Kan God straffen met een besmettelijke ziekte? – opnieuw over corona

We lezen in Deuteronomium 28:

“Als u al de woorden van deze wet die in dit boek geschreven zijn, niet nauwlettend houdt, door deze heerlijke en ontzagwekkende Naam, de Here, uw God, te vrezen, dan zal de Here uw plagen en de plagen van uw nageslacht uitzonderlijk maken; het zullen grote en aanhoudende plagen, en kwaadaardige en aanhoudende ziekten zijn.” “Kan God straffen met een besmettelijke ziekte? – opnieuw over corona” verder lezen

De laatste zeven schalen van Gods grimmigheid – Openbaring #16

Met de laatste zeven schalen, de laatste “plagen” die God over de aarde uitstort, is Gods toorn voleindigd.

Dat is ook wat een luide stem zegt, vanuit de Tempel, vanaf de Troon: Het is gebeurd! Het is voleindigd. Tussen de woorden van Jezus aan het kruis – het is volbracht – en de woorden vanuit de Tempel, het is gebeurd, heeft zich de hele Nieuw-testamentische geschiedenis van God met de mensheid afgespeeld. En nu is het voltooid.

Toch houdt het boek Openbaring hier niet op. Want nu rest nog de uitleg van de zevende schaal, waarin het grote anti-goddelijke systeem van politiek en economische macht wordt geoordeeld: het grote Babylon. Dat wordt uitgebreid verhaald in hoofdstuk 17 en 18, onderwerpen oor de volgende afleveringen in de serie over Openbaring.

In het beeld en naar de gelijkenis geschapen…

Er valt nog veel meer over te zeggen, want de Statenvertaling heeft twee keer het woordje “naar” gebruikt, “naar ons beeld en naar onze gelijkenis”, maar dat is niet helemaal correct. Want er staat in Genesis 1:26 be-tsalménoe, “in ons beeld” wat de positie als representant van God aanduidt, en ki-demoeténoe, “naar onze gelijkenis”, wat het karakter aanduidt en de eigenschappen die nodig zijn om als representant van God te kunnen optreden. Gen. 1:27 spreekt dan van be-tsalmo (in Zijn beeld, d.w.z.) be-tsèlèm elohiem (in het beeld van God) schiep God hem. Ook daar gaat het om de positie, als elohiem te zijn – d.i. als bestuurder en rechter.
Wie dat belang van be-tsalménoe en ki-demoeténoe begrijpen wil, hoeft alleen maar Genesis 5 te vergelijken met dit vers uit Genesis 1. Want dan zie je dat God de mens maakte “in Gods gelijkenis”, bi-demoet elohiem (Gen 5:1). “Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem in de gelijkenis Gods,” d.w.z. met het karakter van God als zijn leidraad, als zijn positie. De mens is geschapen om Gods karakter te vertonen. Dat is niet be-tsalmo elohiem zoals in Genesis 1. In de positie van God is hij oorspronkelijk gesteld, dát is wat be-tsalménoe wil zeggen.  De mens ná de zondeval is in de gelijkenis (bi-demoeto) van God  geschapen, d.w.z. aangewezen op Gods karakter. Alleen in dat opzicht vertegenwoordigt hij God nog.
Na de zondeval is alles verstoord. Genesis 5:3 “Hij gewon een zoon in zijn (Adams) gelijkenis en naar zijn (Adams) beeld.” Bi-demoetó ke-tsalmó. Dat is dus niet langer in het beeld, maar overeenkomstig het beeld; en het is niet langer naar de gelijkenis, maar volgens de positie van die gelijkenis, wat het karakter van de vader “gebracht” heeft. Dus de zoon van Adam is niet zonder meer in het beeld en naar de gelijkenis van God geschapen. Zo is hij wel bedoeld, dat draagt hij nog indirect wel (Gen. 9:6), maar dat wordt overschaduwd door het feit dat hij nu een “aardje naar zijn vaartje” heeft. Dat hij in zijn karakter lijkt op Adam en daar zijn positie aan ontleent, en dat hij ook het karakter heeft van zijn vader in de scheppingsorde. Dat is niet meer de positie die God oorspronkelijk bedoeld heeft, maar dat is de positie die tot stand kwam na de zondeval. De positie is nu die van de mens die zelfstandig wil zijn, die niet als Gods representant wil optreden – ben ik mijn broeders hoeder? – en daarvoor ook de nodige eigenschappen mist – “de gedachtenspinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af” (Gen. 8:21).
Dat de mens toch nog  enigszins in de positie staat die God hem heeft aangewezen, blijkt dan in Genesis 9:6 aan het verbod op moord, met de motivatie: “want in het beeld (be-tsèlèm) van God heeft Hij de mens gemaakt.”  Omdat de mens bedoeld is om in zijn positie Gods representant te zijn, daarom is moord een schending van God Zelf. De positie van de mens (bi-) wordt opnieuw gekoppeld aan het beeld van God (tsèlèm).

De 144.000 en de zes engelen – Openbaring 14

De 144.00 op de berg Sion – Op. 14:1-5

De 144.000 van hoofdstuk 7 komen hier weer terug. Terwijl ze in het zevende hoofdstuk een algemeen beeld geven van de gemeente van Christus, gezien als het verbondsvolk Israël, wordt in hoofdstuk 14 een beeld van de toekomst gegeven. Het lam staat op de berg Sion en ik denk dat dat het aardse Jeruzalem is. (Terwijl anderen denken dat dit staat voor het Hemelse Jeruzalem.)

De Messiaanse gemeenschap, het getrouwe Israël, leert een nieuw lied – over de inhoud waarvan wij niet worden onderricht. Zij volgen het Lam, ze zijn de eerstelingen, ze zijn zuiver, ze zijn onberispelijk.

Zijn de 144.000 samen met het Lam uit de hemel gekomen? Er zijn meerdere mogelijkheden.

Het eeuwig evangelie en de val van Babylon – Op. 14:7-13

In dit tweede gedeelte van hoofdstuk 14 wordt het “eeuwig evangelie” verkondigt. In dat evangelie zit geen verwijzing, althans niet expliciet, naar het werk van de Heer Jezus. Maar het bevat wel de eis en de opdracht die God door alle tijden heen aan mensen heeft gericht. “Vreest God en geeft Hem heerlijkheid.”

Dit is blijkbaar nog een kans voor de mensen op aarde om zich te bekeren voordat het oordeel komt. Ze krijgen het eeuwig evangelie te horen, en dat het grote Babylon op het punt staat te vallen – dat zal pas gebeuren in hoofdstuk 17 en 18 – en ze krijgen, in de woorden van de derde engel, te horen dat ze zullen drinken van de wijn van Gods grimmigheid omdat ze het Beest hebben aanbeden.

Het oordeel van de Zoon des Mensen – Op. 14:14-20

Het derde gedeelte van Openbaring 14 is een korte schets van het oordeel, dat wordt vergeleken met de “oogst van de aarde”, en de oogst van “de trossen van de wijnstok van de aarde.” Het oordeel wordt voorgesteld met het beeld van de grote wijnpersbak van de grimmigheid – en het gruwelijke beeld van bloed dat meer dan 300 km ver reikt.

Opmerkelijk is dat de titel “Zoon des mensen” hier gebruikt wordt in vers 14.