Sola Gratia

Tweede preek in de serie over de pilaren van de Reformatie.

Deze week over Lukas 18:9-14 en Ef. 2:8-10.

Sola Gratia: het behoud is door genade alleen, niet uit werken. In de kerkgeschiedenis vinden we twee houdingen: moralisme (perfectionisme) dat meent dat het geloof tot morele perfectie leidt – 1 Joh. 5 zegt immers: “Wie uit God geboren is, zondigt niet”. En een morele onverschilligheid: ofwel: ik ben uit God geboren, dus ik kan inderdaad niet zondigen en wat ik doe is dan ook geen zonde (sterk in de tijd van de valse leraren waarmee de apostel Johannes te maken had), ofwel: God vergeeft mij toch wel, zodat ik me niet bijzonder druk hoef te maken over mijn zonden. (Zoals in de context van Paulus, “Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet, maar on der de genade zijn?” Rom. 6:15).

Het ware antwoord: de genade bevrijdt ons van zonde en schuld en geeft nieuw leven – waar wij dood waren in misdaden en zonden – OPDAT wij voor God zullen gaan leven. De “goede werken” vloeien voort uit de verlossing uit genade, maar zijn er niet de voorwaarde van. Het zijn werken van dankbaarheid. Heel belangrijke ontdekking van de Reformatie die een einde maakt aan het moralisme enerzijds en de onverschilligheid in het libertinisme anderzijds.

Gods Woord als een spreken van God – in gesprek met Karl Barth – KD I,1, pp124 – 145

In een eerdere bijdrage hebben we al gesproken over de drievoudige gestalte van Gods Woord volgens Karl Barth. Gods Woord is in de eerste plaats het vleesgeworden Woord, maar dan ook het geschreven Woord en tenslotte het verkondigde Woord. Deze drie gestalte van het Woord zijn samen het ene Woord. Het is, in de woorden van Bart, een analogie van de drie-eenheid. Misschien wel de enige echte analogie. (. Een “onechte” zou dan bijvoorbeeld zijn de vergelijking met de zon, zonlicht en zonnewarmte.) Doorgaan met het lezen van “Gods Woord als een spreken van God – in gesprek met Karl Barth – KD I,1, pp124 – 145”

(On-)voorwaardelijke roeping – de soevereiniteit van God in het geding

“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.” (Mat. 9:13)

Wie worden dan wel geroepen en wie worden dan niet geroepen? Zijn dat nou zondaars in het algemeen? Want die zogenaamde “rechtvaardigen” zijn toch alleen in eigen ogen rechtvaardig, maar tegenover God net zo zondig als degenen die weten niet rechtvaardig te zijn? De tekst lijkt ons te zeggen, dat Christus niet gekomen is om alle zondaars te roepen, maar alleen diegenen die weten zondaars te zijn. “Christus kwam niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars, dat is gevoelig of met levend bewustzijn belaste zondaren tot bekering” zegt John Owen. Niet zondaars in het algemeen dus, want dat zijn alle mensen. De “rechtvaardigen” daarbij inbegrepen.

De consequentie is dat het evangelie alleen aan sommigen wordt aangeboden. Alleen diegenen die van zonde overtuigd zijn, zijn waarlijk zondaren, en alleen zij kijken uit naar de verlossing en alleen zij worden dus geroepen tot bekering. Alleen het verloren schaap wordt gered, maar dat is het schaap dat beseft verloren te zijn. Niet degenen die zeggen dat ze hopen op de verlossing, maar hen die zeggen dat er geen hoop is. 

Hoe zit het dan met die “rechtvaardigen” die toch evenzeer, omdat ook zij zondaars zijn, de genade nodig hebben? Zolang zij menen de genade niet nodig te hebben en zondaars te zijn, hebben zij te maken niet met het evangelie van de genade, maar met de Wet. De overtuiging van de zonde moet eerst worden gewekt, voordat het evangelie de genade aan hen verkondigen kan. 

Immers,  een drenkeling die meent zich door eigen zwemvaardigheid te kunnen redden, zal de uitgestoken hand niet aannemen die hem redden zal. Pas wanneer de ernst van de situatie tot hem doordringt en hij zich dus een drenkeling weet,  zal hij hulp aanvaarden. Tot dat moment zal hij zich zelfs verzetten tegen degene die hem uit het water probeert te halen. 

In ons vers sluit Jezus dus juist de waanrechtvaardigen – uitdrukking gevonden bij A. Weremeus – uit van zijn oproep tot bekering. 

Wat is in deze kwestie nu eigenlijk in het geding? Wanneer, als sommigen menen, het aanbod van genade en de roeping tot bekering alle zondaars gelden, dan is de verwerping van die roeping een weerstaan van Christus. Dan beslist de mens over de effectiviteit van die roeping en kan hem in geloof aanvaarden of in ongeloof verwerpen. Als we het vers dus zo begrijpen dat de Heer Jezus alle zondaren roept, dan verleggen we de laatste grond van het behoud naar de menselijke keuze voor of tegen Christus. De roeping door Jezus heeft dan geen effectiviteit. Het geloof van de mens komt daarmee voorop te staan. 

We kunnen daaraan wellicht ontkomen wanneer we verschil maken tussen een algemeen aanbod van genade en de roeping door Christus. Zoals Paulus spreekt over “God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4). Dat is niet de onweerstaanbare wil van Gods almacht, maar een uitvloeisel van Gods wezen. Hij kan het niet niet willen omdat Hij goedheid is, maar Hij wil het uiteindelijk niet, omdat Hij ook Zijn gerechtigheid en heiligheid tot uitdrukking moet brengen. Of zoals de prediking van Paulus wordt weergegeven in Hand.17:30, waar het God Zelf is die “verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren.” Sommigen die deze boodschap hoorden hebben haar ongetwijfeld verworpen: “sommigen spotten daarmee” zegt vers 32. Maar ook dit is een uitdrukking van Gods wezen en geen bevel dat onweerstaanbaar zal blijken te zijn. 

Tegenover dit algemene aanbod van genade binnen de regeringswegen van God kunnen we dan de effectieve roeping stellen die in Joh.3 als de wedergeboorte wordt aangeduid, en die in Rom.  8:30 dan zo wordt uitgedrukt:

“En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd.”

Wie kwam de Heere Jezus dus roepen en d.w.z. redden van het oordeel? Is dat de onbekeerde of de bekeerde zondaar? De bekeerde zondaar is al geroepen, lijkt het. Maar als dat de onbekeerde zondaar is, dan is er geen reden om de rechtvaardigen daarbij uit te sluiten omdat zij immers alleen “waanrechtvaardigen” zijn. Zij zijn toch evenzeer onbekeerde zondaars. En als we hen echter moeten uitsluiten, en de Heere dus niet kwam om hen te roepen, dan zijn de hier bedoelde “zondaren” degenen die weten zondaars te zijn – indien zij dat niet wisten, waren ook zij waanrechtvaardigen. 

Maar kan iemand dan weten een zondaar te zijn, zonder dat de Wet het hem heeft duidelijk gemaakt? Of is het juist de ontmoeting met de genade die in Jezus Christus openbaar is geworden, waardoor een mens zich van zijn zonde bewust wordt? Of zijn het nu precies deze beide elementen tezamen, die inbegrepen zijn in de roeping van zondaars? Is dat niet de tweevoudige wijze waarop de Heere geroepen heeft: door genade te schenken die ook bewijst waarom de genade nodig is? 

Moeten we niet vermijden dat we de grondslag van de roeping gaan leggen in het bewustzijn van een mens een zondaar te zijn? De soevereiniteit van de roeping door Christus wordt zeker verzwakt wanneer we aannemen dat die alleen voorwaardelijk is, en afhangt van het geloof of ongeloof van een mens. Maar wordt die soevereiniteit niet evenzeer verzwakt door de aanname dat alleen de zondaar die door schuldgevoel gebroken is, het evangelie kan horen en aannemen? Ook dan wordt aan de effectieve roeping door Christus een voorwaarde gesteld. Ook al is deze van andere aard en wordt niet de actieve aanname  van het evangelie maar het passieve besef van zonde als voorwaarde begrepen. 

Vanuit de Schrift moeten we toch zeggen dat de Heere Jezus zowel bij de Samaritaanse vrouw, die Hij aan haar zondestaat ontdekte, als bij de schriftgeleerde Nicodemus in zijn waangerechtigheid een bekering tot stand bracht. Daarom ontbreekt het onderscheid ook in Rom.8 – een ieder, dus zowel de waanrechtvaardige als de geknakte zondaar – wordt volgens Zijn voornemen geroepen, en dat is dus volstrekt in overeenstemming met Zijn soevereiniteit. Onvoorwaardelijk.

Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap

Een politieke theologie zou kunnen beginnen met het begrip theocratie. Letterlijk betekent dit Gods regering, oftewel Koninkrijk Gods, of Koninkrijk der hemelen. Dit woord staat centraal in de verkondiging van Johannes de Doper, en in de verkondiging van Jezus zelf.

Het woord theocratie wordt voor het eerst gebruikt door de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus om een goddelijk koningschap aan te duiden in onderscheid tot een monarchie of een hierocratie (een regering door de priesterlijke stand). God regeert rechtstreeks over Zijn volk. Een menselijke koning kan dan ook alleen maar een vice-koning zijn die de wil van God voor het volk zichtbaar maakt. Om het met een modern taalgebruik te zeggen: God is de wetgevende en de koning is hooguit de besturende macht. God is de eigenaar van het volk, en de koning alleen de aangestelde herder. Deze theocratie is de kern van wat we de politieke theologie van Israël zouden kunnen noemen. Ik geef hier het gehele citaat: Doorgaan met het lezen van “Theocratie en de drie lijnen van het Koningschap”

Engelen als woorden van macht – Walter Wink

Hoe kunnen wij de taal van de Bijbel over de “overheden en machten” als moderne mensen verstaan? We nemen aan dat in de antieke wereld deze machten letterlijk werden gezien als onzichtbare demonen die met hun vleugels rond flapper een in de lucht, en ongelukkige sterfelijke mensen af en toe raken met ziekte, of dood.

Als moderne mensen nemen we aan dat we deze klassieke teksten alleen maar kunnen opvatten als uitingen van hallucinaties, zonder fysieke basis, zodat we hun beschrijvingen moeten afdoen als restanten van mythisch denken. (Hoewel sommigen met moderne fysische opvattingen de taal van de Bijbel geheel en al letterlijk nemen.)

Wat voor ons heel moeilijk is, dat is nadenken in een dimensie die tussen het fysische en het metafysische in staat, en die we de symbolische orde, of de orde van de verbeelding moeten noemen. Wij kunnen over de machten niet nadenken zoals de Bijbel dat doet: als realiteiten zonder substantie, als geestelijke wezens die toch geen bestaan hebben buiten hun concrete aanwezigheid in de zichtbare wereld. Onze tactiek om ermee om te gaan is meestal deze: we lezen de geestelijke wezens in de Bijbel alsof het personages zijn, en vervolgens beoordelen we het door ons gebruikte begrip persoon als onwetenschappelijke vorm van bijgeloof. Wat de Bijbel verstaat onder een macht en wat wij daarmee bedoelen komt daardoor volledig uit elkaar te liggen. Wanneer we willen begrijpen wat de Bijbel onder deze machten verstaat, moeten we niet onze eigen sociologische categorieën van macht op de Bijbelse teksten toepassen. Wat we moeten doen is kijken naar het unieke vocabulaire en de begrippen uit de eerste eeuw, en proberen ons voor te stellen wat mensen uit die tijd bedoeld hebben met deze taal van de machten, binnen hun eigen wereldvisie en binnen hun eigen mythische referentiekader.

Natuurlijk mogen wij niet geloven in wat niet bestaat. Maar het is gevaarlijk om niet te geloven in datgene wat bestaat buiten onze beperkte categorieën. De overheden en machten van het Nieuwe Testament kunnen niet zomaar worden vertaald in de categorieën van de moderne sociologie of psychologie. De overheden en machten kunnen zeker wel worden opgevat als instituties, sociale systemen en politieke structuren. Zo komt ook een christelijke sociale ethiek, of een politieke theologie tot stand vanuit de taal van het Nieuwe Testament.

Toch blijft er dan een onzichtbare, geestelijke dimensie over die een ernstige realiteit bevat. Zeker, de taal van de overheden en machten verwijst naar de innerlijke en uiterlijke kant van een manifestatie van macht. Er is een geestelijke mentaliteit werkzaam in instituties, en dat is de innerlijke kant. Er is ook een uiterlijke kant: politieke systemen, aangestelde ambtenaren, wetten, alle tastbare manifestaties die macht ook heeft. Elke macht heeft een zichtbare kant en een onzichtbare kant. En die twee kanten ontstaan tegelijkertijd.

Wanneer een bepaalde macht zichzelf boven God plaatst, wordt die macht demonisch. De taak van de kerk is de afgoderij te ontmaskeren en zo de machten terug te roepen tot het doel dat God voor hen heeft aangewezen. Zo zegt Efeze 3:10:

Opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt.

De uitdrukking “in de hemelse gewesten” duidt niet op hun fysieke plaats van bestaan, maar op de pretentie dat ze goddelijk zijn, boven de mens staan in gezag en macht. Een materialistische verklaring wordt hier metafysisch – het is dan een tastbare maar tegelijk onzichtbare realiteit in een specifieke, hoewel onzichtbare plaats. Een spiritualisme geeft als verklaring dat het uitdrukkingen zijn voor een mentaliteit of een ideologie. Beide voldoen echter niet.

De taal van de machten loopt door het hele Nieuwe Testament heen. De ontmaskering van de machten is een belangrijk thema in de uitleg van het evangelie. Het Koninkrijk van God behelst de vol van deze machten of nog beter: het terugbrengen van deze machten onder het gezag van God.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is zeer gevarieerd. Er is sprake van heersers in Mattheus 20, koningen, hogepriesters in Lukas 24, engelen en machten in Romeinen 8, machten en namen in Handelingen 4, autoriteiten en delegaties in Handelingen 26.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is niet systematisch en het is mogelijk dat woorden wisselend worden gebruikt zowel voor menselijke machthebbers als voor de “machten” in de hemelse gewesten, dus met een element van het metafysische.

Desalniettemin vertonen deze kernwoorden in het Nieuwe Testament een duidelijk patroon van hun gebruik.
Archè wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het ambt, of de structuur van de macht – regering, Koninkrijk, machtsgebied.
Exousia is een aanduiding voor de sancties en vormen van legitimatie waardoor de macht wordt gehandhaafd, het heeft normaal gesproken een abstracte betekenis.
Thronos duidt een zetel van de macht aan, de plaats waar de macht is geconcentreerd.
Het woord “naam” refereert aan het geheel van de persoon die macht uitoefent, een rang bekleed of beroemd is.

De lijst van Romeinen 8:38-39 is bijna compleet: dood, leven, engelen, overheden, tegenwoordige dingen, komende dingen, machten, hoogte, diepte zijn allemaal termen voor deze machten in de symbolische orde. Met een onzichtbare kant en een zichtbare kant.

Alle machten in het Nieuwe Testament zijn goddelijk en menselijk, geestelijk en politiek, onzichtbaar en structureel, hemels en aards. Zo lezen we in Kol. 1:16

“In Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.”

De machten komen uit Christus voort en zijn bestemd om Hem te dienen. De machten worden demonisch en afgodisch als ze zichzelf dienen er goddelijke eer opeisen.

Kijken we in het bijzonder naar de taal van de engelen.

Engelen zijn de machten in hun hemelse vorm. Ook hier vinden we de dubbelzinnigheid van alle termen van de macht. Een engel is ook een menselijke boodschapper, of een ander woord voor de Heilige Geest. Zo bijvoorbeeld in Lukas 9:26 waar we lezen dat de Zoon des mensen komen zal in zijn heerlijkheid en die van de Vader en van de – en dan verwachten we Heilige Geest maar dan staat er – en van de heilige engelen.

Engelen worden aangeduid met een veelheid van termen. Het woord engel is blijkbaar synoniem met de meeste andere woorden voor macht in het Nieuwe Testament. Het lijkt erop dat het woord engel gebruikt wordt om machten aan te duiden niet als personen zozeer, maar als gepersonifieerd, dat wil zeggen machten die van Gods wegen uitgaan met de verstaanbare boodschap, dus in een situatie van communicatie.

Sinds Daniël 10 is het ook gebruikelijk om engelen te beschouwen als vertegenwoordigers van de mentaliteit van een volk, als de hoeder van hun bestemming. Dat werd ook ligt op een passage in 1 Kor. 6:3 waar Paulus zegt dat wij engelen zullen oordelen. Het lijkt mij dat dat dan engelen zijn die de volkeren representeren, en dat Paulus hier eenvoudig zegt dat wij betrokken zullen zijn bij het oordeel over de volkeren – overigens een bekend motief in de rabbijnse literatuur.

(Wordt vervolgd)

Het charismatische gevoel – meditatie over Romeinen 1:1

“Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God”

I

In de uitleg van dit vers heb ik elders benadrukt dat de uitdrukking “evangelie van God” in het Grieks een fraaie dubbelzinnigheid vertoont. “Evangelie” zou ik hier in de meest ruime zin willen nemen, en niet willen beperken tot de boodschap van de evangelisten, of zelfs maar tot de oproep tot bekering aan zondaars. Evangelie als “goede boodschap” lijkt hier de totale openbaring van God over Zichzelf te omvatten. Dan blijkt een aantal verzen later, dat alles wat God over Zichzelf te melden had aan het einde van de tijden, wordt uitgedrukt in het “evangelie van de Zoon.” Evangelie in het eerste vers staat wat mij betreft gelijk aan Gods volledige openbaring van Zichzelf. De uitdrukking “van Zijn Zoon” maakt duidelijk dat deze volledige openbaring heeft plaatsgevonden in Christus. Zo zegt de schrijver van de brief aan de Hebreeën: “Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.” Daarin ligt een historisch onderscheid. Doorgaan met het lezen van “Het charismatische gevoel – meditatie over Romeinen 1:1”

Gehoorzaamheid aan de Wet van Christus (6) – Filosofische achtergronden van het debat over rechtvaardiging

Op pagina 21 van mijn dissertatie spreek ik kort over de filosofische achtergronden van de verschillende opvattingen over de rechtvaardiging door het geloof alleen. Even daarvoor had ik betoogd dat de 16e-eeuwse leer van de rechtvaardiging voor de christelijke ethiek een aantal lastige tegenstellingen met zich had meegebracht. Omdat de rechtvaardiging gezien werd als Gods antwoord op een individuele bekering, raakte de sociale dimensie van de christelijke ethiek uit het gezichtsveld. Daarnaast was er de spanning tussen de genade die rechtvaardigt, en de door God eveneens gevraagde gehoorzaamheid. Omdat de laatste geen grondslag was voor de rechtvaardiging maar een uitvloeisel, leek ze van secundair belang te zijn. En zo was er ook nog de oppositie tussen evangelie en wet, die ook een afwijzing van het belang van Israël met zich meebracht. Israël werd immers gedefinieerd als het volk dat onder de wet stond en de genade had verworpen. Tussen de gemeente en Israël kwam daardoor een onoverbrugbare kloof tot stand. Doorgaan met het lezen van “Gehoorzaamheid aan de Wet van Christus (6) – Filosofische achtergronden van het debat over rechtvaardiging”

God is liefde – maar wat betekent dat?

Veel mensen in het postchristelijke Westen zullen zeggen dat God liefde is. Die gelijkstelling van God met de liefde wordt dan een beginsel om alle zaken van morele aard te beoordelen. Zelfs atheïsten zullen zeggen dat als God bestaat, Hij liefde moet zijn. En dat beginsel zullen ze dan ook tegen christenen gebruiken die kritisch staan tegenover de Islam, of voorstander zijn van de toepassing van de morele regels van de Bijbel. (Bij voorbeeld de toepassing op zaken als abortus en homoseksualiteit.) Doorgaan met het lezen van “God is liefde – maar wat betekent dat?”

Wil God zowel het goede als het kwade?

In deze wereld gebeurt niets buiten God om. Alles gebeurt door Zijn wil of, tenminste, met Zijn toelating – wat iets anders is dan met Zijn instemming. Het is een kerngedachte van het christelijk geloof, zoals dat vanaf de tijd van Augustinus en ook in de Reformatie door Calvijn is geformuleerd, dat God beschikt over alles wat gebeurt. Doorgaan met het lezen van “Wil God zowel het goede als het kwade?”