordat zijn naam door Andreas genoemd is. Op dezelfde manier en vanuit hetzelfde motief wordt nu in het gedeelte vanaf vers 44 verteld over Filippus en Nathanaël. De evangelist is geïnteresseerd in het getuigenis: “Wij hebben Hem gevonden…” – Vers 46. En dan in het wonder: “Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u.” – Vers 49. En vervolgens in het getuigenis van Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.” – Vers 50. Het gedeelte eindigt met een getuigenis van Jezus over zichzelf in vers 52.

We lezen vanaf vers 44. Hier komen we de tweede groep tegen, op de “volgende dag.” Dat is dan de vierde dag. Jezus is onderweg naar Galilea, een wandeling van ongeveer 25 km. Als je vroeg genoeg vertrekt kun je na vijf of zes uur lopen daar aankomen. Het ligt voor de hand om te denken dat Simon Petrus, Andreas en Johannes met Jezus waren meegegaan. Het doel van de reis zal wel geweest zijn om hun vrienden aan Jezus voor te stellen. En de eerste die ze tegenkomen was Filippus, uit het dorpje Bethsaïda, waar ook Andreas en Petrus geboren waren. Het is een klein vissersdorp aan de noord-oostelijke hoek van het Meer van Galilea. Later horen we dat Petrus in Kapernaüm woonde, zoals in Markus 1:21-29. Petrus was dus geboren in Bethsaïda, maar heeft gewoond in Kapernaüm. Zo was Jezus geboren in Bethlehem, groeide Hij op in Nazareth, en woonde in Kapernaüm toen Zijn zending eenmaal begonnen was.

We lezen dat Jezus Zelf Filippus vond. Hoewel Andreas en Simon goede bekenden van hem geweest moeten zijn, is het Jezus Zelf die hem ziet. In vers 45 zegt deze, dat hij en de anderen – dat moeten dan Andreas, Petrus en Johannes zijn geweest – dat “wij” dus, Hem hebben gevonden, “over Wie Mozes in de wet geschreven heeft.” En Filippus kent Hem ook nog als “Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” Er moet dus een lange conversatie zijn geweest tussen Jezus en Filippus waar we verder niets over horen; een soortgelijk gesprek had Jezus al met Andreas, Johannes en Petrus gevoerd. Er zit een mooie spanning in deze tekst. Filippus lijkt iemand te zijn geweest, sterker dan bij de eerste drie discipelen, die bezig was met het Oude Testament. Hij zegt dat hij de Messias gevonden heeft van wie Mozes en de profeten hebben getuigd. Dat moet hem zijn uitgelegd, en daar heeft hij vermoedelijk vragen over gesteld. Intussen weet hij heel goed wie Jezus is, dat wil zeggen hij kent de aardse werkelijkheid: “zoon van Jozef”, zegt hij, “uit Nazareth”, voegt hij eraan toe. Dat is dan ook het wonderbare getuigenis van Filippus tegenover Nathanaël. Het is alsof hij zegt: “Hier zie je een mens zoals wij, die is opgegroeid in Nazareth – Bethlehem wordt hier niet vermeld – en het is een mens zoals wij, want hij heeft een vader die Jozef heet. Jozef zal in deze dorpjes ook wel bekend zijn geweest als timmerman. Maar tegelijkertijd is deze “gewone” mens de profeet en de koning en het Lam van God over wie het Oude Testament getuigd heeft.

Nathanael merkt deze spanning op en reageert meteen: “kan uit Nazareth iets goeds komen?” Dat is begrijpelijk, als we beseffen dat Nathanael uit een nog kleiner dorpje afkomstig is, namelijk uit Kana. (Johannes 21:2) Die twee dorpjes Nazareth en Kana waren maar 15 km van elkaar verwijderd. Blijkbaar waren er veel familierelaties tussen de dorpjes, want we horen iets later dat ook de discipelen en de familie van Jezus waren uitgenodigd voor een bruiloft in Kana. Maar er moet ook rivaliteit tussen die dorpen zijn geweest, vandaar de opmerking: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” Het is spottend bedoeld, maar niet haatdragend.

Dan horen we in vers 47 hetzelfde als wat we al gehoord hebben in vers 39: “Kom en zie!” Vraag het Hem zelf maar, betekent dat. Ontdek het maar voor jezelf, hoe ongelooflijk het ook in je oren geklonken zal hebben, dat de Messias zomaar iemand uit onze eigen omgeving is, dat we Zijn vader kennen en dat er niets bijzonders aan Zijn familie is. Jezus ziet Nathanaël naar Hem toe komen. En nu geeft Jezus een getuigenis over Nathanaël. “Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is!” Een waarachtige gelovige in de ware God, een berouwvolle gelovige die door de prediking van Johannes de Doper is geraakt. Geen hypocrisie, geen dubbelzinnigheid, geen aanstellerij. Hij zegt niet het ene en denkt het andere. Nathanaël is een uitzondering in een volk vol afvalligen en hypocrieten. Mensen die ervoor gekozen hebben om hun eigen gerechtigheid op te richten, van wie de leiders in Jeruzalem met argwaan en angst naar de prediking van Johannes de Doper hebben geïnformeerd, en die er alleen maar op uit zijn om de rust te bewaren en hun eigen status te verzekeren. De Zoon van God kan hier zeggen dat er een waarachtige joodse gelovige voor Hem staat, en dan gebruikt de evangelist het woord “Israëliet”. (“Jood” reserveert hij voor de tegenstanders van Jezus uit het volk, die gewoonlijk uit Juda kwamen; vijandige Judeeërs dus=Joden.) Nathanael is een waarachtige zoon van Abraham, Isaak en Jakob. Iemand die de Schriften gelooft, en de Messias verwacht en de wil van God probeert te doen, niet alleen maar in de uiterlijke dingen, maar ook in de gezindheid van het hart. Jezus ziet aan deze mens de geestelijke gezindheid die alleen maar innerlijk te zien is. Hij zegt dus tegen Nathanael dat Hij zijn hart gezien heeft. Daarom vraagt Nathanael: “Hoe kent U mij dan?” Dit is de strekking van zijn vraag: “Hoe kun je ook maar iets over mij weten? Zit je mij te vleien, zonder reden? Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?” En dan komt het antwoord van Jezus, waar het de evangelist Johannes ook om te doen is. Nu komt het wonder: “Ik zag jou al toen je nog onder de vijgenboom zat.” Voordat Filippus naar Nathanael toe stapte, zat die misschien al onder een vijgenboom. Dat kon Jezus als mens niet geweten hebben. Maar de Zoon van God kon dat weten, omdat Hij met God de eigenschap deelt van alwetendheid. Net zo goed als Jezus kon weten waar Nathanael fysiek geweest is, zo kan Hij weten wat de innerlijke gesteldheid van het hart van Nathanael was. Dat maakt dit getuigenis voor Johannes de evangelist zo bijzonder.

Op grond van de aanwijzing van Filippus, en het wonderlijke spreken van Jezus als Zoon van God, komt Nathanael dan tot een belijdenis. Drie elementen heeft dat: “Rabbi” zegt hij. Jezus is voor hem de waarachtige leraar, de opvolger van Mozes zelf. “U bent de Zoon van God” – hij herkende in Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, God Zelf. Dan het tweede: “Zoon van God” betekent hier precies, wat het in de proloog betekende. “De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem (God) ons verklaard.” (1:18) Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, belijdt dat Jezus Christus “in het vlees gekomen is”, dat Hij het “vleesgeworden Woord” is. En dan het derde: “U bent de Koning van Israël.” Een drievoudige belijdenis dus. Eerst de relatie – Rabbi –, dan de Persoon – Zoon van God – en dan de functie of titel – Koning van Israël. En dat zegt deze Nathanaël over Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth. Hij heeft gedaan wat Filippus hem vroeg: “Kom en zie!” Nathanaël is gekomen en heeft gezien en heeft gehoord en is tot een belijdenis gekomen, heeft getuigenis afgelegd van Wie hij gevonden heeft.

Jezus maakt daarna meteen duidelijk, dat de motivatie achter het geloof van Nathanael niet genoeg is. Nathanael geloofde dat Jezus de Messias was, omdat Hij in staat bleek om hem al te kennen voordat ze elkaar ontmoet hadden. Hij gelooft op grond van het wonder van Jezus’ alwetendheid. Daarom zegt Jezus dat er nog grotere dingen zullen zijn, de discipelen zullen wonder na wonder na wonder meemaken. Maar het grootste wonder en de kern van alle wonderen wordt door Jezus aan het eind van de passage uitgelegd.

Vers 52 geeft ons nu de kern, het waarachtige teken of wonder dat de discipelen zouden meemaken. En het is dat wonder dat de waarachtige grondslag van hun geloof is. Niet de wonderlijke tekenen van genezing en alwetendheid en almacht. Het waarachtige teken vinden we in vers 52, ingeleid met de woorden “Voorwaar, voorwaar”. Met deze woorden wordt altijd een nieuwe openbaring ingeleid. “Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.” Dat is een verwijzing naar Genesis 28. Jacob krijgt daar te horen dat God Zijn beloften aan hem en zijn familie en nageslacht zou gaan vervullen. De belofte die ooit aan Abraham gegeven was. Ik zal jou tot een natie maken, ik zal jouw volk zegenen, ik zal verlossing brengen aan jouw volk, ik zal de hemel openen en de engelen heen en weer laten gaan om jou te beschermen en voor jou te zorgen tot dat de belofte vervuld zal zijn. Wat Jezus hier zegt is eenvoudig dat de macht van de hemel in Zijn bediening, in Zijn verkondiging zichtbaar zou worden. Jezus zegt hiermee tegen Nathanael: je zult zien in de wonderen die Ik doe, dat God met Mij is, en dat Hij Zijn beloften in Mij zal waarmaken. De wonderen zijn er niet voor zichzelf. Ze worden ook niet gedaan alleen maar om mensen te helpen – anders zou Jezus wel een bovennatuurlijk hospitaal hebben geopend om tot in eeuwigheid zieken te genezen. De wonderen zijn er om getuigenis af te leggen van het feit dat God waarachtig en volledig in Jezus van Nazareth present was. En dat op die manier, in de vernedering van de Zoon van God als mens, in wie tevens Gods genade en waarheid openbaar zijn geworden, God de belofte van Daniel 7 waar maakt. Want de Zoon van God is ook de waarachtige Zoon des mensen. In Daniël vinden we de titel “Zoon des Mensen” – “Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:14) Dat is wat Jezus hier zegt. Niet alleen dat ene bijzondere vermogen van alwetendheid, dat werd gedemonstreerd aan Nathanael, maar het voortdurende en krachtige getuigenis, dat de macht van de hemel aanwezig is bij en in Hem, die de beloofde Zoon des mensen is.

Wat betekent dan die verwijzing naar engelen die opklimmen en neerdalen? Het hele leven van Jezus is omringd door engelen, door bijzondere manifestaties van Gods macht. De engelen spraken tot Zacharias en zeiden dat de voorloper, Johannes de Doper geboren zou worden. Engelen spraken tot Maria, de moeder van Jezus. Een engel waarschuwde Jozef in de droom. Een koor van engelen kondigde de geboorte van Christus aan, tegenover de herders in het veld. De engelen kwamen aan het eind van de periode van 40 dagen in de woestijn, om Hem te dienen. Er zijn engelen bij het graf, er zijn engelen die Hem bij zijn Hemelvaart omringen. Hij had voortdurend de macht om een legioen van engelen op te roepen om Zijn wil te doen, zo getuigt Jezus tegenover Pilatus. Daarom is de verwijzing naar Genesis 28 zo fraai. Engelen die opklimmen en neerdalen tussen hemel en aarde. Een levende, sterke verbinding tussen hemel en aarde in het leven van Jezus.

Heel schematisch kun je in dit gedeelte zien hoe een mens behouden wordt. In de eerste plaats moet er een zoekende ziel zijn. Dat zagen we al in het vorige gedeelte, in vers 38. Jezus draait zich om en hij ziet Andreas en Johannes achter Hem aanlopen. Hij vraagt: “Wat zoeken jullie?” Ze zoeken het Lam Gods over Wie Johannes de Doper heeft gesproken, Die zou dopenb met de heilige Geest en Die de verlossing van zonde en schuld zou brengen. En dan zegt eerst Andreas tegen Simon, dat hij de Messias heeft gevonden. En zo zegt Filippus tegen Nathanaël, dat hij de Messias heeft gevonden. Je kunt Hem alleen vinden als je Hem zoekt. “Zoekt en u zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden.” Maar het motief achter dit zoeken is niet eenvoudige nieuwsgierigheid of een verlangen naar geluk. Het moet zijn uitgelokt door berouw, en een geloof in de Schrift. De verkondiging van Johannes de Doper was gericht op bekering, een afzien van de oude en kwaadaardige wegen, een ommekeer – en dus een totale morele vernieuwing – in de richting van God. De belijdenis van de zonden die Johannes de Doper gevraagd heeft voorafgaande aan de doop, was en is een reëel onderdeel van dit zoeken naar de verlossing. Maar hij gaf ook onderwijs in de Bijbel, leerde zijn discipelen wat er in de profeten en bij Mozes over deze Messias gezegd was. Die twee zaken dus: berouw en geloof in de Schriften.

En dan het tweede. Dat zoeken heeft geen enkele zin behalve wanneer de Verlosser ook zoekt. Daarom zegt Jezus tegen Filippus: “Volg Mij.” Het is Jezus die Zijn volgelingen zoekt en vindt.

En dan het derde. Er is ook altijd iemand die getuigenis aflegt. Hoe zullen mensen het evangelie geloven, als dat evangelie hun niet wordt verkondigd? Het is weliswaar niet de verkondiging die mensen tot geloof brengt, want dat is het werk van de heilige Geest. Maar het geloof, innerlijk gewekt door de heilige Geest, wordt uiterlijk mogelijk gemaakt door het horen, het horen van de verkondiging van het evangelie.

En die verkondiging van het evangelie is altijd hetzelfde: “kom en zie!” Eerst komen. Daarin zit de gedachte dat je je oude manier van denken moet loslaten, dat je jezelf moreel moet oordelen in het licht van Gods Woord. Het is ook een komen in de zin van de schrift leren kennen, de Bijbel lezen, de verkondiging in de kerk horen. Dat alles is een komen. En dan ook nog het zien. Je ogen en je hart en je oren openstellen voor de Persoon over Wie de verkondiging gaat, over Wie de Schriften spreken. Zien met het innerlijk oog, inzien en tot je laten doordringen. Het heeft geen enkele zin om met verstandelijke redenaties te proberen de overgang te maken van ongeloof naar geloof. Dat wil niet zeggen dat bekering een onredelijke en blinde sprong in het geloof is. Maar het sluit wel uit dat we met het verstand, zonder de betrokkenheid van ons hart en geweten de keuze voor Christus kunnen maken. De heilige Geest overtuigt ons van de zonde in ons hart, van de noodzaak van verlossing, en wijst op Hem die onze Verlosser wilde zijn.

En wij? Wij hebben alleen maar als taak – dat heet de bediening van de verzoening – om mensen ertoe op te roepen zich te laten verzoenen met God. Kom en zie! – zeggen wij. Om aan onze naasten en buren en familie te zeggen, wat Filippus tegen Nathanael zegt. Wat zegt hij dan? God wil verlossing schenken. De Zoon van God is gekomen en wilde die verlosser zijn. En als jij jezelf aan die verlosser toevertrouwt, zul je de genade en de waarheid van God leren kennen. Dan zul je vergeving ontvangen van je zonden en bevrijding van je schuld en zul je in de kracht van de heilige Geest nieuw leven ontvangen. Het leven namelijk zoals God het bedoeld heeft.

Johannes (7) – Nieuwe getuigen: Andreas en Simon Petrus

Johannes 1:35-43

Dit is het verhaal van de derde dag van het getuigenis van Johannes de Doper. En daar zie je meteen een mooie overgang naar een nieuw getuigenis, namelijk dat van vijf discipelen van Johannes de Doper die hier kennis maken met Jezus Christus. In ons gedeelte komen we er drie tegen, en dan later nog twee anderen. Vers 41 vertelt ons over Andreas, en die vindt zijn broer Simon, en dan is er nog een derde die geen naam krijgt. Ongetwijfeld is dat de apostel Johannes geweest, vooral omdat de schrijver van dit evangelie zich zelfs nauwkeurig herinnert wanneer een en ander gebeurde. Dat blijkt uit de aanduidingen “de volgende dag” en in vers 40: “ongeveer het 10e uur.” Johannes moet daar wel bij zijn geweest en misschien ook wel de broer van Johannes, Jacobus – de zonen van Zebedeüs. Dat zijn er dan drie, en dan vinden we nog Filippus en Nathanaël in het volgende gedeelte tot vers 52. Dus dan hebben we Andreas, Simon, Johannes, vermoedelijk zijn broer Jacobus, Filippus en Nathanaël, dan zitten we op vijf of zes. Samen met Johannes de Doper hebben we dan zes of zeven getuigen gehoord.

Maar in ons gedeelte komen we er maar drie tegen. Johannes de Doper getuigt tegenover twee van zijn discipelen over Jezus: “Zie, het Lam van God!” En toen zij dat getuigenis hoorden, gingen zij achter Jezus aan – “zij volgden Jezus.” En dan draait Jezus zich om en vraagt: “wat zoekt u?” Met andere woorden, wat is jullie bedoeling? Wat willen jullie van Mij? Zij hadden gehoord van Johannes de Doper dat Jezus de Messias was. En hij had Jezus aangeduid als het Lam van God en niet zozeer als de regerende koning. Nu was Jezus wel degelijk een koning en dat zeggen ze ook aan het einde van dit getuigenis. Maar deze koning kwam als een lam; Hij kwam als een slachtoffer voor de zonden. Ze hebben de boodschap van Johannes dus heel goed verstaan, deze boodschap van berouw en bekering en doop tot vergeving van zonden. Ze wisten dat zij vergeving nodig hadden en dat het Lam van God zou komen en gekomen was om deze vergeving tot stand te brengen.

Nu moeten we goed begrijpen dat Johannes al enige tijd bezig was met zijn prediking. Elke dag opnieuw. Het evangelie vertelt ons alleen maar de kern van zijn boodschap. Zonder twijfel gaf Johannes de Doper een uitvoerige verklaring over Jezus als het Lam van God. Ongetwijfeld heeft hij uitgelegd wat het Oude Testament over Hem gezegd had, en dat de offers in de tempel naar Hem vooruit wezen en wat de titel Knecht van de Heer in Jesaja 53 precies betekende. Hij heeft ongetwijfeld als leraar uitgelegd waarom God een Lam stuurde naar Israël en niet een koning. Maar even ongetwijfeld hebben deze leerlingen van Johannes heel veel vragen gehad. Wanneer Jezus dan aan hen vraagt wat zij zoeken, antwoorden ze Hem dan ook met de aanspreektitel Rabbi. Wat zij zoeken is een leraar die ze alle wonderlijke dingen die ze van Johannes hebben gehoord nog duidelijker kan uitleggen, die in eigen Persoon de boodschap en het onderwijs belichaamt die Johannes gebracht had. Dus zeggen zij: “Rabbi, waar woont u?” Ze willen met Hem mee naar huis om Hem al hun vragen te kunnen stellen. Ze hebben het nodig om bij Hem te gaan zitten en in gesprek met Hem te gaan. Johannes de Doper is niet langer een leraar, maar zij vragen of Jezus hun leraar wil zijn. Ze willen tijd om na te denken over wat Johannes gezegd heeft. Ze willen een gesprek. Ze hebben vragen. Ze willen ontdekken wie deze Jezus is.

Dit is nog niet het moment dat zij discipelen van Jezus worden. Zoals ik al eerder gezegd heb, een discipel van Jezus wordt je op het moment dat je door Hem geroepen wordt. Hier vragen zij zelf om een gesprek met de Rabbi, dat tegelijkertijd een audiëntie bij de koning is. Ze gaan met Hem mee. Ergens hier in Bethanië hadden mensen voor Jezus een kamer in gereedheid gebracht. Ze bleven die dag bij Hem, vanaf het 10e uur, dat is dus ongeveer 4 uur in de namiddag. Ze blijven bij Hem die dag en die nacht. Ze hebben een gesprek met de Zoon van God. Van slaap zal niet veel gekomen zijn. Zo zitten ze daar bij Hem met zijn tweeën. Andreas en Johannes.

Hoe zou dat gesprek verlopen zijn? Ze zullen hem toch ondervraagd hebben over de verwijzingen naar de komst van de Messias in het Oude Testament. Het lijkt op het gesprek in Lukas 24 wanneer Jezus de discipelen tegenkomt, onderweg naar Emmaüs. Daar onderwijst Hij deze discipelen in wat de Wet en de Profeten over Hem geschreven hadden. Na Zijn opstanding geeft hij aan deze discipelen in feite dezelfde les als Hij nu geeft aan het begin van zijn zending. Zo stel ik mij dat tenminste voor.

In die nacht komt Andreas tot het inzicht dat Jezus inderdaad de Messias is. En nu begint hij meteen te getuigen. Hij gaat naar zijn broer Simon en zegt tegen hem: “Wij hebben de Christus gevonden.” Het is een ondubbelzinnig getuigenis van twee mensen – zoals de Wet het zei, in de mond van twee of drie getuigen staat de zaak vast. Nu brengt Andreas zijn broer Simon naar Jezus. Is dat niet precies de manier waarop de gemeente groeit? Iemand gaat onderzoeken, vindt de Messias, komt tot bekering, en begint te getuigen. Daarmee trekt hij anderen mee naar Jezus en brengt ze in de gemeente. Het is een eenvoudig getuigenis maar het zegt al meteen twee dingen: in de eerste plaats, we hebben gezocht en gehoopt en gebeden, want we weten dat we een Christus nodig hebben. We kennen onze schuld en we verlangen naar vergeving, maar we wisten nog niet waar we dat konden verkrijgen. En dan het tweede: we hebben Hem gezien, het Lam van God en de Zoon van God, de koning, de priester, de profeet die door God gezonden is. We hebben alles gevonden wat we maar gezocht hebben. We hebben Hém gevonden over wie Johannes de Doper ons onderricht had. En met die boodschap komt Andreas bij zijn broer.

Van een conversatie tussen Andreas en Simon horen we nu niets. Het is nog eenvoudiger. Andreas zegt dat zij de Messias hebben gevonden, en dan brengt hij hem naar Jezus toe. Hij kan aan zijn broer het geloof niet schenken, Simon moet het voor zichzelf zien en ervaren. Maar het gesprek dat Andreas met Jezus heeft gehad hoeft niet te worden herhaald. Jezus kijkt naar Simon en zegt: “jij bent Simon, de zoon van Johannes (of Jonas)” Jezus kent zijn naam nog voordat hij is voorgesteld. Maar de Zoon van God kent niet alleen het verleden, maar ook de toekomst. Jezus voorspelt wat Petrus zal worden. “Jij zult Petrus genoemd worden.” In Mattheus 16 is het zover: “jij bent Petrus” zegt Jezus daar. Jij bent de steen die genomen is uit een nog grotere rots, de rots van jouw belijdenis. (Want Petrus had beleden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.) Op die rots van deze belijdenis zal de gemeente worden gebouwd. Maar dat maakt Petrus tot een steen, genomen uit deze rots. (Grieks: petros=steentje, petra=rots) Ik ben er zeker van dat Petrus door dit korte blijk van de alwetendheid van Jezus geschokt was, en dat dat hem het laatste zetje gaf om het getuigenis van zijn broer Andreas te aanvaarden. Zo zijn er nu drie die de Messias gevonden hebben, en met Johannes de Doper meegerekend zitten we al op vier.

Johannes (3) – Leven en Licht

De eerste drie verzen van de proloog van het evangelie naar Johannes vertellen ons rechtstreeks iets over de godheid van Jezus Christus. Hij was vanaf de eeuwigheid. Hij was bij God, dat wil zeggen communiceerde met God, was voor Zijn aangezicht, er was een levende, persoonlijke betrekking en relatie tussen God en het Woord. En het derde wat hij zegt is dit: God heeft alle dingen door het Woord gemaakt, het Woord is de schepper van alle dingen, en niets dat bestaat, bestaat buiten Hem om.

In de verzen 4 en 5 gaat het vervolgens om het vleesgeworden Woord. Gaat het om de relatie tussen het Woord en de wereld. Twee dingen worden daar gezegd. In de eerste plaats, dat het Woord de bron van alle leven is. En dat dit leven ook het licht is van de menselijke wereld. Leven en licht. Dat is vers 4. En dan het tweede, dat rechtstreeks te maken heeft met de komst van Jezus in de wereld. Het Woord is licht, en schijnt in de duisternis die over onze wereld ligt. En de duisternis heeft dat licht niet kunnen overwinnen. Het is meer dan “niet begrepen” wat in de Herziene Statenvertaling staat. Het gaat er niet om dat de wereld die in duisternis ligt niet heeft begrepen dat Hij het Woord is, maar dat deze duisternis dat licht niet heeft kunnen overwinnen, niet heeft kunnen overmeesteren.

“In Hem was het leven.” Het woord dat hier gebruikt wordt is niet bios, wat op het fysieke en laten we zeggen biologische leven slaat. Het gaat om het geestelijke leven en om die reden gebruikt Johannes het woord dzoè. Als schepper van de wereld is Hij ook de bron van al het levende, dus van het leven. Maar Hij is ook de bron van het geestelijke leven. Dat leven is in Hem.

Wat is geestelijk leven? Het staat tegenover geestelijk dood zijn. Wat is dan geestelijk dood zijn? Paulus zegt in de brief aan Efeze: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.” (2:1) Geestelijk dood zijn betekent dat je niet bij machte bent om God te antwoorden, om in een levende betrekking tot Hem te staan. In deze wereld zijn de meeste mensen geestelijk dood, omdat hun zonden en overtredingen tegenover God niet vergeven zijn. Omdat ze de kracht van de levendmakende Geest niet hebben meegemaakt. Daarom gebruikt Johannes in dit evangelie meer dan 50 keer het woord dzoè, geestelijk leven. De mensen in de wereld waren dood, en Hij kwam om hen het leven te geven. Opdat de mensen wél met God in een levende betrekking konden staan, Hem waarachtig zouden kennen, met Hem zouden wandelen in hun leven. Daarom zegt Hij van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

En dan wordt dit Leven dat Jezus Christus kon brengen ook nog eens het licht genoemd. Dat Leven dat in Hem is, straalt naar buiten toe, verlicht alle mensen, verdrijft de duisternis. Net zoals licht vanuit een lichtbron straalt, zo straalt het leven uit Jezus Christus die de bron van het leven is. En dat licht van het leven straalt uit naar alle mensen in de wereld, zoals we lezen in vers 9. “Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” Hoe kun je dat leven ontvangen? Hoe kun je dat licht in je leven laten schijnen? Johannes gaat het in zijn evangelie uitleggen.

In de eerste plaats moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Als je dat niet gelooft zoek je het licht op de verkeerde plaats, of blijf je liever in de duisternis, en dan heb je de bron van het leven niet gevonden. Er worden in deze wereld zoveel leugens verteld, de waarheid is zo schaars, maar in Christus vind je de bron van alle waarheid, de Waarheid zelf.

In de tweede plaats moet je vertrouwen hebben in wat Hij geopenbaard heeft. Moet je geloven dat Hij werkelijk de Vader heeft laten zien en de Vader in eenheid met Hem is. Want alleen als je Zijn Woord aanvaard, weet je wat je doen moet en hoe je dat leven kunt ontvangen. Je moet Hem dus erkennen als de Weg die tot het leven leidt.

En in de derde plaats moet je je leven toewijden aan deze twee dingen, je moet de Zoon van God daadwerkelijk gehoorzamen en Hem je leven toevertrouwen. Niet alleen maar weten dat dat zo moet, maar het ook daadwerkelijk doen. Wie dat doet heeft het leven in zichzelf ontvangen, en wandelt in het licht, en is – zoals vers 12 het zegt – een kind van God. Daarom is Hij het Leven zelf, omdat Hij het geestelijke leven geeft aan iedereen die Hem aanneemt in geloof.

Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21

Zusters en broeders, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Het hoogtepunt van het evangelie van Marcus is ongetwijfeld het gedeelte net hiervoor, waar we Petrus horen zeggen dat Jezus de Messias is. Deze belijdenis is de juiste beoordeling van Jezus. Hij is niet een soort Johannes de Doper, Hij is niet Elia, Hij is niet zomaar een van de profeten, maar Hij is de Christus, de Messias. Het moet voor de discipelen wel teleurstellend zijn geweest, dat meteen daarna Jezus begint uit te leggen dat de Zoon des Mensen door de diepste vernedering heen moest gaan. Hij moest lijden en verworpen worden en zou gedood worden. “Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21” verder lezen

U bent de Christus, de Zoon van de levende God – verkondiging in Katwijk

Hetzelfde thema als in de ochtenddienst in Aalst. Wat betekent het belijden van Jezus voor ons?

De tekst geeft een groot aantal aanwijzingen.

In de eerste plaats: we zijn in de om,geving van Caesarea Filippi, de stad gewijd aan de Griekse cultuur en godsdienst en aan de macht van de keizer. Hoe kunnen juist in de omgeving dan zeggen dat Jezus de Christus is? Want die titel betekent dat Hij de enige, door God aangestelde koning is, hoger dan de keizer. En dat Hij de enige weg tot de waarheid is. Daarmee is alles waar Caesarea Filippi voor staat weersproken. In feite is Petrus’ belijdenis verraad aan de bezettende macht, en een dwaasheid in de ogen van de grieken.

In de tweede plaats: je kunt Jezus als de Christus belijden, zonder te weten wat je doet. Dat blijkt uit het vervolg, waar Jezus moet uitleggen dat de Zoon des Mensen niet triomnfanbtelijk Zijn plaats in de wereld boven de keizer zal innemen, maar dat Gods weg met Hem door het lijden en de dood heen moet gaan.Het belijden van Jezus is het belijden van een gekruisigde koning!

In de derde plaats: er is veekl verwarring over wie Jezus is in de wereld van toen en in de wereld van nu. Maar het beslissende verschil tussen wat de mensen over Jezus zeggen en wat Petrus belijdt is, dat in al die mooie titels die mensen aan Jezus geven Hij in de marge van de geschiedenis blijft staan. Jezus komt er a.h.w. bij, Hij is een van de profetyen, een van de grote religieuze leiders, een bijzonder mens etc. Maar dat Hij uniek is wordt alleen door Petrus uitgesproken. Er kan maar één Christus zijn!

Ook in onze PKN is de verwarring groot. De enorme verschillen in belijden tussen de verschillende gemeenten in de PKN bewijzen dat. Maar laten we die rode draad vasthouden als een getuigenis naar de wereld toe: Hij is de Christus, de Zoon van de levende God.

Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus

16 Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.

ik schaam mij niet –

Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen. Markus  8:38 “Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus” verder lezen