Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap

Een politieke theologie zou kunnen beginnen met het begrip theocratie. Letterlijk betekent dit Gods regering, oftewel Koninkrijk Gods, of Koninkrijk der hemelen. Dit woord staat centraal in de verkondiging van Johannes de Doper, en in de verkondiging van Jezus zelf.

Het woord theocratie wordt voor het eerst gebruikt door de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus om een goddelijk koningschap aan te duiden in onderscheid tot een monarchie of een hierocratie (een regering door de priesterlijke stand). God regeert rechtstreeks over Zijn volk. Een menselijke koning kan dan ook alleen maar een vice-koning zijn die de wil van God voor het volk zichtbaar maakt. Om het met een modern taalgebruik te zeggen: God is de wetgevende en de koning is hooguit de besturende macht. God is de eigenaar van het volk, en de koning alleen de aangestelde herder. Deze theocratie is de kern van wat we de politieke theologie van Israël zouden kunnen noemen. Ik geef hier het gehele citaat: Doorgaan met het lezen van “Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap”

Engelen als woorden van macht – Walter Wink

Hoe kunnen wij de taal van de Bijbel over de “overheden en machten” als moderne mensen verstaan? We nemen aan dat in de antieke wereld deze machten letterlijk werden gezien als onzichtbare demonen die met hun vleugels rond flapper een in de lucht, en ongelukkige sterfelijke mensen af en toe raken met ziekte, of dood.

Als moderne mensen nemen we aan dat we deze klassieke teksten alleen maar kunnen opvatten als uitingen van hallucinaties, zonder fysieke basis, zodat we hun beschrijvingen moeten afdoen als restanten van mythisch denken. (Hoewel sommigen met moderne fysische opvattingen de taal van de Bijbel geheel en al letterlijk nemen.)

Wat voor ons heel moeilijk is, dat is nadenken in een dimensie die tussen het fysische en het metafysische in staat, en die we de symbolische orde, of de orde van de verbeelding moeten noemen. Wij kunnen over de machten niet nadenken zoals de Bijbel dat doet: als realiteiten zonder substantie, als geestelijke wezens die toch geen bestaan hebben buiten hun concrete aanwezigheid in de zichtbare wereld. Onze tactiek om ermee om te gaan is meestal deze: we lezen de geestelijke wezens in de Bijbel alsof het personages zijn, en vervolgens beoordelen we het door ons gebruikte begrip persoon als onwetenschappelijke vorm van bijgeloof. Wat de Bijbel verstaat onder een macht en wat wij daarmee bedoelen komt daardoor volledig uit elkaar te liggen. Wanneer we willen begrijpen wat de Bijbel onder deze machten verstaat, moeten we niet onze eigen sociologische categorieën van macht op de Bijbelse teksten toepassen. Wat we moeten doen is kijken naar het unieke vocabulaire en de begrippen uit de eerste eeuw, en proberen ons voor te stellen wat mensen uit die tijd bedoeld hebben met deze taal van de machten, binnen hun eigen wereldvisie en binnen hun eigen mythische referentiekader.

Natuurlijk mogen wij niet geloven in wat niet bestaat. Maar het is gevaarlijk om niet te geloven in datgene wat bestaat buiten onze beperkte categorieën. De overheden en machten van het Nieuwe Testament kunnen niet zomaar worden vertaald in de categorieën van de moderne sociologie of psychologie. De overheden en machten kunnen zeker wel worden opgevat als instituties, sociale systemen en politieke structuren. Zo komt ook een christelijke sociale ethiek, of een politieke theologie tot stand vanuit de taal van het Nieuwe Testament.

Toch blijft er dan een onzichtbare, geestelijke dimensie over die een ernstige realiteit bevat. Zeker, de taal van de overheden en machten verwijst naar de innerlijke en uiterlijke kant van een manifestatie van macht. Er is een geestelijke mentaliteit werkzaam in instituties, en dat is de innerlijke kant. Er is ook een uiterlijke kant: politieke systemen, aangestelde ambtenaren, wetten, alle tastbare manifestaties die macht ook heeft. Elke macht heeft een zichtbare kant en een onzichtbare kant. En die twee kanten ontstaan tegelijkertijd.

Wanneer een bepaalde macht zichzelf boven God plaatst, wordt die macht demonisch. De taak van de kerk is de afgoderij te ontmaskeren en zo de machten terug te roepen tot het doel dat God voor hen heeft aangewezen. Zo zegt Efeze 3:10:

Opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt.

De uitdrukking “in de hemelse gewesten” duidt niet op hun fysieke plaats van bestaan, maar op de pretentie dat ze goddelijk zijn, boven de mens staan in gezag en macht. Een materialistische verklaring wordt hier metafysisch – het is dan een tastbare maar tegelijk onzichtbare realiteit in een specifieke, hoewel onzichtbare plaats. Een spiritualisme geeft als verklaring dat het uitdrukkingen zijn voor een mentaliteit of een ideologie. Beide voldoen echter niet.

De taal van de machten loopt door het hele Nieuwe Testament heen. De ontmaskering van de machten is een belangrijk thema in de uitleg van het evangelie. Het Koninkrijk van God behelst de vol van deze machten of nog beter: het terugbrengen van deze machten onder het gezag van God.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is zeer gevarieerd. Er is sprake van heersers in Mattheus 20, koningen, hogepriesters in Lukas 24, engelen en machten in Romeinen 8, machten en namen in Handelingen 4, autoriteiten en delegaties in Handelingen 26.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is niet systematisch en het is mogelijk dat woorden wisselend worden gebruikt zowel voor menselijke machthebbers als voor de “machten” in de hemelse gewesten, dus met een element van het metafysische.

Desalniettemin vertonen deze kernwoorden in het Nieuwe Testament een duidelijk patroon van hun gebruik.
Archè wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het ambt, of de structuur van de macht – regering, Koninkrijk, machtsgebied.
Exousia is een aanduiding voor de sancties en vormen van legitimatie waardoor de macht wordt gehandhaafd, het heeft normaal gesproken een abstracte betekenis.
Thronos duidt een zetel van de macht aan, de plaats waar de macht is geconcentreerd.
Het woord “naam” refereert aan het geheel van de persoon die macht uitoefent, een rang bekleed of beroemd is.

De lijst van Romeinen 8:38-39 is bijna compleet: dood, leven, engelen, overheden, tegenwoordige dingen, komende dingen, machten, hoogte, diepte zijn allemaal termen voor deze machten in de symbolische orde. Met een onzichtbare kant en een zichtbare kant.

Alle machten in het Nieuwe Testament zijn goddelijk en menselijk, geestelijk en politiek, onzichtbaar en structureel, hemels en aards. Zo lezen we in Kol. 1:16

“In Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.”

De machten komen uit Christus voort en zijn bestemd om Hem te dienen. De machten worden demonisch en afgodisch als ze zichzelf dienen er goddelijke eer opeisen.

Kijken we in het bijzonder naar de taal van de engelen.

Engelen zijn de machten in hun hemelse vorm. Ook hier vinden we de dubbelzinnigheid van alle termen van de macht. Een engel is ook een menselijke boodschapper, of een ander woord voor de Heilige Geest. Zo bijvoorbeeld in Lukas 9:26 waar we lezen dat de Zoon des mensen komen zal in zijn heerlijkheid en die van de Vader en van de – en dan verwachten we Heilige Geest maar dan staat er – en van de heilige engelen.

Engelen worden aangeduid met een veelheid van termen. Het woord engel is blijkbaar synoniem met de meeste andere woorden voor macht in het Nieuwe Testament. Het lijkt erop dat het woord engel gebruikt wordt om machten aan te duiden niet als personen zozeer, maar als gepersonifieerd, dat wil zeggen machten die van Gods wegen uitgaan met de verstaanbare boodschap, dus in een situatie van communicatie.

Sinds Daniël 10 is het ook gebruikelijk om engelen te beschouwen als vertegenwoordigers van de mentaliteit van een volk, als de hoeder van hun bestemming. Dat werd ook ligt op een passage in 1 Kor. 6:3 waar Paulus zegt dat wij engelen zullen oordelen. Het lijkt mij dat dat dan engelen zijn die de volkeren representeren, en dat Paulus hier eenvoudig zegt dat wij betrokken zullen zijn bij het oordeel over de volkeren – overigens een bekend motief in de rabbijnse literatuur.

(Wordt vervolgd)

Het charismatische gevoel – meditatie over Romeinen 1:1

“Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God”

I

In de uitleg van dit vers heb ik elders benadrukt dat de uitdrukking “evangelie van God” in het Grieks een fraaie dubbelzinnigheid vertoont. “Evangelie” zou ik hier in de meest ruime zin willen nemen, en niet willen beperken tot de boodschap van de evangelisten, of zelfs maar tot de oproep tot bekering aan zondaars. Evangelie als “goede boodschap” lijkt hier de totale openbaring van God over Zichzelf te omvatten. Dan blijkt een aantal verzen later, dat alles wat God over Zichzelf te melden had aan het einde van de tijden, wordt uitgedrukt in het “evangelie van de Zoon.” Evangelie in het eerste vers staat wat mij betreft gelijk aan Gods volledige openbaring van Zichzelf. De uitdrukking “van Zijn Zoon” maakt duidelijk dat deze volledige openbaring heeft plaatsgevonden in Christus. Zo zegt de schrijver van de brief aan de Hebreeën: “Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.” Daarin ligt een historisch onderscheid. Doorgaan met het lezen van “Het charismatische gevoel – meditatie over Romeinen 1:1”

Gehoorzaamheid aan de Wet van Christus (6) – Filosofische achtergronden van het debat over rechtvaardiging

Op pagina 21 van mijn dissertatie spreek ik kort over de filosofische achtergronden van de verschillende opvattingen over de rechtvaardiging door het geloof alleen. Even daarvoor had ik betoogd dat de 16e-eeuwse leer van de rechtvaardiging voor de christelijke ethiek een aantal lastige tegenstellingen met zich had meegebracht. Omdat de rechtvaardiging gezien werd als Gods antwoord op een individuele bekering, raakte de sociale dimensie van de christelijke ethiek uit het gezichtsveld. Daarnaast was er de spanning tussen de genade die rechtvaardigt, en de door God eveneens gevraagde gehoorzaamheid. Omdat de laatste geen grondslag was voor de rechtvaardiging maar een uitvloeisel, leek ze van secundair belang te zijn. En zo was er ook nog de oppositie tussen evangelie en wet, die ook een afwijzing van het belang van Israël met zich meebracht. Israël werd immers gedefinieerd als het volk dat onder de wet stond en de genade had verworpen. Tussen de gemeente en Israël kwam daardoor een onoverbrugbare kloof tot stand. Doorgaan met het lezen van “Gehoorzaamheid aan de Wet van Christus (6) – Filosofische achtergronden van het debat over rechtvaardiging”

God is liefde – maar wat betekent dat?

Veel mensen in het postchristelijke Westen zullen zeggen dat God liefde is. Die gelijkstelling van God met de liefde wordt dan een beginsel om alle zaken van morele aard te beoordelen. Zelfs atheïsten zullen zeggen dat als God bestaat, Hij liefde moet zijn. En dat beginsel zullen ze dan ook tegen christenen gebruiken die kritisch staan tegenover de Islam, of voorstander zijn van de toepassing van de morele regels van de Bijbel. (Bij voorbeeld de toepassing op zaken als abortus en homoseksualiteit.) Doorgaan met het lezen van “God is liefde – maar wat betekent dat?”

Wil God zowel het goede als het kwade?

In deze wereld gebeurt niets buiten God om. Alles gebeurt door Zijn wil of, tenminste, met Zijn toelating – wat iets anders is dan met Zijn instemming. Het is een kerngedachte van het christelijk geloof, zoals dat vanaf de tijd van Augustinus en ook in de Reformatie door Calvijn is geformuleerd, dat God beschikt over alles wat gebeurt. Doorgaan met het lezen van “Wil God zowel het goede als het kwade?”

Passivisme of possibilisme? – wat is het fundament van Christelijke ethiek?

Passivistisch Christomonisme? Of een Torahgetrouw possibilisme?

Opmerkingen  naar aanleiding van de Bijbelbespreking in Arnhem.

Thema: Romeinen 6-8

Het was goed om weer in het gezelschap van de “Broeders” te zijn. Goed om mee te maken hoe nauwkeurig en eerbiedig de Bijbel dan wordt gelezen.

Ik was het niet van plan maar ik heb toch een paar keer wat gezegd. Mijn laatste opmerkingen waren wellicht het belangrijkste, althans vanuit mijn perspectief.

Het ging om Romeinen 8.

Wat betekende dat wandelen in de Geest? Is er dan nog wel een plaats voor de Thora? Het typische antwoord van de Vergadering is dan: Nee! Want we zijn niet onder de wet, de mens kan zich ook niet aan de wet van God onderwerpen want we zijn vijanden van God et cetera. Wij leven door de Geest en dat betekent dat wij “automatisch” Gods wil doen zolang wij innerlijk dicht bij God leven.

Dat klinkt een beetje mystiek en dat is het ook. Wat de broeders denk ik niet zien is, dat er een verband is tussen deze uitspraak over het “automatische” gehoorzamen aan Gods wil en de constatering dat wij vaak niet weten of wat wij doen door de Heilige Geest gewerkt is, of uit ons eigen denken en bedenken voortkomt. De Geest werkt dan wel in ons, maar ook het vlees werkt in ons. Alles gaat dan afhangen van de motivatie. Een soort van omkering van Romeinen 7. Ik wil het goede doen, maar ik doe het kwade, en dat is feitelijk wat ik niet wil, dus doet de zonde dat die in mij woont. Dat zegt vers 20 van Romeinen 7. Het leven in de Geest, zoals het wordt voorgesteld, heeft echter een soortgelijke dubbelzinnigheid.

Ik wil het goede doen, maar ben daartoe niet in staat, dus doet de Geest dat die in mij woont. Het goede dat ik doe komt uit de Geest; het kwade dat ik doe komt voort uit de zonde.

Een dergelijke opvatting over de herkomst van onze goede daden, sterk bepaald natuurlijk door de woorden van Paulus “het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken”, wordt in de theologie ook wel het Christomonisme genoemd. Het is een hele aantrekkelijke leer. Christus doet alles in ons, en wanneer we het kwade doen is het ons vlees en de zonde die het doet. Dat is bedoeld om alle roem uit te sluiten, en af te weren wat men ziet als een belangrijke katholieke vergissing, namelijk de samenwerking van onze menselijke wil met de Geest. Die samenwerking, het “synergisme” zou aan de mens een te grote rol toekennen.

Dat leidt in de ethiek tot de positie van het passivisme. Het is niet langer belangrijk om vast te stellen wat we moeten doen, maar het gaat om een innerlijke bereidheid om de impulsen van de Heilige Geest niet tegen te werken. De Geest doet het, Christus doet het, ons vlees werkt alleen tegen.

Daar staat een geheel andere opvatting tegenover, die we het “possibilisme” kunnen noemen. Daar wordt de nadruk gelegd op het feit dat wij in de bekering wel degelijk tot nieuwe mensen worden, met een nieuw leven en levensbeginsel. De Heilige Geest maakt het ons mogelijk om de wil van God niet alleen maar te begrijpen, wat al heel veel is, maar die ook te willen doen. De apostel Johannes is de belangrijkste getuige voor dit possiblisme.

Om een heel lang verhaal dus heel erg kort te maken zei ik in Arnhem alleen maar, dat al deze vragen over het belang van de Thora, de strekking van Mattheus 5:17 het automatisch, doen van Gods wil et cetera, voor mij werden opgelost door de woorden van Johannes: “Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.” Deze woorden uit 1 Joh. 5:2, 3 zijn voor mij een fundament voor de gedachte dat we niet alleen maar met het dubbel gebod te maken hebben, maar inderdaad met een veelheid van geboden. Kortom dat we te maken hebben met de thora.

Ook na de opstanding van de Heer Jezus blijft de Wet van Mozes de volmaakte spiegel (Jacobus) waarin we onszelf leren kennen. Maar ook de volmaakte richtsnoer voor het leven zoals Psalm 119 ons diepgaand schetst.
Het citeren van Mattheus 5, waar de Heer Jezus toch duidelijk zegt dat de Thora zijn geldigheid behoudt, dat geen tittel of jota verloren zal gaan, dat onze gerechtigheid niet anders is dan die van de Farizeeën maar groter moet zijn, wordt in de Vergadering niet eens gehoord. Het vaste schema van de uitleg is immers, dat de Bergrede is uitgesproken voor de opstanding, en daarom geen geldigheid heeft voor ons maar hooguit voor het gelovig overblijfsel van de toekomst. Dat had ik kunnen weten, maar ik vond het wel van belang om het nog even te zeggen.

Na afloop kwam er uiteraard een broeder naar mij toe om mij te melden dat hij wel wist waar ik vandaan kwam. O ja? Zei ik. Ik was uiteraard, vond hij, van gereformeerden huize en had het om die reden moeten opnemen voor het doen van de wet. Hij was volkomen zeker van zijn zaak. Dat had hij “automatisch” begrepen.

De twee naturen van de kerkelijke Christus – kritiek op Kuitert

“Voor de meeste christenen is de kerkelijke Christus zo vertrouwd, dat het een moeilijk valt er iets anders in te zien dan de werkelijke Jezus.” – Kuitert

In bepaalde kringen is het gebruikelijk geworden om dit verschil te maken, tussen de kerkelijke, de verkondigde Christus van de dogmatiek, en de werkelijke, historische Jezus van Nazareth. Kuitert doet dat, maar ook Den Heyer. Ik hoorde onlangs een lezing van D. A. Carson waarin dat heel nadrukkelijk wordt weersproken. De echte Jezus is de zoon van God, mens en God tegelijk, de Godmens, die heeft rondgewandeld door het land Israël. Doorgaan met het lezen van “De twee naturen van de kerkelijke Christus – kritiek op Kuitert”

Van Christus naar Barth en weer terug – de noodzaak van theologische kritiek

Er zijn nog maar weinigen die weten dat het woord “fundamentalisme“, dat we nu gebruiken voor de extreme standpunten van Moslim-terroristen, oorspronkelijk afkomstig is uit het protest van het evangelisch Christendom aan het begin van de 20e eeuw tegen het voortschrijdende liberalisme in de traditionele kerken. Met het woord “fundamentals” werden de overtuigingen aangeduid die niet onderhandelbaar waren, zoals de waarheid van de Bijbel als schriftelijke vorm van de openbaring, de triniteit, de noodzaak van geloof in Christus als de enige toegang tot de verlossing etc. In een reeks van geschriften werden deze “fundamentals” geformuleerd. Tegenwoordig is dan ook het “fundamentalistisch Christendom” de als vanzelfsprekend verlaten positie, de onmogelijke variant van het Christendom, om een aantal redenen die eindeloos worden herhaald. Doorgaan met het lezen van “Van Christus naar Barth en weer terug – de noodzaak van theologische kritiek”

Predik het Woord

Predik het Woord, volhard daarin, gelegen of ongelegen, weerleg, bestraf, vermaan en dat met alle geduld en onderricht. (2 Tim. 4:2)

Al maandenlang denk ik na over het karakter van mijn prediking in de gemeente van IJmuiden. Vindt mijn prediking wel aansluiting bij het geloof van de gemeente? Zijn mijn preken niet te onderwijzend of te vermanend? Schenk ik voldoende aandacht aan de normale ervaringen van mijn gemeenteleden, die lang niet allemaal op hetzelfde niveau van geloof leven? Ben ik te zeer gericht op het onderwijs vanuit de Schrift en komt daardoor de bemoediging tekort?

Ik zou niet weten waar ik het antwoord op die vragen anders zou moeten zoeken, dan in het Woord van God zelf. De opdracht om te prediken heb ik bij mijn examen als predikant aanvaard als een opdracht om volgens het Woord te prediken. Ik heb zelfs de belofte afgelegd, dat ik mij zou verzetten tegen alles wat met de leer van het Woord van God in strijd is. Mijn kerkelijke opdracht is dus hetzelfde als de Bijbelse opdracht die Paulus hier verwoordt: “Predik het Woord.” Dat betekent in ieder geval dat ik me moet aansluiten bij de woorden die Paulus elders spreekt: “wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere” (2 Kor. 4:5).

Zonder deze Bijbelse en kerkelijke opdracht zou het leven een stuk eenvoudiger zijn. Als je elke zondag tussen de 20 en 30 minuten mag spreken over een onderwerp dat je zelf wel aardig vindt, en dat je nuttig vindt voor de toehoorders, dan ben je zo klaar. Maar de opdracht van een predikant is helemaal niet gering. Hij is verantwoordelijk voor zijn prediking in de eerste plaats tegenover God zelf. Maar toch is er een gemeente die over zijn prediking ongetwijfeld een oordeel heeft. Het is goed dat de gemeente beseft vanuit welke opdracht een predikant moet spreken. Daarom zal deze tweede brief aan Timotheüs ongetwijfeld in Efeze en op andere plaatsen in de gemeente zijn voorgelezen. Als de gemeente de opdracht aan de predikant niet ondersteunt, wordt zijn leven buitengewoon moeilijk. Laten we daarom eens kijken naar een deel van de tekst die de opdracht aan de predikant definieert.

Paulus en de gemeente van Efeze

Paulus heeft grote zorgen om de gemeente van Christus in Efeze. In de laatste brief die hij geschreven heeft voor zijn dood, roept hij zijn leerling Timotheüs daarom op om vol te houden. Ondanks de moeilijke tijden die in Efeze zijn aangebroken. Deze tweede brief aan Timotheüs laat veel van die zorg zien, en de opdracht van de plaatsvervanger van Paulus in die gemeente is dan ook een behoorlijk zware opdracht.

Veel vooral jonge predikanten vragen zich in onze tijd af met welke strategie ze de gemeente moeten onderwijzen en het evangelie moeten verkondigen. Ze zoeken naar een “strategie” zoals een bedrijf probeert een onpopulair en onbekend product te slijten aan de massa. Daar is een campagne voor nodig, en er moet reclame worden gemaakt en een goede prijsstelling binnen de markt. Het is een manier van denken die ook de kerk is binnengeslopen. Hoe kunnen we het evangelie aanvaardbaar maken voor moderne mensen? Hoe kunnen we onze erediensten aantrekkelijk maken voor jongeren? Hoeveel van de moderne cultuur moeten wij opnemen, zodat er tenminste nog gesproken kan worden over God en Christus? Misschien moet de prijs van het evangelie wel drastisch worden verlaagd, misschien moeten we in ons optreden naar buiten toe – onze reclame – de kerkelijke taal vermijden en aansluiten bij de beleving van moderne mensen. Ondanks al die mooie strategieën worden onze kerken steeds leger.

Al het onderwijs dat ik in mijn opleiding heb ontvangen over het vinden van de juiste strategie, over het rekening houden met het karakter van de gemeente, over de aansluiting van de Bijbel met de ervaringen van de mensen, dat alles zou ik graag hebben ingeruild voor een goede heldere exegese van deze brief van Paulus. Want eigenlijk staat het hier allemaal al. De grondslag van het ambt in de kennis van het Woord van God bijvoorbeeld in het derde hoofdstuk: “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent….” en alles wat daarna volgt over het karakter en het nut van de Schrift. De zware verantwoordelijkheid, niet tegenover de gemeente, maar tegenover “God en de Heere Jezus Christus, die levenden en doden zal oordelen…” aan het begin van hoofdstuk 4. Dan de opdracht zelf die ik hierboven geciteerd heb, en dan de diagnose: “Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen…” (vers 3).

Diagnose: de verdeeldheid van de gemeente

Om met dat laatste te beginnen: hoe is dan de diagnose van onze gemeente? Het zal niet veel verschillen van andere gemeenten binnen onze Protestantse Kerk. Er zijn mensen die naar de kerk gaan omdat ze dat van jongs af aan gewend zijn. Er zijn mensen die gaan omdat ze gesteld zijn op de liederen en elkaar graag willen ontmoeten. Vanwege vriendschappen die soms meer dan een halve eeuw terug gaan. Wat het geloof betreft zijn er ongetwijfeld mensen die uit een gelovig nest komen, en alles met de paplepel hebben meegekregen. De Bijbelse woorden zijn hun vertrouwd en ze geloven die woorden met heel hun hart. Maar tussen deze beide uitersten in, zijn er ongetwijfeld ook mensen die bezig zijn hun geloof en hun betrokkenheid bij de kerk te verliezen. Je ziet ze niet elke zondag meer. Ze staan met één been buiten de kerk en hebben de moderne cultuur meer lief dan het evangelie. Sommigen staan aarzelend op de rand van de bekering, onzeker of ze het evangelie voluit moeten omhelzen of een kritische distantie in acht moeten nemen. En dan zijn er nog de mensen voor wie het geloof een vanzelfsprekendheid is en die in de kerk liever bezig zijn met de praktische vragen waar ze elke dag op stuiten. Hoe heb ik mijn naaste lief? Hoe ver moet ik gaan in mijn zorg voor anderen? Of, als hun bezorgdheid voortkomt uit het krantenbericht van zaterdag, dan willen ze op zondag horen hoe het dan zit met de Islam, of met de zorg voor vreemdelingen, of het geweld in de wereld.

Het is onmogelijk dat een predikant in een preek al deze mensen geven kan wat zij naar hun eigen oordeel nodig hebben. Maar het is de vraag of dat ook de norm kan zijn. De diagnose die Paulus al gaf, lijkt onverkort ook van kracht voor onze tijd. Mensen zullen zoeken wat het gehoor streelt, zegt hij. Wat het gehoor streelt, is altijd wat je al wist. Wat het gehoor streelt, is wat jou een goed gevoel geeft over jezelf. Wat het gehoor streelt, is een troostend woord waardoor je je eigen moeilijkheden even kunt vergeten. Wat veel gemeenteleden verwachten van de preek, wordt door Paulus hier gekarakteriseerd als een uitvloeisel van persoonlijke behoeften en voorkeuren. Het maakt niet uit of mensen de waarheid horen, als het maar hun gehoor streelt en overeenkomstig hun eigen begeerten is. Feilloos wijst Paulus het hart van dit probleem aan: “ze zullen zich van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.”

Prediking als zorg om de waarheid

Ongetwijfeld veronderstelt Paulus hier, dat de prediking van het Woord een prediking van de Waarheid is. Een preek is geen suggestie om de wereld eens anders te bekijken. Een preek is geen poging om te entertainen, te coachen, te adviseren, te overtuigen van de vriendelijkheid van de prediker, en het is zeker geen peptalk waardoor iemand zich goed kan gaan voelen. Met de Schrift, zegt Paulus, wordt onderwezen, maar ook weerlegd en verbeterd en opgevoed – 2 Tim. 3:16. Er is een waarheid in het geding, die besloten ligt in het Woord van God, die “de overleggingen en gedachten van het hart” oordeelt. Het Woord van God is “levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard” (Hebr. 4:12).

Waarom moet de gemeente met aandacht luisteren naar het woord van haar predikanten? Omdat deze voorgangers “het Woord van God tot u gesproken hebben”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen deze voorgangers werkelijk te gehoorzamen? Omdat “zij waken over uw zielen”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen om te bidden juist voor de voorgangers? – “omdat zij rekenschap moeten afleggen”, en een grotere verantwoordelijkheid dragen dan anderen, en “opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend” (Hebr. 13:7). Maar de gemeente zal moeten begrijpen, dat de maatstaven die zij aanlegt voor haar predikant geen andere mogen zijn, dan de maatstaven die het Woord van God aan die predikanten oplegt. De gemeente moet beoordelen of de predikant zijn Bijbelse opdracht trouw is. De maatstaf is dus nadrukkelijk niet, of de prediking het gehoor streelt en overeenkomstig de eigen verlangens is.

In zijn prediking spreekt een predikant in zijn eigen gemeente tegen mensen die hij kent, van wie sommigen het allemaal al denken te weten, anderen aarzelend staan tegenover het evangelie, weer anderen afgeleid zijn door hun dagelijkse zorgen, weer anderen met één been buiten de kerk zijn gaan staan en weer anderen die verdwaald zijn en eigenlijk door hun ongeloof in de kerk niets te zoeken hebben, en tenslotte ook nog tegen gelovigen die onderwijs nodig hebben om in hun geloof gesterkt en gevoed te worden.

Prediking volgens de gezonde leer

Paulus zegt niet tegen Timotheüs dat hij een strategie moet ontwikkelen om al deze verschillende groepen op een eigen en passende wijze aan te spreken. De opdracht die Paulus zelf van de Heere ontvangen heeft, geeft hij door aan zijn leerling Timotheüs. In drie Nederlandse woorden: predik het Woord. Wat God zegt tegen de gemeente moet door de predikant worden vertolkt. Het moet onderwijs zijn en dus “gezonde leer.” Die “leer” is de samenvatting van het Bijbelse verhaal, de hoofdpunten van het evangelie, de waarheid die God geopenbaard heeft, dat alles is “leer”. Het ligt voor ons fundamenteel vast in de belijdenis en in de Catechismus, en de predikant – maar niet alleen hij, ook de gemeente – leert het kennen door het bestuderen van de werken van de grote leraren van vroeger. Het Woord van God moet worden gepredikt, zoveel als maar mogelijk is in overeenstemming met de gezonde leer, en dat betekent voor ons: de gereformeerde traditie. De prediking kan dan niet alleen maar troostend en bemoedigend zijn. Het is ook en altijd onderwijs, weerlegging en verbetering. Dat wil zeggen, de prediking probeert onwetendheid over het evangelie in Christus te veranderen in wijsheid en kennis; foutieve gedachten en aannames over Gods waarheid tegen te spreken en ten goede te keren; onzekere en onjuiste overtuigingen over Gods wil te corrigeren en zo alles te doen om de gemeente een opvoeding te geven. Zoals een leraar een klas opvoedt, zoals ouders hun kinderen opvoeden.

Gelegen of ongelegen

Predik het Woord dus. Ik denk dat dat alleen waar wordt, als we de methode van de expositie volgen. De tekst bepaalt het thema, het verloop van de argumenten, roept de illustraties op en niet omgekeerd, loopt uit in een toepassing van de Bijbel op het leven – en niet de toepassing van het leven op de Bijbel. Timotheüs wordt daarbij zelfs opgeroepen om te volharden, om aan te dringen, om ervoor te staan, allemaal betekenissen van dat Griekse woord dat daar gebruikt wordt. Dan staat er ook nog: gelegen of ongelegen. Letterlijk: volgens een goede tijd en tegen de goede tijd in. Het Griekse woord “kairos” is tijd in de zin van het goede en passende moment. Een huwelijksdatum is een “kairos” – de zinvolle tijd –, terwijl de tijd die verstrijkt volgens de klok op het nachtkastje eerder met het woord “chronos” wordt aangeduid – de vergleidende tijd. Gelegen of ongelegen slaat op de situatie waarin de prediker zich bevindt. Het gaat erom dat hij het Woord moet prediken of het hem nu uitkomt en voor hem de passende tijd is, of dat hij zich wat ongelukkig voelt, aarzeling moet overwinnen, en het voor hem helemaal niet een passende tijd is. Overigens, een vers als dit geeft geen legitimatie aan onbeschoftheid. Een woord opdringen aan anderen, die je bijvoorbeeld ontmoet in familiekring, of bij een huwelijksfeest, heeft niets te maken met gelegen of ongelegen, maar wel met gebrek aan beleefdheid.

Het kan heel ongelegen zijn, om het Woord van Christus te prediken volgens de gezonde leer in een tijd waarin mensen zoeken wat het gehoor streelt. Veel predikanten zijn daarbij gesneuveld. Het Woord wordt vervangen door een tekst, de uitleg van die tekst wordt vervangen door een opbeurend praatje, het opbeurende praatje wordt overschaduwd door een anekdote uit het dagelijks leven. Het resultaat is precies volgens de verwachting van veel gemeenteleden: evangelisch nietszeggend, zonder vermaning, troostend vanwege mooie losse woorden, een ruwe en primitieve poëzie die het goede gevoel wil opwekken, maar het hart en het verstand hongerig laat. De alledaagse ervaring domineert het Woord. God spreekt niet tegen ons, wij spreken tenslotte alleen nog tegen elkaar.

Het lot van een Kerk zonder het Woord

In sommige steden zijn de grote kerken leeg. Op de zondag morgen blijft het donker want de gelovigen van Hervormde of Gereformeerde komaf hebben al lang ontdekt dat in hun kerken geen geestelijk voedsel meer wordt aangereikt. Ook in Leeuwarden staan de kerken leeg en zijn sommigen al verkocht om te worden omgebouwd tot appartementen. Maar in een van de wijken van Leeuwarden staat een gemeente met 1800 leden. De leden daarvan hebben de verplichting op zich genomen om elke week een bijbelstudie te volgen. En dat is naast de wekelijkse Bijbelstudie op een dag in de week die ze óók volgen. Op zondagmorgen na de dienst gaan ze elk naar hun eigen lokaal, want ze zijn verdeeld over meerdere klassen of leergangen. Permanente educatie van een gelovige door Bijbelstudie – in die gemeente wordt het als voorwaarde gesteld. De toegang is daardoor moeilijker geworden. Maar in die kerk gaat op zondag het licht aan en de kachel niet uit als niet alleen de lofzang is gezongen uit 1800 kelen, want er wordt in het hele gebouw in groepjes van 40 man aan diepgaande Bijbelstudie gedaan. Zo’n gemeente is in dit opzicht “volmaakt en toegerust tot elk goed werk” (2 Tim. 3:16, 17). Het is Bijbelstudie volgens de leer en gericht op het leven.

Waarom zien we zo vaak in die buiten kerkelijke gemeenten, zoveel mensen die eerder bij de Protestantse kerken zijn afgehaakt? Is het niet eenvoudig hierom: als je als gelovige voeding zoekt vanuit Gods Woord, heb je in verreweg de meeste van onze Protestantse gemeenten niets te zoeken. Wij sukkelen voort op de oude weg, van aanpassing aan de cultuur, van troostende praatjes, en we willen niets weten van een intense studie van Gods Woord. Zolang we ons over alle andere dingen druk maken in de kerk, over financiën, zaalverhuur, de verwarming, de geluidsinstallatie, het lekkende dak, de diaconale doelen, het aantal huisbezoeken per week, kunnen we onszelf als toegewijde christenen zien. De studie van Gods Woord is voor ons een sluitpost geworden. De meesten van ons zien het nut er niet van in. Ik betreur dat zeer.

Gods Woord wijst ons een andere weg.