Een schuldbelijdenis van de kerk t.a.v. Israël

De grote corruptie van de christelijke kerk is begonnen toen christenen met een niet-joodse achtergrond de meerderheid gingen vormen. Met de haat tegenover de ongelovige joden in de tweede eeuw n. Chr. begon een geschiedenis van verguizing dat in de 20e eeuw in de Holocaust zijn voorlopige dieptepunt bereikte. Zeker, het was het volledig heidense nazisme dat verantwoordelijk was voor de Holocaust. Maar zonder een eeuwenlange voorbereiding in een christelijk antisemitisme zou het nooit gebeurd zijn.

In de periode na de tweede wereldoorlog hebben de christelijke kerken in Nederland pogingen gedaan om zich van de smet van het antisemitisme te bevrijden. Met verschillende mate van succes. Vaak bleef bij de gewone leden van de gemeente een hoge graad van wantrouwen en afkeer tegenover vooral orthodoxe joden in stand. Vaak ook werd dat gevoed door onbegrip en afwijzing van het Oude Testament. In 2020 kunnen we niet zeggen dat de kerk zich geheel en al van het antisemitisme heeft kunnen ontdoen. Deze houding van haat en afkeer zet zich ook vaak voort in onverschilligheid of vijandschap tegenover Israël, en in de theologische leer dat de kerk het volk Israël heeft vervangen. Zelfs op hoog theologisch niveau wordt nog vaak beweerd dat de voorlopers van het huidige Jodendom, de Farizeeën, terecht worden aangezien voor hypocrieten en leugenaars. Dat zegt Jezus toch zelf in Mattheus 23? Of er wordt beweerd dat de Joden satan tot hun vader hebben, en rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de dood van de Messias – dat staat toch te lezen in het evangelie naar Johannes?

Het opruimen van deze theologische misdaden, valt natuurlijk in het niet bij het simpele feit, dat de christelijke Kerken in de tweede wereldoorlog door hun passiviteit en stilzwijgen medeplichtig zijn geworden aan de Jodenvervolging. Daardoor hebben ze gefaald tegenover de opdracht van Jezus om zorg te hebben voor “de minste van Zijn broeders.” Daardoor zijn ze afgeweken van de houding die Paulus ons voorhoudt, namelijk dat hij zijn volk zo liefheeft, dat hij wel zou willen te worden afgesneden van het heil in Christus, om het Joodse volk te winnen voor Gods heil.

De Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk heeft het hieronder afgedrukte document samengesteld. Een liturgie van schuldbelijdenis, waarin de kern van het evangelie niet wordt geloochend. Wel een schuldbelijdenis die aanwijst hoezeer de christelijke kerken tegenover dat evangelie hebben gefaald. De schade is niet alleen te bespeuren in de historische moord op 6 miljoen joden, en in de schandelijke behandeling van de joodse overlevenden na 1945, of in de angst waarmee opeenvolgende Nederlandse regeringen de zaak van Arabische terroristen hebben gesteund, waardoor zij het overleven van het volk in het land na 1947 hebben bemoeilijkt. De schade ervan raakt ook ons begrip van het evangelie, van de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging, de doorlopend geldigheid van de Wet van Mozes voor israël 9rechtstreeks) en voor de Gemeente van Christus – indirect via de “wet van Christus.”

Het is de moeite waard kennis te nemen van deze schuldbelijdenis en van de andere liturgische teksten die door de Gereformeerde Bond worden aangereikt. Ik hoop dat het ook diegenen bereikt die weinig of geen aandacht hebben besteed aan het belang van het volk Israël in Gods ogen, en van de relatie tussen verleden, heden en toekomst van Israël en de christelijke gemeente.

HANDREIKING

Ondergetekenden hebben voor de kerken een Handreiking opgesteld voor een zondag van verootmoediging en schuldbelijdenis, waarin de kerken uitspreken nalatig te zijn geweest in het opkomen voor de bedreigde Joodse gemeenschap in ons land tijdens de holocaust.

De Handreiking bevat een inleidende tekst, de schuldbelijdenis en een gebed. Ondergetekenden vragen de plaatselijke kerken deze teksten met de gemeente te delen in de kerkdienst op zondag 15 november 2020. Het staat in de vrijheid van de kerken om van de bewoordingen in de inleidende tekst en het gebed af te wijken. Wij vragen wel dringend de tekst van de schuldbelijdenis niet te wijzigen, want we willen hierin met één mond spreken.

Ds R. ter Beek (GKV)

Ds C.P. de Boer (CGK)

Ds L. van Dalen (CGK)

Ds D.J. Diepenbroek (HHK)

Ds R. van de Kamp (HHK)

Ds A.A.A. Prosman (Geref. Bond)

H.J. Schouten (CGK)

Ds J.H. Soepenberg (GKV)

P.J. Vergunst (Geref. Bond)

Ds M.W. Vrijhof (CGK)

* * *

Inleidende tekst

Gemeente,

We willen op deze zondag ons in een verklaring uitspreken over de nalatigheid van de kerken om op te komen voor de bedreigde Joodse gemeenschap in ons land tijdens de holocaust.

In de afgelopen week werd herdacht dat in Duitsland in 1938 de Kristallnacht plaatsvond. Het was de nacht waarin het streven van de Nazi’s om het Joodse volk in Europa te vernietigen levensgroot zichtbaar werd. Veertien honderd synagogen werden in brand gestoken; duizenden winkels van Joodse eigenaren vernield. Ook ons land kreeg met die vernietiging te maken toen we in 1940 door de Duitse legers bezet werden en de anti-Joodse maatregelen ook hier van kracht werden.

Inmiddels ligt die periode van de Tweede Wereldoorlog ver achter ons. We vieren dit jaar dat we alweer 75 jaar in vrijheid leven. Dat we nu aandacht vragen voor die periode uit het verleden heeft te maken met de overwegend afstandelijke houding die de kerken in die tijd aannamen tegenover het grote lijden dat over de Joodse gemeenschap in ons land kwam.

In de afgelopen tijd klonken er verschillende stemmen in onze samenleving, onder andere van de regering en de Nederlandse Spoorwegen, die uiting gaven aan de verbintenis tussen heden en verleden. Stemmen die erkenden dat de Joodse gemeenschap aan haar lot is overgelaten toen de vervolging losbarstte en de vernietiging zich aandiende. Ook de koning erkende dat het hem niet loslaat dat zijn overgrootmoeder te weinig deed vanuit Londen om op te roepen tot hulp aan de Joden in Nederland.

Deze stemmen uit de samenleving stellen ons een vraag: ‘Kerken, hebt u gedaan wat in uw vermogen lag om Joodse medeburgers te beschermen in het uur van het dodelijke gevaar?’ Deze ernstige vraag hebben de kerken zich al vaker gesteld. Maar nog nooit kwam het tot een gezamenlijk gedragen belijdenis van schuld uitgesproken voor het aangezicht van God.

We weten dat de kerken tijdens de Tweede Wereldoorlog op bepaalde momenten stelling hebben genomen tegenover de barbaarse maatregelen van de bezetter; en ook dat er christenen zijn opgestaan om bescherming te bieden aan Joodse medeburgers in nood. Maar in grote lijnen was er een neutrale houding. Er werd ook geen verband gelegd tussen de vernietiging van het Joodse volk en de plek die dit volk ontving in de geschiedenis van Gods heil (Romeinen 9:1-5). Dit is een duistere erfenis die de kerken met zich meedragen en die mede een verhindering is geworden voor het licht van het evangelie om helder in onze samenleving te schijnen.

Het past de kerken om nu gezamenlijk tegenover God schuld te belijden voor haar passieve houding bij de deportatie van het Joodse volksdeel in onze samenleving. We mogen eraan denken dat bij een oprechte erkenning van schuld zich door Godsbelofte van vergeving een nieuwe weg opent. In het gaan van een nieuwe weg moet duidelijk worden dat de kerken daadwerkelijk afstand hebben genomen van een schuldig verleden.

Belijdenis van schuld

Vanuit onze verbondenheid met de kerk van vroeger tijden en vanuit de erkenning dat wij al te lang onze stem niet hebben laten horen, belijden wij beschaamd onze nalatigheid ten aanzien van de Joodse gemeenschap en anderen aan wie door de kerken onrecht is aangedaan zowel voor, tijdens als ook in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. We erkennen dat onze nalatigheid het volk betrof waaraan een blijvende bijzondere positie is toevertrouwd in de geschiedenis van Gods heil.

We zijn nalatig geweest toen het antisemitisme in het Europa van voor de oorlog toenam en wij onze stem daar niet tegen hebben verheven.

We zijn nalatig geweest toen ten tijde van de bezetting in steeds ernstiger mate anti-Joodse maatregelen werden genomen en wij bleven zwijgen.

We zijn nalatig geweest toen om ons heen Joodse medeburgers werden opgepakt en afgevoerd en wij dat hebben laten gebeuren.

We zijn nalatig geweest toen opgejaagde Joodse medeburgers bij ons een schuilplaats zochten en wij onze huizen voor hen gesloten hielden.

We zijn nalatig geweest toen wij ervoor kozen minder krachtig tegen de Jodenvervolging te protesteren ten einde de eigen gemeenteleden van Joodse komaf te beschermen.

We zijn nalatig geweest toen de realiteit van de vernietigingskampen bekend begon te worden en wij dat onrecht niet aan de kaak hebben gesteld.

We zijn nalatig geweest toen Joodse medeburgers terugkeerden uit de kampen en de onderduik en hun rechtmatige eigendommen weer opeisten en wij niet naar hen luisterden en hun rechten niet erkenden.

We zijn nalatig geweest toen Joodse families hun in de oorlog ondergedoken kinderen weer kwamen ophalen en wij hen hun kinderen niet meer wilden afstaan.

Het is met schaamte dat wij onze nalatigheid erkennen. Tegelijk erkennen we met dankbaarheid de moed van hen uit ons midden die wel hun stem verhieven en tegen het onrecht streden.

We gedenken hen die de moed hadden Joodse medeburgers bescherming te bieden en in die onderduik hun Jood-zijn te respecteren. Hun moed brengen wij respectvol in herinnering.

We noemen met dankbaarheid hen die na de oorlog de Joodse kinderen in de onderduik weer toevertrouwden aan hun Joodse families.

We erkennen dat velen die moed en dat respect niet opbrachten. Het belijden van nalatigheid houdt het voornemen in dat wij, die niet anders en beter zijn dan de generaties die ons voorgingen, verplicht zijn lering te trekken uit wat wij nu als schuld benoemen.

Het is ons gebed dat God ons onze tekortkomingen vergeeft, onze schuld verzoent en onze harten vernieuwt. Moge Gods Geest ons verlichten om in onze dagen moedig het kwade te weerstaan waar het zich manifesteert in antisemitisme en vreemdelingenhaat, opdat wij niet opnieuw nalatig zullen zijn.

Wij verootmoedigen ons tegenover de Joodse gemeenschap van onze dagen. We nemen de verplichting op ons, ons naar vermogen in te zetten voor de veiligheid van de Joodse gemeenschap in ons land.

***

Gebed

God van Abraham, Izak, Jakob en Israël,

die wij omwille van Jezus, de Messias, onze Vader mogen noemen,

met eerbied en ontzag roepen wij U aan

en doen een beroep op Uw ontferming.

Gedenkend dat we 75 jaar in vrijheid leven,

zien we met afschuw terug op de tijd

dat hier een geest uit de afgrond heerste,

angst wekkend,

dood en verderf zaaiend,

zinnend op de uitroeiing van Israël, het Joodse volk.

Als deelgenoot van de kerk der eeuwen en haar geschiedenis

belijden wij met schaamte

dat we in veel opzichten nalatig zijn geweest tegenover U

en tegenover het volk,

dat U in Uw Woord, Uw oogappel noemt.

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door niet onze stem te verheffen

toen antisemitisme toenam in Europa

en ook onze samenleving vergiftigde?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door niet te spreken

toen de bezetter met anti-Joodse maatregelen

de vernietiging van Uw volk voorbereidde?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen we het stilzwijgend lieten gebeuren

dat Joodse medeburgers werden opgepakt en afgevoerd?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen wij nalieten om een schuilplaats te bieden

aan Joodse medeburgers die werden opgejaagd en vervolgd?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen wij nalieten om op te komen

voor gemeenteleden van Joodse herkomst

toen zij maatschappelijk en kerkelijk in het nauw werden gedreven?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door te weigeren bij ons ondergedoken Joodse kinderen

terug te geven aan hun ouders of hun families

die waren ontkomen uit de grote verschrikking?

Zie ons aan zoals wij zijn,

met de last van het verleden op onze schouders.

Ontferm U over ons en neem die last van ons af,

vergeef ons onze zonden.

MOMENT VAN STILTE

God van Abraham, Izak, Jakob en Israël,

die wij omwille van Jezus, de Messias, onze Vader mogen noemen,

met respect gedenken we hen

die wel de moed hadden hun stem te verheffen;

het onrecht te bestrijden;

een schuilplaats te bieden aan Joodse medeburgers.

Met dankbaarheid gedenken we hen

die na de bevrijding als vanzelfsprekend ondergedoken Joodse kinderen

weer toevertrouwden aan hun ouders of hun Joodse families.

Laat hun gedachtenis ons tot zegen zijn.

Met eerbied en ontzag roepen wij U aan

en doen een beroep op Uw ontferming

over de Joden die deze verschrikking hebben overleefd en over de generaties na hen die voort moeten leven met de erfenis van deze donkere nacht in de geschiedenis.

Zegen hen en bescherm hen,

laat het licht van Uw gelaat over hen schijnen,

wees hun genadig en geef hun vrede.

 

Laat ook ons delen in die zegen.

Vernieuw ons en verlicht ons door de heilige Geest

om in onze dagen niet nalatig te zijn

maar moedig het kwaad van antisemitisme en vreemdelingenhaat te weerstaan.

God van Israël, verhoor ons gebed omwille van Jezus, de Messias,

in Wie wij U mogen kennen.

In Zijn Naam bidden wij:

Onze Vader…

Vervolg Talmoed voor Notsriem – BBerachot 2a-2b

In dit vervolg van de bespreking van de gemara wordt vooral duidelijk op welke manier de rabbijnse vorm van redeneren werkt. Het gaat om een nauwkeurig onderzoek van de bron van een uitspraak – dat hangt samen met het relatieve gezag ervan – en om een nauwkeurig onderzoek van de betekenis van de gebruikte termen. Elke dubbelzinnigheid moet worden onderzocht en uitgesloten. Het gaat immers om de nauwkeurigheid waarmee we Gods geboden vervullen. Wat het betekent om het sjema te bidden “besjochbecha”, bij het (gaan) liggen zal toch iets te maken moeten hebben met die tempeldienst. net als de indeling in de drie wachten van de nacht en de bepalinge van het “chatsoot”, wat precies het midden van de nacht(-elijke periode)  is.

In dit gedeelte zien we hoe erg geworsteld wordt met verschillende aanduidingen voor de tijden van het gebed. Heel anders dan in onze moderne tijd, waarin we over nauwkeurige horloges beschikken. Kan het sjema gezegd worden bij het inzetten van de avondschemering? Of bij het zichtbaar worden van de eerste drie middelgrote sterren? Maar wat zijn “middelgrote” sterren? En wat te doen als er wolken zijn die ons gezicht verduisteren? Komt dat overeen met de tijd waarop mensen normaal gesproken naar huis gaan om te eten? Of de tijd waarop de priesters die hun ritueel bad (in de mikve) hebben genomen, van de aan de tempel gewijde vruchten mogen eten? En welk tijdstip is dat dan precies?

Een van de redenen van die manier van onderzoeken is ongetwijfeld dat de bepaling van de tijden van het gebed sowieso verbonden wordt met de Tempeldienst, want dat is de enige acitiviteit waar tijdsvoorschriften een dominante rol spelen.

We zullen de discussies over deze en dergelijke details van de misjna niet verder volgen. In de komende afleveringen zullen we het vooral hebben over de verhalende of aggadische passages in de Talmoed waarin naar voren komt wat de “theologische” betekenis van het Joodse gebed is.

Een wet in voorbeelden

De Wet in het Oude Testament heeft een bijzondere vorm die we “paradigmatisch” noemen. Een paradigma is een model, een voorbeeld van hoe iets zou moeten gaan. Dat kennen we wel van de lagere school, toen we het rijtje leerden: “ik loop, jij loopt, hij loopt, wij lopen, jullie lopen, zij lopen.” Dat rijtje is een voorbeeld van hoe een werkwoord in de tegenwoordige tijd wordt verbogen. Het is dus een paradigma van de tegenwoordige tijd. Kopen, en trouwen, en handelen gaan dus precies zo. Het voorbeeld bevat een algemene regel, een taalwet. Op dezelfde manier vinden we dat terug in de geboden en verboden van het Oude Testament. Doorgaan met het lezen van “Een wet in voorbeelden”

Het oordeel over de volkeren in de Bijbel en de Talmoed (1/2)

Genesis 32:24 Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak. 25 En toen de Man zag dat Hij hem niet kon overwinnen, raakte Hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde. 26 En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is aangebroken. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent. 27 En Hij zei tegen hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Jakob. 28 Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen. 29 Jakob vroeg daarop: Vertel mij toch Uw Naam. En Hij zei: Waarom vraagt u naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar. 30 En Jakob gaf die plaats de naam Pniël. Want, zei hij, ik heb God (elohiem, hier een geestelijk wezen) gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered. 31 En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël gegaan was; hij ging echter mank aan zijn heup.

Wie is toch deze Man?

Om dat te bepalen moeten we eerst een paar details uit deze tekst goed begrijpen. In de eerste plaats moeten we zien dat de worsteling die deze man begint, een poging is om Jakob eronder te krijgen, te overwinnen. Maar is het een man? Waarom staat er zo nadrukkelijk dat deze “man” zijn worsteling staakt wanneer de dageraad aanbreekt? “Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.” En waarom komt deze man tot Jakob in de nacht? Het lijkt er eerder op dat we te maken hebben met een kwaadaardige geest, of misschien zelfs met Ezau zelf.

Het lijkt mij ook dat we kunnen uitsluiten dat het Ezau zelf is. Jakob zou hem toch zeker herkend hebben, en er is geen reden dat hij zich niet bekend zou gemaakt hebben bij Jakob. Bovendien meldt vers 28 dat Jakob met “God” heeft gestreden. Dat laatste is een kwestie van vertaling. Het Hebreeuwse woord elohiem  kan zowel God als een geestelijk wezen als zelfs een aardse rechter aanduiden. Het lijkt uitgesloten dat het God is die met Jakob hier worstelt, aangezien Jakob juist de belofte en de zegen van God al ontvangen had. Het lijkt eveneens uitgesloten dat het hier om een “rechter” zou gaan. Dan blijft alleen nog over dat we hier te maken hebben met een tussenwezen, een demonische macht in menselijke vermomming die namens Ezau de strijd met Jakob aangaat. Daarop wijst ook de zinsnede, dat Jakob gevochten heeft met “een goddelijk wezen” en met “mensen” – een soort demon in mensengedaante.

Het gaat om de zegen

Het is ook niet toevallig dat het hier uiteindelijk om de zegen gaat. Jakob is een naam die verwijst naar het stelen van het eerstgeboorterecht. Is het hier een demonische schutsengel van Ezau die Jakob daarvoor wil straffen? Dat Jakob heeft overwonnen merken we niet alleen maar aan het gejammer van de man “laat mij gaan”, maar ook aan de opdracht van Jakob. Wanneer hij zegt: “ik zal u niet laten gaan tenzij u mij zegent,” krijgt dit zijn betekenis uit de voorgeschiedenis. Jakob heeft recht op de zegen van de eerstgeborene. Nu vraagt hij aan de engel van Ezau of deze bereid is dat recht ook te erkennen. Hem te zegenen staat dan gelijk aan de erkenning van de zegen die aan Jakob toekomt. Zodra (de engel van) Ezau het recht en de zegen van Jakob als de waarachtige eerstgeborene in geestelijke zin erkent, zal Ezau ook delen in die zegen. Jakob is immers de ontvanger van de zegen van Abraham – “in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.” Wanneer Ezau de zegen van Jakob erkent, zal hij er ook in delen.

De profetische duiding

Dit alles heeft een diepe betekenis voor de wereldgeschiedenis. Het lot van de volkeren is volledig verbonden met het lot van Israël. Wie Israël zegent, zal delen in de zegen van Israël. Maar wie Israël kwaad doet of het kwade toespreekt, wordt van het leven afgesneden, dat is: is vervloekt.

Zo beschouwd is de opdracht die Jakob aan de engel geeft een uiting van zijn liefde voor Ezau. Wanneer Israël aan de volkeren van de wereld vraagt, haar bijzondere status als uitverkoren volk te erkennen, is dat uiteindelijk tot een zegen voor die volkeren. Israël is en blijft immers Gods volk, dat God in het heilige land geplaatst heeft om daar de navel van de wereld te zijn. Het centrum van de wereld is het letterlijke, fysieke land Israël. De erkenning van dat land en van het recht van het volk daar te wonen, is de basis voor de zegen die de volkeren van God te verwachten hebben.

Israël zegenen

Wat de exegese van de tekst betreft zijn er nog twee zaken van belang. In de eerste plaats dat Ezau – en zijn zoon Edom – staan voor Rome, eigenlijk voor het Romeinse Rijk dat nu bestaat in de vorm van een innerlijk verdeeld Europa.

Met andere woorden Ezau staat voor heel de westerse wereld. Het lot van die westerse wereld staat of valt met de erkenning van de onverbrekelijke samenhang tussen het land en het volk Israël. Wie het volk zegent dat in het land is – het goede voor haar doet en haar het goede toespreekt – zal zelf door dat volk gezegend worden. Wie de God van Israël wil kennen, kan niet om Zijn volk heen. “Het heil is uit de Joden”, dat wil zeggen God schenkt het heil niet aan de vijanden van Israël.

Israël vervolgd door Christelijk Rome en Europa

In de tweede plaats is van belang, dat de engel van Ezau Jakob raakt aan de heup, naar Bijbelse spraakgebruik de plaats van de kracht tot voortplanting, d.i. de nakomelingen van Jakob. Ezau probeert de zegen van Jakob te ontkrachten, door Jakob onvruchtbaar te maken. Is dat niet vele malen in de geschiedenis geïllustreerd? De mannelijke nakomelingen werden in Egypte in de Nijl gegooid, de Assyriërs verdreven Israël uit het noordelijke rijk en verstrooiden het over hun grondgebied. De Romeinen verwoestten de tempel en lieten alle Israëlieten in ballingschap gaan aan het einde van de tweede Joodse Oorlog. De geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk  – het “gekerstende” Rome – staat bol van de vele vervolgingen, pogroms en vernederende maatregelen. En de nazi’s hebben de poging gedaan om alle Joden in de wereld uit te roeien in de Holocaust.

Misschien dat niet de volkeren beseffen wat het belang is van Israël voor hun eigen lot, maar de schutsengelen van deze volkeren zullen dat maar al te goed geweten hebben. Hier ligt de keuze: Israël zegenen, haar voorrang in Gods bestel erkennen en daardoor zelf gezegend worden, ofwel: Israël vervloeken, bestrijden, bevechten, en onderwerpen, en daardoor zelf blootgesteld worden aan Gods vloek.

Christenen die Israël erkennen

De geschiedenis van West-Europa kan het beste worden begrepen vanuit het conflict tussen Jakob en Ezau, tussen de God van Israël en de god van Rome/Europa, de satan. Ezau probeert voortdurend Jakob aan de heup te raken. Maar Israël heeft Ezau nooit opgegeven. Israël houdt Ezau broederlijk vast en zal hem niet loslaten totdat het eerstgeboorterecht van Israël zal worden erkend.

Binnen Europa zijn er mensen die Israël erkennen als Gods eigen volk. Dat geldt niet voor de politieke systemen waarin die mensen leven. Maar de zegen die Jakob ontvangt om door te geven aan de volkeren, berust op de erkenning van de positie die hem gegeven wordt. Wie in deze tijd Israël erkent, zegent en aan dat volk het goede toespreekt, wordt zelf gezegend met Israël. Die mensen zijn als Ruth die tegen Naomi zegt: “uw God is mijn God, uw volk is (mede ook) mijn volk.” Of ze zijn als de mensen in Zacharia 8:23, die zeggen “Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord dat God met u is.”

(wordt vervolgd)