De gevonden zoon weer verloren: kerkgeschiedenis

De parabel van de verloren zoon gaat niet over individuele bekering, maar wel over de houding van de Farizeeën tegenover de joden in de marge: tollenaars, ongeletterden, boeren, mensen die de Torah niet kennen. Bij uitbreiding mogen we er de niet-joodse volkeren in herkennen die het door God geschonkene verbrassen en pas willen terugkeren als ze de nood daartoe ervaren. De vroege gemeente is als die verloren zoon die mag terugkeren naar het Vaderhuis, met de oudste broer – hoe morrend ook – als hun leraar. Israël is immers het licht van de volkeren omdat aan hen de Torah is toevertrouwd. Maar dan begint de kerkgeschiedenis. Alleen de “vrienden van de oudste broer” kunnen nog een toegang vinden.


 

Een zekere mens had twee zonen. En de jongste van hen was ooit weggereisd in een ver gelegen land en had daar al zijn goed doorgebracht en overdadig geleefd. Als hij gebrek begon te lijden stond hij op, ging tot zijn vader en wilde tegen hem zeggen: “vader ik heb gezondigd tegen de hemel, en voor u.” En als hij nog ver van zijn vader was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen. En de vader viel hem om zijn hals, en kuste hem en gaf opdracht het gemeste kalf te brengen, het te slachten want, zo zei hij, “laat ons eten en vrolijk zijn, want deze mijn zoon was dood, en hij is weer levend geworden.”

Maar de oudste zoon werd toornig en wilde niet ingaan tot het feest. “Want,” zei hij, “uw zoon is gekomen, vader, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft. Waarom hebt gij hem het gemeste kalf geslacht?” En de vader zei tot hem: “men behoort toch vrolijk en blij te zijn, want deze uw broeder was dood en is weer levend geworden.”

Maar het geschiedde niet vele dagen daarna dat de jongste zoon alles bijeenvergaderde en opnieuw wegreisde naar een ver gelegen land. Daar bracht hij opnieuw zijn goed door en leefde zo overdadig als hij maar kon. Dit keer kwam er geen hongersnood in het land en hij leed geen gebrek. En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers van dat land en tegen een goed loon werd hij een huurling om de zwijnen te weiden. En tot zichzelf zei hij: “hoe zwaar is toch het leven van mijn vader en mijn broeder. Nooit hebben zij overvloed van brood en altijd vergaan zij van honger. Maar nu heb ik hier een goed leven, in dit ver gelegen land.”

En de oudste zoon was nog in het veld, en als hij kwam, en het huis naderde, hoorde hij het geween en het geweeklaag. En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat mocht zijn. En deze zei tot hem: “uw broeder is weggereisd, naar verluidt naar hetzelfde land waarheen hij ooit gereisd was. En uw vader heeft zijn kleren gescheurd en as over zijn hoofd geworpen, om over hem rouw te bedrijven”

En hij werd toornig en ging in om met zijn vader te spreken. Hij zei tot zijn vader: “heb ik u niet gezegd dat deze uw zoon zijn goed met hoeren doorgebracht heeft? Heb ik u niet gezegd dat hij alleen hierheen gekomen is, omdat de honger zwaar was in dat land? Heb ik u niet gezegd dat hij niet levend was geworden, maar in de dood gebleven is? Dat hij verloren was en niet is gevonden? Hij heeft u niet vele jaren gediend, en hij heeft steeds uw gebod overtreden en u hebt hem een gemest kalf geschonken, een ring aan zijn hand gedaan en schoenen aan zijn voeten.”

En de vader zei tot hem: “kind, jij bent altijd bij mij geweest, en al het mijne is het uwe. Wij behoren vrolijk en blij te zijn. Want uw broeder is wel dood en verloren, maar u leeft. Laten wij dan onze toorn achterlaten. Jouw broeder zal rekenschap geven van wat hij gedaan heeft.”

En de oudste zoon zei tot de vader: “ik bid u dan, vader, dat u mijn vrienden in uw huis toelaat. Want ik heb vijf vrienden, wilt u hun overtuigen dat zij Mozes en de profeten horen. Dan zullen wij ons over hen verheugen, dat zij dood waren en weer levend zijn geworden; dat zij verloren waren en weer zijn gevonden. Want wat mijn broeder betreft, als hij niet naar Mozes en de profeten wil horen, zo zal hij zelfs, al ware het, dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen.”

Substitutie of representatie? Antwoord op Tovia Singer

In het NT wordt met de titel “zoon van God” de persoon van de Messias Jezus aangeduid. In het evangelie van Lukas wordt op een vergelijkbare wijze gesproken over Adam als de zoon van God, verder wordt de uitdrukking eerstgeborene ook gehanteerd in bij voorbeeld Kolossenzen en de term unieke (zoon of “God”) vinden we ook in het evangelie van Johannes. (Meestal vertaald als “Eniggeborene”.)

Het is opmerkelijk dat deze Nieuw-Testamentische uitdrukking niet voorkomt in het Oude Testament. Het lijkt in ieder geval duidelijk dat Adam nergens de zoon van God genoemd wordt. Op twee manieren vinden we deze uitdrukking wel. In de eerste plaats wordt gesproken over Israël als Gods zoon, zoals in de bekende tekst uit Hosea 12: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.” In de tweede plaats komen we de uitdrukking tegen in de Psalmen, zoals bij voorbeeld in Psalm 2 – niet onomstreden natuurlijk 1) – in de uitdrukking “kust de Zoon dat hij niet toorne.” En uiteraard ook in de tekst die in Hebreeën wordt geciteerd uit Psalm 110: Gij zijt Mijn zoon, Ik heb u heden verwekt.”

“Zoon van God” duidt in de Hebreeuwse context van het OT zowel op het volk Israël dat de rol van de eerstgeborene toebedeeld krijgt, als op de gezalfde koning die als middelaar tussen God en het volk optreedt. Dat volk heeft de opdracht een licht te zijn voor de volken, de leraar voor de niet-joden die de Torah niet van nature hebben ontvangen. De koning heeft de opdracht middelaar te zijn, d.w.z. God te vertegenwoordigen tegenover het volk in zijn beleid en rechtspraak, en het volk te vertegenwoordigen tegenover God in zijn functie als opperste rechter en als voorbidder – zoals duidelijk wordt aan het gebed van Salomo bij de inwijding van de eerste Tempel.

Tovia Singer meent nu, dat de toekenning van de titel zoon van God aan de Messias in het NT een duidelijk voorbeeld is van het substitutiedenken. De functie en de waardigheid die aan Israël toekomt, wordt van het volk losgemaakt en aan Jezus toegekend. Dat is diefstal! In deze overdracht komt al vroeg het triomfantalisme van de kerk om de hoek kijken. De kerk neemt de plaats in van Israël precies omdat haar Heer in zichzelf Israël belichaamt. Zonder de overdracht van titel en functie van Israël aan de Messias Jezus zou de vervangingsleer geen fundament hebben.

Moeten we inderdaad zeggen dat Jezus het volk Israël vervangt, of moeten we zeggen dat Hij het volk representeert? Vervanging impliceert ook de substitutie van Israël door de kerk; representatie maakt een andere relatie tussen de kerk en Israël mogelijk. Jezus vertegenwoordigt dan immers ook Israël tegenover de kerk! In Hem krijgt de kerk een blijvende relatie met Israël – en dan ook met de Torah. Het Woord dat is vleesgeworden moet immers niet vanuit een Grieks-wijsgerige context worden verstaan, maar vanuit de theologie van de ‘memrah’ zoals die met name in de vertaling van de Torah door Onqelos zo sterk wordt benadrukt. 

Het NT laat dus in Jezus twee gedachten samenkomen: zoon van God in een bijzondere zin is Israël, de uiteindelijke voortbrenging van hemel en aarde (als “toledah”), maar daarbinnen draagt de koning die titel als representant van het volk, beter nog, als de middelaar, naast (hoge-)priester en profeet, tussen God en Zijn volk. Jezusheeft dan ook, omdat Hij in volle zin de koning van Israël is, de geschiedenis van Israël te herhalen. Daarom kan Mattheus zeggen dat de tekst van Hosea 12 waarin Israël uit Egypte geroepen is, toepassen op Jezus die terugkeert na de vlucht naar Egypte. Zonder dat daarmee tekort wordt gedaan aan de blijvende inhoud van die tekst als verwijzing naar de exodus. De conclusie moet zijn dat in christelijk perspectief het onmogelijk is de Messias Jezus te erkennen zonder zowel Israël als de Torah daarbij mee te bevestigen, op die manier beschouwd is er van substitutie geen sprake en is er geen reden om te denken dat het NT-ische spreken over Jezus als het vleesgeworden Woord of als de Zoon van God een vervanging van de Torah of van Israël betekent.

1) De vraag is immers of het woord “bar” een opzettelijk gebruikt leenwoord uit het Aramees is, of zuiver Hebreeuws moet worden gelezen als “zuiverheid “.

Dit is mijn antwoord op wat we horen bij Tovia Singer. Zie daarvoor:

Keizer: geef ons heden ons dagelijks brood?

Lechem Ha-Machar: Brood van morgen

De evangeliën van Mattheüs en Lucas gebruiken het Griekse woord epiousion, “Geef ons heden ons epiousionbrood”. Maar het Griekse epiousion is een hapax legomenon, dat wil zeggen, het komt nergens anders voor in het klassieke, bijbelse of hellenistische Grieks. Het had geen woordenboekdefinitie of precedent in de Griekse literatuur en was dus een mysterie voor de vroege heidense kerken, die besloten het te vertalen als “dagelijks” of “nodig”.

In de Latijnse Vulgaat en latere Engelse vertalingen werd het weergegeven als “ons dagelijks brood”, ondanks het feit dat Jesjoea leerde dat zijn discipelen niet hoefden te bidden voor hun voedsel en kleding. De traditionele Engelse vertaling “dagelijks brood” heeft nooit een legitieme basis gehad.

Maar gelukkig hebben wij fragmenten van het Onze Vader in het Aramees, geciteerd door de Kerkvaders, die toegang hadden tot nu verloren gegane Aramese geschriften van de Ebionieten en andere Joodse christenen. Zij ontdekten dat het oorspronkelijke Aramese woord machar was, dat “van de toekomst, van de morgen” betekent. De morgen is een verwijzing naar het komende Messiaanse Tijdperk, waarin God bij de mensheid zal wonen en de Malchoet (het koninkrijk) in de harten van de mensheid zal wonen. Het “brood van de morgen” is een mystieke uitdrukking die verwijst naar de goddelijke leringen, ma’da (kennis), en razim (geheimen, openbaringen) die in de hemelen verborgen waren en in het komende Messiaanse Tijdperk bekend zouden worden, zoals die welke Jesjoea onder vier ogen openbaarde tijdens zijn sedermaaltijden met de discipelen. Daarom is er in het oorspronkelijke Aramees een contrasterend Semitisch parallellisme tussen “deze dag,” d.w.z. nu, in ons dagelijks leven, en “de morgen,” dat verwijst naar de ‘Olam Ha-Ba of het komende messiaanse tijdperk, wanneer Gods Malchoet volledig gevestigd zal zijn op aarde, d.w.z. in het menselijk hart en in de wereld.

Lewis Keizer, The Pre-Christian Teachings of Yeshua, p. 113 (PDF)

De benadering van Keizer – in gesprek met Jan Luiten

Met dank aan de schrijver van deze “vragen en opmerkingen”

Een aantal opmerkingen en vragen.

1. Ontwikkeling christelijk evangelie vanuit Paulus’ brieven in Griekssprekende heidense kerken: Paulus ging toch eerst altijd naar de Joden? En hij was toch zelf op en top een Jood? Zo snel zal er geen eigen christologie ontstaan kunnen zijn.

Paulus ging volgens het NT inderdaad altijd eerst naar de synagoge, naar de “joden” zoals je zegt.. Maar “joden” in de eerste eeuw betekent niet steeds hetzelfde. Doorgaan met het lezen van “De benadering van Keizer – in gesprek met Jan Luiten”

Het probleem van het kwaad – wordt Job gestraft voor het kwade dat hij deed?

Dit is zeker het probleem, het probleem der problemen. Over het algemeen is het het probleem waarom er überhaupt kwaad is, vooral in een universum dat geschapen is en geregeerd wordt door een algoede en almachtige God. Doorgaan met het lezen van “Het probleem van het kwaad – wordt Job gestraft voor het kwade dat hij deed?”

De verspieders – Likkutei Sichot

 

De Sidra van Sjelach bevat de episode van de verspieders die Mozes uitzond om inlichtingen in te winnen over het land Kanaän. Tien van de twaalf verspieders keerden terug met geringschattende berichten, dat het land weliswaar vruchtbaar was, maar dat de inwoners te sterk waren en hun steden te goed bewaakt om door de Israëlieten verslagen te kunnen worden. Het hele verhaal is doorschoten met moeilijkheden. Hoe konden de verspieders, zo kort na de wonderbaarlijke bevrijding uit Egypte, twijfelen of G-d hun de overwinning zou geven? Hoe kon het moreel van de Israëlieten zo gemakkelijk gebroken worden? Waarom hebben Kaleb en Jozua, de enige getrouwe stemmen onder de verspieders, de onrust niet weggenomen door de grote catalogus van wonderen te noemen waarin het volk getuige was geweest van de macht van G-d? Het is duidelijk dat er een zekere onrust lag onder de oppervlakte van het gedrag van de verspieders. Wat dat was, en hoe het ons kan beïnvloeden, is het onderwerp van deze Sicha. Doorgaan met het lezen van “De verspieders – Likkutei Sichot”