Johannes (15) – Zó heeft God de wereld lief gehad

Johannes 3:15, 16

Nicodemus heeft Jezus horen zeggen dat een mens alleen door de wedergeboorte, waaraan hij zelf niet kan bijdragen, het koninkrijk van God kan zien. Vanuit zijn traditie en ervaring kan Nicodemus dat niet geloven. Vers 11: “toch neemt u Ons getuigenis niet aan.” Vers 12: “en u niet gelooft.” Nicodemus kan het niet geloven. Heel zijn leven als leraar van Israël staat in het teken van de gerechtigheid uit de wet. Hij zoekt de gerechtigheid, dat wil zeggen de juiste relatie tot God, niet uit geloof, maar uit de vervulling van de wet. (Vergelijk Romeinen 9:31, 32) Toch had hij kunnen weten dat God niet de nauwkeurige vervulling van de wet heeft gezocht, maar een houding tegenover God en de naaste in het leven die uit geloof voortkomt. Hij had kunnen weten dat God met de komst van de Messias een nieuw tijdperk wilde inluiden, waarin de Geest van God zelf in de harten van de mensen woont. Daarom herinnert Jezus hem eraan, in vers 13, dat de Zoon des mensen uit de hemel komt, dat Hij het weten kan omdat Zijn Woord een openbaring van God inhoudt.

Vanaf vers 15 gaat het om de Zoon des mensen en om de menselijke verantwoordelijkheid. Ieder die in de Zoon des mensen gelooft, heeft eeuwig leven, en kan het koninkrijk van God zien. Je zou kunnen zeggen dat het misschien voor Nicodemus te moeilijk is om de wedergeboorte te begrijpen. Maar het zal toch minder moeilijk zijn om te begrijpen dat het nodig is om in de Messias te geloven. De leer van de wedergeboorte zegt dat je als mens niets aan je redding kunt bijdragen. Wedergeboorte is een soevereine daad van God vanuit de hemel. Maar geloof is toch tenminste iets wat je kunt doen als mens. Nicodemus die denkt in termen van de werken van de wet zou daar meer van kunnen begrijpen dan van de leer van de wedergeboorte. Over dit “zaligmakende” geloof gaat nu de rest van deze passage tot en met vers 21.

De woorden van Jezus in vers 15 zijn ongetwijfeld voor Nicodemus een nieuwe schok geweest. Niet alleen dat je niets aan je redding kunt bijdragen, maar het is ook nog eens zo dat de redding wordt gegeven aan “ieder die in Hem gelooft.” Dat houdt in dat er geen verschil is tussen Nicodemus, de leraar van de wet, en de tollenaar die op een afstand bij de tempel staat en om vergeving vraagt. Als de tollenaar gelooft in de Zoon des mensen ziet hij het koninkrijk van God, terwijl de ongelovige Nicodemus een buitenstaander is van het koninkrijk. De zondaar die gelooft krijgt eeuwig leven, en de rechtvaardige kenner van de wet wordt afgesneden van het eeuwige leven. Nog erger, de heiden die gelooft krijgt eeuwig leven terwijl het ongelovige deel van Israël buiten dat eeuwige leven staat. Waarom is dat zo’n schok voor Nicodemus? Omdat een groot deel van de Wet van Mozes bestond in het oprichten van een scheidsmuur tussen Israël en de volkeren. Israël moest het heilig volk zijn, afgezonderd in denken, voelen en praktijken van de rest van de wereld. Omdat Nicodemus een Messias verwachtte, die de heidenen zou straffen en Israël zou herstellen. En nu zegt Jezus dat alles eenvoudig op geloof aankomt, waardoor al die regels uit de Wet en heel die verwachting van het oordeel over de heidenen betekenisloos zijn geworden. Heel de joodse ijver voor het houden van de dieetwetten, de besnijdenis, het afweren van de heidenen heeft nu zijn functie verloren.

Nicodemus begrijpt wel heel goed wat “eeuwig leven” betekent. Die uitdrukking komt ongeveer 15 keer voor in dit evangelie. De nadruk ligt niet op het feit dat dit leven geen einde kent en tot in eeuwigheid voortduurt. Het eeuwige leven is leven dat rechtstreeks uit God voortkomt, is leven dat in overeenstemming is met het karakter van God. En dat leven – in zekere zin ook het ideaal van de Farizeeën hier op aarde – wordt zomaar geschonken aan iedereen die in Christus gelooft. Hoe was dat mogelijk? Waarom zou God dat eeuwige leven niet geven aan de mensen die zich keurig aan Zijn voorschriften en geboden hielden? Nee, zegt Jezus, het is op grond van geloof. Wat gelooft Nicodemus dan wel? Hij en de groep die hij vertegenwoordigt, geloven dat Jezus een leraar is van God gezonden, en dat Zijn boodschap vanuit de hemel wordt ondersteund met tekenen en wonderen. Hij gelooft dus wel iets. Zoals er veel mensen zijn die van alles en nog wat geloven. Maar dat geloof zal hem (en hen) niet redden. Want Nicodemus verwerpt de boodschap dat hij het Lam van God nodig heeft voor Zijn rechtvaardiging. Hij verwerpt de boodschap dat hij niet een koning nodig heeft die de heidenen zal straffen, maar een lam, een zondoffer, dat zijn zonden zal dragen. Hij gelooft wel in de triomfantelijke neerdaling van de Zoon des mensen – Daniel 7 – maar hij gelooft niet in de verhoging (kruisiging) van de Zoon des mensen, als de koperen slang in de woestijn.

In het gesprek met Nicodemus ligt het nu voor de hand dat deze de vraag zou stellen: “maar waarom is dat dan zo? Hoe komt God ertoe alleen maar geloof te vragen in de Zoon des mensen die gekruisigd werd, als een voorwaarde voor het schenken van de verlossing?” Het antwoord komt dan in vers 16. “Want.” – Daar begint het mee. Er is een reden dat God op deze manier met mensen omgaat. “Want zo lief heeft God de wereld gehad.” God vraagt van de mensen uitsluitend geloof, vanuit Zijn liefde voor de mensen. Wat is het motief? Gods liefde. Waarom maakt God het eeuwige leven toegankelijk voor iedereen in de wereld, ook voor heidenen, door een simpele daad van geloof? Omdat God de wereld liefheeft. En dat is precies de werkelijkheid van Gods hart die in de theologie van Nicodemus geen enkele plaats meer had.

Er is een samenhang tussen geloven en vertrouwen op God, en het inzicht dat God liefde is. Hoe meer je begrijpt van Gods liefde, des te duidelijker is je geloof. Wat weten we dan? Een moderne Nicodemus zou zeggen dat God alle mensen rechtvaardigt omdat Hij alle mensen liefheeft, immers God is liefde. God is zo uitsluitend en alleen liefde, dat het ondenkbaar is dat God verschil zou maken tussen zondaars en gerechtvaardigden, tussen christenen en niet christenen. En als je beseft dat God liefde is, dan is het ook passend dat je je naaste liefhebt. En meer heeft de wereld niet nodig.

Als een dergelijke Nicodemus nu in de nacht bij Jezus komt zou hij iets anders te horen krijgen:

“Hierin is de liefde van God aan ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefhebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening van onze zonden.” (1 Joh. 4:9, 10)

Ziet u wat ik bedoel? We begrijpen helemaal niet wat het betekent dat God liefde is, tenzij we de grote daad van liefde van God onder ogen zien. God heeft de wereld lief, dus zond Hij Zijn Zoon. Waarom was dat nodig? Omdat wij in de macht van de zonde lagen en de dood van het Lam van God nodig was om ons daaruit te bevrijden. Gods liefde drukt zich uit in een bijzondere daad in de geschiedenis. Het is niet zomaar een zweverig begrip waarbij we ons van alles en nog wat voor kunnen stellen. En daarom markeert het woord “geloof” in de Zoon van God wel degelijk een scheidslijn tussen wie Gods liefde aannemen, en wie over Gods liefde alleen spreken en er zichzelf mee rechtvaardigen, maar de grote daad van Gods liefde niet erkennen. Hoe kun je spreken over de liefde van God als je het bewijs van die liefde – de zending van de Zoon, “als verzoening voor onze zonden” – niet aanvaardt? De moderne Nicodemus doet geen beroep op de wet, maar op de liefde in het algemeen; de oude Nicodemus doet een beroep op de wet; maar het is een en hetzelfde. Je doet een beroep op iets – gerechtigheid uit de wet, de algemene liefde van God – met het doel jezelf te rechtvaardigen. Je aanvaardt niet dat God een specifieke voorwaarde heeft gesteld aan de ontvangst van het eeuwige leven. Namelijk geloof in de Zoon van God als het Lam van God. En als je dat niet aanvaardt, hoef je het dus over je zonden en je schuld en de noodzaak van het wegdragen van die zonde en die schuld door het Lam niet meer te hebben. Het rechtsgeding tussen God en de mens wordt echter niet opgelost door een beroep op onze eigen prestaties – de oude Nicodemus – maar ook niet met een beroep op Gods liefde in het algemeen – de nieuwe Nicodemus. Iemand betaalde de prijs van je zonden. Iemand heeft jouw schuld gedragen. Iemand wilde het zondoffer zijn, dat jouw plaats innam. Iemand heeft jou zo liefgehad, dat Hij voor jou wilde sterven. En die Iemand is Jezus, de Zoon van God.

Daarom staat er ook in vers 16 dat kleine woordje “zo”. Want zó lief etc. – dat wil zeggen op deze manier, met dit doel, in deze mate. Op welke manier? Door de zending van de Zoon. Met welk doel? Om mensen te redden. In welke mate? Door de Zoon over te geven in handen van onrechtvaardigen, en Hem te laten kruisigen. De liefde van God wordt zichtbaar in de gave van God. Gods liefde is niet zomaar een sympathiek karaktertrekje, op de manier waarop iemand als Voltaire het kon zeggen: “vergeven is nu eenmaal Gods beroep.” Spreken over Gods liefde klinkt sympathiek en charmant. Maar je vestigt daarmee alleen maar de aandacht op je eigen vriendelijkheid: “mijn God is alleen maar lief, mijn God aanvaardt alle mensen, mijn God ziet en hoort geen kwaad, mijn God zorgt voor alles en iedereen.” Dat is dan niet de God van de bijbel die Zijn Zoon overgeeft in de dood om zondaars te redden. Die een heilig God is, volkomen en zuivere gerechtigheid, en die gerechtigheid in overeenstemming wilde brengen met Zijn oneindige liefde voor de wereld. Johannes zegt hier heel duidelijk tegen de Nicodemus van toen en tegen de Nicodemus van nu, dat je dat eeuwig leven krijgt wanneer je gelooft in de gekruisigde Zoon van God, die de zonden van de wereld droeg.

“Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

Vergevingsgezindheid – een goddelijke eigenschap

“Het verstand van een mens doet hem zijn toorn uitstellen, het is zijn sieraad aan een overtreding voorbij te gaan.” (Spr. 19:11)

Vergevingsgezindheid is een eigenschap van de mens, die het dichtste komt bij de eigenschappen van God zelf. God zou je bijna kunnen definiëren als vergevingsgezindheid. In Exodus 34:6 omschrijft God zichzelf: “HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw… Die ongerechtigheid, overtreding en zonden vergeeft.” Er staat nog meer, ook dat de schuldige niet voor onschuldig zal worden gehouden, dus de gerechtigheid van God speelt onmiddellijk ook een rol, maar het gaat mij nu niet om de theologische kwestie hoe de gerechtigheid van God en Zijn vergevingsgezindheid met elkaar samenhangen. Daarover een andere keer. Het gaat mij nu alleen om de eigenschappen van barmhartigheid, genade, geduld, goedertierenheid en trouw.

Natuurlijk spelen vergeving en verzoening in de hele bijbel een grote rol. Maar we kennen allemaal het verhaal uit Lucas 15, het verhaal van de verloren zoon. Daar zien we in een prachtig beeld hoe de vergeving bij God werkt. De zoon kan er niet op rekenen bij zijn terugkeer, hij hoopt alleen dat hij in ieder geval als een slaaf zal worden behandeld, een dak boven zijn hoofd krijgt en tenminste iets beters te eten krijgt dan het varkensvervoer. Maar we zien de vader in het verhaal niet eens wachten tot de zoon bij hem komt, maar hij rent al op hem af, hij kust hem en omhelst hem, hij wacht de woorden van berouw niet eens af, maar valt de zoon in de rede, en richt een feestmaaltijd aan, nodigt buren en familie uit om samen te vieren dat de zoon is teruggekeerd. Net zoals in het verhaal van de barmhartige Samaritaan bij de naastenliefde, gaat het om de overvloed aan vergevingsgezindheid die de vader in het verhaal vertoont – dat is om zo te zeggen de goddelijke overvloed. De vader staat niet zuinig het excuus af te wachten, zegt niet “ik zal nog eens kijken of jij het wel waard bent,” hij houdt geen afstand terwijl die zoon beschaamd zijn best moet doen om het vertrouwen van zijn vader terug te winnen, maar er is overvloed aan genade en barmhartigheid.

Het tweede dat je hier leert is, dat een dergelijke vergevingsgezindheid door anderen niet gewaardeerd wordt. Misschien dat wij er daarom zo slecht in zijn. De oudste zoon staat er knorrend en mopperend bij. Hij begrijpt niet dat dit overdadige feest juist wordt aangericht tegenover een onwaardige broer van hem. Een feest hoort bij een prestatie, denkt hij. En die prestatie heeft hij, de oudste zoon, geleverd. Alleen krijgt hij geen feest. Hij wordt alleen uitgenodigd om te delen in de feestvreugde rondom degene die vergeving ontvangt, om betrokken te raken in het proces van de vergeving. Maar de oudste zoon weigert dat.

Uit het verhaal in Lucas 15 kunnen we dus leren op welke manier God vergeeft. Uitbundig, vrijgevig en volkomen. En God verwacht dat wij op dezelfde manier elkaar vergeven. Zo horen we in de brief aan Efeze 4:32:

“wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig, en vergeef elkaar, ZOALS ook God in Christus u vergeven heeft.”

Zoals. We moeten vergeven op dezelfde manier als God vergeven heeft. Hoe heeft God dat gedaan? Uitbundig, vrijgevig en volkomen. Hij wil niet dat wij elkaar beschamen, op de proef stellen, laten wachten tot we de vergeving verdiend hebben, hij wil niet dat we wegkruipen om alleen maar de positie van een slaaf in te nemen. Hij wil dat wij die relatie volkomen herstellen, en daarin actief zijn en vrijgevig. Zo zijn wij vergeven. Zo horen wij elkaar te vergeven.

We horen het nog uitgebreider in de brief aan Kolosse, hoofdstuk 3:13.

“Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen.”

Hier gaat het ook nog eens over “verdragen”, en vergeven van elke klacht. Als je dit alles samen bekijkt, dan wordt het duidelijk dat God jou heeft vergeven en dan van jou mag verwachten dat ook jij de vergeving beoefent. Sterker nog, er is een direct verband tussen de praktische vergeving van God – die wij elke keer weer moeten ontvangen, 1 Joh. 1:9 – en onze vergeving voor anderen. Want dit is de kern:

“Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.” (Mat. 6:12) 

Johannes (14) – Het natuurlijke en het Geestelijke

Johannes 3:11-15

We zijn nog steeds bezig in het derde hoofdstuk van het evangelie naar Johannes, met het gesprek van Nicodemus en Jezus. Dat is een gesprek over de ingang in het koninkrijk van God, over wat we normaal gesproken zaligheid of behoudenis noemen. In dit evangelie wordt het meestal als “eeuwig leven” aangeduid.

We hebben al gehoord dat je die ingang op twee manieren kunt beschrijven: als wedergeboorte uit water en Geest en als geloof in de Zoon des mensen. Daarin zit een tegenspraak – het is voor ons althans een tegenspraak – maar we hebben beide uitspraken nodig om tot op zekere hoogte te begrijpen wat hier gaande is. Net zoals we ook in dit evangelie moeten begrijpen, dat de Zoon van God tevens het Lam van God is; dat het eeuwige Woord tevens de mens Jezus Christus is. God begrijpt hoe dat alles een perfecte eenheid vormt; wij hebben twee benaderingen, twee manieren van spreken nodig om het te begrijpen. De tegenspraak tussen de twee manieren van spreken is niet toevallig maar wezenlijk. Het komt in ons begrijpen nooit tot een volkomen eenheid. En we moeten eigenlijk ook geen poging doen om de tegenstelling te verzachten en te zeggen “de wedergeboorte is de oorzaak van het geloof”, of “het geloof is de oorzaak van de wedergeboorte.” Ook dat berust op een natuurlijke en verstandelijke manier van redeneren. Maar daarover heb ik de vorige keer al geschreven.

Het gesprek met Nicodemus gaat vanaf vers 13 over in een monoloog van de kant van Jezus. Ik denk dat dat ook tot het gesprek met Nicodemus behoort en dat we het op die manier moeten leren verstaan. Eigenlijk moeten we dan beginnen te lezen in vers 12. Dat is de laatste keer dat Jezus rechtstreeks tegen Nicodemus heeft gesproken. Hij zegt in dat vers: “Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?” Wat zijn die aardse dingen? Welnu, dat is gewoon het beeld van de geboorte, want de geboorte hoort bij de aarde. Jezus heeft daar simpelweg mee bedoeld, dat wij niet beschikken over de toegang tot het koninkrijk, dat het ons overkomt op de manier waarop de geboorte ook een gebeurtenis is waarover wij niet kunnen beschikken. Dat is het aardse perspectief. En dus zegt Jezus tegen Nicodemus: “U gelooft het al niet eens als ik dat tegen u zeg, dat u niet kunt beschikken over de toegang tot het koninkrijk. U gelooft dat u zich die toegang kunt verschaffen door het verrichten van de werken van de wet. Maar dat is een aardse voorstelling, een vals geloof. Zo hebben jullie ook de wonderen verstaan die Ik verricht heb. Vanuit de aarde gezien zijn het alleen maar wonderen, maar je hebt de betekenis ervan – het Geestelijke – niet begrepen.” Nicodemus is niet bij machte om de geestelijke werkelijkheid te begrijpen waar Jezus over spreekt. Een mens die alles vanuit zijn menselijkheid probeert te begrijpen – vanuit zijn ervaring, vanuit de traditie, vanuit zijn verstand, vanuit de erfelijkheid en sterfelijkheid – komt hier tekort. We spreken hier over een geestelijke verblindheid. Paulus spreekt erover:

“Van hen, de ongelovigen, geldt dat de God van deze eeuw hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.” (2 Kor. 4:4)

Paulus zegt het op een andere manier in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe.

“De natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.” (1 Kor. 2:14; vgl ook 1:18, 21, 25; 2:4, 5, 7, 10,12, 15.)

Het natuurlijke verstand zal bijvoorbeeld zeggen, dat je bij theologische uitspraken die een tegenspraak inhouden steeds een keuze moet maken. Het is of het een of het ander. Of Jezus is een ander woord voor God, Hij is schijnbaar mens – en dan doet Zijn menselijkheid en Zijn dood er niet toe. Of Jezus is een mens – en dan is Zijn goddelijkheid alleen maar een fraaie titel voor Zijn waarde voor jou. De natuurlijke mens zal zeggen, het is of het een of het ander. Of je wordt een christen door een mysterieuze ingreep van boven – wedergeboorte – of het is een kwestie van je eigen keuze, dan ben je vrij om te geloven of niet te geloven..

En nog een voorbeeld. Het is of het een of het ander. Of Jezus is de Zoon van God en dan is de dood aan het kruis maar een schijnvertoning; of Jezus is alleen maar mens, maar dan is de opstanding een fabeltje. Of het een of het ander. En daarom zegt Paulus:

“En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door Gods genade geschonken zijn.”

Met je natuurlijke verstand kun je niet vanaf de aarde opklimmen tot in de hemel, uit jezelf kun je niet ontdekken wie God is. Maar het is juist het kenmerk van het natuurlijke verstand, dat het met behulp van redeneren en logica – het is of het een of het ander – probeert alles te begrijpen. Dat is de wijsheid van deze wereld, en dat logische en dat redeneren leidt dan tot “overtuigende woorden van menselijke wijsheid.” Zo kun je op overtuigende wijze de openbaring van God loochenen en teniet doen. Maar wie kan werkelijk weten wat God is en wat God denkt behalve God alleen? Hoe kan het menselijke uit zichzelf in staat zijn het goddelijke te begrijpen? Hoe kan de menselijke kunst van het redeneren en het natuurlijke verstand de diepten van God leren kennen? Daarom zegt Paulus:

“aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.” (1 Kor. 2:10)

Terug naar Johannes. Wanneer Nicodemus probeert te begrijpen en misschien te geloven wanneer Jezus hem de hemelse dingen uitlegt, wat moet hij dan als eerste begrijpen en geloven? Het eerste deel van het antwoord daarop, wordt gegeven in vers 11 en 13. Het is een antwoord op de vraag “hoe” iemand immers kan geloven wanneer hij over hemelse dingen hoort spreken. Dan zal hij het getuigenis van Vader en Zoon (vers 11) moeten aannemen. Naar wie moet Nicodemus dan luisteren om in staat te zijn de hemelse dingen te geloven? Dan moet hij luisteren naar iemand die het weten kan, voor wie de hemel een eigen natuurlijke werkelijkheid is. Je kunt niet vanaf het aardse opvaren naar de hemel, maar je kunt wel luisteren naar Degene die uit de hemel is neergedaald. Zo geeft Jezus het antwoord: “En niemand is opgevaren naar de hemel” – niemand kan dus van het hemelse getuigen – “dan Hij Die uit de hemel neergedaald is” – want Hij is in staat om te openbaren wat in het hart van God is. En Wie is dat dan? “… Namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” (Vers 13) Dat is een nieuwe titel van Jezus in dit evangelie. Het lijkt mij, dat je die titel in ieder geval kunt begrijpen als een samenstelling van Zoon van God, en Lam van God. De Zoon van God die mens wordt, is ook de Zoon des mensen. Dat wordt nog versterkt door de uitdrukking die er meteen op volgt. Het gaat om “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” En als Mens wordt Jezus het Lam van God. Daarnaast kun je ook nog beseffen, dat het in het algemeen teruggaat op de profetie van Daniel 7.

Die tegenwoordige tijd: “Die in de hemel is”, is hier opvallend. Dat betekent volgens mij niet dat Johannes de evangelist hier iets heeft toegevoegd aan de woorden van Jezus, omdat dat bij het schrijven de realiteit was – zodat het slaat op de Hemelvaart. Johannes betreft niet te zeggen, dat de Zoon des mensen op het moment van schrijven in de hemel was. Want dan zou je kunnen denken dat Jezus tijdens zijn leven op aarde niet “in de hemel is.” Het heeft volgens mij dezelfde betekenis als in Johannes 1:18, waar we lezen: “de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is.” De Zoon van God was hier op aarde, en de discipelen hebben Zijn heerlijkheid gezien. Maar tegelijkertijd was Hij (en is Hij nu) in de schoot van de Vader. Hij is Zoon van God en mens op aarde, en tegelijkertijd Zoon van God die eeuwig en ongescheiden bij God is. Op grond van Zijn godheid moet het dus zó gezegd worden: “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” Jezus is nooit – behalve in de drie uren van duisternis aan het kruis – van God gescheiden geweest. De eniggeboren Zoon, de Zoon des mensen, was ook tijdens Jezus leven op aarde, in de hemel, en niet van de hemel gescheiden. Dat maakt een einde aan alle mythen over goddelijke wezens, die hier op aarde alleen maar verschijnen – dus geen vlees geworden – of zolang ze op aarde zijn, dus niet in de hemel zijn. Dat zijn de fantasieën van de oude Griekse godsdiensten, die uit het natuurlijke verstand en de aardse religie van de mensen voortkomen.

Vervolgens geeft Jezus in vers 14 en 15 een antwoord op de vraag die in het hart van Nicodemus geleefd heeft. Deze Zoon des mensen moet het Lam van God worden. Alleen als de Zoon van God wordt overgegeven in de dood, kan Hij verlossing brengen aan een zondige wereld. Hij moet worden “verhoogd” aan het kruis, zoals de koperen slang door Mozes in de woestijn “verhoogd”, in de hoogte gestoken werd. (Vergelijk Numeri 21) Iedereen die naar de koperen slang keek, werd genezen. En wie niet opkeek naar de koperen slang, omdat hij of zij niet in de woorden van Mozes vertrouwde, werd niet genezen.

Dat is dus van de mens uit gezien de voorwaarde van de ontvangst van het eeuwige leven, van de toegang tot het koninkrijk van God. Vers 15 zegt daarom: “opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Om genezen te worden van het slangengif was het nodig om op te kijken naar de koperen slang; om het eeuwige leven te ontvangen – vergeving van zonde en schuld en het nieuwe leven uit God – is het nodig om te geloven in de Zoon des mensen. Het gaat dus niet om goede werken, het gaat niet om onze religieuze plichten en inspanningen, het gaat niet om de moraliteit. Het gaat zelfs niet om de het herhaalde berouw en bekering, zoals in de prediking van Johannes de Doper – als voorbereiding – nog gezegd werd. Alles wat wij moeten doen is opkijken, erkennen, aanvaarden, instemmen met het evangelie van de Zoon van God, die “zichzelf voor mij heeft overgegeven.” (Gal. 2:20) Hoe zou het ook anders kunnen? Als geloven een werk van de mens is, dan is de wedergeboorte uitgesloten. Dan is er geen werk van God nodig en komt alles op onze inspanning van geloven aan. Maar nogmaals: als de wedergeboorte iets is waar ik alleen passief op moet wachten, dan ben ik ongehoorzaam aan de Zoon van God die mij oproept in Hem te geloven.

Johannes (13) – Bekering en geloof, of wedergeboorte?

Johannes 3:1-18

Bekering of wedergeboorte?

Vijf maal komen we in deze passage de uitdrukking wedergeboorte tegen. In het Grieks is dat een dubbelzijdige term: opnieuw geboren worden en van bovenaf geboren worden. We komen ook vijf maal het woord geloven tegen, drie keer in positieve zin (ieder die in Hem gelooft) en tweemaal in negatieve zin (wie niet gelooft). Ik wil vandaag twee vragen beantwoorden. De eerste vraag luidt, wat is de relatie tussen bekering en wedergeboorte? En daarmee hangt samen de vraag, wat is de relatie tussen geloof en de wedergeboorte?

Wat het voor mij zo belangrijk maakt, is een misverstand dat ik eens hoorde in een preek van een collega. Die zei namelijk dat wij ons opnieuw moesten bekeren. Dat komt overeen met het oudtestamentische begrip van de bekering. Dat hoort bij de prediking van Johannes de Doper. Zo horen we dat bijvoorbeeld in de profeten, zoals in Joël 2:12, 13a:

“Maar ook nu nog luidt het woord van de Heer: Bekeert u tot Mij met uw hele hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren en bekeert u tot de Here, uw God.”

En dat was in beginsel dezelfde boodschap die al in de thora te lezen stond:

“En wanneer jullie je dan tot de Here, je God bekeerd en naar Zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, jullie en jullie kinderen, met geheel je hart met geheel je ziel…” (Deut. 30:2)

Wat hier wordt omschreven wordt in het Jodendom de Tesjoeva genoemd, de terugkeer of ommekeer van een verkeerde weg. Johannes de Doper verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. Dat was een voorbereidende doop en een voorbereidende bekering. En dat blijkt ook duidelijk uit Handelingen 19:1-7, want daar vindt de apostel Paulus in Korinthe een aantal mensen die wel geloofden in de prediking van Johannes de Doper en dus de Messias verwachtten, maar nog niet begrepen hadden dat de Messias al gekomen was. Laat staan dat zij van Zijn sterven en opstanding hadden gehoord. Wanneer Paulus hen doopt in de naam van de Heer Jezus en de handen oplegt, herhaalt zich het wonder van Pinksteren ook voor deze groep mensen.

Misschien is dit wel precies de reden dat Nicodemus niet begrijpt wat deze wedergeboorte inhoudt. Als Jezus optreedt als leraar van Israël, en in aansluiting bij Johannes de Doper de boodschap brengt van bekering tot vergeving van zonden, dan is dat een “aardse” boodschap waar hij geen moeite mee zou hebben. Dan zou Jezus spreken over de bekering die steeds weer opnieuw kan plaatsvinden. Een mens die wordt gedetermineerd door erfelijkheid en sterfelijkheid kan begrijpen dat tijdens het leven steeds weer opnieuw een herstel, een bekering en vergeving nodig is. Maar Jezus vergelijkt het binnengaan in het koninkrijk van God met het geboren worden. Dat maakt een enorm verschil. Volgens Nicodemus staan de joden binnen het verbond, zijn dus al een deel van het koninkrijk van God. Bekering is nodig na afval en vergeving is nodig vanwege zonden. Jezus vertelt hem hier, dat je op die wijze juist buiten het koninkrijk staat. De ingang tot het koninkrijk is niet iets wat je al van nature hebt – wie als Jood is geboren of als kind is gedoopt zou dus al tot het koninkrijk behoren – maar wat je van buiten af moeten ontvangen. Het is een gebeurtenis waar je even weinig aan kunt bijdragen, als aan je geboorte. Kort gezegd: bekering is iets wat je doet en doen moet, wedergeboorte is iets wat je ontvangt.

Het eerste wat we hier meemaken is de bezorgdheid van Nicodemus over zijn eigen positie tegenover het koninkrijk van God. Vermoedelijk heeft Jezus gesproken over de doop met de Geest, en Nicodemus heeft dat gehoord. Vanuit die bezorgdheid is hij Jezus gaan opzoeken om hem te vragen wat dat allemaal te betekenen heeft. Wat komt hij dan tekort?

Het tweede wat hier meemaken is het woord van Jezus. Je moet opnieuw en van boven geboren worden. De toegang tot het koninkrijk van God ligt niet in een menselijke handeling, maar komt vanuit de hemel. Het is niets minder dan een wonder dat vanuit de hemel geschiedt, waar wij geen controle over hebben. De “geboorte uit God” is, zoals de proloog van het evangelie ons vertelde, “niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man.”

Dat is ook niet uitsluitend een boodschap van de evangelist Johannes. We zagen al hoe het aansluit bij de prediking van de profeten, zoals in Ezechiël en Jeremia. Jacobus weet ook van deze leer:

“Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn.” (Jac. 1:18)

Ook Paulus kende deze leer. In Efeze 2:1 lezen we: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt.” En in Titus 3 lezen we: “(Hij maakte ons zalig) …vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest.”

En ook Petrus kende deze leer: “U, die opnieuw geboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.”

Jezus heeft Nicodemus niet verteld op welke manier hij erin zou slagen opnieuw geboren te worden. Het is Nicodemus zelf die het ziet als een onmogelijke opgave. Maar het is geen opgave. Het is wezenlijk een geschenk. Wanneer Jezus zegt “Als iemand niet opnieuw geboren wordt….” dan zegt Hij niet dat het hier gaat om een prestatie van een mens. In vers 7 staan de woorden: “U moet opnieuw geboren worden.” Maar dat “moeten” bedoelt een reële noodzaak, en is geen opdracht. Juist om die reden staat er in vers 8 nog weer een vergelijking, namelijk dat iedereen die uit de Geest geboren is, te vergelijken is met de wind waarvan we wel het geluid horen, maar niet weten waar ze vandaan komt en waar ze heengaat. Bij de wedergeboorte weten wij dus niet waar het begint en waar het eindigt, of hoe het gedaan zou moeten worden. We controleren dat moment net zo weinig als we onze eigen geboorte bijdragen, als we de wind kunnen beheersen. De geboorte is geen prestatie – althans zo is het in de vergelijking niet bedoeld.

Waarom is de wedergeboorte nodig? Waarom kunnen we niet volstaan met de oudtestamentische herhaalde bekering? Zoals iemand ooit tegen me zei, dat Gods genade betekent dat we elke dag weer opnieuw mogen beginnen. Dat is iets wat mensen zichzelf wijsmaken, maar zo horen we het niet in Gods woord. (Maar je vraagt je langzamerhand af of mensen zich nog wel iets aantrekken van wat in de bijbel staat.) Het antwoord op die vraag vinden we het duidelijkste bij Paulus. Paulus wist dat zowel joden als Grieken “allen onder de zonde zijn.” Dat wil zeggen dat voor iedereen, ook voor mensen die fatsoenlijk en goed leven in menselijke ogen, dezelfde diagnose geldt. “Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God.” (Rom. 3:9, 23) Iedereen staat ook nog eens onder de macht van de zonde – waar David het over heeft in Psalm 51: “in zonde geboren”- , en iedereen heeft ook nog eens in eigen verantwoordelijkheid feitelijk gezondigd. Paulus weet wat Nicodemus nog leren moet: “Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.”

Wat is “zonde”? Elke daad die niet wordt gedaan op grond van geloof – als vertrouwen in God en als gehoorzaamheid aan Gods wil en in overeenstemming met Zijne heiligheid – is een zonde. In allerlei gradaties, van “dode werken” die nergens nuttig voor zijn, tot godslastering aan toe. Maar zonde is zonde, en brengt met zich mee dat wij schuldig staan in de rechtszaak die God met de mensen heeft. Dat we onszelf daarmee hebben afgesneden van het leven – in juridisch jargon: de “dood verdienen”.  Dat we ook nog eens onder de macht van de zonde staan.  Zoals een verslaafde niet kan ophouden te doen wat hem schaadt, zoals een slaaf wel doen moet wat zijn meester hem opdraagt, zoals een ziekte iemand gevangen houdt en de vrijheid ontneemt. Zodat we niet eens in staat zijn om niet te zondigen, en uiteindelijk zelfs niet eens meer beseffen wat zonde is en doet. (Het geweten heet dan “dichtgeschroeid”) Je kunt als mens proberen om dat probleem op te lossen door een gerechtigheid na te jagen in de vorm van een wet. Je kunt je voorstellen dat God een aantal fundamentele regels kent, en zolang je die maar keurig doet ben je “als uit werken van de wet” (Rom. 9:32) gerechtvaardigd. Tegen mensen die dat zeggen, kan Jezus alleen maar herhalen wat Hij al tegen Nicodemus gezegd heeft: “U moet opnieuw, van bovenaf, geboren worden.”

We hebben het eerste gehoord: de bezorgdheid van een leraar van de wet, dat hij tekort zal schieten om het koninkrijk van God binnen te gaan. En dan het tweede: Jezus bevestigt die terechte bezorgdheid, en met een verwijzing naar het Oude Testament geeft Hij aan op welke manier de toegang tot het koninkrijk wel werkt. Je moet opnieuw geboren worden. Daar hebben we al uitvoerig over gesproken.

En dan komt het derde. Zo lezen we het in vers 6: “Wat uit de Geest geboren is, is geest.” De wedergeboorte komt van boven. Je weet niet waar het vandaan komt en je weet niet waar dat toe gaat. Het is het werk van de heilige Geest in jou. Net zomin als je de wind kun tegenhouden, kun je de Geest van God tegenhouden. Hier is een mens werkelijk machteloos. Zo horen we het ook in hoofdstuk 5:21: “de Zoon geeft leven aan wie Hij wil.” Hier werken de wil van God en het gezag van Jezus, het vleesgeworden Woord, en de macht van de heilige Geest samen. De wedergeboorte van een mens is een werk waar God als geheel – als we zo mogen spreken – bij betrokken is. Vader, Zoon en heilige Geest openen voor iemand de weg naar het koninkrijk van God.

Betekent dit dan dat de mens op geen enkele wijze betrokken is bij de wedergeboorte? Het antwoord is ja, in de wedergeboorte als zodanig is er alleen maar een activiteit van God zelf. En we hebben al gezien dat bekering in oudtestamentische zin niet gelijk staat aan de wedergeboorte. Maar nadat dit gezegd werd in de eerste 12 verzen komen we bij het aandeel van de mens, namelijk in de verzen 13 tot en met 16.

Eerst heeft Jezus uitvoerig uitgelegd dat je geen toegang kunt krijgen tot het koninkrijk van God door de werken van de wet. Op geen enkele manier berust het op je eigen inspanning. De toegang tot het koninkrijk is een werk van de heilige Geest in de wedergeboorte. Dat is een reiniging door het water van het Woord en het ontvangen van een nieuw leven vanuit de Geest. En nu zegt Jezus ineens, “de Zoon des Mensen moet verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat.” Nu spreken we over de menselijke verantwoordelijkheid. Nu gaat het erom dat iedereen moet geloven in de Naam van de Zoon van God, dus moet geloven dat Jezus de Christus is, en God Zelf is. Sterker nog, als je niet gelooft in de Zoon van God zou je het koninkrijk niet kunnen binnengaan. Dan blijf je een buitenstaander, voor eeuwig. Dan zal de last van je eigen zonde en schuld op je blijven rusten. Dan heb je een leven zonder genade en vergeving – is een dergelijk leven niet volstrekt ondraaglijk? In de taal van het gerechtshof, dan word je geoordeeld en veroordeeld, en er is niemand die het voor je opneemt. Je zult de gevolgen van je eigen zonde moeten dragen tot in eeuwigheid.

We hebben hier met een paradox te maken. Aan de ene kant is de wedergeboorte een soevereine daad van de heilige Geest. Een mens heeft daarin niets in te brengen. Aan de andere kant is het geloof aan alle mensen opgedragen en geeft het alleen toegang tot het koninkrijk van God. Hoe kan dat beide waar zijn? Er zijn allerlei pogingen gedaan om deze twee gedachten met elkaar te verzoenen. Een van de extreme oplossingen is daarbij: vanaf het moment dat iemand vrijelijk ervoor kiest om in Jezus te geloven, dan is het “alsof” God hem heeft doen wedergeboren worden. Het geloof gaat vooraf als werkende oorzaak van wat we wedergeboorte noemen. Het andere extreem gaat als volgt: de wedergeboorte is een soevereine daad van God die vanaf de eeuwigheid al is vastgelegd in de uitverkiezing. De wedergeboorte is een daad van God die tevens het geloof schenkt. We gaan dus geloven op grond van het feit dat God met Zijn Geest ons al wedergeboren heeft doen worden. En dan is er nog een extreme oplossing, die zegt dat God van tevoren wist wie zouden gaan geloven, en dat Hij die mensen een handje helpt met Zijn Geest.

Geloven in Jezus Christus is een vrije daad, is een keuze voor de toewijding van je leven aan een Persoon. En geloven in Jezus Christus moet je zien als een geschenk, als een gevolg van het feit dat God jou met Zijn Geest heeft “wedergeboren”. In de synoptische evangeliën, wordt vooral benadrukt dat geloof een keuze is. Dat vinden we dus blijkbaar ook terug in Johannes. Maar Johannes maakt dus hier de belangrijke kanttekening, dat het tot geloof komen – de bekering in christelijke zin – tegelijkertijd en in volle zin een daad van God zelf is. Is dat niet ook om uit te sluiten dat het geloof een verdienstelijk werk is, zoals de rooms-katholieke theologie het in de middeleeuwen noemde? Op het moment dat je met trots kijkt naar je eigen geloof, daarin een voortreffelijkheid ziet, een prestatie van jezelf, is het goed om de eerste 12 verzen te lezen van dit hoofdstuk van Johannes. Het sluit de gedachte uit dat het om ons geloof gaat, en dat geloven het uitgangspunt is van alles wat ik doe in het christelijke leven – niet gehoorzamen en erkennen en Gods Woord volgen, maar mijn “gelovigheid”. Op het moment echter dat je je niet om je geloof bekommert en gaat zitten wachten tot God vanuit de hemel wat doet, is het goed om de verzen 13 tot en met 18 te lezen: je krijgt de opdracht om te geloven. Natuurlijk is in God geen tegenspraak en Hij weet hoe deze beide uitspraken met elkaar verzoend kunnen worden. Het lijkt alleen voor ons een contradictie omdat wij niet ten volle begrijpen wat het werk van God inhoudt.

Sommige waarheden in Gods Woord worden uitgedrukt juist in de vorm van twee tegenstrijdige gedachten. Samen brengen ze een waarheid aan het licht, die we niet op een bevredigende verstandelijke wijze kunnen omschrijven. Een ander voorbeeld betreft de rechtvaardiging. Is de rechtvaardiging door geloof alléén, zonder de werken? Zo staat het bij Paulus. Of is het geloof zonder de werken dood, en moeten geloof en werken samenwerken opdat een mens gerechtvaardigd is in Gods ogen? Zo staat het bij Jacobus.

Dergelijke contradicties neem ik in praktische zin. Wie zit te wachten op een daad van God vanuit de hemel, wordt opgeroepen om actief te geloven, om zich te bekeren tot de levende God. En wie zich niet met die God maar met zijn eigen bekering, geweten, gelovige leven et cetera bezighoudt, wordt eraan herinnerd dat de kern van de bekering een daad van God is, een wedergeboorte die volkomen soeverein vanuit de hemel wordt bewerkstelligd.

NAWOORD

Ik herinner me van heel lang geleden een preek in de Vergadering. Daar zei iemand: “Het is te vergelijken met zeilen. De wind komt van God, maar wij zetten de zeilen. Wind en zeil werken samen. Zo is het met de wedergeboorte uit de Geest en het geloof ook.”

Johannes (12) – Geboren uit water en Geest

Johannes 3:1-5

We hebben in de bespreking van het vorige hoofdstuk aan het einde gezien, dat velen tijdens het feest geloofden in Zijn Naam. Het was misschien verbazingwekkend dat Jezus zelf geen vertrouwen had in hun vertrouwen op Hem. Hij geloofde niet in hun geloof. En dat de reden van dit gebrek aan vertrouwen lag in het feit dat Hij wist wat hun geloof inhield. Vele mensen zijn naar Jezus toegekomen terwijl Hij Zijn tekenen deed en hebben tegen Hem gezegd: “wij geloven nu in U! Want deze tekenen die u doet kunnen alleen maar worden gedaan door iemand die door God gezonden is!” Is dat niet prachtig? Zouden wij niet onmiddellijk iemand omhelzen die zegt in Jezus’ Naam te geloven op grond van de wonderlijke dingen die Jezus volbracht heeft? Of zouden we dan vragen of iemand werkelijk gelooft dat Jezus de Zoon van God is, die het Lam van God moest worden om de zonden van de wereld weg te dragen? Dat laatste is overduidelijk het kernpunt voor Johannes de evangelist.

Zo is er een logische overgang van hoofdstuk twee naar hoofdstuk 3 .Eén van die mensen die in Zijn Naam geloofden – minstens door Hem in een positieve zin gefascineerd waren – komt nu naar Jezus toe. Het is een belangrijke rabbijn uit de geschiedenis van het Jodendom, en de aanvoerder van een klein groepje Farizeeën die van de tekenen van Jezus gecharmeerd zijn. Ook zijn naam wordt genoemd, en we komen hem nog een paar keer tegen in dit evangelie: Nicodemus. Later blijkt hij tot de discipelen te behoren, al horen we niets over zijn bekering in dit hoofdstuk.  De eerste 21 verzen van dit hoofdstuk zijn makkelijk in te delen. De verzen 1 tot en met 12 geven vooral de dialogen weer tussen Nicodemus en Jezus. De verzen 13 tot en met 21 horen op zich wel bij deze dialoog, maar de antwoorden of reacties van Nicodemus worden niet meer weergegeven. We gaan dus van een dialoog naar een betoog, waarin Jezus uitvoerig uiteenzet wat de betekenis is van de komst van de Zoon des mensen.

Deze man komt ’s nachts naar Jezus toe. Dat wil niet per se zeggen dat hij in het geheim naar Jezus toe ging, en de vermoedelijke reden is veel simpeler. Overdag gaf Jezus Zijn onderwijs en verrichtte genezingen, maar het lijkt logisch te zijn dat de mensen in de avondschemering weer naar huis gingen en Jezus dus alleen ’s nachts benaderd kon worden. Bovendien zal ook Nicodemus overdag wel het nodige te doen hebben gehad. Je zou er ook nog aan kunnen denken dat volgens de rabbijnen het tijdstip waarop je moet studeren bij uitstek ’s nachts is. Natuurlijk blijft het mogelijk dat hij niet gezien wilde worden omdat hij het sanhedrin waartoe hij behoorde niet in verband wilde brengen met Jezus. Goed. In ieder geval begint hij ’s avonds dit gesprek met Jezus.

Wat zegt hij tegen Jezus? Het is onmiddellijk duidelijk dat hij behoort tot de mensen die in hoofdstuk twee aan het eind werden genoemd. En hij gebruikt de eerste persoon meervoud zodat we onmiddellijk zien dat hij een vertegenwoordiger is van deze groep – een groep van “gelovigen” waarin Jezus zelf geen vertrouwen had gesteld. Wat zegt hij?

“Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is.”

Jezus is dus voor deze man niet de Zoon van God en zeker niet het Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Hij beschouwt Jezus als een bijzondere leraar, wiens leergezag wordt bevestigd door de tekenen die Hij verricht. Jezus is voor hem niet de God-met-ons, maar Hij is in zijn ogen een mens, met wie God is. Dat is een groot verschil. Door deze aanspreekvorm maakt Nicodemus meteen duidelijk hoe ver zijn geloof reikt. Leraar, ja! Zoon van God, neen! En daarom zocht hij Jezus op. Hij is bereid nog wel het een en ander van Jezus te leren, als Deze inderdaad een grote leraar is die van God is gekomen. Als Jezus een rabbijn is temidden van de rabbijnen, dan valt er hier voor de Farizeeën nog wel wat te halen.

Het antwoord van Jezus lijkt helemaal niet te passen bij de opmerking van Nicodemus. Die heeft Hem net in zijn eigen ogen een groot compliment gemaakt. En nu zegt Jezus tegen hem:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.”

Jezus weet wat in het hart van Nicodemus leeft. Dat was ook in het hart van de andere Farizeeën. Een oprechte Farizeeër was het te doen om het probleem van de vergeving van de zonden. Als geen ander wisten zij wat de wet van God eiste, en zij bedachten zelfs nog meer regels en voorschriften om zich aan te moeten houden. In hun ogen was dat een uitwerking van de gerechtigheid die God van hen vroeg; in werkelijkheid was het een oprichten van een eigen gerechtigheid in plaats van datgene wat God van hen vroeg. Maar zo waren de Farizeeën voortdurend bezig om allerlei regels te bedenken, om daarmee te voorkomen dat mensen de echte geboden van God zouden overtreden. Dat noemde zij een omheining rondom de Thora. Net zoals een omheining rondom een grasperk mensen verhindert om een appeltje te stelen van de boom in het midden van dat grasveld, zo waren de regels van de rabbijnen een soort omheining rondom de Thora. Je geweten werd al geraakt op het moment dat je een rabbijns voorschrift overschreed, maar dat was nog bijlange niet een overtreding van het gebod van God. Jezus weet dat Nicodemus op die manier met Gods gerechtigheid bezig is. Daar gaat zijn opmerking niet over, maar dat is feitelijk de vraag die in zijn hart leeft. Daarom geeft Jezus dit antwoord. Nicodemus vroeg zich in zijn hart af op welke manier iemand het koninkrijk van God kon binnengaan. En daar geeft Jezus dus het antwoord op.

Jezus zegt tegen Nicodemus dat hij eigenlijk helemaal opnieuw moet beginnen. De enige manier om het koninkrijk van God binnen te gaan is door middel van de wedergeboorte. Dat is een nieuw begin – dat is de eerste betekenis van het Griekse woord anoothen, “opnieuw” – en het komt uit de hemel – de tweede betekenis is “van bovenaf”. Je moet vanuit de hemel een nieuw begin maken. Dus niet vanaf de aarde op dezelfde manier doorgaan. Het lijkt duidelijk dat Nicodemus over dit antwoord in eerste instantie zeer teleurgesteld geweest is. Hij heeft ongetwijfeld gedacht dat Jezus hem misschien kon duidelijk maken dat er nog een kleinigheid aan zijn ijver voor de thora zou ontbreken. Iets wat hij over het hoofd had gezien temidden van de honderden voorschriften waar hij mee bezig was geweest. Maar Jezus zegt in feite dat hij dat alles mag weggooien, en dat hij van voren af aan moet beginnen.

In feite betekent dat, dat Nicodemus zijn hele religie moet weggooien. En dat hij helemaal niet moet doen wat je van religieuze mensen zou mogen verwachten. Namelijk standvastig blijven in de tradities die je zijn overgeleverd, en stug volhouden op de weg die door de leiders van die religie zijn voorgeschreven. Maar het gaat helemaal niet om religie. Religie is een vloek. Kijk maar naar de manier waarop de extremistische islam optreedt, kijk maar naar de manier waarop mensen in de ban kunnen raken van een of andere Goeroe of Amerikaanse televisiedominee, of achter zogenaamde bovennatuurlijke genezers en mediamieke persoonlijkheden kunnen aanlopen. Het geeft aan sommige mensen een enorm gevoel van veiligheid, en er is van alles en nog wat te doen, in de zin van rituelen, maar zelfs ook van goede werken. In de naam van religie wordt zowel goed als kwaad gedaan. Maar ik geloof dat als de duivel bestaat, zijn voornaamste hobby de religie is. En daarom zegt Jezus tegen Nicodemus dat hij dat alles moet schrappen en vergeten kan. Hij moet opnieuw beginnen om het koninkrijk van God te kunnen binnengaan.

Dus Nicodemus moet gedacht hebben: “ik ben een Jood, maar dat helpt me niet. Ik ben een Farizeeër, maar dat brengt me ook niet verder. Ik ben lid van het Sanhedrin, maar dat brengt me ook niet dichterbij het koninkrijk. Ik houd me aan de geboden van de Thora, en zelfs dat brengt me niet het koninkrijk in. De eis die Jezus aan mij gesteld heeft, is onmogelijk. Een mens kan niet opnieuw geboren worden, we zijn nu eenmaal sterfelijk en bepaald door erfelijkheid. We zijn alleen maar mens, en mensen hebben religie nodig als ze dichterbij God willen komen.” Zo ongeveer zal hij gedacht hebben. Het antwoord van Nicodemus is dus niet per se een uiting van zijn onbegrip, maar hij wil daarmee heel nauwkeurig antwoord geven. We zijn sterfelijk – hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? – en we worden erfelijk bepaald – we gaan niet voor de tweede keer de schoot van onze moeder in. We zijn dus geheel en al aards en we zijn vlees en bloed. Het is dus onmogelijk te eisen dat wij geheel en al opnieuw beginnen. We zijn al begonnen. We worden bepaald door het aardse. Dat valt niet te loochenen. Als er zoiets als verlossing is, dan zal die moeten aansluiten bij het feit dat mensen nu eenmaal zijn wat ze zijn. Nicodemus weet heel goed wat Jezus bedoelde, maar zijn tegenvraag is juist bedoeld om het antwoord te geven, om te zeggen: “dat is onmogelijk, vanwege onze menselijke aard.”

Jezus vervolgt dan in zijn antwoord opnieuw met een uitspraak die een nieuwe openbaring behelst, nieuw dan in de woorden van Jezus, vandaar de woorden “voorwaar, voorwaar.” Nu legt Jezus uit wat Nicodemus niet heeft willen aanvaarden, en Hij legt het uit op een manier die Nicodemus, de geleerde kenner van het Oude Testament, zou kunnen aanspreken.

“Als iemand die geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.”

Dat betekent niet dat je eerst geboren moet worden uit water (het water van de doop of het vruchtwater bij de bevalling) en daarna uit de Geest. Er is geen aparte geboorte uit de Geest en er is geen aparte doop met de heilige Geest. Iedereen die tot geloof komt ontvangt de heilige Geest en wordt daardoor ingelijfd in de gemeente van God. Wat Jezus hier bedoeld heeft, moet aan Nicodemus bekend zijn geweest. Het is het water van de reiniging zoals dat gebruikt werd in het Oude Testament. Het is het water dat was opgeslagen in de watervaten in Kana aan het begin van hoofdstuk twee. En die watervaten stonden daar “volgens het reinigingsgebruik van de Joden.”

Maar Nicodemus zal ook begrepen hebben dat deze leraar die van God gezonden is daarmee verwijzen wil naar de profeten van het Oude Testament. Want er stond in Ezechiël 36 te lezen (vers 26):

“Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.”

En dat betekende reiniging van het oude leven, van de onreinheid van de zonde en de afgoderij. En dan in vers 26 het nieuwe leven:

“Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.”

Dat is levensvernieuwing, en die is door de heilige Geest: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven.” En daarmee zal precies het doel bereikt worden, dat Nicodemus en de zijnen zo lang vruchteloos hebben nagestreefd:

“Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.” (vers 27).

En Nicodemus moet ook geweten hebben, dat God de vernieuwing van het verbond zou aanbieden:

“Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in het hart schrijven. Ik zal u tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

En Nicodemus moet ook geweten hebben uit diezelfde passage, dat het middel dat God moet inzetten om deze vernieuwing van het verbond tot stand te brengen de vergeving is – die het Lam Gods brengen zou – zoals we dan lezen:

“Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonden niet meer denken.” (Jeremia 31:33-34.)

Jezus zeg dus hier tegen Nicodemus, dat hij de tekst van het Oude Testament beter had moeten kennen. Er is een wedergeboorte uit het water van de reiniging en de Geest van de vernieuwing die de voorwaarde is van deelname aan het Koninkrijk van God. Zo hebben de profeten Ezechiël en Jeremia het duidelijk gemaakt.

Het water is dus alleen maar een symbool. Het symbool waarvan? Efeze 5 zegt dat Christus Zijn gemeente, voor wie Hij zichzelf heeft overgegeven, wilde heiligen, “door haar te reinigen met het water door het Woord.” De Geest brengt leven op het moment van de bekering. Dan ben je gewassen door het Woord, en heb je een nieuw leven gekregen – dan ben je een nieuwe schepping,. Dan draag je Christus met je mee, je wordt met Hem bekleed (Gal. 3:27) en dan word je verbonden met alle andere kinderen van God in het Lichaam van Christus, dan word je gevoegd bij de gemeente van  Christus. (1 Kor. 12:13)

Johannes (11) – Twee confrontaties

Johannes 2:18-25

Het tweede hoofdstuk van Johannes beschrijft vanaf vers 13 drie confrontaties tussen Jezus en de mensen. De eerste confrontatie hebben we al besproken; die vond plaats in de tempel tussen Jezus en de verkopers van schapen en duiven, en de geldwisselaars. Het is een bewijs van Zijn goddelijke autoriteit: Hij dreef ze allen de tempel uit. En het woord “allen” betekent werkelijk iedereen. Duizenden mensen zijn op het gezag van de Messias uit de voorhof naar buiten gegaan. “De ijver voor het Huis van Mijn Vader heeft mij verslonden.” (Zoals Psalm 69: 10 het zegt.)

Nu komt er een nieuwe confrontatie, met de tegenstanders van Jezus – dus weer de term “Joden” – naar aanleiding van de “reiniging” van de tempel. Ook in deze nieuwe confrontatie staat de godheid van Jezus ter discussie. We horen Johannes zeggen dat Hij almachtig is. (Hij verandert water in wijn.) We horen Johannes ons vertellen dat Jezus alwetend is. (Hij kende Nathanael voordat Hij hem zag.) We horen hem zeggen dat Hij Heer is van de tempel, en dat hij kwaad kan worden wanneer God niet de eer krijgt die Hem toekomt. Er is “ijver” bij de Zoon van God voor de eer en de waardigheid van God in de hemel.

De Joden die Hem nu aanspreken, hebben het teken gezien van Zijn gezag over de tempel en Zijn macht over de mensen. Zij trekken dat nu in twijfel. Jezus is immers geen priester of Leviet; welk recht heeft Hij om zich met de zaken van de tempel te bemoeien? En dan vragen ze Hem om een teken. Niet zomaar een wonderteken, want daar had Jezus al vele van gedaan. Dat lezen we ook in vers 23. “Velen geloofden in Zijn Naam, toen zij Zijn tekenen zagen die Hij deed.” Maar dat zijn niet de tekenen die deze Joden in gedachten hebben, en die hen hadden kunnen overtuigen. De genezingen die Jezus volbracht en het uitwerpen van de demonen, het was voor deze mensen onvoldoende bewijs van de godheid van Jezus. Zij zochten geen teken dat op aarde werd verricht, dat mensen genas en heel maakte; zij zochten wel de openbaring van de Zoon van God in heerlijkheid, maar zij zochten Hem niet in de genade en de waarheid waarmee Jezus Zich juist aan de mensen, op menselijke maat, wilde openbaren. Zij verlangden een teken uit de hemel, een of andere astronomische gebeurtenis die alleen de overmacht van God zou demonstreren. Hier stond Jezus voor hen, een mens zoals zij, zonder een of ander fysiek teken van Zijn goddelijke herkomst. En Hij was bezig met de ziekten van mensen, en de macht van het Kwade over hen. Dat was niet de Messias die zij zich hadden voorgesteld. En zo geven ze zichzelf een excuus om niet in Hem te geloven: Hij deed geen hemelse dingen, Hij demonstreerde niet Gods almacht, Hij was alleen maar bezig met zieken.

Daarom vragen zij om een teken van Zijn gezag. Welk teken kunt u ons laten zien, dat voor ons bewijst dat u, die geen priester of leviet bent, die niet de hemelse aanblik vertoont die wij verwachten van de Messias, dat voor ons bewijst dat u het gezag hebt over de tempel? Het feit dat de mensen Jezus allen gehoorzaamd hadden, was dus blijkbaar onvoldoende. Ze konden tegen zichzelf zeggen, dat dat een goed geslaagde truc was van een goede volksmenner, of op zuiver toeval berustte. Alleen Zijn stem en een geïmproviseerd zweepje waren daar verantwoordelijk voor geweest. Er waren geen engelen zichtbaar geworden, er was geen enkele bovenaardse manifestatie van macht.

Welk teken krijgen zij dan? Jezus vertelt over het ultieme teken dat Hij zou verrichten waarmee Hij Zijn gezag definitief zou demonstreren, namelijk de opstanding. In het antwoord van Jezus zijn een aantal elementen te onderscheiden. In de eerste plaats zegt Hij: “breek deze tempel af.” Hij zegt daarmee dat Hij de waarachtige tempel is, hij is Degene in Wie de Geest van God woont. In de tweede plaats zegt Hij, dat zij – de Joden van het Sanhedrin en hun aanhangers – Zijn lichaam zouden breken. Het afbreken van deze tempel is hetzelfde als de moord op Jezus. En dan het derde: “en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.” Jezus voorspelt hier Zijn opstanding uit de doden. Hij zegt hier nauwkeurig dat dat na drie dagen zou gebeuren. Welnu, dat is het teken, de demonstratie, van Zijn gezag over de tempel die met steen was gebouwd.

Deze woorden van Jezus zijn als een lopend vuurtje door heel Jeruzalem heengegaan. We weten dat, omdat bij het haastige schijnproces tegen Jezus in het huis van de hogepriester Kajafas, de opgeroepen getuigen alleen nog maar dit weten te vertellen. Dat is het enige getuigenis. Dat Jezus gezegd heeft dat Hij de tempel zal afbreken. Het is een mooi voorbeeld van slecht luisteren of van een opzettelijke verdraaiing. Jezus had gezegd dat zij, dat wil zeggen de Joden, de tempel zouden afbreken, en dat Hij hem na drie dagen zou laten herrijzen. Maar dat is wat ze ervan maken in hun getuigenis, en dat moet ook, want het ging erom dat Jezus woorden tegen de tempel had gesproken. Dat is het enige wat ze Hem kunnen verwijten, denken ze.

De tegenstanders van Jezus denken dat Zijn antwoord een grap moet zijn. 46 jaar lang is aan deze tempel gebouwd. U zult hem in drie dagen laten herrijzen? Jezus doet geen enkele moeite om dit misverstand op te helderen. En daarmee eindigt deze confrontatie. We horen niet hoe het verder gegaan is. Jezus spreekt over de tempel van Zijn lichaam, en zegt dat de opstanding het teken is van Zijn gezag over de stenen tempel. De Joden horen Hem alleen maar dit wonderlijke woord spreken, en dat is alles wat ze van Hem te horen krijgen. Minstens hebben ze wel begrepen, dat Hij tegen hen zegt, dat het helemaal niet om de tempel te doen is. De waarde van de tempel heeft blijkbaar afgedaan, dat tenminste zullen ze begrepen hebben. En daarover zullen ze ongetwijfeld boos zijn geworden. Na de opstanding hebben de discipelen zich deze woorden herinnerd. En dan lezen we: “geloofden zij de Schrift” – alles wat in het Oude Testament over Hem geschreven stond, en dus ook de verwijzingen naar de opstanding – en ze geloofden “het woord dat Jezus gesproken had.” De discipelen hebben dus niet onmiddellijk dit woord begrepen en geloofd, maar het is pas na de opstanding van Jezus duidelijk geworden.

En dan de tweede confrontatie. Tijdens dit Paasfeest heeft Jezus vele tekenen en wonderen verricht. En dat heeft succes gehad. Velen geloofden in Zijn Naam op grond van deze tekenen. Mensen beginnen vertrouwen te krijgen in Jezus. Maar dan lezen we het wonderlijke woord, dat Jezus Zelf geen vertrouwen had in die mensen. “Hij vertrouwde Zich aan hen niet toe.” In een paar zinnen wordt ons duidelijk gemaakt, dat Jezus God Zelf is, “want Hij wist Zelf wat in de mens was.” Blijkbaar is hun geloof alleen maar op tekenen gebouwd, is het een vals geloof. Het gaat ook uiteindelijk niet om de tekenen, maar om het geloof in Zijn Persoon; het geloof dat zalig maakt is het geloof dat zich kan uitspreken in de belijdenis “U bent de Zoon van de levende God.” Zo ver kwamen de mensen in Jeruzalem niet. Toch staat er dat zij geloofden “in Zijn Naam.” We hebben al eerder gezien dat de Naam staat voor alles wat Jezus is en doet. Waarom is hun geloof dan toch vals geweest?

Als iemand zegt dat hij of zij in Jezus gelooft, of dat hij of zij een christen is, moeten we dat dan zomaar aannemen? Op zijn minst zou je nog een paar vragen kunnen stellen. Gaat zo iemand naar de kerk om God eer te brengen of heeft hij een leven buiten de kerk om zonder enig verlangen naar de gemeente en de eredienst? Waar is hij vooral mee bezig in zijn leven? Is het gebed een natuurlijke bezigheid en gaat de bijbel regelmatig open? Neemt iemand de grote beslissingen in het leven op grond van het Woord van God en het gebed, of uit puur natuurlijke motieven zoals iedereen in de wereld dat doet? Is iemand in staat om anderen te vergeven? En zoekt zo iemand ook vergeving voor de fouten die hij of zij zelf heeft gedaan? Spreekt zo iemand regelmatig over God en Christus? Of komt het alleen maar ter sprake wanneer iemand rechtstreeks vraagt naar de kerkelijke achtergrond? Wat je doet en nalaat in je leven laat zien of je waarachtig christen bent. Dat gaat niet om morele perfectie, maar wel om het verlangen om in gemeenschap met God en Christus je leven door te brengen, om de gemeente op te zoeken, om daar je plaats in te nemen, om God te willen eren in je leven en Christus te willen gehoorzamen en navolgen. Als je daar helemaal niets van ziet, en al deze vragen onbeantwoord blijven, dan kun je er praktisch zeker van zijn dat zo iemand een vals geloof heeft. Zichzelf wijsmaakt er bij te horen, terwijl in werkelijkheid God en Christus voor zo iemand niets betekenen. Het zijn dan alleen maar woorden in de trant van: “Och, ik weet wel dat ik gedragen word door een hogere macht, dat er meer is tussen hemel en aarde, dat er een onzichtbare macht in deze wereld is et cetera.” Maar dat is geen geloof in Christus, dat is geen geloof in het evangelie, dat is niet hetzelfde als het “aannemen van Hem”, waardoor je het recht hebt om jezelf een kind van God te noemen. (Vergelijk maar Johannes 1:12.)

En daarmee zijn we voorbereid op wat komen gaat in het derde hoofdstuk. In dat hoofdstuk spreekt Jezus met een leider van de Joden over het ware geloof. Het ware geloof is niets minder dan een wedergeboorte, een geboorte uit Geest en water, een volkomen nieuw begin dat God met een mens maken kan, die werkelijk Christus aanvaardt in zijn of haar leven. Wie alleen maar in Hem gelooft, vanwege een of andere bijzaak – en de mensen in Jeruzalem geloofden in Zijn Naam, en deden dat tenminste nog op grond van een teken dat ze Hem hadden zien doen – maar zichzelf niet werkelijk aan Christus toevertrouwt, die wordt ook door Christus niet vertrouwd. Met andere woorden, in dat geval ontstaat er geen wederkerige relatie. En dat is uiteindelijk wat geloof betekent: een relatie krijgen met het vleesgeworden Woord, met het Licht en de Levensbron van jouw leven. Wie alleen maar de oppervlakte van het evangelie vertrouwt, geniet van de goede en genadige woorden, de mooie beloften van eeuwig leven, maar zichzelf niet werkelijk aan deze Jezus overgeeft; wie zijn eigen zonden niet in Gods licht gezien heeft en om vergeving heeft gevraagd, die kan zichzelf geen christen noemen.

Ik hoop dat u die dit leest waarachtig een kind van God bent. Dat u uw leven aan Christus heeft overgegeven om Zijn discipel te worden en een kind van God te mogen heten. Alles wat het evangelie ons toezegt, elke belofte, elke geestelijke zegening, gaat aan u voorbij als u niet bent wedergeboren uit Geest en water. Je kunt doen alsof je een christen bent. Je kunt jezelf een christen noemen zonder het gedrag te vertonen dat erbij hoort. Je kunt jezelf en anderen wijsmaken dat je een christen mag heten omdat je een goed mens bent. Maar christenen zijn geen goede mensen, het zijn zondaars die vergeving hebben ontvangen in de Naam van de Heer Jezus Christus.

Johannes (10) – De tempelreiniging

Johannes 2:13-25

Wij hebben vaak een beeld van Jezus als een mens vol liefde en ontferming, een aardige man die alleen maar vriendelijke dingen zei. Instinctief reageren wij met afwijzing als we lezen dat Jezus soms helemaal niet aardig was. In het gedeelte dat wij nu voor ons hebben, krijgen we een inzicht in de persoonlijkheid van Jezus, dat met dat vriendelijke beeld in strijd is. Jezus is in één opzicht volkomen onverdraagzaam. Hij verdraagt het niet, wanneer mensen God niet eerbiedig benaderen. Hij wordt woedend wanneer Hij ziet dat mensen in de tempel de Naam van God misbruiken om er handel mee te drijven. Jezus Christus eiste eerbied tegenover God.

Dat is een algemeen beginsel in de bijbel. Het is een principe dat in de schepping is ingebouwd. God eist dat alles wat Hij geschapen heeft Hem eer geeft. Alles in de schepping doet dat ook, behalve zondige mensen. En daarom is de Zoon van God gekomen, zodat het weer mogelijk wordt dat zondige mensen God de eer geven die Hem toekomt, zodat ze weer beantwoorden aan het doel van hun geschapen zijn. En alles wat uiteindelijk God niet zal verheerlijken, Hem niet de eer zal geven die Hem toekomt, alles wat niet in overeenstemming is met Zijn wezen, dat zal Hij uiteindelijk moeten verwijderen. Dat is het oordeel. Daarom is het zo belangrijk om God te eren, en voor een christen betekent dat alle eer te geven aan de Zoon van God, die de heerlijkheid van God openbaart en is.

Het is zeker waar dat Jezus Christus kwam om te openbaren dat God een God van liefde is. Maar we kunnen niet spreken over Gods liefde, als we niet ook – ik zal niet zeggen eerst – gesproken hebben over de zonde. De kern van de zonde is ongeloof, en de kern van ongeloof is afgoderij, en de kern van afgoderij is dat God niet de eer krijgt die Hem toekomt. In ons gedeelte gaat Jezus aan het begin van zijn zending de Tempel binnen. Dat is wat Johannes ons vertelt. Het is de eerste keer, aan het begin van Zijn zending. Hij zou nog een keer de Tempel binnengaan, maar dat is aan het einde van Zijn zending, vlak voor het paasfeest wanneer Hij gekruisigd wordt. Dat vinden we in de andere evangeliën. Hier komt Hij de tempel binnen en Hij heeft in het geheel geen boodschap van liefde, maar Hij brengt een oordeel. De boodschap van Gods liefde is betekenisloos als mensen niet eerst begrijpen dat hun zonden een oneindige afstand scheppen tussen hen en God.

Jezus gaat naar Jeruzalem. Elke joodse man gaat elk jaar voor het Paasfeest naar de Tempel in Jeruzalem. Er zullen er in die tijd meer dan 2 miljoen geweest zijn, 2 miljoen joden in Jeruzalem vieren het Paasfeest. Op de 10e dag wordt een lam gekocht, op de 14e dag wordt tussen 3 en 6 uur ’s middags dat lam geslacht, en die avond wordt er feest gevierd. Daarmee werd herdacht dat God het volk uit Egypte bevrijd had. Met dat feest werd herdacht dat God machtig is om in de geschiedenis van mensen in te grijpen. Op dezelfde manier is de opstanding van Jezus voor de kerk een gedachtenis aan de macht die God heeft in de geschiedenis.

Die 2 miljoen joden hadden een lam nodig. Dus moesten er mensen zijn om de dieren van het offer te verkopen. Er zullen minstens 100,000 lammeren nodig zijn geweest elk jaar. En omdat handel alleen was toegestaan in een reine muntsoort, waren er ook geldwisselaars. Op zich was dat niet erg. In de straten van Jeruzalem hadden deze handelaren hun werk kunnen doen. Het was immers niet praktisch, wanneer je van ver moest komen naar Jeruzalem, om het lam met je mee te nemen. Maar toen werd er een praktische beslissing genomen met grote religieuze gevolgen. Waarom zou je die handelaren niet laten werken in de voorhof van de heidenen? Dat was toch een gedeelte van de tempel met een lage graad van heiligheid. En dus werd er in de ruimte die bestemd was voor heidenen om de God van Israël te aanbidden, handel gedreven in allerlei offerdieren en waren er wisselkantoren. En dan komt de Messias naar de tempel, zoals de profeet Maleachi al gezegd had: “plotseling zal naar Zijn tempel komen die Here Die u aan het zoeken bent… Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?” (Mal. 3:1, 2) Even verder in de profetie wordt gesproken over de reiniging van de Levieten, en dat de Messias daar zal zitten als iemand die zilver smelt en reinigt. Zo komt Jezus hier in de tempel, als een directe vervulling van de profetie van Maleachi.

De voorhof van de tempel was op dat moment een chaos. Overal in de stad en ook hier waren grote menigten bijeen. En de meeste van hen liepen nu rond bij de tempel, omdat daar de aanbidding plaatsvond. Met het woord tempel bedoelen we nu het hele complex van gebouwen en omheinde ruimten rondom de eigenlijke tempel – met het Heilige en het Heilige der Heiligen. Misschien was het wel zo gegaan, dat de voorhof de beste plaats bleek te zijn om dieren te verkopen, de handelaren waren beetje bij beetje opgeschoven van de straat naar de voorhof, door onderlinge wedijver gedreven. En ze probeerde allemaal hun eigen waren aan de man te brengen in competitie met anderen. En omdat ze dit alles alleen rond  het Paasfeest konden verkopen, gingen de prijzen behoorlijk omhoog. Er is iemand die heeft uitgerekend dat duiven, die het hele jaar door voor een luttel bedrag van misschien maar 20 eurocent konden worden gekocht, op deze plaats en in die tijd van het jaar meer dan € 50 moesten opbrengen. Iets dergelijks gold ook voor de geldwisselaars. Iedereen moest een jaarlijkse belasting betalen aan de tempel en dat werd met het Paasfeest gedaan, en die betaling kon alleen plaatsvinden in joodse munt. En uiteraard vroegen de geldwisselaars daar een kleine vergoeding voor. En ook die vergoeding was in deze tijd exorbitant hoog, zodat het moeilijker en moeilijker werd vooral voor arme mensen om hun bijdrage aan de tempel te leveren. De tempel die bedoeld was als een plaats voor aanbidding en gebed leek dus voor het oog van de menigte veranderd te zijn in een grote marktplaats. Er was geen aanbidding, en er was geen eerbetoon aan God en daarom was Jezus zo boos.

Daarom deed Hij wat we lezen in vers 15. Hij maakte voor zichzelf een zweep van alle touwen die op de grond lagen – waarmee de dieren naar binnen waren gebracht. En dan lezen we: “dreef Hij ze allen de tempel uit.” Wie zijn dan deze “allen”? Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, wordt meestal gebruikt om naar “alle mensen” te verwijzen. Hij gebruikte de zweep niet voor de schapen en de ossen. Jezus ging die tempel binnen en liep met Zijn zweep van links naar rechts en dreef de mensen uit de voorhof. Hij maakte de tempel leeg. Dat is geen halve maatregel. De Messias zet Zijn kracht in. Als Hij wil dat mensen in beweging komen, dan komen ze in beweging. Zo dreef Hij al die mensen die daar waren de tempel uit, en die namen haastig hun dieren mee, en daarna liep hij naar de tafels van de geldwisselaars en keerde ze om. En daarna gaf Hij bevel aan de mensen die duiven in kratten hadden neergezet en zei simpel tegen hen: “pak je spullen en ga weg.”

Waarom is dit dan een getuigenis dat Jezus de Zoon van God is? In de eerste plaats moeten we ons deze scène eens goed voor ogen stellen. Twee miljoen joden willen in Jeruzalem het Paasfeest vieren. Op elk moment van elke dag zullen er duizenden in de voorhof hebben rondgelopen om daar hun offerdieren te kopen. Of, als ze van verre waren gekomen, de tempel eens te bekijken. Maar Jezus heeft al die duizenden uit de tempel gekregen. Dat is op zich al een bewijs van Zijn bovennatuurlijke kracht en macht. De mensen zijn onder de indruk van Hem en gaan blijkbaar rustig weg – als dat niet rustig was gegaan, zouden de Romeinen ongetwijfeld hebben ingegrepen. Die konden het tempelplein overzien vanaf de Burcht Antonia waar zij gelegerd waren. En zelfs als vanwege het Paasfeest, een groot deel van de Romeinse bezetting buiten Jeruzalem was gelegerd, dan nog zouden er voldoende soldaten zijn geweest om een einde te maken aan dit opstootje. Het is echter geen opstootje. De mensen verlaten rustig de voorhof op het bevel van Jezus. Het tweede bewijs is wat Hij hier zegt: “maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.” (Vers 16.) Dit is de Zoon die het Huis van Zijn Vader leeg maakt. En dat heeft een belangrijk gevolg. We vinden aan het eind van het evangelie naar Mattheus een belangrijke uitspraak. Daar lezen we na de tweede keer dat Hij de tempel heeft gereinigd, dat Hij het oordeel over Jeruzalem aankondigt. Dan zegt Hij: “uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten.” (Mt. 23:38) Het is niet langer het huis van Zijn Vader! Het Huis is gereinigd, maar niet om het opnieuw te gaan gebruiken, maar als een teken dat nu Iemand anders het waarachtige Huis van God is geworden: Jezus spreekt nu over Zijn lichaam, dat de Tempel van God is.

Het oordeel over de tempel is duidelijk. Het is in overeenstemming met het Oude Testament. Wat wil God van Israël? De schrijver van psalm 51 wist het: “Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen. De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.” (Psalm 51: 18,19) De tempel bracht offers waarin God geen behagen meer had; in de prediking van Johannes de Doper ging het om die “gebroken geest, het verbrijzelde en verslagen hart.” Het ging om bekering en berouw en vernieuwing van leven door de Messias. Wat God werkelijk zocht was de bekering van Israël, de afkeer van de afgoderij, van het dienen van Mammon, van de haat die in het hart leefde, van de verstoktheid waarmee men een eigen gerechtigheid wilde oprichten waar God in feite buiten stond. De handel in offerdieren op de voorhof van de tempel, was een zichtbaar teken van de vervreemding tussen de God van Israël en de tempel die Zijn Huis geweest was, maar dat nu niet meer kon zijn.

Christus veegde de tempel leeg en reinigt het van alle handel. Vlak voor zijn dood reinigde Hij de tempel opnieuw. Hij stierf als een waarachtige Paaslam precies in de uren dat het Paasoffer in de tempel werd gebracht, en daarmee maakte Hij een einde aan deze offerdienst. En bij zijn dood scheurde Hij het voorhangsel van boven naar beneden, en maakte op die wijze een definitief einde aan de dienst in de Tempel. Tenslotte vernietigde Hij de tempel zelf in het jaar 70, toen het met de grond werd gelijkgemaakt. Zo handelde God door middel van de Romeinen met de tempel in Jeruzalem.

Is er vandaag nog een tempel van God? Jazeker. God heeft een nieuwe tempel gebouwd. Tijdens Zijn leven op aarde was Jezus Christus die tempel, omdat de heilige Geest in Hem woonde. En na Zijn opstanding en na de komst van de heilige Geest is er opnieuw een tempel op aarde, een tempel in de Geest. Dat is wat Paulus zegt tegen gelovigen: weten jullie dan niet dat jullie de tempel zijn van de heilige Geest? Jullie zijn een heiligdom dat niet met handen gemaakt is. Iedereen die Jezus Christus als Heer belijdt, vormt met alle andere gelovigen de Tempel van de Heer in de Geest.

Johannes (9) – Een bruiloft in Kana

Johannes 2:1-12

[Zie voor de gesproken versie onderaan deze blog, of klik Gesproken versie.]

Het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes hebben we nu besproken. De eerste 18 verzen gaven ons de theologie van Johannes: Jezus is het vleesgeworden Woord, het Leven en het Licht van de mensen. Hij is de Eniggeboren Zoon van God. Wie Hem aanneemt, in Zijn Naam gelooft, mag zichzelf een kind van God noemen. Johannes de Doper wordt in dat gedeelte meteen al genoemd als degene die het eerste getuigenis aflegt – want dit evangelie is een boek vol getuigenissen, Johannes wil bewijzen dat Jezus de Zoon van God is door getuigen op te roepen. Vanaf vers 19 komen we de eerste getuigen tegen: eerst Johannes de Doper zelf, daarna drie discipelen van Johannes de Doper: Andreas, Simon en waarschijnlijk Johannes de evangelist zelf. Dan horen we over de eerste roeping van discipelen: Filippus en Nathanaël. En dat getuigenis van de eerste leerlingen is steeds hetzelfde geweest. “Wij hebben gevonden de Christus”, zeggen ze, over Wie het Oude Testament geschreven heeft. En het getuigenis wordt doorgegeven: “Kom en zie!” We kregen het getuigenis van Nathanaël: “U bent de Zoon van God, de koning van Israël.” En ten slotte het getuigenis van Jezus Zelf met een verwijzing naar Daniel 7. “U zult grotere dingen zien dan deze …Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.”

We beginnen nu te lezen in het tweede hoofdstuk. Hoofdstuk 2 tot en met 12 vertellen ons over de daden van Christus – de “grotere dingen dan deze” –, en geven ons de uitleg. Men noemt dat wel het boek van de “tekenen”. Tot en met hoofdstuk 12 vinden we 7 tekenen die op zichzelf een getuigenis vormen voor de belijdenis, dat Jezus de Zoon van God is. Dit zijn ze: (1) De verandering van water in wijn in hoofdstuk 2. (2) De genezing van de zoon van de hoveling in hoofdstuk 4. (3) De genezing van de verlamde in hoofdstuk 5. (4) De wonderbare broodvermenigvuldiging in hoofdstuk 6 is de volgende,  en in datzelfde hoofdstuk vinden we ook (5) dat Jezus loopt op het water van de zee van Galilea. (6) De genezing van de blinde vinden we als het zesde teken in hoofdstuk 9, en het laatste teken is (7) de opwekking van Lazarus in hoofdstuk 11. Uiteindelijk zal Johannes nog een achtste wonder vermelden, maar dat is na de opstanding in hoofdstuk 21, de wonderlijke visvangst.

Ons onderwerp vandaag is het eerste wonder dat Jezus verricht, wanneer Hij aanwezig is op de bruiloft in Kana. We gaan dus van het mondeling getuigenis van Johannes de Doper en zijn leerlingen naar de daden en wonderen van Jezus zelf. Waarom verrichtte Jezus deze wonderen? We lezen in vers 11 van dit hoofdstuk, dat Jezus met dit wonder Zijn heerlijkheid heeft geopenbaard. En Johannes schreef al in de proloog, dat hij de heerlijkheid van het vleesgeworden Woord gezien had: “vol van genade en waarheid.” De heerlijkheid van Jezus betekent hier niets anders dan zijn godheid – niet “goddelijkheid” want dat is een eigenschap die ook aan het schepsel kan toekomen, iets kan heel sterk lijken op God en heet dan goddelijk. Heerlijkheid is alles wat God is in zichzelf, in Zijn karakter, in Zijn persoonlijkheid, in al Zijn eigenschappen. Maar met de openbaring van Zijn godheid zien we niet iets wat absoluut ver van ons staat, we worden niet ver boven ons eigen mens zijn uitgetild, zoals in een mystieke beleving, aangezien die godheid op ons toekomt. “Vol van genade en waarheid” betekent dat wij die godheid ervaren in de vorm van genade – goedheid die ons herstelt en voltooit – en waarheid. Waarheid die ons inzicht geeft en doet begrijpen wie wij zijn tegenover God. Het is net als met de zon. De zon zelf kun je niet zien, maar je kunt de zon wel waarnemen door het licht en de warmte die ervan uitgaan. De zon is nog veel meer dan alleen licht en warmte, maar dat is wat wij ervan kunnen ervaren. Zo openbaart de Zoon van God Zijn heerlijkheid ook op een manier die wij mensen kunnen waarnemen, door de genade en de waarheid die van Hem uitgaan.

Daaruit kunnen we nog iets leren. In elk van de wonderen laat Jezus Zijn godheid zien door Zijn macht over de natuur te demonstreren. Hij is de schepper, want “Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is.” (1:3) Maar het gaat bij deze wonderen niet alleen maar om de demonstratie van Zijn macht over de natuur. Jezus had macht om de hele stad Jeruzalem op te tillen en boven de zee te laten hangen, en dan had Hij kunnen zeggen “geloof in Mij, anders laat ik je in de zee storten.” Maar dat is niet de manier waarop Hij Zijn macht heeft gedemonstreerd. Daarom is het zo belangrijk dat Johannes schrijft dat deze heerlijkheid gezien werd “vol van genade en waarheid.” Het is geen puur machtsvertoon wat we hier tegengekomen. Het gaat dus uiteindelijk ook niet om het bovennatuurlijk karakter van het wonder, en daarom spreken we liever over “wondertekenen”; het zijn miraculeuze gebeurtenissen die een getuigenis afleggen, die iets willen zeggen over het karakter van God en niet alleen maar over de macht over de natuur die God uiteraard heeft.

We komen nu bij het verhaal zelf. “Op de derde dag,” lezen we, “was er een bruiloft.” Er zijn dus een paar dagen verlopen tussen het gesprek met Nathanaël en deze bruiloft. Die twee dagen waren nodig om de reis naar Kana te maken. We zitten nu ongeveer 12 km verwijderd van Nazareth. Jezus is thuis. Zijn broers en zusters en neven en nichten zijn allemaal daar in Kana, en ook zijn moeder is daar. Het is helemaal niet vreemd dat ze daarbij was, want ze zal met de bruid en bruidegom bekend zijn geweest en misschien wel verwant zijn. Het ligt zelfs voor de hand dat het om familie van Maria en Jezus gaat, omdat je haar ziet optreden als een soort assistente. Ze is op een of andere manier betrokken bij de organisatie van het geheel. Daarom spreekt ze Jezus aan wanneer er een tekort aan wijn ontstaan is, en daarom geeft ze het advies aan de dienaars, dat zij moeten doen wat Jezus tegen hen zeggen zal.

Waarom heeft Jezus zijn eerste wonderteken juist hier gedaan? Wat je ziet in dit gedeelte is de overgang van Jezus’ optreden in het betrekkelijke isolement van de familie, naar Zijn publieke optreden. Johannes de Doper was Zijn neef, de discipelen die met Hem mee gingen moeten ook tot de ruime familiekring behoord hebben, want ook zij waren uitgenodigd voor de bruiloft. Dat lezen we immers in vers 2. Ook de discipelen waren uitgenodigd. Maar dat kan alleen maar als zij bekenden waren van de bruidegom of de bruid, of zelfs tot de familie behoord hebben. Nathanaël woonde in Kana en was misschien om die reden alleen al uitgenodigd. Tot dusver is Jezus dus nog alleen maar binnen een kleine kring van familie en vrienden bekend geworden. En in die kring doet Hij Zijn eerste wonder. Tussen haakjes, het lijkt duidelijk te zijn dat Jozef niet meer leeft. Daar moeten we even over nadenken. Nathanaël wist wel dat Jezus de zoon van Jozef was. Maar dat houdt blijkbaar niet in dat Jozef nog leefde. Op de bruiloft horen we echter helemaal niets over Jozef. Het zelfstandige optreden van Maria lijkt te suggereren, dat zij gewend was om al haar zorgen aan haar zoon door te geven, terwijl zij normaal gesproken haar echtgenoot als eerste had aangesproken. Na de dood van Jozef zal Jezus vermoedelijk diens plaats hebben ingenomen als hoofd van het gezin. En nu zijn ze in Kana en het lijkt duidelijk dat Jozef daar ontbreekt. In ieder geval moet Jozef al gestorven zijn vóórdat Jezus stierf aan het kruis. Anders zou Hij aan het kruis niet gezegd hebben, dat een geliefde discipel van hem – Johannes dus – Zijn moeder in huis moest nemen. (19:26)

Terug naar Kana. Een bruiloft in die tijd was een belangrijke sociale gebeurtenis. De hele gemeenschap was daarbij betrokken. Normaal gesproken zou het beginnen op een woensdag met een heel groot feest. (Vermoedelijk begint het hier op een maandag.) En daarna zou de ceremonie van het huwelijk worden voltrokken. En vanaf die woensdag zou het tussen de 2 tot 7 dagen duren, met elke dag een feest, afhankelijk van de rijkdom die je bezat. Bij de rijksten duurde het huwelijksfeest zelfs twee weken. Je onderbrak dus je werk, je bewerkte het land niet meer, maar je ging naar het huis van het huwelijk en je had een week lang feest. In een tijd met zoveel armoede en hard werken was een bruiloft een zeer belangrijke uitlaatklep, een gelegenheid voor vreugde voor een hele gemeenschap. Jezus en de discipelen en de hele familie zijn uitgenodigd voor een dergelijk uitgebreid feest. De uitnodiging voor Jezus zal Hem trouwens bereikt hebben terwijl hij onderweg was naar Nazareth.

Het is heel bijzonder dat het eerste wonder van Jezus plaatsvindt tijdens een huwelijk. Dat is niet alleen maar om te bevestigen hoe belangrijk het huwelijk is. Het wonder is ook niet alleen maar bedoeld om het succes van het feest te garanderen. Sommigen hebben daar de nadruk op gelegd, dat Jezus door Zijn aanwezigheid op het huwelijk het huwelijk zelfs als instelling heeft geheiligd. De rooms-katholieke kerk ontleent hieraan het idee, dat het huwelijk een sacrament is. Daar kun je zeker aan denken, – maar dan niet als sacrament, dat van betekenis is voor de verlossing, maar alleen als een goddelijke instelling – maar het is niet de hoofdzaak. Het huwelijk tussen een man en een vrouw was ook een belangrijk beeld voor de relatie tussen God en Israël. En ik zei al dat bij elk huwelijk de hele gemeenschap betrokken was. Maar het is net alsof het huwelijk van een man een vrouw een kleine weerspiegeling is van de relatie tussen God en Israël, zoals veel later Paulus ook het verband zal leggen tussen het huwelijk en de relatie van Christus en Zijn gemeente, namelijk in Efeze 5.

Goed, er was dus een huwelijk gaande. En dan komt er een probleem. De wijn raakt op. We moeten niet vergeten hoe catastrofaal dat was. Je richt een feest aan voor meerdere dagen voor een zeer grote groep van mensen, die iedere dag wijn drinken. Iets anders was er ook niet te drinken. Water kon niet worden gedronken omdat het niet zuiver was. Je kon er ziek van worden of zelfs aan doodgaan. Maar ook wijn kon niet zomaar worden gedronken, omdat dronkenschap tegen Gods wet inging en de wijn heel sterk was. Dus het idee was dat je de zeer sterke wijn vermengde met water, in een verhouding van één op drie of soms wel één op 10. Maar nu raakt de wijn op. Misschien is het verkeerd gemengd, misschien is er een verkeerde schatting gemaakt. Misschien zijn er wel meer gasten gekomen dan was ingecalculeerd. In ieder geval is het een sociale ramp. Voor de bruidegom betekende dit, dat de vader en de moeder van de bruid zouden gaan zeggen: “kijk eens aan, hij is niet eens in staat om de bruiloft goed te regelen, maar hoe kan hij dan zorgen voor onze dochter?” Het stel was vermoedelijk een jaar of langer al verloofd. De taak van de bruidegom in dat jaar was om een huis te bouwen voor zijn vrouw, en te laten zien dat hij voldoende geld kon verdienen om deze bruiloft te betalen en te tonen dat hij in staat was om die goed te organiseren. Daar had hij natuurlijk veel hulp bij, en ook dat was een maatstaf voor zijn waardigheid. Het feest zou dus volkomen bedorven zijn voor de bruidegom, en voor die hele gemeenschap als er geen wijn meer te drinken was. En de bruidegom zou vol schaamte de gasten naar huis moeten sturen, en in plaats van dit geweldige feest dat ze zich nog jaren konden herinneren, zou de schande hem nog lange tijd bijblijven.

Maria komt het Hem vertellen. Ze zegt niet tegen Hem, kom jongen, verricht eens een wonder. Maar ze vertelt het Hem wel, omdat zij wist wie haar Zoon was. Misschien heeft ze wel gedacht dat dit Zijn grote kans was om te laten zien wie Hij was. “Laat deze mensen nou eens zien wie je werkelijk bent!” Zoiets. Het antwoord van Jezus lijkt op het eerste gezicht heel hard te zijn. “Vrouw” zegt Hij tegen haar. Waarom zegt hij niet langer moeder tegen haar? Omdat Hij zich begint te distantiëren van de familiekring, omdat Hij niet langer de plaats van zijn vader Jozef inneemt in het huisgezin, maar nu definitief de zaken van Zijn hemelse Vader gaat behartigen. Maar toch is het geen hard woord waarmee hij deze afstand tot zijn moeder schept. Het is eerder zoiets als “mevrouw”, hoewel ook dat niet echt de emotionele betekenis van het woord “gunè” (of uitgesproken als “gini”) dekt. Het is een beleefd woord, maar het sluit de relatie van moeder en zoon nu uit. Met het woord moeder zou Hij de menselijke relatie tussen Hem en Maria hebben benadrukt. Maar Jezus leeft niet langer alleen in die menselijke familierelatie. Vandaar dat Hij haar aanspreekt met “vrouw”.

En dan zegt Hij: “Wat hebben wij dan gemeenschappelijk?” Letterlijk staat er: “wat is er aan jou en aan mij?” Hoe kan Maria de Zoon van God vertellen wat hij moet doen? Is zij dan een medewerker van Hem? Hebben Hij en Maria gemeenschappelijk belang in deze situatie? De Zoon van God weet wat Hem te doen staat, Hij weet dat de wijn bijna op is. Hij weet alle dingen. En alleen Hij weet of Hij hier een wonder moet verrichten of niet. Hij zegt dus niet tegen Maria dat Hij niet van plan is om iets aan de situatie te doen, maar Hij zet haar op haar plaats. Hij zegt dus in feite: “dat is voor Mij een zorg en niet voor jou.”Terwijl aan de oppervlakte het lijkt alsof Hij zegt, “dat is jouw zorg en niet de Mijne.” Hij zou nooit zeggen dat het gebrek aan wijn alleen een zorg voor Maria was, waar Hij niets mee te maken wilde hebben, om dan vervolgens het probleem te gaan oplossen.

Maria heeft de boodschap begrepen. Daarom zegt ze tegen de dienaars dat ze maar moeten doen wat Hij ze ook maar zou zeggen. Zij wist dat Hij iets zou gaan doen. Zij begreep dat Hij had gezegd dat het nu Zijn zorg was en niet de hare. En zij begreep ook wat Hij bedoelde met de woorden: “Mijn tijd is nog niet gekomen.” Want dat betekende dat Hij het op Zijn tijd zou doen, en niet op het moment dat zij geschikt achtte. Die uitdrukking komt een paar keer voor in dit evangelie, “Mijn tijd is nog niet gekomen.” Het is alsof Jezus een heel precies tijdpad volgt, waar alles precies op Gods tijd gebeuren moet. En dit was nog niet de tijd dat Hij Zijn heerlijkheid openlijk zou tonen, zoals Maria wel gehoopt heeft vermoedelijk.

Dan horen we over de grote watervaten die daar geplaatst zijn. Water werd gebruikt om de handen te wassen voor het eten, dat was een ceremonieel vereiste, en de dienaars gebruikte het ook om de voeten van de gasten te wassen. Aan de omvang van de watervaten kun je aflezen hoe groot deze bruiloft geweest moest zijn. Er stonden zes watervaten van elk ruim 100 liter en dat betekent dat ongeveer 700 liter water tot hun beschikking stond. Nu geeft Jezus een opdracht aan de dienaars. Deze watervaten moeten tot aan de rand toe worden vervuld. Dat is geen geringe inspanning. Een groot aantal dienaars moesten naar de bron en terug met alles waarin ze maar water konden dragen om deze grote potten te vullen. Ik heb geen idee wat de dienaars gedacht moeten hebben, maar ik denk dat ze mopperend en vol onbegrip de opdracht hebben vervuld. En dan zegt Jezus dat ze uit die potten moeten scheppen om het dan te brengen naar de leider van het feest. Dat was degene die verantwoordelijk was voor alle gasten en de tafelindeling en al het voedsel en die erop moest toezien dat iedereen voldoende te eten en te drinken kreeg. En daarom brachten ze het naar hem om hem te laten weten dat ze weer wijn hadden. Wanneer hij van de wijn proeft is hij echter overtuigt dat dit de beste wijn is tot dusver, de beste wijn die hij ooit geproefd heeft. En dan krijgt de bruidegom alle eer. Want hij zegt tegen de bruidegom, “Waar heb je deze wijn bewaard? Je hebt ons te dusver de slechte wijn gegeven, en nu kom je hier aanzetten met deze wijn van superieure kwaliteit?”

Dat is het wonder. Het water was wijn geworden. Een daad van de Schepper. Het is op het eerste gezicht volstrekte bijzaak. De ceremoniemeester zegt alleen maar dat het geweldig goede wijn is. Hij heeft geen idee waar deze wijn vandaan gekomen is, en de bruidegom begrijpt het ook niet. Het is een verborgen wonder. Alleen de dienaars weten het, en Maria en de discipelen weten het.

Laten we eens kijken wat dit wonder eigenlijk inhoudt. Wijn komt van druiven, druiven komen van de wijnstok, de wijnstok groeit in de grond en heeft aarde, water en zonlicht nodig om te groeien. Maar dit is wijn zonder druiven, zonder wijnstok. Dat is een wonder. Jezus maakt wijn uit het niets. Zoals alleen de schepper dat kan. Er is geen mens aan te pas gekomen om druiven te plukken of de zaadjes van de wijnstok te zaaien, niemand heeft de druiven geplukt, niemand heeft hoeven wachten tot het druiven rijp waren enzovoorts. Als Jezus het vleesgeworden Woord is, dan is het ook niet nodig dat mensen daar een bijdrage aan leveren. Het is net als met de wonderbare broodvermenigvuldiging. Waar komt het brood vandaan? Graan wordt geoogst, wordt vermalen, het wordt vermengd met water, melk en zout, en dan in een oven gebakken. Maar Jezus is het vleesgeworden Woord, Hij is de schepper. Hij is in staat brood te maken, zonder menselijke voorbereiding of ingreep. En bij die gelegenheid hebben ze ook vis gegeten. Waar komt een vis vandaan? Die wordt geboren in de zee, opgevist door vissers en dan gebakken. Maar Jezus is het vleesgeworden Woord. Hij schept gebakken vissen uit het niets, en die vissen hebben geen vader en moeder gehad, en zijn niet opgegroeid in de oceaan, en zijn niet gevangen door een visser, en niet gebakken in vuur.

O, ik weet wel bij al deze wonderen, dat er van die aardige, moderne interpretaties gekomen zijn. Het wonder kan worden verklaard als een trucje: Jezus heeft ergens nog wat wijn gevonden, gooit dat stiekem bij het water, en de mensen op het feest zijn al zo dronken, dat ze denken dat ze nu heerlijke wijn drinken. Het is in strijd met de tekst, en het slaat nergens op. Dronkenschap was tegen de wet van God, en waarom zouden mensen die dronken zijn niet kunnen proeven dat ze maar een beetje water met wat wijn drinken? Het zou nog gevaarlijk geweest zijn ook, omdat een beetje wijn in water, dat water niet voldoende zuivert. Dat was nou precies de reden dat ze geen water dronken, zonder het met ten minste één op drie delen wijn aan te vullen. En bij de wonderbare broodvermenigvuldiging wordt er gezegd dat de mensen zich plotseling herinneren dat ze allemaal wel wat te eten bij zich hadden, en dat het eigenlijke wonder was, dat ze dat nu met hun buren gingen delen. Maar dat was helemaal geen wonder geweest, dat was gewone beleefdheid. En het is volkomen in strijd met de tekst, die nadrukkelijk zegt dat de mensen helemaal niks bij zich hadden om te eten. Zo heb je het wel mooi opgelost voor het verstand, denk je, maar juist verstandelijk zit je nu in grote problemen. Want als dat het wonder is, waarom vermeldt de tekst dat dan niet?

Ik heb er in mijn leven lang over moeten nadenken. Ik heb ook tot de mensen behoord die niets liever deden dan de wondertekenen uitleggen met een of andere natuurlijke verklaring, om dan alleen maar de vage boodschap over te houden dat vreugde op een bruiloft goed is, en dat het delen van je voedsel goed is, wat ik ook zou kunnen weten zonder de bijbel te lezen. Maar als Jezus het vleesgeworden Woord is, dan is Hij de schepper die nu deel uitmaakt van Zijn schepping. Zou er iets te wonderlijk voor Hem zijn? Ik raak er nu juist van onder de indruk, dat het wonder zo bescheiden, zo klein, zo weinig opzienbarend is. Het is geen wonder dat is bedoeld om indruk te maken op de menigte. De feestgangers hebben alleen maar de nieuwe wijn gedronken, en vage geruchten gehoord over Jezus’ betrokkenheid daarbij. Het heeft zelfs op de dienaars zo weinig indruk gemaakt, dat ze niet besloten hebben om Jezus te gaan volgen. Het is een uitzonderlijk wonder, een daad die heel eenvoudig bewijst dat Jezus God de schepper zelf is. Maar het is vol genade en waarheid. Dat is wat hier zo’n indruk maakt. Jezus is gekomen om het menselijke leven tot zijn volle bestemming te brengen. Daarom helpt hij de bruidegom en geeft Hij wijn aan de menigte. Maar Hij is niet gekomen om mensen onder de indruk te brengen van Zijn macht. Zijn heerlijkheid bestaat niet in macht en glorieuze pretenties, maar in genade en waarheid.

Dat is het wonder. Maar wat is nu het teken? Dat was soms de aanleiding om het verhaal als een sprookje op te vatten dat het “teken” moest illustreren, d.w.z. het was “ingeklede theologie” zodat alleen de conclusie nog geldig was, maar het verhaal zelf een fabeltje werd. Maar als de conclusie van het ‘sprookje” is dat Jezus de Zoon van God is, waarom is het verhaal dan niet waar? Als Hij de Zoon van God is, kan Hij wijn scheppen uit het niets. Dus we mogen het teken (de betekenis van het verhaal) nooit losmaken van het wonder. Maar goed, wat is dan de “betekenis” van het wonder, dat nog verder reikt dan alleen het getuigenis dat Jezus de Zoon van God is? Daar kan ik kort over zijn. De watervaten zijn bedoeld om de handen en de voeten te wassen van de gasten. Gedeeltelijk is dat een ceremonieel voorschrift. Ze hebben de handen gewassen, een zegenspreuk uitgesproken, en daarna pas brood gegeten. Ook bij de bruiloft is de God van Israël en Zijn Thora bij alles betrokken. Maar er is geen wijn. De wijn van de Messiaanse tijd, de wijn van de vervulde beloften van God, van het koninkrijk, die hebben ze zelf niet voldoende bijeen kunnen brengen. Jezus laat hier zien, niet alleen dat Hij de schepper is, maar ook dat Hij de Messiaanse koning is. Het toont de waarheid van de belijdenis van Nathanael: U bent de Zoon van God, de Koning van Israël. Hij brengt de wijn, waar het volk niet verder komt dan het water van de reiniging. Hij brengt de vervulling van het koninkrijk, waar het volk niet verder komt dan de uiterlijke vervulling van de geboden. Zij reinigen de handen met water, Hij reinigt het hart met de heilige Geest. Dat is het teken.

Hoe kunnen mensen dit wonder gezien hebben en vervolgens toch Jezus negeren? De dienaars hebben het gezien, en negeren Hem. Ook van de broers van Jezus lezen we later dat zij niet in Hem geloofd hebben. Jezus heeft Zijn heerlijkheid hier getoond, vol van genade en waarheid, en sommige mensen hebben wel het bovennatuurlijke gezien, maar dat vervolgens genegeerd en ze hebben de heerlijkheid miskend die daarin openbaar geworden was. Maar dat was ook niet de reden dat Jezus dit wonder heeft verricht. Hij deed het voor Zijn discipelen. Een eenvoudig wonderteken binnen de kring van de familie, bestemd voor de ogen en oren van de discipelen. Daarmee eindigt immers vers 11: “en Zijn discipelen geloofden in Hem.” Maar zij geloofden al in Hem, op grond van het getuigenis van Johannes de Doper, op grond van hun gesprekken met Hem, op grond van wat zij in deze Persoon gezien hadden. De vorm van het werkwoord dat hier wordt gebruikt, suggereert dan ook dat zij in hun geloof werden bevestigd, niet dat zij pas nu in Hem begonnen te geloven. Maar het was belangrijk voor hun eigen missie, dat de discipelen een vast en zeker geloof in Hem zouden hebben. Zij mochten zien – zoals een ieder die in Hem gelooft – wat Zijn heerlijkheid is. “Een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.”

Johannes (8) – Filippus en Nathanaël – De roeping van de eerste twee discipelen in Joh. 1:44-52

Het doel van het evangelie van Johannes is te bewijzen dat Jezus de Zoon van God is. Elk mogelijk getuigenis moet daarvoor worden verzameld. Om die reden is Johannes niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de manier waarop de eerste discipelen door Jezus zijn geroepen. Daarom vertelt hij over de ontmoeting met Andreas en Simon Petrus op de manier die we net gelezen hebben. Andreas en Johannes zijn in een gesprek met Jezus overtuigd geraakt van de waarheid van de prediking van Johannes de Doper. Dat maakt hen tot getuigen. Simon Petrus in het bijzonder is onder de indruk van het feit, dat Jezus al weet hoe hij heet voordat zijn naam door Andreas genoemd is. Op dezelfde manier en vanuit hetzelfde motief wordt nu in het gedeelte vanaf vers 44 verteld over Filippus en Nathanaël. De evangelist is geïnteresseerd in het getuigenis: “Wij hebben Hem gevonden…” – Vers 46. En dan in het wonder: “Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u.” – Vers 49. En vervolgens in het getuigenis van Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.” – Vers 50. Het gedeelte eindigt met een getuigenis van Jezus over zichzelf in vers 52.

We lezen vanaf vers 44. Hier komen we de tweede groep tegen, op de “volgende dag.” Dat is dan de vierde dag. Jezus is onderweg naar Galilea, een wandeling van ongeveer 25 km. Als je vroeg genoeg vertrekt kun je na vijf of zes uur lopen daar aankomen. Het ligt voor de hand om te denken dat Simon Petrus, Andreas en Johannes met Jezus waren meegegaan. Het doel van de reis zal wel geweest zijn om hun vrienden aan Jezus voor te stellen. En de eerste die ze tegenkomen was Filippus, uit het dorpje Bethsaïda, waar ook Andreas en Petrus geboren waren. Het is een klein vissersdorp aan de noord-oostelijke hoek van het Meer van Galilea. Later horen we dat Petrus in Kapernaüm woonde, zoals in Markus 1:21-29. Petrus was dus geboren in Bethsaïda, maar heeft gewoond in Kapernaüm. Zo was Jezus geboren in Bethlehem, groeide Hij op in Nazareth, en woonde in Kapernaüm toen Zijn zending eenmaal begonnen was.

We lezen dat Jezus Zelf Filippus vond. Hoewel Andreas en Simon goede bekenden van hem geweest moeten zijn, is het Jezus Zelf die hem ziet. In vers 45 zegt deze, dat hij en de anderen – dat moeten dan Andreas, Petrus en Johannes zijn geweest – dat “wij” dus, Hem hebben gevonden, “over Wie Mozes in de wet geschreven heeft.” En Filippus kent Hem ook nog als “Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” Er moet dus een lange conversatie zijn geweest tussen Jezus en Filippus waar we verder niets over horen; een soortgelijk gesprek had Jezus al met Andreas, Johannes en Petrus gevoerd. Er zit een mooie spanning in deze tekst. Filippus lijkt iemand te zijn geweest, sterker dan bij de eerste drie discipelen, die bezig was met het Oude Testament. Hij zegt dat hij de Messias gevonden heeft van wie Mozes en de profeten hebben getuigd. Dat moet hem zijn uitgelegd, en daar heeft hij vermoedelijk vragen over gesteld. Intussen weet hij heel goed wie Jezus is, dat wil zeggen hij kent de aardse werkelijkheid: “zoon van Jozef”, zegt hij, “uit Nazareth”, voegt hij eraan toe. Dat is dan ook het wonderbare getuigenis van Filippus tegenover Nathanaël. Het is alsof hij zegt: “Hier zie je een mens zoals wij, die is opgegroeid in Nazareth – Bethlehem wordt hier niet vermeld – en het is een mens zoals wij, want hij heeft een vader die Jozef heet. Jozef zal in deze dorpjes ook wel bekend zijn geweest als timmerman. Maar tegelijkertijd is deze “gewone” mens de profeet en de koning en het Lam van God over wie het Oude Testament getuigd heeft.

Nathanael merkt deze spanning op en reageert meteen: “kan uit Nazareth iets goeds komen?” Dat is begrijpelijk, als we beseffen dat Nathanael uit een nog kleiner dorpje afkomstig is, namelijk uit Kana. (Johannes 21:2) Die twee dorpjes Nazareth en Kana waren maar 15 km van elkaar verwijderd. Blijkbaar waren er veel familierelaties tussen de dorpjes, want we horen iets later dat ook de discipelen en de familie van Jezus waren uitgenodigd voor een bruiloft in Kana. Maar er moet ook rivaliteit tussen die dorpen zijn geweest, vandaar de opmerking: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” Het is spottend bedoeld, maar niet haatdragend.

Dan horen we in vers 47 hetzelfde als wat we al gehoord hebben in vers 39: “Kom en zie!” Vraag het Hem zelf maar, betekent dat. Ontdek het maar voor jezelf, hoe ongelooflijk het ook in je oren geklonken zal hebben, dat de Messias zomaar iemand uit onze eigen omgeving is, dat we Zijn vader kennen en dat er niets bijzonders aan Zijn familie is. Jezus ziet Nathanaël naar Hem toe komen. En nu geeft Jezus een getuigenis over Nathanaël. “Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is!” Een waarachtige gelovige in de ware God, een berouwvolle gelovige die door de prediking van Johannes de Doper is geraakt. Geen hypocrisie, geen dubbelzinnigheid, geen aanstellerij. Hij zegt niet het ene en denkt het andere. Nathanaël is een uitzondering in een volk vol afvalligen en hypocrieten. Mensen die ervoor gekozen hebben om hun eigen gerechtigheid op te richten, van wie de leiders in Jeruzalem met argwaan en angst naar de prediking van Johannes de Doper hebben geïnformeerd, en die er alleen maar op uit zijn om de rust te bewaren en hun eigen status te verzekeren. De Zoon van God kan hier zeggen dat er een waarachtige joodse gelovige voor Hem staat, en dan gebruikt de evangelist het woord “Israëliet”. (“Jood” reserveert hij voor de tegenstanders van Jezus uit het volk, die gewoonlijk uit Juda kwamen; vijandige Judeeërs dus=Joden.) Nathanael is een waarachtige zoon van Abraham, Isaak en Jakob. Iemand die de Schriften gelooft, en de Messias verwacht en de wil van God probeert te doen, niet alleen maar in de uiterlijke dingen, maar ook in de gezindheid van het hart. Jezus ziet aan deze mens de geestelijke gezindheid die alleen maar innerlijk te zien is. Hij zegt dus tegen Nathanael dat Hij zijn hart gezien heeft. Daarom vraagt Nathanael: “Hoe kent U mij dan?” Dit is de strekking van zijn vraag: “Hoe kun je ook maar iets over mij weten? Zit je mij te vleien, zonder reden? Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?” En dan komt het antwoord van Jezus, waar het de evangelist Johannes ook om te doen is. Nu komt het wonder: “Ik zag jou al toen je nog onder de vijgenboom zat.” Voordat Filippus naar Nathanael toe stapte, zat die misschien al onder een vijgenboom. Dat kon Jezus als mens niet geweten hebben. Maar de Zoon van God kon dat weten, omdat Hij met God de eigenschap deelt van alwetendheid. Net zo goed als Jezus kon weten waar Nathanael fysiek geweest is, zo kan Hij weten wat de innerlijke gesteldheid van het hart van Nathanael was. Dat maakt dit getuigenis voor Johannes de evangelist zo bijzonder.

Op grond van de aanwijzing van Filippus, en het wonderlijke spreken van Jezus als Zoon van God, komt Nathanael dan tot een belijdenis. Drie elementen heeft dat: “Rabbi” zegt hij. Jezus is voor hem de waarachtige leraar, de opvolger van Mozes zelf. “U bent de Zoon van God” – hij herkende in Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, God Zelf. Dan het tweede: “Zoon van God” betekent hier precies, wat het in de proloog betekende. “De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem (God) ons verklaard.” (1:18) Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, belijdt dat Jezus Christus “in het vlees gekomen is”, dat Hij het “vleesgeworden Woord” is. En dan het derde: “U bent de Koning van Israël.” Een drievoudige belijdenis dus. Eerst de relatie – Rabbi –, dan de Persoon – Zoon van God – en dan de functie of titel – Koning van Israël. En dat zegt deze Nathanaël over Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth. Hij heeft gedaan wat Filippus hem vroeg: “Kom en zie!” Nathanaël is gekomen en heeft gezien en heeft gehoord en is tot een belijdenis gekomen, heeft getuigenis afgelegd van Wie hij gevonden heeft.

Jezus maakt daarna meteen duidelijk, dat de motivatie achter het geloof van Nathanael niet genoeg is. Nathanael geloofde dat Jezus de Messias was, omdat Hij in staat bleek om hem al te kennen voordat ze elkaar ontmoet hadden. Hij gelooft op grond van het wonder van Jezus’ alwetendheid. Daarom zegt Jezus dat er nog grotere dingen zullen zijn, de discipelen zullen wonder na wonder na wonder meemaken. Maar het grootste wonder en de kern van alle wonderen wordt door Jezus aan het eind van de passage uitgelegd.

Vers 52 geeft ons nu de kern, het waarachtige teken of wonder dat de discipelen zouden meemaken. En het is dat wonder dat de waarachtige grondslag van hun geloof is. Niet de wonderlijke tekenen van genezing en alwetendheid en almacht. Het waarachtige teken vinden we in vers 52, ingeleid met de woorden “Voorwaar, voorwaar”. Met deze woorden wordt altijd een nieuwe openbaring ingeleid. “Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.” Dat is een verwijzing naar Genesis 28. Jacob krijgt daar te horen dat God Zijn beloften aan hem en zijn familie en nageslacht zou gaan vervullen. De belofte die ooit aan Abraham gegeven was. Ik zal jou tot een natie maken, ik zal jouw volk zegenen, ik zal verlossing brengen aan jouw volk, ik zal de hemel openen en de engelen heen en weer laten gaan om jou te beschermen en voor jou te zorgen tot dat de belofte vervuld zal zijn. Wat Jezus hier zegt is eenvoudig dat de macht van de hemel in Zijn bediening, in Zijn verkondiging zichtbaar zou worden. Jezus zegt hiermee tegen Nathanael: je zult zien in de wonderen die Ik doe, dat God met Mij is, en dat Hij Zijn beloften in Mij zal waarmaken. De wonderen zijn er niet voor zichzelf. Ze worden ook niet gedaan alleen maar om mensen te helpen – anders zou Jezus wel een bovennatuurlijk hospitaal hebben geopend om tot in eeuwigheid zieken te genezen. De wonderen zijn er om getuigenis af te leggen van het feit dat God waarachtig en volledig in Jezus van Nazareth present was. En dat op die manier, in de vernedering van de Zoon van God als mens, in wie tevens Gods genade en waarheid openbaar zijn geworden, God de belofte van Daniel 7 waar maakt. Want de Zoon van God is ook de waarachtige Zoon des mensen. In Daniël vinden we de titel “Zoon des Mensen” – “Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:14) Dat is wat Jezus hier zegt. Niet alleen dat ene bijzondere vermogen van alwetendheid, dat werd gedemonstreerd aan Nathanael, maar het voortdurende en krachtige getuigenis, dat de macht van de hemel aanwezig is bij en in Hem, die de beloofde Zoon des mensen is.

Wat betekent dan die verwijzing naar engelen die opklimmen en neerdalen? Het hele leven van Jezus is omringd door engelen, door bijzondere manifestaties van Gods macht. De engelen spraken tot Zacharias en zeiden dat de voorloper, Johannes de Doper geboren zou worden. Engelen spraken tot Maria, de moeder van Jezus. Een engel waarschuwde Jozef in de droom. Een koor van engelen kondigde de geboorte van Christus aan, tegenover de herders in het veld. De engelen kwamen aan het eind van de periode van 40 dagen in de woestijn, om Hem te dienen. Er zijn engelen bij het graf, er zijn engelen die Hem bij zijn Hemelvaart omringen. Hij had voortdurend de macht om een legioen van engelen op te roepen om Zijn wil te doen, zo getuigt Jezus tegenover Pilatus. Daarom is de verwijzing naar Genesis 28 zo fraai. Engelen die opklimmen en neerdalen tussen hemel en aarde. Een levende, sterke verbinding tussen hemel en aarde in het leven van Jezus.

Heel schematisch kun je in dit gedeelte zien hoe een mens behouden wordt. In de eerste plaats moet er een zoekende ziel zijn. Dat zagen we al in het vorige gedeelte, in vers 38. Jezus draait zich om en hij ziet Andreas en Johannes achter Hem aanlopen. Hij vraagt: “Wat zoeken jullie?” Ze zoeken het Lam Gods over Wie Johannes de Doper heeft gesproken, Die zou dopenb met de heilige Geest en Die de verlossing van zonde en schuld zou brengen. En dan zegt eerst Andreas tegen Simon, dat hij de Messias heeft gevonden. En zo zegt Filippus tegen Nathanaël, dat hij de Messias heeft gevonden. Je kunt Hem alleen vinden als je Hem zoekt. “Zoekt en u zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden.” Maar het motief achter dit zoeken is niet eenvoudige nieuwsgierigheid of een verlangen naar geluk. Het moet zijn uitgelokt door berouw, en een geloof in de Schrift. De verkondiging van Johannes de Doper was gericht op bekering, een afzien van de oude en kwaadaardige wegen, een ommekeer – en dus een totale morele vernieuwing – in de richting van God. De belijdenis van de zonden die Johannes de Doper gevraagd heeft voorafgaande aan de doop, was en is een reëel onderdeel van dit zoeken naar de verlossing. Maar hij gaf ook onderwijs in de Bijbel, leerde zijn discipelen wat er in de profeten en bij Mozes over deze Messias gezegd was. Die twee zaken dus: berouw en geloof in de Schriften.

En dan het tweede. Dat zoeken heeft geen enkele zin behalve wanneer de Verlosser ook zoekt. Daarom zegt Jezus tegen Filippus: “Volg Mij.” Het is Jezus die Zijn volgelingen zoekt en vindt.

En dan het derde. Er is ook altijd iemand die getuigenis aflegt. Hoe zullen mensen het evangelie geloven, als dat evangelie hun niet wordt verkondigd? Het is weliswaar niet de verkondiging die mensen tot geloof brengt, want dat is het werk van de heilige Geest. Maar het geloof, innerlijk gewekt door de heilige Geest, wordt uiterlijk mogelijk gemaakt door het horen, het horen van de verkondiging van het evangelie.

En die verkondiging van het evangelie is altijd hetzelfde: “kom en zie!” Eerst komen. Daarin zit de gedachte dat je je oude manier van denken moet loslaten, dat je jezelf moreel moet oordelen in het licht van Gods Woord. Het is ook een komen in de zin van de schrift leren kennen, de Bijbel lezen, de verkondiging in de kerk horen. Dat alles is een komen. En dan ook nog het zien. Je ogen en je hart en je oren openstellen voor de Persoon over Wie de verkondiging gaat, over Wie de Schriften spreken. Zien met het innerlijk oog, inzien en tot je laten doordringen. Het heeft geen enkele zin om met verstandelijke redenaties te proberen de overgang te maken van ongeloof naar geloof. Dat wil niet zeggen dat bekering een onredelijke en blinde sprong in het geloof is. Maar het sluit wel uit dat we met het verstand, zonder de betrokkenheid van ons hart en geweten de keuze voor Christus kunnen maken. De heilige Geest overtuigt ons van de zonde in ons hart, van de noodzaak van verlossing, en wijst op Hem die onze Verlosser wilde zijn.

En wij? Wij hebben alleen maar als taak – dat heet de bediening van de verzoening – om mensen ertoe op te roepen zich te laten verzoenen met God. Kom en zie! – zeggen wij. Om aan onze naasten en buren en familie te zeggen, wat Filippus tegen Nathanael zegt. Wat zegt hij dan? God wil verlossing schenken. De Zoon van God is gekomen en wilde die verlosser zijn. En als jij jezelf aan die verlosser toevertrouwt, zul je de genade en de waarheid van God leren kennen. Dan zul je vergeving ontvangen van je zonden en bevrijding van je schuld en zul je in de kracht van de heilige Geest nieuw leven ontvangen. Het leven namelijk zoals God het bedoeld heeft.

Johannes (7) – Nieuwe getuigen: Andreas en Simon Petrus

Johannes 1:35-43

Dit is het verhaal van de derde dag van het getuigenis van Johannes de Doper. En daar zie je meteen een mooie overgang naar een nieuw getuigenis, namelijk dat van vijf discipelen van Johannes de Doper die hier kennis maken met Jezus Christus. In ons gedeelte komen we er drie tegen, en dan later nog twee anderen. Vers 41 vertelt ons over Andreas, en die vindt zijn broer Simon, en dan is er nog een derde die geen naam krijgt. Ongetwijfeld is dat de apostel Johannes geweest, vooral omdat de schrijver van dit evangelie zich zelfs nauwkeurig herinnert wanneer een en ander gebeurde. Dat blijkt uit de aanduidingen “de volgende dag” en in vers 40: “ongeveer het 10e uur.” Johannes moet daar wel bij zijn geweest en misschien ook wel de broer van Johannes, Jacobus – de zonen van Zebedeüs. Dat zijn er dan drie, en dan vinden we nog Filippus en Nathanaël in het volgende gedeelte tot vers 52. Dus dan hebben we Andreas, Simon, Johannes, vermoedelijk zijn broer Jacobus, Filippus en Nathanaël, dan zitten we op vijf of zes. Samen met Johannes de Doper hebben we dan zes of zeven getuigen gehoord.

Maar in ons gedeelte komen we er maar drie tegen. Johannes de Doper getuigt tegenover twee van zijn discipelen over Jezus: “Zie, het Lam van God!” En toen zij dat getuigenis hoorden, gingen zij achter Jezus aan – “zij volgden Jezus.” En dan draait Jezus zich om en vraagt: “wat zoekt u?” Met andere woorden, wat is jullie bedoeling? Wat willen jullie van Mij? Zij hadden gehoord van Johannes de Doper dat Jezus de Messias was. En hij had Jezus aangeduid als het Lam van God en niet zozeer als de regerende koning. Nu was Jezus wel degelijk een koning en dat zeggen ze ook aan het einde van dit getuigenis. Maar deze koning kwam als een lam; Hij kwam als een slachtoffer voor de zonden. Ze hebben de boodschap van Johannes dus heel goed verstaan, deze boodschap van berouw en bekering en doop tot vergeving van zonden. Ze wisten dat zij vergeving nodig hadden en dat het Lam van God zou komen en gekomen was om deze vergeving tot stand te brengen.

Nu moeten we goed begrijpen dat Johannes al enige tijd bezig was met zijn prediking. Elke dag opnieuw. Het evangelie vertelt ons alleen maar de kern van zijn boodschap. Zonder twijfel gaf Johannes de Doper een uitvoerige verklaring over Jezus als het Lam van God. Ongetwijfeld heeft hij uitgelegd wat het Oude Testament over Hem gezegd had, en dat de offers in de tempel naar Hem vooruit wezen en wat de titel Knecht van de Heer in Jesaja 53 precies betekende. Hij heeft ongetwijfeld als leraar uitgelegd waarom God een Lam stuurde naar Israël en niet een koning. Maar even ongetwijfeld hebben deze leerlingen van Johannes heel veel vragen gehad. Wanneer Jezus dan aan hen vraagt wat zij zoeken, antwoorden ze Hem dan ook met de aanspreektitel Rabbi. Wat zij zoeken is een leraar die ze alle wonderlijke dingen die ze van Johannes hebben gehoord nog duidelijker kan uitleggen, die in eigen Persoon de boodschap en het onderwijs belichaamt die Johannes gebracht had. Dus zeggen zij: “Rabbi, waar woont u?” Ze willen met Hem mee naar huis om Hem al hun vragen te kunnen stellen. Ze hebben het nodig om bij Hem te gaan zitten en in gesprek met Hem te gaan. Johannes de Doper is niet langer een leraar, maar zij vragen of Jezus hun leraar wil zijn. Ze willen tijd om na te denken over wat Johannes gezegd heeft. Ze willen een gesprek. Ze hebben vragen. Ze willen ontdekken wie deze Jezus is.

Dit is nog niet het moment dat zij discipelen van Jezus worden. Zoals ik al eerder gezegd heb, een discipel van Jezus wordt je op het moment dat je door Hem geroepen wordt. Hier vragen zij zelf om een gesprek met de Rabbi, dat tegelijkertijd een audiëntie bij de koning is. Ze gaan met Hem mee. Ergens hier in Bethanië hadden mensen voor Jezus een kamer in gereedheid gebracht. Ze bleven die dag bij Hem, vanaf het 10e uur, dat is dus ongeveer 4 uur in de namiddag. Ze blijven bij Hem die dag en die nacht. Ze hebben een gesprek met de Zoon van God. Van slaap zal niet veel gekomen zijn. Zo zitten ze daar bij Hem met zijn tweeën. Andreas en Johannes.

Hoe zou dat gesprek verlopen zijn? Ze zullen hem toch ondervraagd hebben over de verwijzingen naar de komst van de Messias in het Oude Testament. Het lijkt op het gesprek in Lukas 24 wanneer Jezus de discipelen tegenkomt, onderweg naar Emmaüs. Daar onderwijst Hij deze discipelen in wat de Wet en de Profeten over Hem geschreven hadden. Na Zijn opstanding geeft hij aan deze discipelen in feite dezelfde les als Hij nu geeft aan het begin van zijn zending. Zo stel ik mij dat tenminste voor.

In die nacht komt Andreas tot het inzicht dat Jezus inderdaad de Messias is. En nu begint hij meteen te getuigen. Hij gaat naar zijn broer Simon en zegt tegen hem: “Wij hebben de Christus gevonden.” Het is een ondubbelzinnig getuigenis van twee mensen – zoals de Wet het zei, in de mond van twee of drie getuigen staat de zaak vast. Nu brengt Andreas zijn broer Simon naar Jezus. Is dat niet precies de manier waarop de gemeente groeit? Iemand gaat onderzoeken, vindt de Messias, komt tot bekering, en begint te getuigen. Daarmee trekt hij anderen mee naar Jezus en brengt ze in de gemeente. Het is een eenvoudig getuigenis maar het zegt al meteen twee dingen: in de eerste plaats, we hebben gezocht en gehoopt en gebeden, want we weten dat we een Christus nodig hebben. We kennen onze schuld en we verlangen naar vergeving, maar we wisten nog niet waar we dat konden verkrijgen. En dan het tweede: we hebben Hem gezien, het Lam van God en de Zoon van God, de koning, de priester, de profeet die door God gezonden is. We hebben alles gevonden wat we maar gezocht hebben. We hebben Hém gevonden over wie Johannes de Doper ons onderricht had. En met die boodschap komt Andreas bij zijn broer.

Van een conversatie tussen Andreas en Simon horen we nu niets. Het is nog eenvoudiger. Andreas zegt dat zij de Messias hebben gevonden, en dan brengt hij hem naar Jezus toe. Hij kan aan zijn broer het geloof niet schenken, Simon moet het voor zichzelf zien en ervaren. Maar het gesprek dat Andreas met Jezus heeft gehad hoeft niet te worden herhaald. Jezus kijkt naar Simon en zegt: “jij bent Simon, de zoon van Johannes (of Jonas)” Jezus kent zijn naam nog voordat hij is voorgesteld. Maar de Zoon van God kent niet alleen het verleden, maar ook de toekomst. Jezus voorspelt wat Petrus zal worden. “Jij zult Petrus genoemd worden.” In Mattheus 16 is het zover: “jij bent Petrus” zegt Jezus daar. Jij bent de steen die genomen is uit een nog grotere rots, de rots van jouw belijdenis. (Want Petrus had beleden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.) Op die rots van deze belijdenis zal de gemeente worden gebouwd. Maar dat maakt Petrus tot een steen, genomen uit deze rots. (Grieks: petros=steentje, petra=rots) Ik ben er zeker van dat Petrus door dit korte blijk van de alwetendheid van Jezus geschokt was, en dat dat hem het laatste zetje gaf om het getuigenis van zijn broer Andreas te aanvaarden. Zo zijn er nu drie die de Messias gevonden hebben, en met Johannes de Doper meegerekend zitten we al op vier.