Johannes (14) – Het natuurlijke en het Geestelijke

Johannes 3:11-15

We zijn nog steeds bezig in het derde hoofdstuk van het evangelie naar Johannes, met het gesprek van Nicodemus en Jezus. Dat is een gesprek over de ingang in het koninkrijk van God, over wat we normaal gesproken zaligheid of behoudenis noemen. In dit evangelie wordt het meestal als “eeuwig leven” aangeduid.

We hebben al gehoord dat je die ingang op twee manieren kunt beschrijven: als wedergeboorte uit water en Geest en als geloof in de Zoon des mensen. Daarin zit een tegenspraak – het is voor ons althans een tegenspraak – maar we hebben beide uitspraken nodig om tot op zekere hoogte te begrijpen wat hier gaande is. Net zoals we ook in dit evangelie moeten begrijpen, dat de Zoon van God tevens het Lam van God is; dat het eeuwige Woord tevens de mens Jezus Christus is. God begrijpt hoe dat alles een perfecte eenheid vormt; wij hebben twee benaderingen, twee manieren van spreken nodig om het te begrijpen. De tegenspraak tussen de twee manieren van spreken is niet toevallig maar wezenlijk. Het komt in ons begrijpen nooit tot een volkomen eenheid. En we moeten eigenlijk ook geen poging doen om de tegenstelling te verzachten en te zeggen “de wedergeboorte is de oorzaak van het geloof”, of “het geloof is de oorzaak van de wedergeboorte.” Ook dat berust op een natuurlijke en verstandelijke manier van redeneren. Maar daarover heb ik de vorige keer al geschreven.

Het gesprek met Nicodemus gaat vanaf vers 13 over in een monoloog van de kant van Jezus. Ik denk dat dat ook tot het gesprek met Nicodemus behoort en dat we het op die manier moeten leren verstaan. Eigenlijk moeten we dan beginnen te lezen in vers 12. Dat is de laatste keer dat Jezus rechtstreeks tegen Nicodemus heeft gesproken. Hij zegt in dat vers: “Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?” Wat zijn die aardse dingen? Welnu, dat is gewoon het beeld van de geboorte, want de geboorte hoort bij de aarde. Jezus heeft daar simpelweg mee bedoeld, dat wij niet beschikken over de toegang tot het koninkrijk, dat het ons overkomt op de manier waarop de geboorte ook een gebeurtenis is waarover wij niet kunnen beschikken. Dat is het aardse perspectief. En dus zegt Jezus tegen Nicodemus: “U gelooft het al niet eens als ik dat tegen u zeg, dat u niet kunt beschikken over de toegang tot het koninkrijk. U gelooft dat u zich die toegang kunt verschaffen door het verrichten van de werken van de wet. Maar dat is een aardse voorstelling, een vals geloof. Zo hebben jullie ook de wonderen verstaan die Ik verricht heb. Vanuit de aarde gezien zijn het alleen maar wonderen, maar je hebt de betekenis ervan – het Geestelijke – niet begrepen.” Nicodemus is niet bij machte om de geestelijke werkelijkheid te begrijpen waar Jezus over spreekt. Een mens die alles vanuit zijn menselijkheid probeert te begrijpen – vanuit zijn ervaring, vanuit de traditie, vanuit zijn verstand, vanuit de erfelijkheid en sterfelijkheid – komt hier tekort. We spreken hier over een geestelijke verblindheid. Paulus spreekt erover:

“Van hen, de ongelovigen, geldt dat de God van deze eeuw hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.” (2 Kor. 4:4)

Paulus zegt het op een andere manier in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe.

“De natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.” (1 Kor. 2:14; vgl ook 1:18, 21, 25; 2:4, 5, 7, 10,12, 15.)

Het natuurlijke verstand zal bijvoorbeeld zeggen, dat je bij theologische uitspraken die een tegenspraak inhouden steeds een keuze moet maken. Het is of het een of het ander. Of Jezus is een ander woord voor God, Hij is schijnbaar mens – en dan doet Zijn menselijkheid en Zijn dood er niet toe. Of Jezus is een mens – en dan is Zijn goddelijkheid alleen maar een fraaie titel voor Zijn waarde voor jou. De natuurlijke mens zal zeggen, het is of het een of het ander. Of je wordt een christen door een mysterieuze ingreep van boven – wedergeboorte – of het is een kwestie van je eigen keuze, dan ben je vrij om te geloven of niet te geloven..

En nog een voorbeeld. Het is of het een of het ander. Of Jezus is de Zoon van God en dan is de dood aan het kruis maar een schijnvertoning; of Jezus is alleen maar mens, maar dan is de opstanding een fabeltje. Of het een of het ander. En daarom zegt Paulus:

“En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door Gods genade geschonken zijn.”

Met je natuurlijke verstand kun je niet vanaf de aarde opklimmen tot in de hemel, uit jezelf kun je niet ontdekken wie God is. Maar het is juist het kenmerk van het natuurlijke verstand, dat het met behulp van redeneren en logica – het is of het een of het ander – probeert alles te begrijpen. Dat is de wijsheid van deze wereld, en dat logische en dat redeneren leidt dan tot “overtuigende woorden van menselijke wijsheid.” Zo kun je op overtuigende wijze de openbaring van God loochenen en teniet doen. Maar wie kan werkelijk weten wat God is en wat God denkt behalve God alleen? Hoe kan het menselijke uit zichzelf in staat zijn het goddelijke te begrijpen? Hoe kan de menselijke kunst van het redeneren en het natuurlijke verstand de diepten van God leren kennen? Daarom zegt Paulus:

“aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.” (1 Kor. 2:10)

Terug naar Johannes. Wanneer Nicodemus probeert te begrijpen en misschien te geloven wanneer Jezus hem de hemelse dingen uitlegt, wat moet hij dan als eerste begrijpen en geloven? Het eerste deel van het antwoord daarop, wordt gegeven in vers 11 en 13. Het is een antwoord op de vraag “hoe” iemand immers kan geloven wanneer hij over hemelse dingen hoort spreken. Dan zal hij het getuigenis van Vader en Zoon (vers 11) moeten aannemen. Naar wie moet Nicodemus dan luisteren om in staat te zijn de hemelse dingen te geloven? Dan moet hij luisteren naar iemand die het weten kan, voor wie de hemel een eigen natuurlijke werkelijkheid is. Je kunt niet vanaf het aardse opvaren naar de hemel, maar je kunt wel luisteren naar Degene die uit de hemel is neergedaald. Zo geeft Jezus het antwoord: “En niemand is opgevaren naar de hemel” – niemand kan dus van het hemelse getuigen – “dan Hij Die uit de hemel neergedaald is” – want Hij is in staat om te openbaren wat in het hart van God is. En Wie is dat dan? “… Namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” (Vers 13) Dat is een nieuwe titel van Jezus in dit evangelie. Het lijkt mij, dat je die titel in ieder geval kunt begrijpen als een samenstelling van Zoon van God, en Lam van God. De Zoon van God die mens wordt, is ook de Zoon des mensen. Dat wordt nog versterkt door de uitdrukking die er meteen op volgt. Het gaat om “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” En als Mens wordt Jezus het Lam van God. Daarnaast kun je ook nog beseffen, dat het in het algemeen teruggaat op de profetie van Daniel 7.

Die tegenwoordige tijd: “Die in de hemel is”, is hier opvallend. Dat betekent volgens mij niet dat Johannes de evangelist hier iets heeft toegevoegd aan de woorden van Jezus, omdat dat bij het schrijven de realiteit was – zodat het slaat op de Hemelvaart. Johannes betreft niet te zeggen, dat de Zoon des mensen op het moment van schrijven in de hemel was. Want dan zou je kunnen denken dat Jezus tijdens zijn leven op aarde niet “in de hemel is.” Het heeft volgens mij dezelfde betekenis als in Johannes 1:18, waar we lezen: “de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is.” De Zoon van God was hier op aarde, en de discipelen hebben Zijn heerlijkheid gezien. Maar tegelijkertijd was Hij (en is Hij nu) in de schoot van de Vader. Hij is Zoon van God en mens op aarde, en tegelijkertijd Zoon van God die eeuwig en ongescheiden bij God is. Op grond van Zijn godheid moet het dus zó gezegd worden: “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” Jezus is nooit – behalve in de drie uren van duisternis aan het kruis – van God gescheiden geweest. De eniggeboren Zoon, de Zoon des mensen, was ook tijdens Jezus leven op aarde, in de hemel, en niet van de hemel gescheiden. Dat maakt een einde aan alle mythen over goddelijke wezens, die hier op aarde alleen maar verschijnen – dus geen vlees geworden – of zolang ze op aarde zijn, dus niet in de hemel zijn. Dat zijn de fantasieën van de oude Griekse godsdiensten, die uit het natuurlijke verstand en de aardse religie van de mensen voortkomen.

Vervolgens geeft Jezus in vers 14 en 15 een antwoord op de vraag die in het hart van Nicodemus geleefd heeft. Deze Zoon des mensen moet het Lam van God worden. Alleen als de Zoon van God wordt overgegeven in de dood, kan Hij verlossing brengen aan een zondige wereld. Hij moet worden “verhoogd” aan het kruis, zoals de koperen slang door Mozes in de woestijn “verhoogd”, in de hoogte gestoken werd. (Vergelijk Numeri 21) Iedereen die naar de koperen slang keek, werd genezen. En wie niet opkeek naar de koperen slang, omdat hij of zij niet in de woorden van Mozes vertrouwde, werd niet genezen.

Dat is dus van de mens uit gezien de voorwaarde van de ontvangst van het eeuwige leven, van de toegang tot het koninkrijk van God. Vers 15 zegt daarom: “opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Om genezen te worden van het slangengif was het nodig om op te kijken naar de koperen slang; om het eeuwige leven te ontvangen – vergeving van zonde en schuld en het nieuwe leven uit God – is het nodig om te geloven in de Zoon des mensen. Het gaat dus niet om goede werken, het gaat niet om onze religieuze plichten en inspanningen, het gaat niet om de moraliteit. Het gaat zelfs niet om de het herhaalde berouw en bekering, zoals in de prediking van Johannes de Doper – als voorbereiding – nog gezegd werd. Alles wat wij moeten doen is opkijken, erkennen, aanvaarden, instemmen met het evangelie van de Zoon van God, die “zichzelf voor mij heeft overgegeven.” (Gal. 2:20) Hoe zou het ook anders kunnen? Als geloven een werk van de mens is, dan is de wedergeboorte uitgesloten. Dan is er geen werk van God nodig en komt alles op onze inspanning van geloven aan. Maar nogmaals: als de wedergeboorte iets is waar ik alleen passief op moet wachten, dan ben ik ongehoorzaam aan de Zoon van God die mij oproept in Hem te geloven.

Geliefde vijanden vanwege ulieden – Koinonia Live! over Israël en de gemeente van Christus

Wat is dit toch een onuitputtelijk onderwerp! Toch is dit voorlopig mijn laatste bijdrage over Israël en de gemeente van de Messias Jezus. Vanaf volgende week gaan we ons bezighouden met een ander, actueel onderwerp, namelijk de Charismatische beweging. We bespreken de geschiedenis, de verschillende vormen, de theologische achtergrond, de uitwassen en het goede dat er ongetwijfeld ook in deze beweging plaatsvindt. Het is onze bedoeling te waarschuwen en voor te lichten en tot een redelijke – en Bijbelse – afweging te komen.

Johannes (11) – Twee confrontaties

Johannes 2:18-25

Het tweede hoofdstuk van Johannes beschrijft vanaf vers 13 drie confrontaties tussen Jezus en de mensen. De eerste confrontatie hebben we al besproken; die vond plaats in de tempel tussen Jezus en de verkopers van schapen en duiven, en de geldwisselaars. Het is een bewijs van Zijn goddelijke autoriteit: Hij dreef ze allen de tempel uit. En het woord “allen” betekent werkelijk iedereen. Duizenden mensen zijn op het gezag van de Messias uit de voorhof naar buiten gegaan. “De ijver voor het Huis van Mijn Vader heeft mij verslonden.” (Zoals Psalm 69: 10 het zegt.)

Nu komt er een nieuwe confrontatie, met de tegenstanders van Jezus – dus weer de term “Joden” – naar aanleiding van de “reiniging” van de tempel. Ook in deze nieuwe confrontatie staat de godheid van Jezus ter discussie. We horen Johannes zeggen dat Hij almachtig is. (Hij verandert water in wijn.) We horen Johannes ons vertellen dat Jezus alwetend is. (Hij kende Nathanael voordat Hij hem zag.) We horen hem zeggen dat Hij Heer is van de tempel, en dat hij kwaad kan worden wanneer God niet de eer krijgt die Hem toekomt. Er is “ijver” bij de Zoon van God voor de eer en de waardigheid van God in de hemel.

De Joden die Hem nu aanspreken, hebben het teken gezien van Zijn gezag over de tempel en Zijn macht over de mensen. Zij trekken dat nu in twijfel. Jezus is immers geen priester of Leviet; welk recht heeft Hij om zich met de zaken van de tempel te bemoeien? En dan vragen ze Hem om een teken. Niet zomaar een wonderteken, want daar had Jezus al vele van gedaan. Dat lezen we ook in vers 23. “Velen geloofden in Zijn Naam, toen zij Zijn tekenen zagen die Hij deed.” Maar dat zijn niet de tekenen die deze Joden in gedachten hebben, en die hen hadden kunnen overtuigen. De genezingen die Jezus volbracht en het uitwerpen van de demonen, het was voor deze mensen onvoldoende bewijs van de godheid van Jezus. Zij zochten geen teken dat op aarde werd verricht, dat mensen genas en heel maakte; zij zochten wel de openbaring van de Zoon van God in heerlijkheid, maar zij zochten Hem niet in de genade en de waarheid waarmee Jezus Zich juist aan de mensen, op menselijke maat, wilde openbaren. Zij verlangden een teken uit de hemel, een of andere astronomische gebeurtenis die alleen de overmacht van God zou demonstreren. Hier stond Jezus voor hen, een mens zoals zij, zonder een of ander fysiek teken van Zijn goddelijke herkomst. En Hij was bezig met de ziekten van mensen, en de macht van het Kwade over hen. Dat was niet de Messias die zij zich hadden voorgesteld. En zo geven ze zichzelf een excuus om niet in Hem te geloven: Hij deed geen hemelse dingen, Hij demonstreerde niet Gods almacht, Hij was alleen maar bezig met zieken.

Daarom vragen zij om een teken van Zijn gezag. Welk teken kunt u ons laten zien, dat voor ons bewijst dat u, die geen priester of leviet bent, die niet de hemelse aanblik vertoont die wij verwachten van de Messias, dat voor ons bewijst dat u het gezag hebt over de tempel? Het feit dat de mensen Jezus allen gehoorzaamd hadden, was dus blijkbaar onvoldoende. Ze konden tegen zichzelf zeggen, dat dat een goed geslaagde truc was van een goede volksmenner, of op zuiver toeval berustte. Alleen Zijn stem en een geïmproviseerd zweepje waren daar verantwoordelijk voor geweest. Er waren geen engelen zichtbaar geworden, er was geen enkele bovenaardse manifestatie van macht.

Welk teken krijgen zij dan? Jezus vertelt over het ultieme teken dat Hij zou verrichten waarmee Hij Zijn gezag definitief zou demonstreren, namelijk de opstanding. In het antwoord van Jezus zijn een aantal elementen te onderscheiden. In de eerste plaats zegt Hij: “breek deze tempel af.” Hij zegt daarmee dat Hij de waarachtige tempel is, hij is Degene in Wie de Geest van God woont. In de tweede plaats zegt Hij, dat zij – de Joden van het Sanhedrin en hun aanhangers – Zijn lichaam zouden breken. Het afbreken van deze tempel is hetzelfde als de moord op Jezus. En dan het derde: “en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.” Jezus voorspelt hier Zijn opstanding uit de doden. Hij zegt hier nauwkeurig dat dat na drie dagen zou gebeuren. Welnu, dat is het teken, de demonstratie, van Zijn gezag over de tempel die met steen was gebouwd.

Deze woorden van Jezus zijn als een lopend vuurtje door heel Jeruzalem heengegaan. We weten dat, omdat bij het haastige schijnproces tegen Jezus in het huis van de hogepriester Kajafas, de opgeroepen getuigen alleen nog maar dit weten te vertellen. Dat is het enige getuigenis. Dat Jezus gezegd heeft dat Hij de tempel zal afbreken. Het is een mooi voorbeeld van slecht luisteren of van een opzettelijke verdraaiing. Jezus had gezegd dat zij, dat wil zeggen de Joden, de tempel zouden afbreken, en dat Hij hem na drie dagen zou laten herrijzen. Maar dat is wat ze ervan maken in hun getuigenis, en dat moet ook, want het ging erom dat Jezus woorden tegen de tempel had gesproken. Dat is het enige wat ze Hem kunnen verwijten, denken ze.

De tegenstanders van Jezus denken dat Zijn antwoord een grap moet zijn. 46 jaar lang is aan deze tempel gebouwd. U zult hem in drie dagen laten herrijzen? Jezus doet geen enkele moeite om dit misverstand op te helderen. En daarmee eindigt deze confrontatie. We horen niet hoe het verder gegaan is. Jezus spreekt over de tempel van Zijn lichaam, en zegt dat de opstanding het teken is van Zijn gezag over de stenen tempel. De Joden horen Hem alleen maar dit wonderlijke woord spreken, en dat is alles wat ze van Hem te horen krijgen. Minstens hebben ze wel begrepen, dat Hij tegen hen zegt, dat het helemaal niet om de tempel te doen is. De waarde van de tempel heeft blijkbaar afgedaan, dat tenminste zullen ze begrepen hebben. En daarover zullen ze ongetwijfeld boos zijn geworden. Na de opstanding hebben de discipelen zich deze woorden herinnerd. En dan lezen we: “geloofden zij de Schrift” – alles wat in het Oude Testament over Hem geschreven stond, en dus ook de verwijzingen naar de opstanding – en ze geloofden “het woord dat Jezus gesproken had.” De discipelen hebben dus niet onmiddellijk dit woord begrepen en geloofd, maar het is pas na de opstanding van Jezus duidelijk geworden.

En dan de tweede confrontatie. Tijdens dit Paasfeest heeft Jezus vele tekenen en wonderen verricht. En dat heeft succes gehad. Velen geloofden in Zijn Naam op grond van deze tekenen. Mensen beginnen vertrouwen te krijgen in Jezus. Maar dan lezen we het wonderlijke woord, dat Jezus Zelf geen vertrouwen had in die mensen. “Hij vertrouwde Zich aan hen niet toe.” In een paar zinnen wordt ons duidelijk gemaakt, dat Jezus God Zelf is, “want Hij wist Zelf wat in de mens was.” Blijkbaar is hun geloof alleen maar op tekenen gebouwd, is het een vals geloof. Het gaat ook uiteindelijk niet om de tekenen, maar om het geloof in Zijn Persoon; het geloof dat zalig maakt is het geloof dat zich kan uitspreken in de belijdenis “U bent de Zoon van de levende God.” Zo ver kwamen de mensen in Jeruzalem niet. Toch staat er dat zij geloofden “in Zijn Naam.” We hebben al eerder gezien dat de Naam staat voor alles wat Jezus is en doet. Waarom is hun geloof dan toch vals geweest?

Als iemand zegt dat hij of zij in Jezus gelooft, of dat hij of zij een christen is, moeten we dat dan zomaar aannemen? Op zijn minst zou je nog een paar vragen kunnen stellen. Gaat zo iemand naar de kerk om God eer te brengen of heeft hij een leven buiten de kerk om zonder enig verlangen naar de gemeente en de eredienst? Waar is hij vooral mee bezig in zijn leven? Is het gebed een natuurlijke bezigheid en gaat de bijbel regelmatig open? Neemt iemand de grote beslissingen in het leven op grond van het Woord van God en het gebed, of uit puur natuurlijke motieven zoals iedereen in de wereld dat doet? Is iemand in staat om anderen te vergeven? En zoekt zo iemand ook vergeving voor de fouten die hij of zij zelf heeft gedaan? Spreekt zo iemand regelmatig over God en Christus? Of komt het alleen maar ter sprake wanneer iemand rechtstreeks vraagt naar de kerkelijke achtergrond? Wat je doet en nalaat in je leven laat zien of je waarachtig christen bent. Dat gaat niet om morele perfectie, maar wel om het verlangen om in gemeenschap met God en Christus je leven door te brengen, om de gemeente op te zoeken, om daar je plaats in te nemen, om God te willen eren in je leven en Christus te willen gehoorzamen en navolgen. Als je daar helemaal niets van ziet, en al deze vragen onbeantwoord blijven, dan kun je er praktisch zeker van zijn dat zo iemand een vals geloof heeft. Zichzelf wijsmaakt er bij te horen, terwijl in werkelijkheid God en Christus voor zo iemand niets betekenen. Het zijn dan alleen maar woorden in de trant van: “Och, ik weet wel dat ik gedragen word door een hogere macht, dat er meer is tussen hemel en aarde, dat er een onzichtbare macht in deze wereld is et cetera.” Maar dat is geen geloof in Christus, dat is geen geloof in het evangelie, dat is niet hetzelfde als het “aannemen van Hem”, waardoor je het recht hebt om jezelf een kind van God te noemen. (Vergelijk maar Johannes 1:12.)

En daarmee zijn we voorbereid op wat komen gaat in het derde hoofdstuk. In dat hoofdstuk spreekt Jezus met een leider van de Joden over het ware geloof. Het ware geloof is niets minder dan een wedergeboorte, een geboorte uit Geest en water, een volkomen nieuw begin dat God met een mens maken kan, die werkelijk Christus aanvaardt in zijn of haar leven. Wie alleen maar in Hem gelooft, vanwege een of andere bijzaak – en de mensen in Jeruzalem geloofden in Zijn Naam, en deden dat tenminste nog op grond van een teken dat ze Hem hadden zien doen – maar zichzelf niet werkelijk aan Christus toevertrouwt, die wordt ook door Christus niet vertrouwd. Met andere woorden, in dat geval ontstaat er geen wederkerige relatie. En dat is uiteindelijk wat geloof betekent: een relatie krijgen met het vleesgeworden Woord, met het Licht en de Levensbron van jouw leven. Wie alleen maar de oppervlakte van het evangelie vertrouwt, geniet van de goede en genadige woorden, de mooie beloften van eeuwig leven, maar zichzelf niet werkelijk aan deze Jezus overgeeft; wie zijn eigen zonden niet in Gods licht gezien heeft en om vergeving heeft gevraagd, die kan zichzelf geen christen noemen.

Ik hoop dat u die dit leest waarachtig een kind van God bent. Dat u uw leven aan Christus heeft overgegeven om Zijn discipel te worden en een kind van God te mogen heten. Alles wat het evangelie ons toezegt, elke belofte, elke geestelijke zegening, gaat aan u voorbij als u niet bent wedergeboren uit Geest en water. Je kunt doen alsof je een christen bent. Je kunt jezelf een christen noemen zonder het gedrag te vertonen dat erbij hoort. Je kunt jezelf en anderen wijsmaken dat je een christen mag heten omdat je een goed mens bent. Maar christenen zijn geen goede mensen, het zijn zondaars die vergeving hebben ontvangen in de Naam van de Heer Jezus Christus.

Johannes (8) – Filippus en Nathanaël – De roeping van de eerste twee discipelen in Joh. 1:44-52

Het doel van het evangelie van Johannes is te bewijzen dat Jezus de Zoon van God is. Elk mogelijk getuigenis moet daarvoor worden verzameld. Om die reden is Johannes niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de manier waarop de eerste discipelen door Jezus zijn geroepen. Daarom vertelt hij over de ontmoeting met Andreas en Simon Petrus op de manier die we net gelezen hebben. Andreas en Johannes zijn in een gesprek met Jezus overtuigd geraakt van de waarheid van de prediking van Johannes de Doper. Dat maakt hen tot getuigen. Simon Petrus in het bijzonder is onder de indruk van het feit, dat Jezus al weet hoe hij heet voordat zijn naam door Andreas genoemd is. Op dezelfde manier en vanuit hetzelfde motief wordt nu in het gedeelte vanaf vers 44 verteld over Filippus en Nathanaël. De evangelist is geïnteresseerd in het getuigenis: “Wij hebben Hem gevonden…” – Vers 46. En dan in het wonder: “Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u.” – Vers 49. En vervolgens in het getuigenis van Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.” – Vers 50. Het gedeelte eindigt met een getuigenis van Jezus over zichzelf in vers 52.

We lezen vanaf vers 44. Hier komen we de tweede groep tegen, op de “volgende dag.” Dat is dan de vierde dag. Jezus is onderweg naar Galilea, een wandeling van ongeveer 25 km. Als je vroeg genoeg vertrekt kun je na vijf of zes uur lopen daar aankomen. Het ligt voor de hand om te denken dat Simon Petrus, Andreas en Johannes met Jezus waren meegegaan. Het doel van de reis zal wel geweest zijn om hun vrienden aan Jezus voor te stellen. En de eerste die ze tegenkomen was Filippus, uit het dorpje Bethsaïda, waar ook Andreas en Petrus geboren waren. Het is een klein vissersdorp aan de noord-oostelijke hoek van het Meer van Galilea. Later horen we dat Petrus in Kapernaüm woonde, zoals in Markus 1:21-29. Petrus was dus geboren in Bethsaïda, maar heeft gewoond in Kapernaüm. Zo was Jezus geboren in Bethlehem, groeide Hij op in Nazareth, en woonde in Kapernaüm toen Zijn zending eenmaal begonnen was.

We lezen dat Jezus Zelf Filippus vond. Hoewel Andreas en Simon goede bekenden van hem geweest moeten zijn, is het Jezus Zelf die hem ziet. In vers 45 zegt deze, dat hij en de anderen – dat moeten dan Andreas, Petrus en Johannes zijn geweest – dat “wij” dus, Hem hebben gevonden, “over Wie Mozes in de wet geschreven heeft.” En Filippus kent Hem ook nog als “Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” Er moet dus een lange conversatie zijn geweest tussen Jezus en Filippus waar we verder niets over horen; een soortgelijk gesprek had Jezus al met Andreas, Johannes en Petrus gevoerd. Er zit een mooie spanning in deze tekst. Filippus lijkt iemand te zijn geweest, sterker dan bij de eerste drie discipelen, die bezig was met het Oude Testament. Hij zegt dat hij de Messias gevonden heeft van wie Mozes en de profeten hebben getuigd. Dat moet hem zijn uitgelegd, en daar heeft hij vermoedelijk vragen over gesteld. Intussen weet hij heel goed wie Jezus is, dat wil zeggen hij kent de aardse werkelijkheid: “zoon van Jozef”, zegt hij, “uit Nazareth”, voegt hij eraan toe. Dat is dan ook het wonderbare getuigenis van Filippus tegenover Nathanaël. Het is alsof hij zegt: “Hier zie je een mens zoals wij, die is opgegroeid in Nazareth – Bethlehem wordt hier niet vermeld – en het is een mens zoals wij, want hij heeft een vader die Jozef heet. Jozef zal in deze dorpjes ook wel bekend zijn geweest als timmerman. Maar tegelijkertijd is deze “gewone” mens de profeet en de koning en het Lam van God over wie het Oude Testament getuigd heeft.

Nathanael merkt deze spanning op en reageert meteen: “kan uit Nazareth iets goeds komen?” Dat is begrijpelijk, als we beseffen dat Nathanael uit een nog kleiner dorpje afkomstig is, namelijk uit Kana. (Johannes 21:2) Die twee dorpjes Nazareth en Kana waren maar 15 km van elkaar verwijderd. Blijkbaar waren er veel familierelaties tussen de dorpjes, want we horen iets later dat ook de discipelen en de familie van Jezus waren uitgenodigd voor een bruiloft in Kana. Maar er moet ook rivaliteit tussen die dorpen zijn geweest, vandaar de opmerking: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” Het is spottend bedoeld, maar niet haatdragend.

Dan horen we in vers 47 hetzelfde als wat we al gehoord hebben in vers 39: “Kom en zie!” Vraag het Hem zelf maar, betekent dat. Ontdek het maar voor jezelf, hoe ongelooflijk het ook in je oren geklonken zal hebben, dat de Messias zomaar iemand uit onze eigen omgeving is, dat we Zijn vader kennen en dat er niets bijzonders aan Zijn familie is. Jezus ziet Nathanaël naar Hem toe komen. En nu geeft Jezus een getuigenis over Nathanaël. “Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is!” Een waarachtige gelovige in de ware God, een berouwvolle gelovige die door de prediking van Johannes de Doper is geraakt. Geen hypocrisie, geen dubbelzinnigheid, geen aanstellerij. Hij zegt niet het ene en denkt het andere. Nathanaël is een uitzondering in een volk vol afvalligen en hypocrieten. Mensen die ervoor gekozen hebben om hun eigen gerechtigheid op te richten, van wie de leiders in Jeruzalem met argwaan en angst naar de prediking van Johannes de Doper hebben geïnformeerd, en die er alleen maar op uit zijn om de rust te bewaren en hun eigen status te verzekeren. De Zoon van God kan hier zeggen dat er een waarachtige joodse gelovige voor Hem staat, en dan gebruikt de evangelist het woord “Israëliet”. (“Jood” reserveert hij voor de tegenstanders van Jezus uit het volk, die gewoonlijk uit Juda kwamen; vijandige Judeeërs dus=Joden.) Nathanael is een waarachtige zoon van Abraham, Isaak en Jakob. Iemand die de Schriften gelooft, en de Messias verwacht en de wil van God probeert te doen, niet alleen maar in de uiterlijke dingen, maar ook in de gezindheid van het hart. Jezus ziet aan deze mens de geestelijke gezindheid die alleen maar innerlijk te zien is. Hij zegt dus tegen Nathanael dat Hij zijn hart gezien heeft. Daarom vraagt Nathanael: “Hoe kent U mij dan?” Dit is de strekking van zijn vraag: “Hoe kun je ook maar iets over mij weten? Zit je mij te vleien, zonder reden? Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?” En dan komt het antwoord van Jezus, waar het de evangelist Johannes ook om te doen is. Nu komt het wonder: “Ik zag jou al toen je nog onder de vijgenboom zat.” Voordat Filippus naar Nathanael toe stapte, zat die misschien al onder een vijgenboom. Dat kon Jezus als mens niet geweten hebben. Maar de Zoon van God kon dat weten, omdat Hij met God de eigenschap deelt van alwetendheid. Net zo goed als Jezus kon weten waar Nathanael fysiek geweest is, zo kan Hij weten wat de innerlijke gesteldheid van het hart van Nathanael was. Dat maakt dit getuigenis voor Johannes de evangelist zo bijzonder.

Op grond van de aanwijzing van Filippus, en het wonderlijke spreken van Jezus als Zoon van God, komt Nathanael dan tot een belijdenis. Drie elementen heeft dat: “Rabbi” zegt hij. Jezus is voor hem de waarachtige leraar, de opvolger van Mozes zelf. “U bent de Zoon van God” – hij herkende in Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, God Zelf. Dan het tweede: “Zoon van God” betekent hier precies, wat het in de proloog betekende. “De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem (God) ons verklaard.” (1:18) Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, belijdt dat Jezus Christus “in het vlees gekomen is”, dat Hij het “vleesgeworden Woord” is. En dan het derde: “U bent de Koning van Israël.” Een drievoudige belijdenis dus. Eerst de relatie – Rabbi –, dan de Persoon – Zoon van God – en dan de functie of titel – Koning van Israël. En dat zegt deze Nathanaël over Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth. Hij heeft gedaan wat Filippus hem vroeg: “Kom en zie!” Nathanaël is gekomen en heeft gezien en heeft gehoord en is tot een belijdenis gekomen, heeft getuigenis afgelegd van Wie hij gevonden heeft.

Jezus maakt daarna meteen duidelijk, dat de motivatie achter het geloof van Nathanael niet genoeg is. Nathanael geloofde dat Jezus de Messias was, omdat Hij in staat bleek om hem al te kennen voordat ze elkaar ontmoet hadden. Hij gelooft op grond van het wonder van Jezus’ alwetendheid. Daarom zegt Jezus dat er nog grotere dingen zullen zijn, de discipelen zullen wonder na wonder na wonder meemaken. Maar het grootste wonder en de kern van alle wonderen wordt door Jezus aan het eind van de passage uitgelegd.

Vers 52 geeft ons nu de kern, het waarachtige teken of wonder dat de discipelen zouden meemaken. En het is dat wonder dat de waarachtige grondslag van hun geloof is. Niet de wonderlijke tekenen van genezing en alwetendheid en almacht. Het waarachtige teken vinden we in vers 52, ingeleid met de woorden “Voorwaar, voorwaar”. Met deze woorden wordt altijd een nieuwe openbaring ingeleid. “Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.” Dat is een verwijzing naar Genesis 28. Jacob krijgt daar te horen dat God Zijn beloften aan hem en zijn familie en nageslacht zou gaan vervullen. De belofte die ooit aan Abraham gegeven was. Ik zal jou tot een natie maken, ik zal jouw volk zegenen, ik zal verlossing brengen aan jouw volk, ik zal de hemel openen en de engelen heen en weer laten gaan om jou te beschermen en voor jou te zorgen tot dat de belofte vervuld zal zijn. Wat Jezus hier zegt is eenvoudig dat de macht van de hemel in Zijn bediening, in Zijn verkondiging zichtbaar zou worden. Jezus zegt hiermee tegen Nathanael: je zult zien in de wonderen die Ik doe, dat God met Mij is, en dat Hij Zijn beloften in Mij zal waarmaken. De wonderen zijn er niet voor zichzelf. Ze worden ook niet gedaan alleen maar om mensen te helpen – anders zou Jezus wel een bovennatuurlijk hospitaal hebben geopend om tot in eeuwigheid zieken te genezen. De wonderen zijn er om getuigenis af te leggen van het feit dat God waarachtig en volledig in Jezus van Nazareth present was. En dat op die manier, in de vernedering van de Zoon van God als mens, in wie tevens Gods genade en waarheid openbaar zijn geworden, God de belofte van Daniel 7 waar maakt. Want de Zoon van God is ook de waarachtige Zoon des mensen. In Daniël vinden we de titel “Zoon des Mensen” – “Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:14) Dat is wat Jezus hier zegt. Niet alleen dat ene bijzondere vermogen van alwetendheid, dat werd gedemonstreerd aan Nathanael, maar het voortdurende en krachtige getuigenis, dat de macht van de hemel aanwezig is bij en in Hem, die de beloofde Zoon des mensen is.

Wat betekent dan die verwijzing naar engelen die opklimmen en neerdalen? Het hele leven van Jezus is omringd door engelen, door bijzondere manifestaties van Gods macht. De engelen spraken tot Zacharias en zeiden dat de voorloper, Johannes de Doper geboren zou worden. Engelen spraken tot Maria, de moeder van Jezus. Een engel waarschuwde Jozef in de droom. Een koor van engelen kondigde de geboorte van Christus aan, tegenover de herders in het veld. De engelen kwamen aan het eind van de periode van 40 dagen in de woestijn, om Hem te dienen. Er zijn engelen bij het graf, er zijn engelen die Hem bij zijn Hemelvaart omringen. Hij had voortdurend de macht om een legioen van engelen op te roepen om Zijn wil te doen, zo getuigt Jezus tegenover Pilatus. Daarom is de verwijzing naar Genesis 28 zo fraai. Engelen die opklimmen en neerdalen tussen hemel en aarde. Een levende, sterke verbinding tussen hemel en aarde in het leven van Jezus.

Heel schematisch kun je in dit gedeelte zien hoe een mens behouden wordt. In de eerste plaats moet er een zoekende ziel zijn. Dat zagen we al in het vorige gedeelte, in vers 38. Jezus draait zich om en hij ziet Andreas en Johannes achter Hem aanlopen. Hij vraagt: “Wat zoeken jullie?” Ze zoeken het Lam Gods over Wie Johannes de Doper heeft gesproken, Die zou dopenb met de heilige Geest en Die de verlossing van zonde en schuld zou brengen. En dan zegt eerst Andreas tegen Simon, dat hij de Messias heeft gevonden. En zo zegt Filippus tegen Nathanaël, dat hij de Messias heeft gevonden. Je kunt Hem alleen vinden als je Hem zoekt. “Zoekt en u zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden.” Maar het motief achter dit zoeken is niet eenvoudige nieuwsgierigheid of een verlangen naar geluk. Het moet zijn uitgelokt door berouw, en een geloof in de Schrift. De verkondiging van Johannes de Doper was gericht op bekering, een afzien van de oude en kwaadaardige wegen, een ommekeer – en dus een totale morele vernieuwing – in de richting van God. De belijdenis van de zonden die Johannes de Doper gevraagd heeft voorafgaande aan de doop, was en is een reëel onderdeel van dit zoeken naar de verlossing. Maar hij gaf ook onderwijs in de Bijbel, leerde zijn discipelen wat er in de profeten en bij Mozes over deze Messias gezegd was. Die twee zaken dus: berouw en geloof in de Schriften.

En dan het tweede. Dat zoeken heeft geen enkele zin behalve wanneer de Verlosser ook zoekt. Daarom zegt Jezus tegen Filippus: “Volg Mij.” Het is Jezus die Zijn volgelingen zoekt en vindt.

En dan het derde. Er is ook altijd iemand die getuigenis aflegt. Hoe zullen mensen het evangelie geloven, als dat evangelie hun niet wordt verkondigd? Het is weliswaar niet de verkondiging die mensen tot geloof brengt, want dat is het werk van de heilige Geest. Maar het geloof, innerlijk gewekt door de heilige Geest, wordt uiterlijk mogelijk gemaakt door het horen, het horen van de verkondiging van het evangelie.

En die verkondiging van het evangelie is altijd hetzelfde: “kom en zie!” Eerst komen. Daarin zit de gedachte dat je je oude manier van denken moet loslaten, dat je jezelf moreel moet oordelen in het licht van Gods Woord. Het is ook een komen in de zin van de schrift leren kennen, de Bijbel lezen, de verkondiging in de kerk horen. Dat alles is een komen. En dan ook nog het zien. Je ogen en je hart en je oren openstellen voor de Persoon over Wie de verkondiging gaat, over Wie de Schriften spreken. Zien met het innerlijk oog, inzien en tot je laten doordringen. Het heeft geen enkele zin om met verstandelijke redenaties te proberen de overgang te maken van ongeloof naar geloof. Dat wil niet zeggen dat bekering een onredelijke en blinde sprong in het geloof is. Maar het sluit wel uit dat we met het verstand, zonder de betrokkenheid van ons hart en geweten de keuze voor Christus kunnen maken. De heilige Geest overtuigt ons van de zonde in ons hart, van de noodzaak van verlossing, en wijst op Hem die onze Verlosser wilde zijn.

En wij? Wij hebben alleen maar als taak – dat heet de bediening van de verzoening – om mensen ertoe op te roepen zich te laten verzoenen met God. Kom en zie! – zeggen wij. Om aan onze naasten en buren en familie te zeggen, wat Filippus tegen Nathanael zegt. Wat zegt hij dan? God wil verlossing schenken. De Zoon van God is gekomen en wilde die verlosser zijn. En als jij jezelf aan die verlosser toevertrouwt, zul je de genade en de waarheid van God leren kennen. Dan zul je vergeving ontvangen van je zonden en bevrijding van je schuld en zul je in de kracht van de heilige Geest nieuw leven ontvangen. Het leven namelijk zoals God het bedoeld heeft.

Johannes (6) – Het getuigenis van de 2e en 3e dag

Terwijl Jezus nog onderweg is naar Bethanië, heeft Johannes de vragen van de delegatie uit de Farizeeën beantwoord. Zijn getuigenis verwijst naar de eeuwige Zoon, die ver boven Johannes verheven is: hij is het niet waard “de riem van Zijn sandalen los te maken.” Tegenover Jezus is Johannes nog minder dan een slaaf. Dat is het antwoord dat de Farizeeën hebben meegenomen naar Jeruzalem.

We lezen niet wat ze ermee gedaan hebben. Maar het lijkt duidelijk te zijn dat vanaf dat moment alle berichten over Johannes en Jezus nauwlettend in de gaten zijn gehouden. Het is veelzeggend namelijk, dat er geen antwoord staat. We lezen in Mattheus 21 vanaf vers 23 over een twistgesprek met de priesters en de “oudsten van het volk”. Ze vragen aan Jezus met welke bevoegdheid Hij “deze dingen” – de reiniging van de tempel en Zijn onderwijs – allemaal doet. En dan stelt Jezus ze de vraag of de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen was. Ze overleggen met elkaar over hun antwoord, en zeggen dan tegen elkaar: “Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” Als de doop van Johannes inderdaad uit de hemel was – als ze zijn getuigenis hadden aangenomen – dan ligt het voor de hand dat de delegatie in Bethanië daar gebleven was om te zien over Wie Johannes gesproken had. Johannes gaf getuigenis van het licht (vergelijk vers 7), maar “de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Vers 11)

De volgende dag, zegt vers 29, komt Jezus aan bij de plaats waar Johannes doopte, in Bethanië, aan de andere kant van de Jordaan. Nu spreekt Johannes tot de schare die bij hem verzameld zijn. “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” In Hem worden de woorden van Johannes vervuld, en krijgt de doop met water zijn betekenis. Dat was immers “een doop van bekering tot vergeving van zonden.” (Markus 1:4) Dat was de reiniging die vooraf zou gaan aan de openbaring van de Messias en de komst van de heilige Geest. (Ezechiël 36:25)

Het is belangrijk om hier te zien dat het woord “zonde” in het enkelvoud staat. Jezus komt niet de symptomen wegnemen, maar de oorzaak van de ziekte zelf. Maar heeft Israël zoiets verwacht? Zij hebben gedacht dat de Messias zou komen als een profeet en koning, in plaats daarvan krijgen ze een Lam. Waarom? Waarom komt Jezus niet als profeet en koning? Hoewel wij weten dat Hij dat in alle opzichten ook is. Kun je het Woord van God horen en verstaan en gehoorzamen, als de zonde nog over je heerst? Kun je door God geregeerd worden, kun je de Koning gehoorzamen, als de zonde nog macht over je heeft? Heel de geschiedenis van Israël had toch laten zien, dat de zonde telkens weer de gemeenschap tussen God en het volk heeft verstoord. Zolang de zonde er is, is de relatie met God verstoord. Er kan alleen geestelijke gemeenschap zijn met de heilige God, als je zelf gereinigd bent van je zonden en je schuld, en dat niet tijdelijk en elke keer weer, maar wezenlijk, en volkomen en eens en voor altijd. Christus heeft eenmaal voor altijd de zonde weggenomen zodat wij met een geweten dat is gereinigd van alle dode werken vrijelijk tot God de Vader konden komen. Daarom moest Hij in de eerste plaats het Lam van God zijn. En Johannes de Doper heeft dat geweten en verkondigd en dat is zijn getuigenis nu op de tweede dag, wanneer Jezus bij hem komt. “Zie het Lam van God!”

Het eerste getuigenis is heel eenvoudig: de Messias is al gekomen! Het tweede getuigenis is gecompliceerder, zeker voor de oren van de menigte in Bethanië. Deze Messias is het Lam van God! God komt niet alleen maar om te heersen en Zijn Woord te brengen, Hij komt om te reinigen van zonde en schuld, dat moet eerst worden gedaan. Daarom was de doop van Johannes “tot vergeving van zonden.” Die doop verwees naar het Lam, dat die vergeving van zonden zou teweegbrengen. Het berouw en de bekering konden die vergeving niet tot stand brengen, daarvoor moest Jezus Zijn leven geven op het kruis van Golgotha.

Dan vertelt Johannes hoe hij zelf ontdekt heeft wie Christus is. Op die dag, pak en beet 40 dagen daarvoor, kwam Jezus bij hem om door hem gedoopt te worden. Dat was weer een andere functie van de doop van Johannes. God zou Zijn Messias openbaar maken op het moment dat Hij de doop van Johannes onderging. Op het moment dat Jezus zijn dienstwerk begint en zich identificeert met de schare die uit de geestelijke woestijn van Jeruzalem is weggetrokken, om in de vlakte van de Jordaan opnieuw te beginnen. Er is een nieuwe uittocht gaande, en er is een nieuwe Mozes die de schare zal leiden naar de verlossing. Ook daarom doopte Johannes in de Jordaan, zoals hij zegt: “En ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik gekomen om te dopen met het water.” (Vers 31) God geeft dan aan Johannes een teken, dat hij alleen met geestelijke ogen gezien kan hebben. “Ik heb de Geest zien neerdalen uit de hemel als een duif, en Hij bleef op Hem.” (Vers 32) Die uitdrukking “als een duif” betekent niet dat Johannes een duif zag, en begreep dat dat de heilige Geest was. Het betekent dat de heilige Geest naar beneden kwam op de manier waarop een duif neerdaalt uit de lucht.

Toch heeft Johannes ook bij die gebeurtenis Jezus nog niet gezien als de Zoon van God. Vers 34: “En ik kende Hem niet.” Er was een bijzondere openbaring van God voor nodig, zodat Johannes werkelijk zou begrijpen dat Jezus de Zoon van God was. Johannes was immers, zegt vers 6, door God gezonden. God heeft dus tegen hem gezegd “op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met de heilige Geest doopt.” En op grond van die profetische ingeving komt Johannes dan tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” Zo ging het ook bij Petrus. Als Jezus aan de discipelen vraagt wie zij zeggen dat Hij is, dan antwoordt Petrus met de woorden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” (Mattheus 16:16) en Jezus antwoordt dan: “vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.” Hoe kan iemand weten en geloven dat Jezus de Zoon van God is? Uiteindelijk alleen maar omdat God het hem of haar te zien geeft. De woorden van Jezus en de wonderen op zichzelf – zo zal ook blijken in dit evangelie – kunnen iemand niet overhalen om tot die belijdenis te komen. Ook Johannes kan het met zijn natuurlijke ogen niet zien. God zelf is de eerste en belangrijkste getuige. Wanneer Hij dat getuigenis in iemands hart legt, dan komt iemand tot gelovige erkenning van Jezus. Dan wordt iemand een kind van God. Op grond van deze openbaring dus, komt Johannes tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.”

Twee getuigenissen hebben we nu gehoord. Het eerste wat je moet geloven is dat Jezus de Christus is, de Messias, de Zoon van God. Het tweede wat je moet geloven is, dat deze Zoon van God gekomen is om de zonde weg te nemen, radicaal en op volmaakte wijze; gekomen is om de macht van de zonde en de dood te breken. Kortom, nu moet je ook geloven dat deze Jezus ook het Lam van God is. En dan komt de derde dag met het derde getuigenis, nu aan twee van de volgelingen van Johannes zelf.

Wat zegt Johannes daar? Johannes staat bij het water met twee van zijn discipelen. En dan wijst hij naar Jezus en zegt: “zie, het Lam van God!” Dat is niet alleen maar een herhaling van de verkondiging van vers 29. Op deze manier gezegd betekent het: volg Hem. Daar, bij Hem moet je zijn. Maar wat betekent dit volgen? Sommigen hebben gedacht dat het de bedoeling is dat zij discipelen van Jezus worden. Dat zou ook uiteindelijk gebeuren. Maar de uitdrukking “volgen” in dit gedeelte betekent eerder een letterlijk volgen, achter iemand aangaan. Daarom lezen we ook in vers 38 dat Jezus zich omkeert en dan “zag dat zij volgden.” Wat zegt Johannes dus? Hij zegt tegen zijn discipelen dat Jezus het Lam van God is, maar hij zegt er meteen bij dat ze niet zijn woord moeten geloven, maar zelf op onderzoek uit moeten gaan. Het is alsof hij zegt: Ga het maar aan Jezus zelf vragen, spreek maar met hem en ontdek voor jezelf dat hij waarlijk het Lam van God is, en dat hij waarlijk de Zoon van God is. En daarmee is het getuigenis van Johannes compleet. Eerste getuigenis: Jezus is de Zoon van God. Tweede getuigenis: de Zoon van God is ook het Lam van God. Derde getuigenis: ga voor jezelf de waarheid daarvan ontdekken door Hem te volgen. Geen oproep dus tot navolging, maar een oproep om te ontdekken. (De oproep tot navolging gaat van Jezus Zelf uit.)

Zijn dat geen prachtige woorden? Is het niet geweldig wanneer mensen op onderzoek uitgaan, en dan niet meer kijken naar het getuigenis van anderen, zoals zij hier niet langer het getuigenis van Johannes de Doper hebben aangehoord, maar met hun vragen bij Jezus zelf komen? Is dat niet de kern van alle catechisatie? Wij geven het getuigenis: Jezus is de Zoon van God, Jezus is het Lam van God, en dat zul je voor jezelf moeten ontdekken en dat kan alleen als je met Hem bezig bent, Hem volgt. Is dat samen niet de kern van het christelijk getuigenis? De getuige zelf is alleen maar een stem, de getuige is tegenover de Heer over wie hij spreekt nog minder dan een slaaf, maar God heeft iets aan hem geopenbaard. En daarom heeft de getuige gezien dat deze Jezus de Zoon van God is en het Lam van God is. En nu hij dat eenmaal weet is het enige wat hij nog moet doen anderen daarop te wijzen. Dat is alles wat vanaf de kansel en bij de catechisatie kan worden gezegd: “Zie!” In het besef dat alleen God Zelf te zien kan geven, alleen God iemand kan brengen tot de erkenning van Zijn Zoon. Maakt dat het getuigenis onbelangrijk? Of gebruikt God juist dat getuigenis om het hart van mensen te raken en te vervullen met de kennis van Zijn Zoon? De getuige kan geen roem opeisen voor wat hij of zij doet. Kan geen succes claimen als iemand tot bekering komt. Maar elke getuige moet wel net als Paulus zeggen: “wee mij als ik het evangelie niet verkondig.”

Johannes (4) – De vleeswording van het Woord – met de controverse over Kerst

Waar gaat het Kerstfeest eigenlijk over?

Ik denk dat de meesten van ons het verhaal zullen navertellen van Mattheus en Lucas. Zo vertellen we dat Maria, de moeder van Jezus, zwanger was geworden zonder toedoen van Jozef en dat de engel tot haar gesproken had en gezegd had dat haar zoon Jezus zou moeten heten. En dat de wijzen uit het oosten kwamen om Hem als de pasgeboren Koning van de joden te aanbidden. En dat Jozef en Maria gevlucht waren naar Egypte, en dat Herodes alle kinderen in het gebied rondom Bethlehem onder de twee jaar oud liet doden, en dat de engelen waren verschenen aan de herders in het veld en hadden gezongen: “Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.” En wie is dat kind dan? De “Koning der joden.”

Er is genoeg te vinden voor iedereen in deze historische vertelling. Je kunt ontroerd zijn, wie je ook bent, over de jonge Maria die met haar oudere man door de winterkou heen naar Bethlehem reist op een ezeltje. Wat geeft het, dat we niet zeker weten dat Jozef een oudere man was, dat we zeker weten dat het niet de winter was, en dat we zeker weten dat zij niet op een ezeltje reisde. Het romantische beeld zit nu eenmaal in ons hoofd. Je kunt ontroerd zijn van de aanblik van de pasgeboren Jezus die in de kribbe ligt, te midden van het vee en het stro omdat er in de herberg geen plaats was. Je gaat goede gedachten denken over asielzoekers en mensen die het zo moeilijk hebben in de wereld. Msschien geef je zelfs nog wat meer in de collecte dan vorig jaar. Wat geeft het, dat Hij niet te midden van het vee heeft gelegen, omdat de os en de ezel op de binnenplaats hebben gestaan, en dat de voederbak niet met stro gevuld was, omdat Jozef en Maria in het verblijf van de knechten hebben gelegen. Wat geeft het, dat het niet de normale herberg was, maar een pleisterplaats voor veehandelaren. Ook als je geloof op een heel laag pitje zit, en je eigenlijk alleen maar met kerstavond naar de kerk gaat, kun je vol nostalgie raken wanneer je over het lied van de engelen nadenkt. De hemelse boodschappers vertellen immers dat God welbehagen aan je heeft, dat Hij van alle mensen houdt en dat Hij het goede met iedereen voor heeft. Een heerlijke, romantische, nostalgische, geruststellende en inspirerende  – en valse – jaarlijkse boodschap voor iedereen.

En ik geloof er niks van.

Voor mij is dit romantische plaatje vol met prietpraat en sentiment. En eigenlijk kun je dat al zien wanneer je nauwkeurig leest in het evangelie van Mattheus en Lucas. Zijn komst is een buitengewoon Goddelijk ingrijpen in de schepping en de geschiedenis van de mensheid. Maria is zwanger uit de heilige Geest; engelen verschijnen, Gods heerlijkheid wordt op aarde zichtbaar. De Koning van Israël is de Messias voor jood én niet-jood; Hij is de Heer met all gezag in hemel en op aarde; Hij is de wetgever die de mens Zijn wil oplegt en ons allen roept Hem na te volgen en te gehoorzamen in alle dingen; de volmaakte mens bij Lukas is het zondoffer voor de zonden van de gehele wereld etc.  Het gaat om de redding van de mensheid in dit verhaal, niet om morele inspiratie voor goedbedoelende mensen – die wij denken te zijn. Maar dat is iets wat ik nu niet wil uitwerken. Ik wil juist gaan kijken naar een heel ander kerstverhaal. En dat is een verhaal dat door al onze oppervlakkige,  historische en romantische plaatjes héén prikt en ons brengt bij de cruciale vraag: Wie wordt hier geboren? En welke relatie heb ik met Hem?

In de proloog van het evangelie naar Johannes wordt ons verteld wie deze Jezus is. Hij is het eeuwige woord zegt het eerste vers. Hij is de schepper van alle dingen zegt het derde vers. In Hem was de bron van alle geestelijke leven dat als een licht straalt over de mensen, zegt vers 9. En dit waarachtige licht komt in de wereld, zegt Johannes. En Hij was in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet gekend. Dat heeft Hem niet belemmerd om in deze wereld Zijn licht uit te stralen, want de duisternis heeft dat licht niet gegrepen, zegt het vijfde vers. En dan komt Kerstmis: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, en heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.”

De Jezus die geboren wordt op kerstochtend is het eeuwige Woord, de schepper van hemel en aarde, Hij is het leven en het licht. Maar Hij is ook de verworpene, want de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hebben wíj Hem aangenomen? Heeft u Hem aangenomen? Toch hebben sommigen Zijn heerlijkheid gezien, Zijn genade en waarheid. Dat is het getuigenis van de apostelen dat ook nu nog naar ons toekomt. Beseft iedereen dat, die het kerstfeest viert? Dat de genade van God is verschenen in Christus Jezus? Dat is de genade die wij nodig hebben omdat wij ver van God zijn afgedwaald, vijandig staan tegenover God en Zijn geboden, en omdat wij verzoening nodig hebben met deze God om behouden te zijn. Beseft iedereen die kerst viert dat? Dat deze Jezus de waarheid over God aan ons heeft gedemonstreerd en verteld? Niemand is in staat om God te zien en te begrijpen. De Zoon van God, die in de kerstnacht geboren is, die heeft Hem ons verklaard.

Het kerstfeest is niet het feest van goede bedoelingen, ook niet van de goede bedoelingen van onze God. Het is het moment dat God Zijn Zoon inbrengt in de wereld om het Lam van God te zijn, dat de zonden van de wereld wegdraagt. Om het schuldoffer te worden in onze plaats. Om ons de waarheid over God te vertellen opdat wij die zouden gehoorzamen. Dat alles lijkt juist ver weg, als we oppervlakkig de historische omstandigheden nalezen, waarover Mattheus en Lucas bericht hebben. Dan kun je blijven steken aan de buitenkant. Daarom is voor mij het mooiste verhaal van kerst de proloog van het evangelie naar Johannes. Alle ruis en alle mist is weggevallen, en we horen in heldere woorden wat er werkelijk gebeurd is in die kerstnacht. Het Woord is vlees geworden – God heeft zich niet vermomd als een mens, en ook is geen mens goddelijk verklaard, maar God heeft Zelf de gedaante van een mens aangenomen, is aan ons gelijk geworden, heeft ons bestaan gedeeld. De schepper treedt in, in Zijn schepping. En Hij heeft ons leven gedeeld, hij heeft onder ons gewoond – Hij is in alle opzichten aan ons gelijk geworden, de enige uitzondering is de zonde. De volmaakte Zoon van God was in ons midden, er was geen bedrog in hem, geen verkeerd woord kwam van zijn lippen, heel Zijn hart was God toegewijd en gevuld met liefde voor de mens. Johannes de evangelist was er bij, en Hij getuigt met dit evangelie. “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Door dit menselijke leven héén en door deze oppervlakkige historische gebeurtenissen héén, hebben de discipelen Gods Heerlijkheid gezien in Hem. Alle voortreffelijk eigenschappen die God heeft, straalden in Jezus Christus naar buiten met een ongekende helderheid. Getemperd alleen, opdat menselijke ogen het konden waarnemen. Liefde, genade, barmhartigheid, goedertierenheid, geduld, mededogen, begrip, zuiverheid, licht dat ons aan onszelf ontdekt, en leven dat ons doet ontwaken uit de dood. Alle wijsheid van God, elke onbenoembare volmaaktheid in God, straalde in deze Jezus van Nazareth. In dit Kind, in deze kribbe, in deze kerstnacht.

Stel nu eens dat je op een berg had gestaan met een verrekijker in je hand, zodat je alles kon zien wat er in Bethlehem, ja zelfs wat er in het paleis van Herodes die dagen allemaal gebeurd was. Je was dan getuige geweest van de geboorte van Jezus en al het andere dat in die nacht heeft plaatsgevonden. En zou je dan niet gezegd hebben: wat heeft die moeder het moeilijk gehad? Waar komt dat licht vandaan bij die herders in het veld? Wat betekenen die woorden toch die ik hoor: in mensen een welbehagen? Verder was je nooit gekomen, als God het je niet geopenbaard had, zoals Hij het aan de discipelen in hun hart openbaarde. Zonder de theologie van het evangelie naar Johannes, zijn de gebeurtenissen die worden geschetst in het evangelie naar Mattheus en naar Lucas – zelfs als je al hun theologische kanttekeningen meerekent – onbegrijpelijk en onbetekenend.

Johannes zegt ons, dat pas toen Jezus werd geboren, mensen God konden zien. In Jezus zagen ze de volledige volmaakte godheid. Jezus was één met God, hij was één met Hem in genade en waarheid. Alles wat je ooit in je leven van God zou kunnen en moeten weten, weet je in Hem. Weet u, je kunt het kerstverhaal elk jaar horen, zoals het wordt verteld bij Mattheus en Lucas. Je kunt je er elk jaar over verbazen en verwonderen en er zelfs ontroerd van raken. Maar als je niet begrijpt wie Hij is die hier wordt geboren, en als je niet gelooft in Diegene die hier geopenbaard wordt, dan heb je daar helemaal niets aan. Dan ben je, zegt Johannes, helemaal geen kind van God. “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht (eigenlijk: recht, bevoegdheid) gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Hem aannemen is in Zijn Naam geloven. In Zijn Naam geloven betekent, geloven en vertrouwen in alles wat Hij is en gezegd heeft. En de kern van dit “alles wat Hij is” vinden we precies bij Johannes. Dit Kerstkind is het eeuwige Woord, en buiten dat Woord om kun je geen kind van God zijn, kun je geen genade ontvangen en geen waarheid kennen, blijf je dood in je zonden en ontvang je het leven niet, en wandel je in de duisternis omdat je het Licht niet over je laat schijnen.

Elke keer weer, wanneer wij kerst vieren, lezen we of Mattheus of Lucas. Maar eigenlijk zouden wij elk jaar meteen na het lezen van het kerstverhaal, de proloog van het evangelie naar Johannes moeten lezen. Want de inzichten die Johannes hier met ons deelt, die verhinderen dat ons het grootst mogelijke misverstand overkomt: te menen dat het evangelie niets anders is dan een wonderlijk geboorteverhaal over een goed mens die tragisch stierf, in een voor ons onbereikbaar verleden. Neen! Deze Jezus is het eeuwige Woord, de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven in de dood, opdat ik zou leven door Hem.

Kent U Hem? Kent U de Zoon van God? Is Hij uw Heer en Heiland?

PERSOONLIJKE VOETNOOT

Henneke las deze tekst, vlak nadat ik die op internet had geplaatst. Haar commentaar was, dat ik (weer) in de aanval was gegaan tegen mensen die deze “prietpraat en valse sentimenten” juist heel prettig vonden. “Je moet ze er zachtjes op wijzen.” In mijn ervaring van de laatste 40 jaar helpt het NOOIT wanneer je mensen ergens “zachtjes” op wijst. Je bent dan alleen wollig, onhelder, mensen vergissen zich over je eigenlijke bedoelingen etc. Je bent dan weliswaar een vriendelijke man in hun ogen, maar ze leggen de boodschap die je brengt net zo makkelijk naast zich neer, als de tekst te lezen is die je geschreven hebt. Ik heb in mijn tekst geen mensen op het oog gehad, het is geen aanval op iemand, maar het is wel gericht tegen een bepaalde manier van gelovig-zijn. Je meent dat je gelovig bent omdat je het kerstverhaal zo mooi vindt? Maar dat is een illusie! Dat is geen geloof in Jezus Christus die door de Vader gezonden is. En alleen “wie Hem aanneemt” in geloof, ontvangt van Hem het leven en het Licht. Vanuit Gods Woord kun je niet anders – meen ik – dan daar duidelijk en helder op wijzen. Dat het “kerstgevoel” van de meeste mensen helemaal niets te maken heeft met de waarheid van de geboorte van Jezus. Dat het verhaal van de ongelukkige joodse martelaar die zo’n bijzondere geboorte had, geen evangelie is. Dat er méér staat in de Bijbel dan in dit oppervlakkige verhaal terug te vinden is.

Je kunt en mag dat van mij niet leuk vinden, en je kunt en mag vinden dat ik dat (te) hard neerzet. Leg het naast je neer, en er is geen schade. Noem mij een vervelende vent, en ik lijd geen schade. Maar als ik niet de (Bijbelse) waarheid spreek, lijdt iedereen schade – ik, omdat ik mijn opdracht verzaak het evangelie te verkondigen en jij, lezer, omdat ik de stroopkwast hanteer en jou niet helder zeg wat ik denk. Daar schiet jij immers ook niets mee op. Dat doet bovendien iedereen al. Maar je kunt en mag er ook iets van leren. Namelijk opnieuw leren dat Kerst over de Heer Jezus Christus gaat die kwam om ons te redden, die het leven met ons deelde etc. etc. Kortom je kunt en mag er ook van leren wat de ware Kerstboodschap is. Daar word je niet minder van, integendeel.

Johannes (3) – Leven en Licht

De eerste drie verzen van de proloog van het evangelie naar Johannes vertellen ons rechtstreeks iets over de godheid van Jezus Christus. Hij was vanaf de eeuwigheid. Hij was bij God, dat wil zeggen communiceerde met God, was voor Zijn aangezicht, er was een levende, persoonlijke betrekking en relatie tussen God en het Woord. En het derde wat hij zegt is dit: God heeft alle dingen door het Woord gemaakt, het Woord is de schepper van alle dingen, en niets dat bestaat, bestaat buiten Hem om.

In de verzen 4 en 5 gaat het vervolgens om het vleesgeworden Woord. Gaat het om de relatie tussen het Woord en de wereld. Twee dingen worden daar gezegd. In de eerste plaats, dat het Woord de bron van alle leven is. En dat dit leven ook het licht is van de menselijke wereld. Leven en licht. Dat is vers 4. En dan het tweede, dat rechtstreeks te maken heeft met de komst van Jezus in de wereld. Het Woord is licht, en schijnt in de duisternis die over onze wereld ligt. En de duisternis heeft dat licht niet kunnen overwinnen. Het is meer dan “niet begrepen” wat in de Herziene Statenvertaling staat. Het gaat er niet om dat de wereld die in duisternis ligt niet heeft begrepen dat Hij het Woord is, maar dat deze duisternis dat licht niet heeft kunnen overwinnen, niet heeft kunnen overmeesteren.

“In Hem was het leven.” Het woord dat hier gebruikt wordt is niet bios, wat op het fysieke en laten we zeggen biologische leven slaat. Het gaat om het geestelijke leven en om die reden gebruikt Johannes het woord dzoè. Als schepper van de wereld is Hij ook de bron van al het levende, dus van het leven. Maar Hij is ook de bron van het geestelijke leven. Dat leven is in Hem.

Wat is geestelijk leven? Het staat tegenover geestelijk dood zijn. Wat is dan geestelijk dood zijn? Paulus zegt in de brief aan Efeze: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.” (2:1) Geestelijk dood zijn betekent dat je niet bij machte bent om God te antwoorden, om in een levende betrekking tot Hem te staan. In deze wereld zijn de meeste mensen geestelijk dood, omdat hun zonden en overtredingen tegenover God niet vergeven zijn. Omdat ze de kracht van de levendmakende Geest niet hebben meegemaakt. Daarom gebruikt Johannes in dit evangelie meer dan 50 keer het woord dzoè, geestelijk leven. De mensen in de wereld waren dood, en Hij kwam om hen het leven te geven. Opdat de mensen wél met God in een levende betrekking konden staan, Hem waarachtig zouden kennen, met Hem zouden wandelen in hun leven. Daarom zegt Hij van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

En dan wordt dit Leven dat Jezus Christus kon brengen ook nog eens het licht genoemd. Dat Leven dat in Hem is, straalt naar buiten toe, verlicht alle mensen, verdrijft de duisternis. Net zoals licht vanuit een lichtbron straalt, zo straalt het leven uit Jezus Christus die de bron van het leven is. En dat licht van het leven straalt uit naar alle mensen in de wereld, zoals we lezen in vers 9. “Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” Hoe kun je dat leven ontvangen? Hoe kun je dat licht in je leven laten schijnen? Johannes gaat het in zijn evangelie uitleggen.

In de eerste plaats moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Als je dat niet gelooft zoek je het licht op de verkeerde plaats, of blijf je liever in de duisternis, en dan heb je de bron van het leven niet gevonden. Er worden in deze wereld zoveel leugens verteld, de waarheid is zo schaars, maar in Christus vind je de bron van alle waarheid, de Waarheid zelf.

In de tweede plaats moet je vertrouwen hebben in wat Hij geopenbaard heeft. Moet je geloven dat Hij werkelijk de Vader heeft laten zien en de Vader in eenheid met Hem is. Want alleen als je Zijn Woord aanvaard, weet je wat je doen moet en hoe je dat leven kunt ontvangen. Je moet Hem dus erkennen als de Weg die tot het leven leidt.

En in de derde plaats moet je je leven toewijden aan deze twee dingen, je moet de Zoon van God daadwerkelijk gehoorzamen en Hem je leven toevertrouwen. Niet alleen maar weten dat dat zo moet, maar het ook daadwerkelijk doen. Wie dat doet heeft het leven in zichzelf ontvangen, en wandelt in het licht, en is – zoals vers 12 het zegt – een kind van God. Daarom is Hij het Leven zelf, omdat Hij het geestelijke leven geeft aan iedereen die Hem aanneemt in geloof.