7 aanwijzingen voor een waarachtige revival van de Kerk

1

We belijden dat Gods Woord niet alleen de waarheid is (Joh. 17:17), maar het is ook voldoende, zoals we lezen in 2 Tim. 3:16.

Als het dus gaat om de vraag hoe de kerk een “revival” kan meemaken, zullen we er ook goed aan doen naar het Woord te luisteren. Wat is de eerste voorwaarde van een revival? Dat het volk als één man bijeenkomt. Zo lezen we in Neh. 8:2. “…verzamelde heel het volk zich als één man op het plein dat voor de Waterpoort ligt.” Er is dorst, en er is eenheid onder degenen die dorsten naar het Woord. Er moet levend water komen. En dat komt er, ze vragen er zelf om: “Breng het boek!”
Dat zou de strijdkreet van de nieuwe Reformatie moeten zijn. “Breng het Boek! Breng Gods Woord! Want we komen om van de dorst! Prikkelende alcohol van charismatische vernieuwers is er genoeg; dronken zijn we geworden, en we worden nu met een kater wakker. breng het Boek!”
Doorgaan met het lezen van “7 aanwijzingen voor een waarachtige revival van de Kerk”

Johannes (8) – Filippus en Nathanaël – De roeping van de eerste twee discipelen in Joh. 1:44-52

Het doel van het evangelie van Johannes is te bewijzen dat Jezus de Zoon van God is. Elk mogelijk getuigenis moet daarvoor worden verzameld. Om die reden is Johannes niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de manier waarop de eerste discipelen door Jezus zijn geroepen. Daarom vertelt hij over de ontmoeting met Andreas en Simon Petrus op de manier die we net gelezen hebben. Andreas en Johannes zijn in een gesprek met Jezus overtuigd geraakt van de waarheid van de prediking van Johannes de Doper. Dat maakt hen tot getuigen. Simon Petrus in het bijzonder is onder de indruk van het feit, dat Jezus al weet hoe hij heet voordat zijn naam door Andreas genoemd is. Op dezelfde manier en vanuit hetzelfde motief wordt nu in het gedeelte vanaf vers 44 verteld over Filippus en Nathanaël. De evangelist is geïnteresseerd in het getuigenis: “Wij hebben Hem gevonden…” – Vers 46. En dan in het wonder: “Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u.” – Vers 49. En vervolgens in het getuigenis van Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.” – Vers 50. Het gedeelte eindigt met een getuigenis van Jezus over zichzelf in vers 52.

We lezen vanaf vers 44. Hier komen we de tweede groep tegen, op de “volgende dag.” Dat is dan de vierde dag. Jezus is onderweg naar Galilea, een wandeling van ongeveer 25 km. Als je vroeg genoeg vertrekt kun je na vijf of zes uur lopen daar aankomen. Het ligt voor de hand om te denken dat Simon Petrus, Andreas en Johannes met Jezus waren meegegaan. Het doel van de reis zal wel geweest zijn om hun vrienden aan Jezus voor te stellen. En de eerste die ze tegenkomen was Filippus, uit het dorpje Bethsaïda, waar ook Andreas en Petrus geboren waren. Het is een klein vissersdorp aan de noord-oostelijke hoek van het Meer van Galilea. Later horen we dat Petrus in Kapernaüm woonde, zoals in Markus 1:21-29. Petrus was dus geboren in Bethsaïda, maar heeft gewoond in Kapernaüm. Zo was Jezus geboren in Bethlehem, groeide Hij op in Nazareth, en woonde in Kapernaüm toen Zijn zending eenmaal begonnen was.

We lezen dat Jezus Zelf Filippus vond. Hoewel Andreas en Simon goede bekenden van hem geweest moeten zijn, is het Jezus Zelf die hem ziet. In vers 45 zegt deze, dat hij en de anderen – dat moeten dan Andreas, Petrus en Johannes zijn geweest – dat “wij” dus, Hem hebben gevonden, “over Wie Mozes in de wet geschreven heeft.” En Filippus kent Hem ook nog als “Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” Er moet dus een lange conversatie zijn geweest tussen Jezus en Filippus waar we verder niets over horen; een soortgelijk gesprek had Jezus al met Andreas, Johannes en Petrus gevoerd. Er zit een mooie spanning in deze tekst. Filippus lijkt iemand te zijn geweest, sterker dan bij de eerste drie discipelen, die bezig was met het Oude Testament. Hij zegt dat hij de Messias gevonden heeft van wie Mozes en de profeten hebben getuigd. Dat moet hem zijn uitgelegd, en daar heeft hij vermoedelijk vragen over gesteld. Intussen weet hij heel goed wie Jezus is, dat wil zeggen hij kent de aardse werkelijkheid: “zoon van Jozef”, zegt hij, “uit Nazareth”, voegt hij eraan toe. Dat is dan ook het wonderbare getuigenis van Filippus tegenover Nathanaël. Het is alsof hij zegt: “Hier zie je een mens zoals wij, die is opgegroeid in Nazareth – Bethlehem wordt hier niet vermeld – en het is een mens zoals wij, want hij heeft een vader die Jozef heet. Jozef zal in deze dorpjes ook wel bekend zijn geweest als timmerman. Maar tegelijkertijd is deze “gewone” mens de profeet en de koning en het Lam van God over wie het Oude Testament getuigd heeft.

Nathanael merkt deze spanning op en reageert meteen: “kan uit Nazareth iets goeds komen?” Dat is begrijpelijk, als we beseffen dat Nathanael uit een nog kleiner dorpje afkomstig is, namelijk uit Kana. (Johannes 21:2) Die twee dorpjes Nazareth en Kana waren maar 15 km van elkaar verwijderd. Blijkbaar waren er veel familierelaties tussen de dorpjes, want we horen iets later dat ook de discipelen en de familie van Jezus waren uitgenodigd voor een bruiloft in Kana. Maar er moet ook rivaliteit tussen die dorpen zijn geweest, vandaar de opmerking: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” Het is spottend bedoeld, maar niet haatdragend.

Dan horen we in vers 47 hetzelfde als wat we al gehoord hebben in vers 39: “Kom en zie!” Vraag het Hem zelf maar, betekent dat. Ontdek het maar voor jezelf, hoe ongelooflijk het ook in je oren geklonken zal hebben, dat de Messias zomaar iemand uit onze eigen omgeving is, dat we Zijn vader kennen en dat er niets bijzonders aan Zijn familie is. Jezus ziet Nathanaël naar Hem toe komen. En nu geeft Jezus een getuigenis over Nathanaël. “Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is!” Een waarachtige gelovige in de ware God, een berouwvolle gelovige die door de prediking van Johannes de Doper is geraakt. Geen hypocrisie, geen dubbelzinnigheid, geen aanstellerij. Hij zegt niet het ene en denkt het andere. Nathanaël is een uitzondering in een volk vol afvalligen en hypocrieten. Mensen die ervoor gekozen hebben om hun eigen gerechtigheid op te richten, van wie de leiders in Jeruzalem met argwaan en angst naar de prediking van Johannes de Doper hebben geïnformeerd, en die er alleen maar op uit zijn om de rust te bewaren en hun eigen status te verzekeren. De Zoon van God kan hier zeggen dat er een waarachtige joodse gelovige voor Hem staat, en dan gebruikt de evangelist het woord “Israëliet”. (“Jood” reserveert hij voor de tegenstanders van Jezus uit het volk, die gewoonlijk uit Juda kwamen; vijandige Judeeërs dus=Joden.) Nathanael is een waarachtige zoon van Abraham, Isaak en Jakob. Iemand die de Schriften gelooft, en de Messias verwacht en de wil van God probeert te doen, niet alleen maar in de uiterlijke dingen, maar ook in de gezindheid van het hart. Jezus ziet aan deze mens de geestelijke gezindheid die alleen maar innerlijk te zien is. Hij zegt dus tegen Nathanael dat Hij zijn hart gezien heeft. Daarom vraagt Nathanael: “Hoe kent U mij dan?” Dit is de strekking van zijn vraag: “Hoe kun je ook maar iets over mij weten? Zit je mij te vleien, zonder reden? Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?” En dan komt het antwoord van Jezus, waar het de evangelist Johannes ook om te doen is. Nu komt het wonder: “Ik zag jou al toen je nog onder de vijgenboom zat.” Voordat Filippus naar Nathanael toe stapte, zat die misschien al onder een vijgenboom. Dat kon Jezus als mens niet geweten hebben. Maar de Zoon van God kon dat weten, omdat Hij met God de eigenschap deelt van alwetendheid. Net zo goed als Jezus kon weten waar Nathanael fysiek geweest is, zo kan Hij weten wat de innerlijke gesteldheid van het hart van Nathanael was. Dat maakt dit getuigenis voor Johannes de evangelist zo bijzonder.

Op grond van de aanwijzing van Filippus, en het wonderlijke spreken van Jezus als Zoon van God, komt Nathanael dan tot een belijdenis. Drie elementen heeft dat: “Rabbi” zegt hij. Jezus is voor hem de waarachtige leraar, de opvolger van Mozes zelf. “U bent de Zoon van God” – hij herkende in Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, God Zelf. Dan het tweede: “Zoon van God” betekent hier precies, wat het in de proloog betekende. “De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem (God) ons verklaard.” (1:18) Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, belijdt dat Jezus Christus “in het vlees gekomen is”, dat Hij het “vleesgeworden Woord” is. En dan het derde: “U bent de Koning van Israël.” Een drievoudige belijdenis dus. Eerst de relatie – Rabbi –, dan de Persoon – Zoon van God – en dan de functie of titel – Koning van Israël. En dat zegt deze Nathanaël over Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth. Hij heeft gedaan wat Filippus hem vroeg: “Kom en zie!” Nathanaël is gekomen en heeft gezien en heeft gehoord en is tot een belijdenis gekomen, heeft getuigenis afgelegd van Wie hij gevonden heeft.

Jezus maakt daarna meteen duidelijk, dat de motivatie achter het geloof van Nathanael niet genoeg is. Nathanael geloofde dat Jezus de Messias was, omdat Hij in staat bleek om hem al te kennen voordat ze elkaar ontmoet hadden. Hij gelooft op grond van het wonder van Jezus’ alwetendheid. Daarom zegt Jezus dat er nog grotere dingen zullen zijn, de discipelen zullen wonder na wonder na wonder meemaken. Maar het grootste wonder en de kern van alle wonderen wordt door Jezus aan het eind van de passage uitgelegd.

Vers 52 geeft ons nu de kern, het waarachtige teken of wonder dat de discipelen zouden meemaken. En het is dat wonder dat de waarachtige grondslag van hun geloof is. Niet de wonderlijke tekenen van genezing en alwetendheid en almacht. Het waarachtige teken vinden we in vers 52, ingeleid met de woorden “Voorwaar, voorwaar”. Met deze woorden wordt altijd een nieuwe openbaring ingeleid. “Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.” Dat is een verwijzing naar Genesis 28. Jacob krijgt daar te horen dat God Zijn beloften aan hem en zijn familie en nageslacht zou gaan vervullen. De belofte die ooit aan Abraham gegeven was. Ik zal jou tot een natie maken, ik zal jouw volk zegenen, ik zal verlossing brengen aan jouw volk, ik zal de hemel openen en de engelen heen en weer laten gaan om jou te beschermen en voor jou te zorgen tot dat de belofte vervuld zal zijn. Wat Jezus hier zegt is eenvoudig dat de macht van de hemel in Zijn bediening, in Zijn verkondiging zichtbaar zou worden. Jezus zegt hiermee tegen Nathanael: je zult zien in de wonderen die Ik doe, dat God met Mij is, en dat Hij Zijn beloften in Mij zal waarmaken. De wonderen zijn er niet voor zichzelf. Ze worden ook niet gedaan alleen maar om mensen te helpen – anders zou Jezus wel een bovennatuurlijk hospitaal hebben geopend om tot in eeuwigheid zieken te genezen. De wonderen zijn er om getuigenis af te leggen van het feit dat God waarachtig en volledig in Jezus van Nazareth present was. En dat op die manier, in de vernedering van de Zoon van God als mens, in wie tevens Gods genade en waarheid openbaar zijn geworden, God de belofte van Daniel 7 waar maakt. Want de Zoon van God is ook de waarachtige Zoon des mensen. In Daniël vinden we de titel “Zoon des Mensen” – “Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:14) Dat is wat Jezus hier zegt. Niet alleen dat ene bijzondere vermogen van alwetendheid, dat werd gedemonstreerd aan Nathanael, maar het voortdurende en krachtige getuigenis, dat de macht van de hemel aanwezig is bij en in Hem, die de beloofde Zoon des mensen is.

Wat betekent dan die verwijzing naar engelen die opklimmen en neerdalen? Het hele leven van Jezus is omringd door engelen, door bijzondere manifestaties van Gods macht. De engelen spraken tot Zacharias en zeiden dat de voorloper, Johannes de Doper geboren zou worden. Engelen spraken tot Maria, de moeder van Jezus. Een engel waarschuwde Jozef in de droom. Een koor van engelen kondigde de geboorte van Christus aan, tegenover de herders in het veld. De engelen kwamen aan het eind van de periode van 40 dagen in de woestijn, om Hem te dienen. Er zijn engelen bij het graf, er zijn engelen die Hem bij zijn Hemelvaart omringen. Hij had voortdurend de macht om een legioen van engelen op te roepen om Zijn wil te doen, zo getuigt Jezus tegenover Pilatus. Daarom is de verwijzing naar Genesis 28 zo fraai. Engelen die opklimmen en neerdalen tussen hemel en aarde. Een levende, sterke verbinding tussen hemel en aarde in het leven van Jezus.

Heel schematisch kun je in dit gedeelte zien hoe een mens behouden wordt. In de eerste plaats moet er een zoekende ziel zijn. Dat zagen we al in het vorige gedeelte, in vers 38. Jezus draait zich om en hij ziet Andreas en Johannes achter Hem aanlopen. Hij vraagt: “Wat zoeken jullie?” Ze zoeken het Lam Gods over Wie Johannes de Doper heeft gesproken, Die zou dopenb met de heilige Geest en Die de verlossing van zonde en schuld zou brengen. En dan zegt eerst Andreas tegen Simon, dat hij de Messias heeft gevonden. En zo zegt Filippus tegen Nathanaël, dat hij de Messias heeft gevonden. Je kunt Hem alleen vinden als je Hem zoekt. “Zoekt en u zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden.” Maar het motief achter dit zoeken is niet eenvoudige nieuwsgierigheid of een verlangen naar geluk. Het moet zijn uitgelokt door berouw, en een geloof in de Schrift. De verkondiging van Johannes de Doper was gericht op bekering, een afzien van de oude en kwaadaardige wegen, een ommekeer – en dus een totale morele vernieuwing – in de richting van God. De belijdenis van de zonden die Johannes de Doper gevraagd heeft voorafgaande aan de doop, was en is een reëel onderdeel van dit zoeken naar de verlossing. Maar hij gaf ook onderwijs in de Bijbel, leerde zijn discipelen wat er in de profeten en bij Mozes over deze Messias gezegd was. Die twee zaken dus: berouw en geloof in de Schriften.

En dan het tweede. Dat zoeken heeft geen enkele zin behalve wanneer de Verlosser ook zoekt. Daarom zegt Jezus tegen Filippus: “Volg Mij.” Het is Jezus die Zijn volgelingen zoekt en vindt.

En dan het derde. Er is ook altijd iemand die getuigenis aflegt. Hoe zullen mensen het evangelie geloven, als dat evangelie hun niet wordt verkondigd? Het is weliswaar niet de verkondiging die mensen tot geloof brengt, want dat is het werk van de heilige Geest. Maar het geloof, innerlijk gewekt door de heilige Geest, wordt uiterlijk mogelijk gemaakt door het horen, het horen van de verkondiging van het evangelie.

En die verkondiging van het evangelie is altijd hetzelfde: “kom en zie!” Eerst komen. Daarin zit de gedachte dat je je oude manier van denken moet loslaten, dat je jezelf moreel moet oordelen in het licht van Gods Woord. Het is ook een komen in de zin van de schrift leren kennen, de Bijbel lezen, de verkondiging in de kerk horen. Dat alles is een komen. En dan ook nog het zien. Je ogen en je hart en je oren openstellen voor de Persoon over Wie de verkondiging gaat, over Wie de Schriften spreken. Zien met het innerlijk oog, inzien en tot je laten doordringen. Het heeft geen enkele zin om met verstandelijke redenaties te proberen de overgang te maken van ongeloof naar geloof. Dat wil niet zeggen dat bekering een onredelijke en blinde sprong in het geloof is. Maar het sluit wel uit dat we met het verstand, zonder de betrokkenheid van ons hart en geweten de keuze voor Christus kunnen maken. De heilige Geest overtuigt ons van de zonde in ons hart, van de noodzaak van verlossing, en wijst op Hem die onze Verlosser wilde zijn.

En wij? Wij hebben alleen maar als taak – dat heet de bediening van de verzoening – om mensen ertoe op te roepen zich te laten verzoenen met God. Kom en zie! – zeggen wij. Om aan onze naasten en buren en familie te zeggen, wat Filippus tegen Nathanael zegt. Wat zegt hij dan? God wil verlossing schenken. De Zoon van God is gekomen en wilde die verlosser zijn. En als jij jezelf aan die verlosser toevertrouwt, zul je de genade en de waarheid van God leren kennen. Dan zul je vergeving ontvangen van je zonden en bevrijding van je schuld en zul je in de kracht van de heilige Geest nieuw leven ontvangen. Het leven namelijk zoals God het bedoeld heeft.

Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21

Zusters en broeders, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Het hoogtepunt van het evangelie van Marcus is ongetwijfeld het gedeelte net hiervoor, waar we Petrus horen zeggen dat Jezus de Messias is. Deze belijdenis is de juiste beoordeling van Jezus. Hij is niet een soort Johannes de Doper, Hij is niet Elia, Hij is niet zomaar een van de profeten, maar Hij is de Christus, de Messias. Het moet voor de discipelen wel teleurstellend zijn geweest, dat meteen daarna Jezus begint uit te leggen dat de Zoon des Mensen door de diepste vernedering heen moest gaan. Hij moest lijden en verworpen worden en zou gedood worden. Doorgaan met het lezen van “Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21”

De gerechtigheid die de Geest in ons werkt: parafrase van Romeinen 8

PARAFRASE ROMEINEN 8

GEEN VERDOEMENIS

Ik kan hier nu alvast een conclusie trekken en dat is deze: voor hen die in Christus Jezus zijn, met Hem verbonden zijn, gelijk geworden zijn in Zijn dood en opstanding, voor die mensen is er geen verdoemenis meer. Het rechtvaardig oordeel van God over hen leidt niet tot de straf die daarmee verbonden is. “Verdoemenis” is namelijk niet alleen het oordeel dat God velt, maar juist ook het vonnis dat Hij voltrekt. Het is oordeel en strafuitvoering inéén.
Natuurlijk zijn we nog niet geheel en al bevrijd van de macht van de dood en de zonde, dat blijkt ook steeds weer. De zonde is een macht die nog steeds ons zijn wil oplegt in het dagelijks leven. Ons doen en laten wordt er telkens mee besmet. Toch komen we om die reden niet alsnog in het oordeel terecht en hoeven we daar geen angst voor te hebben.
De Geest van Christus heeft ons daarvan vrij gemaakt. De Geest heeft ons onder een ander regime geplaatst en daardoor zullen wij leven. Dat wil ik jullie nu uitleggen.

GODS REDDENDE WERK

Het volgende is gebeurd:
God heeft gedaan, wat de Wet op zichzelf niet bij machte was te doen. Oorspronkelijk heeft God de Wet gegeven als een weg naar het leven. Maar langs de weg van de Wet werd het heil niet bereikt. Dat kwam door de verdorvenheid van de mens. Tegenover de zonde in het menselijk leven stond de Wet machteloos. God heeft daarom een andere weg gekozen. Toen duidelijk gebleken was dat op grond van de werken van de Wet niemand het zou redden om voor God rechtvaardig te zijn.
Toen heeft God Zijn Zoon gezonden. Waarom? Vanwege de Wet en vanwege de zonde. De zonde moest worden veroordeeld en de Wet moest in het gelijk worden gesteld.
Daarom is de Zoon van God volkomen aan ons mensen gelijk geworden. Hij is vlees geworden, hetzelfde vlees dat in ons de zonde dient; hetzelfde vlees dat weigert de eis van de Wet te vervullen. Maar Christus heeft ondanks het feit dat hij vlees was, net zoals wij, juist niet gezondigd zoals wij. Hij heeft in het vlees de eis van de Wet volkomen vervuld. Daarmee is aangetoond dat de Wet volmaakt en heilig en goed is en dat we de Wet geen verwijt kunnen maken. Dat er verdoemenis is, dat ligt aan ons. Het grote obstakel voor Gods liefde is onze schuld en onze zonde. Daarmee heeft God ook een begin gemaakt met het wegnemen van de zonde.

GODS DOEL MET ONS: VERANDERING

Het is dan ook duidelijk dat Christus gekomen is vanwege de zonde, om de zonde als macht op te heffen. Niet alleen om ons te bevrijden van het oordeel, maar ook om ons te veranderen. God laat Zijn Wet uiteindelijk niet vallen. Zijn wil moet worden gedaan. God is daarin ook geslaagd. De rechtvaardige eis van de Wet wordt wél vervuld, eerst in Jezus Chrisuts, Zijn Zoon en dat gebeurt nu in ons, door het geloof, omdat we Christus door Zijn Geest onze handel en wandel laten bepalen. De zonde heerst niet meer over ons, door te bepalen hoe we in het leven staan, maar Gods Geest heerst over ons, omdat we in Christus zijn en niet langer alleen leven in het vlees, d.i. geleid worden door de driften en gedachten die uit ons natuurlijke bestaan voortkomen. We hebben een geheel andere levenshouding gekregen. We leven nu in de Geest van Christus.

MENSEN VAN HET VLEES EN MENSEN VAN DE GEEST

We moeten namelijk een nauwkeurig onderscheid maken tussen twee groepen mensen. Er zijn mensen bij wie geheel het leven en heel hun denken wordt bepaald door hun natuurlijke neigingen, door hun vlees. Van de werken van het vlees is hun leven dan ook vol. Maar dan zijn er ook andere mensen, die verlangen naar de vrucht van de Geest.
Hierin ligt dan het scherpe onderscheid: de mensen van het vlees streven naar een leven dat geheel en al in de macht van het verderf ligt, terwijl het leven uit de Geest geheel en al vervuld is van leven met God en vrede bij God.
Ga maar na: wat voortkomt uit het leven in het vlees is per definitie opstand tegen God. We zijn immers allen kinderen van Adam. Het vlees is “naar het beeld van Adam” en daarom is het rebellie in plaats van gehoorzaamheid aan de Wet. Het natuurlijke leven in het vlees is niet in staat iets anders te doen dan tegen Gods wil in te gaan. Het is immers een manier van leven waarin de zonde – de begeerte van het vlees, de lust van de ogen en de hoogmoed van het leven –  domineert en niet de Geest. Opnieuw: dat komt omdat het vlees met zijn natuurlijke neigingen in dat geval een mens volkomen in de greep heeft en daaraan kan de zonde zijn macht uitoefenen.

GELOVIGEN IN DE GEEST

Na wat ik eerder gezegd heb in hoofdstuk 5 en 6 kan het geen verrassing voor jullie zijn als ik zeg dat jullie, als gelovigen, niet “in het vlees” zijn. Jullie zijn niet langer “natuurlijke” mensen, want er is iets beslissends bij jullie gebeurd. Wat jullie waarderen, hoe jullie leven, waarop jullie gericht zijn en waarnaar jullie streven, dat alles wordt nu door de Geest van God bepaald. De zonde heeft zijn macht over jullie verloren. En dat komt omdat de Geest van God niet als eis aan het vlees wordt opgelegd, maar van binnenuit in jullie werkt – de Geest woont in jullie. Jullie leven is van Hem. Wie dat niet zeggen kan en de Geest niet in zich heeft, kan zich ook geen Christen noemen. Als je een gelovige bent, dan woont de Geest van Christus in je; dat is Zijn belofte. We zeggen dat trouwens omdat we vertrouwen op Zijn Woord en niet omdat onze persoonlijke ervaring ons dat leert.

HET LICHAAM NOG NIET VERLOST

Als we dat hebben vastgesteld, dat de Geest van Christus in jullie woont, wil dat niet zeggen dat ons lichaam niet langer te maken heeft met de macht van de zonde en daarom ook met de macht van de dood. We zijn nog niet geheel en al bevrijd. Toch doen wij wel degelijk de gerechtigheid van God en voldoen we aan de rechtvaardige eis van de Wet. Dat laat zien dat we waarachtig het leven van Christus hebben ontvangen. Uiteindelijk zal echter de bevrijding volledig zijn en zal ook ons lichaam worden bevrijd van de macht van de zonde en de dood. Ons lichaam komt niet in Gods rechtvaardige oordeel terecht, want de Geest van Christus woont nu al in ons. Dat is de Geest van Hem die Christus uit de doden heeft opgewekt, die dus volledige macht heeft over de dood. Die Geest is het die in ons hart werkt. Door die Geest van de opstanding en het leven zal God ook onze lichamen uiteindelijk tot leven wekken en ons volledig bevrijden van de macht van de zonde en de dood. Dan is er ook geen strijd meer, zoals we die nu wel hebben, tussen ons geestelijk verlangen om Gods wil te doen en het feit dat we maar al te vaak toch uiteindelijk iets anders doen, namelijk de zonde. Daaraan zien we juist, dat de zonde nog macht heeft, zoals ik heb uitgelegd in hoofdstuk 7. Die strijd zal eenmaal voorbij zijn, en dan doen we volkomen Gods wil omdat de Geest van Christus zowel onze geest als ons lichaam zal beheersen.
Het is daarom wel duidelijk dat je van ons niets zult horen wat lijkt op de gedachte van sommigen, dat we maar raak kunnen leven omdat we toch niet meer in de verdoemenis zullen komen. Dat zou geheel en al in strijd zijn met het nieuwe leven dat we ontvangen hebben. Zoiets kunnen we gewoon niet eens denken. Gelukkig kunnen we ook niet werkelijk meer teruggaan naar een leven onder de zonde. Wanneer we zondigen is dat onopzettelijk; en het is niet onvermijdelijk meer, zoals toen we nog wel onder die tiran zuchtten. Als dat wel zo was, dan zouden onze heerlijke toekomst en de genade van God kunnen verspelen. Dan zouden we opnieuw komen te staan op de weg naar de verdoemenis.
Maar ik zei al, dat er voor hen die in Christus Jezus zijn, geen verdoemenis is. Ook niet wanneer we af en toe toch zondigen door onoplettendheid of door de zwakte van het vlees. Desondanks is wel duidelijk dat het onze verantwoordelijkheid is om niet toe te geven aan de verleiding van het vlees zodat de zonde bij ons geen kans meer krijgt. De zonde heeft weliswaar geen macht meer over ons, maar wanneer we niet opletten, grijpt hij zijn kans en brengt ons er toch toe om te doen wat niet behoort. Laten we ons maar beter concentreren op de weg van het leven. Dat is: dat we de Geest van Christus in ons leven laten regeren en dat we in de kracht van die Geest alle verkeerde handelingen staken en verkeerde neigingen laten sterven.

ZONEN EN KINDEREN VAN GOD

Wie dat doen, wie zich zó onder de macht van de Geest plaatsen, die mensen zijn werkelijk “zonen van God” omdat ze hun karakter door Hem laten vormen.  Wie zich door Gods Geest laat leiden, is pas echt een kind van God. (“Zoon” slaat op verantwoordelijke positie en gevormd karakter; “kind” wijst op het feit dat we door adoptie in Gods zorg en levenskring – familie – zijn opgenomen en van Hem afhankelijk zijn.)
Overweeg het maar eens: God wilde dat wij zouden leven als Zijn kinderen. Hij wilde niet dat wij slaven van de zonde zouden zijn, maar evenmin dat we slaven onder de Wet zouden zijn. Ook al zijn we alleen maar “slaaf” omdat de Wet ons vlees onderwerpen moet. Als we niet aan de macht van de zonde waren onderworpen zouden we de Wet vrijwillig en met vreugde hebben vervuld.
Dat ligt, zoals ik zei, niet aan de volmaaktheid van de Wet. God wilde in ieder geval niet dat we zouden leven in angst, zouden gehoorzamen omdat we bang waren voor het oordeel. Dat is niet de Geest waarover ik gepredikt heb. Het evangelie dat jullie hebben gehoord hield in, dat God jullie tot Zijn geliefde kinderen, ja tot erfgenamen wilde maken. Dat is wat de Heilige Geest zelf aan jullie harten gepredikt heeft. Dat blijkt uit het feit, dat het juist de Heilige Geest is die jullie de vrijmoedigheid heeft geschonken God als jullie Vader aan te roepen.
Het is immers de Heilige Geest die getuigenis aflegt tegenover onze geest dat wij kinderen van God zijn. Gelukkig maar, want uit onszelf zouden we dat nooit hebben aangenomen. Op grond van het evangelie geloof en weet ik dat, niet op grond van mijn eigen ervaring. Vanwege dit getuigenis van de Geest aan mij, kan ik me dan nu ook laten leiden door die Geest en mijn levenshouding, gedrag, strevingen, heel mijn leven baseren op het feit dat ik een kind van God ben. Op die manier komen de Geest en mijn geest dan met elkaar overeen, doordat ik me buig voor het getuigenis dat de Geest in mijn hart legt. Wat jullie toch merken elke keer weer als je God mag aanspreken met “Vader” en dan beseft dat Hij dat werkelijk is!

DE RIJKDOM VAN DE ERFENIS

Wat een rijkdom is het intussen een kind van God te mogen zijn. Erfgenamen zelfs! Wat betekent dat eigenlijk, dat we erfgenamen van God zijn? Wie is de echte erfgenaam? Dat is Christus, de Zoon van God. Maar nu wij zijn “geadopteerd” zijn we in volle zin ook kinderen van God geworden, zoals Christus Jezus het ook is. Wij delen dus in alles wat de Vader geven kan en wil met Christus. Heel concreet: wij zullen straks ook delen in de heerlijkheid van de Zoon. Dat is de erfenis die God Hem geschonken heeft, en die Hij ook aan ons schenken zal omdat wij mede-erfgenamen van Christus zijn geworden.
Denk er wel aan, dat wij nu al mede-erfgenamen geworden zijn, en dat is voordat de heerlijkheid van de Zoon over de aarde zichtbaar is. In deze tijd en in deze wereld lijdt de Zoon van God alleen maar smaad en hoon. Dat is dan, als mede-erfgenamen, ook ons deel in dit huidige bestel. Wij delen in Zijn smaad. Wij worden vervolgd vanwege Zijn Naam. Dat is trouwens helemaal niet erg, want dat hoort erbij. Straks zullen wij delen in Zijn verheerlijking net zozeer als dat we nu deelhebben aan Zijn vernedering. In ieder geval geldt voor ons dit beginsel: dat wij niet leven alsof ons leven ons toebehoort, maar dat we leven in het besef dat we Hem toebehoren. We moeten een leven leiden dat waardig is voor een erfgenaam met Christus.
Dat brengt lijden met zich mee, zoals ik al zei, maar dat lijden is nauwelijks te vergelijken met de heerlijkheid die ooit aan ons geopenbaard zal worden. Het ene weegt niet op tegen het andere. Het lijden valt in vergelijking met de heerlijkheid in het niet. Vanwege dat lijden verlangen we ook zozeer naar de dag dat die heerlijkheid geopenbaard zal worden en het duidelijk zal zijn voor iedereen dat wij waarachtig kinderen van God geworden zijn. Dat is immers ook de dag dat Christus in Zijn volle heerlijkheid openbaar zal worden en Zijn Koninkrijk zal aanbreken. Dat verlangen is niet beperkt tot ons trouwens.

HET ZUCHTEN VAN DE SCHEPPING

Ga maar na als je naar de schepping kijkt. Is het niet zo dat de hele wereld zucht en kreunt en verlangt naar de dag dat ook zij bevrijd zal zijn van de vloek? Wanneer de kinderen van God verheerlijkt zullen worden, dan zal dat ook gebeuren met Gods schepping. In de heerlijkheid van de zonen van God zal de schepping zelf delen. Nu is dat nog helemaal niet zo. In de schepping is er groei, een kortstondige bloei en dan sterven. Een zinloze cyclus van opkomen en vergaan. We weten dat de schepping is onderworpen aan een vergeefsheid en een doelloosheid die oorspronkelijk niet bij haar hoorde. “IJdelheid” noemt de Prediker dat.
Die ijdelheid is niet de schuld van de schepping. God heeft haar moeten onderwerpen aan die ijdelheid vanwege ons. Het aardrijk is vervloekt vanwege onze zonde!
Toch is er hoop. De schepping is nu weliswaar aan verderf en dood onderworpen, maar er komt een dag dat zij daarvan bevrijd zal worden. Wanneer God Zijn kinderen bevrijdt, zal Hij ook de schepping zelf bevrijden. Daarom is er een diep zuchten dat je door de schepping heen voelt gaan en daarom is er die zware worsteling om het leven. Het lijkt op de geboorte van een kind. Wat de schepping ervaart is niet de pijn van een hopeloze ondergang, maar de voorbode van een nieuwe tijd die komen zal.

HET ZUCHTEN VAN DE GELOVIGEN

Wijzelf zuchten net zo goed, ondanks het feit dat wij weet hebben van onze verlossing. Ook wij verlangen naar een toekomstige heerlijkheid. Daar hebben we zelfs nog meer reden toe. Wij ontvingen immers de Geest van Christus. Die Geest is al begonnen met de vernieuwing en verheerlijking. Daaraan zien we dat het absoluut zeker is, dat die heerlijkheid er ook in de toekomst komen zal. De veranderingen die we nu ondergaan zijn een zeker teken van de uiteindelijke totale verlossing. Nu onze ziel, maar straks ook het lichaam. Denk maar aan de oogst: eerst zijn er de “eerstelingen”, daarna de volle oogst. Ook Gods verlossing doorloopt verschillende fasen. Daarom is er ook voor ons nog iets om naar uit te kijken met een diep verlangen en dat is dat ons lichaam straks ook verlost zal zijn van de macht van de zonde en de dood.
We kunnen dus zeggen dat we verlost zijn in en met hoop. We zien die volmaaktheid nog niet, want als je het zou kunnen zien is het geen hoop meer, dat spreekt vanzelf. Onze redding heeft tot doel, dat we op de toekomstige verlossing gaan hopen. Toch helpt deze hoop ons nu al. Want de zekerheid van Gods toekomstige verlossing geeft ons in het heden de kracht om vol te houden en spoort ons aan om geduldig af te wachten. Daarom klagen wij niet zoals zovele anderen omdat we menen dat we recht hebben op een beter leven. Maar omdat we weten wat de toekomst zal brengen, zuchten wij wel van verlangen.

HET ZUCHTEN VAN DE GEEST

Zuchten, dat doet de Geest Zelf ook. Het is Gods Geest die ons de kracht geeft om te hopen en geduldig te zijn. Als wij bidden, weten we vaak niet hoe we moeten omgaan met onze status in het heden en de belofte van de toekomstige verlossing. Zo horen we immers te bidden. Als zonen van God die zeker zijn van hun erfenis. Vaak is ons gebed een gebed vanuit het kortzichtige verlangen van het vlees, en vaak is ons gebed onwaardig tegenover onze status als zonen van God. We bidden vaak vanuit het vlees. De Geest neemt het gelukkig van ons over. Hij bidt in onze plaats, op de achtergrond van onze vaak zo armelijke gebeden. De Geest bidt met een zuchten en kermen dat onze menselijke taal te boven gaat en dat we daarom niet kunnen horen. God als kenner van de harten van mensen, begrijpt uiteraard wat in het hart van de Geest is. Het gebed van de Geest – en bij gevolg ons gebed dat door de Geest gedragen wordt – is dus een volmaakte communicatie met God.
Het gebed van Gods Geest wordt daarom ook altijd verhoord. De Geest bidt immers – anders dan wij – in volkomen overeenstemming met Gods karakter en met een volkomen inzicht in Gods wil. En dat niet alleen, maar de Geest bidt ook vóór ons in de zin dat Hij het voor ons opneemt, dat Hij pleit voor ons bij God. De Geest kent bovendien onze eigen werkelijke behoeften. Veel beter dan wij dat zelf weten, kan de Geest dus bidden voor wat we werkelijk nodig hebben. Dat geeft ons de zekerheid dat alles wat de Geest namens ons bidt, door de Vader ook zal worden verhoord. Wat niet geldt voor ons gebrekkige bidden met een beperkt inzicht in wat we zullen bidden naar behoren.

VAN VOORKENNIS TOT VERHEERLIJKING

Voor gelovigen is er dus een leven van lijden en bidden; ondanks de redding uit het oordeel en ondanks de gave van de heilige Geest, zijn we er nog niet. Maar we weten dat alles wat ons overkomt toch in dienst staat van onze uiteindelijke verheerlijking. We zijn immers niet zomaar en willekeurig geroepen en uiteindelijk hing het niet af van ons initiatief. God heeft in de eeuwigheid een voornemen opgevat. En in dat voornemen heeft Hij ons in liefde gekend. Op grond van die liefde heeft Hij ons een bestemming gegeven, namelijk dat we gelijk zouden zijn aan Zijn Zoon in heerlijkheid. En dat voornemen voert God dan ook uit door ons te roepen en te rechtvaardigen – vrij te spreken van het oordeel – en ons uiteindelijk ook te verheerlijken. Dat is de gouden ketting van Gods werk aan ons: voorkennis, voorbestemming, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking. De kern daarvan is dat Hij ons gelijkvormig wilde maken aan Zijn Zoon. Waarom? Opdat die Zoon te midden van velen de Eerstgeborene zou kunnen zijn. In ons als degenen die door Christus gered zijn, straalt de heerlijkheid af van de Zoon van God.
Die verheerlijking is zeker en vast. Die zal plaatsvinden. Dat is een eeuwig raadsbesluit van God. Daarom zijn we tot geloof geroepen en gerechtvaardigd, om ons aan Christus’ heerlijkheid deel te laten hebben. Het is zeker en vast, omdat God het besloot vanwege Zijn Zoon!

GEEN ANGST MEER, MAAR OVERWINNING

Komen we dan tot een conclusie, dan moet het deze zijn: we hebben niets meer te vrezen. Het is duidelijk dat God Zelf aan onze kant staat in de strijd van het leven. Wie of wat kan ons dan hinderen om onze eindbestemming te bereiken?
Ga maar na: God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem om ons te redden in de dood overgegeven. Als God ons Zijn Zoon schenkt, is er dan nog iets dat ons niet geschonken wordt? Als straks die Zoon Zijn erfenis ontvangt, zal God ons dan minder geven dan het ons beloofde erfdeel? Kan er dan iets ontbreken aan de gave van Gods genade die ons is toegezegd? Zullen we dan toch nog in het oordeel staan en dus in de verdoemenis komen? Zal er straks een aanklager zijn die het God verhinderen zal om ons de volkomen verlossing te schenken? Als het God Zelf is die deze grootse dingen aan ons doen wil, wie zal dat dan kunnen tegenhouden? Is er dan iemand die met succes een beschuldiging kan inbrengen tegen mensen die God juist heeft uitgekozen om niet in het oordeel te staan? Wie zal kunnen veroordelen, wanneer God vrijspreekt? Het enige antwoord op al deze vragen is: nee, niets en niemand!

GODS LIEFDE IS VAST EN ZEKER

Laten we dit feit maar als houvast nemen. Christus Jezus is voor onze zonden gestorven en heeft volkomen genoegdoening bewerkt voor al onze zonden. En nu Hij verhoogd is en aan Gods rechterhand gezeten is, neemt Hij het in Gods hemelse rechtszaal voortdurend voor ons op. Dat is het kenmerk van de liefde die Christus voor ons heeft: dat Hij voortdurend met ons bezig is, ons ten goede. Wie kan die liefdesband verbreken? Wat kan die relatie met Hem verstoren? Als iemand ons berooft van voedsel of kleding, is Zijn liefde voor ons dan onzeker geworden? Als we bedreigd worden met gevaren, zelfs voor ons leven, is de liefde van Christus daarom minder geworden? Want die situatie waarin we ons als gelovigen bevinden is een realiteit van alle eeuwen, hoor maar: “O God, omdat we Uw volk zijn, staat men ons voortdurend naar het leven. Men houdt ons voor vee, dat moet worden afgeslacht.”
Als dat zo is, en als benauwdheid en lijden dus een vanzelfsprekende realiteit zijn voor gelovigen in deze wereld, die nog moeten wachten op de dag van de bevrijding, dan zijn dit geen ervaringen die ons van onze zekerheid kunnen beroven en ons laten twijfelen aan de liefde van Christus. Wij overwinnen. Altijd en met glans. Christus zelf zorgt er voor dat we er altijd als overwinnar uit komen, in wat voor omstandigheden we ons ook bevinden. Hij heeft ons liefgehad en heeft ons lief en die liefde wijkt voor niets. Al komt er onheil van de aarde, al daalt het af van de hemel; of er nu engelen zijn die ons naar het leven staan of andere machten, of dat nú gebeurt of in de toekomst die nu al dreigt; al zijn er krachten in het werk van boven of uit de afgrond, welk schepsel het ook maar kan zijn die ons bedreigt, niets en niemand kan ons losmaken uit de band van de liefde die God heeft geopenbaard voor ons in Christus Jezus. Hij is het in wie en met wie wij veilig zijn. Hij is onze Heer en Meester!