Johannes (13) – Bekering en geloof, of wedergeboorte?

Johannes 3:1-18

Bekering of wedergeboorte?

Vijf maal komen we in deze passage de uitdrukking wedergeboorte tegen. In het Grieks is dat een dubbelzijdige term: opnieuw geboren worden en van bovenaf geboren worden. We komen ook vijf maal het woord geloven tegen, drie keer in positieve zin (ieder die in Hem gelooft) en tweemaal in negatieve zin (wie niet gelooft). Ik wil vandaag twee vragen beantwoorden. De eerste vraag luidt, wat is de relatie tussen bekering en wedergeboorte? En daarmee hangt samen de vraag, wat is de relatie tussen geloof en de wedergeboorte?

Wat het voor mij zo belangrijk maakt, is een misverstand dat ik eens hoorde in een preek van een collega. Die zei namelijk dat wij ons opnieuw moesten bekeren. Dat komt overeen met het oudtestamentische begrip van de bekering. Dat hoort bij de prediking van Johannes de Doper. Zo horen we dat bijvoorbeeld in de profeten, zoals in Joël 2:12, 13a:

“Maar ook nu nog luidt het woord van de Heer: Bekeert u tot Mij met uw hele hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren en bekeert u tot de Here, uw God.”

En dat was in beginsel dezelfde boodschap die al in de thora te lezen stond:

“En wanneer jullie je dan tot de Here, je God bekeerd en naar Zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, jullie en jullie kinderen, met geheel je hart met geheel je ziel…” (Deut. 30:2)

Wat hier wordt omschreven wordt in het Jodendom de Tesjoeva genoemd, de terugkeer of ommekeer van een verkeerde weg. Johannes de Doper verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. Dat was een voorbereidende doop en een voorbereidende bekering. En dat blijkt ook duidelijk uit Handelingen 19:1-7, want daar vindt de apostel Paulus in Korinthe een aantal mensen die wel geloofden in de prediking van Johannes de Doper en dus de Messias verwachtten, maar nog niet begrepen hadden dat de Messias al gekomen was. Laat staan dat zij van Zijn sterven en opstanding hadden gehoord. Wanneer Paulus hen doopt in de naam van de Heer Jezus en de handen oplegt, herhaalt zich het wonder van Pinksteren ook voor deze groep mensen.

Misschien is dit wel precies de reden dat Nicodemus niet begrijpt wat deze wedergeboorte inhoudt. Als Jezus optreedt als leraar van Israël, en in aansluiting bij Johannes de Doper de boodschap brengt van bekering tot vergeving van zonden, dan is dat een “aardse” boodschap waar hij geen moeite mee zou hebben. Dan zou Jezus spreken over de bekering die steeds weer opnieuw kan plaatsvinden. Een mens die wordt gedetermineerd door erfelijkheid en sterfelijkheid kan begrijpen dat tijdens het leven steeds weer opnieuw een herstel, een bekering en vergeving nodig is. Maar Jezus vergelijkt het binnengaan in het koninkrijk van God met het geboren worden. Dat maakt een enorm verschil. Volgens Nicodemus staan de joden binnen het verbond, zijn dus al een deel van het koninkrijk van God. Bekering is nodig na afval en vergeving is nodig vanwege zonden. Jezus vertelt hem hier, dat je op die wijze juist buiten het koninkrijk staat. De ingang tot het koninkrijk is niet iets wat je al van nature hebt – wie als Jood is geboren of als kind is gedoopt zou dus al tot het koninkrijk behoren – maar wat je van buiten af moeten ontvangen. Het is een gebeurtenis waar je even weinig aan kunt bijdragen, als aan je geboorte. Kort gezegd: bekering is iets wat je doet en doen moet, wedergeboorte is iets wat je ontvangt.

Het eerste wat we hier meemaken is de bezorgdheid van Nicodemus over zijn eigen positie tegenover het koninkrijk van God. Vermoedelijk heeft Jezus gesproken over de doop met de Geest, en Nicodemus heeft dat gehoord. Vanuit die bezorgdheid is hij Jezus gaan opzoeken om hem te vragen wat dat allemaal te betekenen heeft. Wat komt hij dan tekort?

Het tweede wat hier meemaken is het woord van Jezus. Je moet opnieuw en van boven geboren worden. De toegang tot het koninkrijk van God ligt niet in een menselijke handeling, maar komt vanuit de hemel. Het is niets minder dan een wonder dat vanuit de hemel geschiedt, waar wij geen controle over hebben. De “geboorte uit God” is, zoals de proloog van het evangelie ons vertelde, “niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man.”

Dat is ook niet uitsluitend een boodschap van de evangelist Johannes. We zagen al hoe het aansluit bij de prediking van de profeten, zoals in Ezechiël en Jeremia. Jacobus weet ook van deze leer:

“Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn.” (Jac. 1:18)

Ook Paulus kende deze leer. In Efeze 2:1 lezen we: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt.” En in Titus 3 lezen we: “(Hij maakte ons zalig) …vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest.”

En ook Petrus kende deze leer: “U, die opnieuw geboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.”

Jezus heeft Nicodemus niet verteld op welke manier hij erin zou slagen opnieuw geboren te worden. Het is Nicodemus zelf die het ziet als een onmogelijke opgave. Maar het is geen opgave. Het is wezenlijk een geschenk. Wanneer Jezus zegt “Als iemand niet opnieuw geboren wordt….” dan zegt Hij niet dat het hier gaat om een prestatie van een mens. In vers 7 staan de woorden: “U moet opnieuw geboren worden.” Maar dat “moeten” bedoelt een reële noodzaak, en is geen opdracht. Juist om die reden staat er in vers 8 nog weer een vergelijking, namelijk dat iedereen die uit de Geest geboren is, te vergelijken is met de wind waarvan we wel het geluid horen, maar niet weten waar ze vandaan komt en waar ze heengaat. Bij de wedergeboorte weten wij dus niet waar het begint en waar het eindigt, of hoe het gedaan zou moeten worden. We controleren dat moment net zo weinig als we onze eigen geboorte bijdragen, als we de wind kunnen beheersen. De geboorte is geen prestatie – althans zo is het in de vergelijking niet bedoeld.

Waarom is de wedergeboorte nodig? Waarom kunnen we niet volstaan met de oudtestamentische herhaalde bekering? Zoals iemand ooit tegen me zei, dat Gods genade betekent dat we elke dag weer opnieuw mogen beginnen. Dat is iets wat mensen zichzelf wijsmaken, maar zo horen we het niet in Gods woord. (Maar je vraagt je langzamerhand af of mensen zich nog wel iets aantrekken van wat in de bijbel staat.) Het antwoord op die vraag vinden we het duidelijkste bij Paulus. Paulus wist dat zowel joden als Grieken “allen onder de zonde zijn.” Dat wil zeggen dat voor iedereen, ook voor mensen die fatsoenlijk en goed leven in menselijke ogen, dezelfde diagnose geldt. “Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God.” (Rom. 3:9, 23) Iedereen staat ook nog eens onder de macht van de zonde – waar David het over heeft in Psalm 51: “in zonde geboren”- , en iedereen heeft ook nog eens in eigen verantwoordelijkheid feitelijk gezondigd. Paulus weet wat Nicodemus nog leren moet: “Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.”

Wat is “zonde”? Elke daad die niet wordt gedaan op grond van geloof – als vertrouwen in God en als gehoorzaamheid aan Gods wil en in overeenstemming met Zijne heiligheid – is een zonde. In allerlei gradaties, van “dode werken” die nergens nuttig voor zijn, tot godslastering aan toe. Maar zonde is zonde, en brengt met zich mee dat wij schuldig staan in de rechtszaak die God met de mensen heeft. Dat we onszelf daarmee hebben afgesneden van het leven – in juridisch jargon: de “dood verdienen”.  Dat we ook nog eens onder de macht van de zonde staan.  Zoals een verslaafde niet kan ophouden te doen wat hem schaadt, zoals een slaaf wel doen moet wat zijn meester hem opdraagt, zoals een ziekte iemand gevangen houdt en de vrijheid ontneemt. Zodat we niet eens in staat zijn om niet te zondigen, en uiteindelijk zelfs niet eens meer beseffen wat zonde is en doet. (Het geweten heet dan “dichtgeschroeid”) Je kunt als mens proberen om dat probleem op te lossen door een gerechtigheid na te jagen in de vorm van een wet. Je kunt je voorstellen dat God een aantal fundamentele regels kent, en zolang je die maar keurig doet ben je “als uit werken van de wet” (Rom. 9:32) gerechtvaardigd. Tegen mensen die dat zeggen, kan Jezus alleen maar herhalen wat Hij al tegen Nicodemus gezegd heeft: “U moet opnieuw, van bovenaf, geboren worden.”

We hebben het eerste gehoord: de bezorgdheid van een leraar van de wet, dat hij tekort zal schieten om het koninkrijk van God binnen te gaan. En dan het tweede: Jezus bevestigt die terechte bezorgdheid, en met een verwijzing naar het Oude Testament geeft Hij aan op welke manier de toegang tot het koninkrijk wel werkt. Je moet opnieuw geboren worden. Daar hebben we al uitvoerig over gesproken.

En dan komt het derde. Zo lezen we het in vers 6: “Wat uit de Geest geboren is, is geest.” De wedergeboorte komt van boven. Je weet niet waar het vandaan komt en je weet niet waar dat toe gaat. Het is het werk van de heilige Geest in jou. Net zomin als je de wind kun tegenhouden, kun je de Geest van God tegenhouden. Hier is een mens werkelijk machteloos. Zo horen we het ook in hoofdstuk 5:21: “de Zoon geeft leven aan wie Hij wil.” Hier werken de wil van God en het gezag van Jezus, het vleesgeworden Woord, en de macht van de heilige Geest samen. De wedergeboorte van een mens is een werk waar God als geheel – als we zo mogen spreken – bij betrokken is. Vader, Zoon en heilige Geest openen voor iemand de weg naar het koninkrijk van God.

Betekent dit dan dat de mens op geen enkele wijze betrokken is bij de wedergeboorte? Het antwoord is ja, in de wedergeboorte als zodanig is er alleen maar een activiteit van God zelf. En we hebben al gezien dat bekering in oudtestamentische zin niet gelijk staat aan de wedergeboorte. Maar nadat dit gezegd werd in de eerste 12 verzen komen we bij het aandeel van de mens, namelijk in de verzen 13 tot en met 16.

Eerst heeft Jezus uitvoerig uitgelegd dat je geen toegang kunt krijgen tot het koninkrijk van God door de werken van de wet. Op geen enkele manier berust het op je eigen inspanning. De toegang tot het koninkrijk is een werk van de heilige Geest in de wedergeboorte. Dat is een reiniging door het water van het Woord en het ontvangen van een nieuw leven vanuit de Geest. En nu zegt Jezus ineens, “de Zoon des Mensen moet verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat.” Nu spreken we over de menselijke verantwoordelijkheid. Nu gaat het erom dat iedereen moet geloven in de Naam van de Zoon van God, dus moet geloven dat Jezus de Christus is, en God Zelf is. Sterker nog, als je niet gelooft in de Zoon van God zou je het koninkrijk niet kunnen binnengaan. Dan blijf je een buitenstaander, voor eeuwig. Dan zal de last van je eigen zonde en schuld op je blijven rusten. Dan heb je een leven zonder genade en vergeving – is een dergelijk leven niet volstrekt ondraaglijk? In de taal van het gerechtshof, dan word je geoordeeld en veroordeeld, en er is niemand die het voor je opneemt. Je zult de gevolgen van je eigen zonde moeten dragen tot in eeuwigheid.

We hebben hier met een paradox te maken. Aan de ene kant is de wedergeboorte een soevereine daad van de heilige Geest. Een mens heeft daarin niets in te brengen. Aan de andere kant is het geloof aan alle mensen opgedragen en geeft het alleen toegang tot het koninkrijk van God. Hoe kan dat beide waar zijn? Er zijn allerlei pogingen gedaan om deze twee gedachten met elkaar te verzoenen. Een van de extreme oplossingen is daarbij: vanaf het moment dat iemand vrijelijk ervoor kiest om in Jezus te geloven, dan is het “alsof” God hem heeft doen wedergeboren worden. Het geloof gaat vooraf als werkende oorzaak van wat we wedergeboorte noemen. Het andere extreem gaat als volgt: de wedergeboorte is een soevereine daad van God die vanaf de eeuwigheid al is vastgelegd in de uitverkiezing. De wedergeboorte is een daad van God die tevens het geloof schenkt. We gaan dus geloven op grond van het feit dat God met Zijn Geest ons al wedergeboren heeft doen worden. En dan is er nog een extreme oplossing, die zegt dat God van tevoren wist wie zouden gaan geloven, en dat Hij die mensen een handje helpt met Zijn Geest.

Geloven in Jezus Christus is een vrije daad, is een keuze voor de toewijding van je leven aan een Persoon. En geloven in Jezus Christus moet je zien als een geschenk, als een gevolg van het feit dat God jou met Zijn Geest heeft “wedergeboren”. In de synoptische evangeliën, wordt vooral benadrukt dat geloof een keuze is. Dat vinden we dus blijkbaar ook terug in Johannes. Maar Johannes maakt dus hier de belangrijke kanttekening, dat het tot geloof komen – de bekering in christelijke zin – tegelijkertijd en in volle zin een daad van God zelf is. Is dat niet ook om uit te sluiten dat het geloof een verdienstelijk werk is, zoals de rooms-katholieke theologie het in de middeleeuwen noemde? Op het moment dat je met trots kijkt naar je eigen geloof, daarin een voortreffelijkheid ziet, een prestatie van jezelf, is het goed om de eerste 12 verzen te lezen van dit hoofdstuk van Johannes. Het sluit de gedachte uit dat het om ons geloof gaat, en dat geloven het uitgangspunt is van alles wat ik doe in het christelijke leven – niet gehoorzamen en erkennen en Gods Woord volgen, maar mijn “gelovigheid”. Op het moment echter dat je je niet om je geloof bekommert en gaat zitten wachten tot God vanuit de hemel wat doet, is het goed om de verzen 13 tot en met 18 te lezen: je krijgt de opdracht om te geloven. Natuurlijk is in God geen tegenspraak en Hij weet hoe deze beide uitspraken met elkaar verzoend kunnen worden. Het lijkt alleen voor ons een contradictie omdat wij niet ten volle begrijpen wat het werk van God inhoudt.

Sommige waarheden in Gods Woord worden uitgedrukt juist in de vorm van twee tegenstrijdige gedachten. Samen brengen ze een waarheid aan het licht, die we niet op een bevredigende verstandelijke wijze kunnen omschrijven. Een ander voorbeeld betreft de rechtvaardiging. Is de rechtvaardiging door geloof alléén, zonder de werken? Zo staat het bij Paulus. Of is het geloof zonder de werken dood, en moeten geloof en werken samenwerken opdat een mens gerechtvaardigd is in Gods ogen? Zo staat het bij Jacobus.

Dergelijke contradicties neem ik in praktische zin. Wie zit te wachten op een daad van God vanuit de hemel, wordt opgeroepen om actief te geloven, om zich te bekeren tot de levende God. En wie zich niet met die God maar met zijn eigen bekering, geweten, gelovige leven et cetera bezighoudt, wordt eraan herinnerd dat de kern van de bekering een daad van God is, een wedergeboorte die volkomen soeverein vanuit de hemel wordt bewerkstelligd.

NAWOORD

Ik herinner me van heel lang geleden een preek in de Vergadering. Daar zei iemand: “Het is te vergelijken met zeilen. De wind komt van God, maar wij zetten de zeilen. Wind en zeil werken samen. Zo is het met de wedergeboorte uit de Geest en het geloof ook.”

Johannes (12) – Geboren uit water en Geest

Johannes 3:1-5

We hebben in de bespreking van het vorige hoofdstuk aan het einde gezien, dat velen tijdens het feest geloofden in Zijn Naam. Het was misschien verbazingwekkend dat Jezus zelf geen vertrouwen had in hun vertrouwen op Hem. Hij geloofde niet in hun geloof. En dat de reden van dit gebrek aan vertrouwen lag in het feit dat Hij wist wat hun geloof inhield. Vele mensen zijn naar Jezus toegekomen terwijl Hij Zijn tekenen deed en hebben tegen Hem gezegd: “wij geloven nu in U! Want deze tekenen die u doet kunnen alleen maar worden gedaan door iemand die door God gezonden is!” Is dat niet prachtig? Zouden wij niet onmiddellijk iemand omhelzen die zegt in Jezus’ Naam te geloven op grond van de wonderlijke dingen die Jezus volbracht heeft? Of zouden we dan vragen of iemand werkelijk gelooft dat Jezus de Zoon van God is, die het Lam van God moest worden om de zonden van de wereld weg te dragen? Dat laatste is overduidelijk het kernpunt voor Johannes de evangelist.

Zo is er een logische overgang van hoofdstuk twee naar hoofdstuk 3 .Eén van die mensen die in Zijn Naam geloofden – minstens door Hem in een positieve zin gefascineerd waren – komt nu naar Jezus toe. Het is een belangrijke rabbijn uit de geschiedenis van het Jodendom, en de aanvoerder van een klein groepje Farizeeën die van de tekenen van Jezus gecharmeerd zijn. Ook zijn naam wordt genoemd, en we komen hem nog een paar keer tegen in dit evangelie: Nicodemus. Later blijkt hij tot de discipelen te behoren, al horen we niets over zijn bekering in dit hoofdstuk.  De eerste 21 verzen van dit hoofdstuk zijn makkelijk in te delen. De verzen 1 tot en met 12 geven vooral de dialogen weer tussen Nicodemus en Jezus. De verzen 13 tot en met 21 horen op zich wel bij deze dialoog, maar de antwoorden of reacties van Nicodemus worden niet meer weergegeven. We gaan dus van een dialoog naar een betoog, waarin Jezus uitvoerig uiteenzet wat de betekenis is van de komst van de Zoon des mensen.

Deze man komt ’s nachts naar Jezus toe. Dat wil niet per se zeggen dat hij in het geheim naar Jezus toe ging, en de vermoedelijke reden is veel simpeler. Overdag gaf Jezus Zijn onderwijs en verrichtte genezingen, maar het lijkt logisch te zijn dat de mensen in de avondschemering weer naar huis gingen en Jezus dus alleen ’s nachts benaderd kon worden. Bovendien zal ook Nicodemus overdag wel het nodige te doen hebben gehad. Je zou er ook nog aan kunnen denken dat volgens de rabbijnen het tijdstip waarop je moet studeren bij uitstek ’s nachts is. Natuurlijk blijft het mogelijk dat hij niet gezien wilde worden omdat hij het sanhedrin waartoe hij behoorde niet in verband wilde brengen met Jezus. Goed. In ieder geval begint hij ’s avonds dit gesprek met Jezus.

Wat zegt hij tegen Jezus? Het is onmiddellijk duidelijk dat hij behoort tot de mensen die in hoofdstuk twee aan het eind werden genoemd. En hij gebruikt de eerste persoon meervoud zodat we onmiddellijk zien dat hij een vertegenwoordiger is van deze groep – een groep van “gelovigen” waarin Jezus zelf geen vertrouwen had gesteld. Wat zegt hij?

“Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is.”

Jezus is dus voor deze man niet de Zoon van God en zeker niet het Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Hij beschouwt Jezus als een bijzondere leraar, wiens leergezag wordt bevestigd door de tekenen die Hij verricht. Jezus is voor hem niet de God-met-ons, maar Hij is in zijn ogen een mens, met wie God is. Dat is een groot verschil. Door deze aanspreekvorm maakt Nicodemus meteen duidelijk hoe ver zijn geloof reikt. Leraar, ja! Zoon van God, neen! En daarom zocht hij Jezus op. Hij is bereid nog wel het een en ander van Jezus te leren, als Deze inderdaad een grote leraar is die van God is gekomen. Als Jezus een rabbijn is temidden van de rabbijnen, dan valt er hier voor de Farizeeën nog wel wat te halen.

Het antwoord van Jezus lijkt helemaal niet te passen bij de opmerking van Nicodemus. Die heeft Hem net in zijn eigen ogen een groot compliment gemaakt. En nu zegt Jezus tegen hem:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.”

Jezus weet wat in het hart van Nicodemus leeft. Dat was ook in het hart van de andere Farizeeën. Een oprechte Farizeeër was het te doen om het probleem van de vergeving van de zonden. Als geen ander wisten zij wat de wet van God eiste, en zij bedachten zelfs nog meer regels en voorschriften om zich aan te moeten houden. In hun ogen was dat een uitwerking van de gerechtigheid die God van hen vroeg; in werkelijkheid was het een oprichten van een eigen gerechtigheid in plaats van datgene wat God van hen vroeg. Maar zo waren de Farizeeën voortdurend bezig om allerlei regels te bedenken, om daarmee te voorkomen dat mensen de echte geboden van God zouden overtreden. Dat noemde zij een omheining rondom de Thora. Net zoals een omheining rondom een grasperk mensen verhindert om een appeltje te stelen van de boom in het midden van dat grasveld, zo waren de regels van de rabbijnen een soort omheining rondom de Thora. Je geweten werd al geraakt op het moment dat je een rabbijns voorschrift overschreed, maar dat was nog bijlange niet een overtreding van het gebod van God. Jezus weet dat Nicodemus op die manier met Gods gerechtigheid bezig is. Daar gaat zijn opmerking niet over, maar dat is feitelijk de vraag die in zijn hart leeft. Daarom geeft Jezus dit antwoord. Nicodemus vroeg zich in zijn hart af op welke manier iemand het koninkrijk van God kon binnengaan. En daar geeft Jezus dus het antwoord op.

Jezus zegt tegen Nicodemus dat hij eigenlijk helemaal opnieuw moet beginnen. De enige manier om het koninkrijk van God binnen te gaan is door middel van de wedergeboorte. Dat is een nieuw begin – dat is de eerste betekenis van het Griekse woord anoothen, “opnieuw” – en het komt uit de hemel – de tweede betekenis is “van bovenaf”. Je moet vanuit de hemel een nieuw begin maken. Dus niet vanaf de aarde op dezelfde manier doorgaan. Het lijkt duidelijk dat Nicodemus over dit antwoord in eerste instantie zeer teleurgesteld geweest is. Hij heeft ongetwijfeld gedacht dat Jezus hem misschien kon duidelijk maken dat er nog een kleinigheid aan zijn ijver voor de thora zou ontbreken. Iets wat hij over het hoofd had gezien temidden van de honderden voorschriften waar hij mee bezig was geweest. Maar Jezus zegt in feite dat hij dat alles mag weggooien, en dat hij van voren af aan moet beginnen.

In feite betekent dat, dat Nicodemus zijn hele religie moet weggooien. En dat hij helemaal niet moet doen wat je van religieuze mensen zou mogen verwachten. Namelijk standvastig blijven in de tradities die je zijn overgeleverd, en stug volhouden op de weg die door de leiders van die religie zijn voorgeschreven. Maar het gaat helemaal niet om religie. Religie is een vloek. Kijk maar naar de manier waarop de extremistische islam optreedt, kijk maar naar de manier waarop mensen in de ban kunnen raken van een of andere Goeroe of Amerikaanse televisiedominee, of achter zogenaamde bovennatuurlijke genezers en mediamieke persoonlijkheden kunnen aanlopen. Het geeft aan sommige mensen een enorm gevoel van veiligheid, en er is van alles en nog wat te doen, in de zin van rituelen, maar zelfs ook van goede werken. In de naam van religie wordt zowel goed als kwaad gedaan. Maar ik geloof dat als de duivel bestaat, zijn voornaamste hobby de religie is. En daarom zegt Jezus tegen Nicodemus dat hij dat alles moet schrappen en vergeten kan. Hij moet opnieuw beginnen om het koninkrijk van God te kunnen binnengaan.

Dus Nicodemus moet gedacht hebben: “ik ben een Jood, maar dat helpt me niet. Ik ben een Farizeeër, maar dat brengt me ook niet verder. Ik ben lid van het Sanhedrin, maar dat brengt me ook niet dichterbij het koninkrijk. Ik houd me aan de geboden van de Thora, en zelfs dat brengt me niet het koninkrijk in. De eis die Jezus aan mij gesteld heeft, is onmogelijk. Een mens kan niet opnieuw geboren worden, we zijn nu eenmaal sterfelijk en bepaald door erfelijkheid. We zijn alleen maar mens, en mensen hebben religie nodig als ze dichterbij God willen komen.” Zo ongeveer zal hij gedacht hebben. Het antwoord van Nicodemus is dus niet per se een uiting van zijn onbegrip, maar hij wil daarmee heel nauwkeurig antwoord geven. We zijn sterfelijk – hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? – en we worden erfelijk bepaald – we gaan niet voor de tweede keer de schoot van onze moeder in. We zijn dus geheel en al aards en we zijn vlees en bloed. Het is dus onmogelijk te eisen dat wij geheel en al opnieuw beginnen. We zijn al begonnen. We worden bepaald door het aardse. Dat valt niet te loochenen. Als er zoiets als verlossing is, dan zal die moeten aansluiten bij het feit dat mensen nu eenmaal zijn wat ze zijn. Nicodemus weet heel goed wat Jezus bedoelde, maar zijn tegenvraag is juist bedoeld om het antwoord te geven, om te zeggen: “dat is onmogelijk, vanwege onze menselijke aard.”

Jezus vervolgt dan in zijn antwoord opnieuw met een uitspraak die een nieuwe openbaring behelst, nieuw dan in de woorden van Jezus, vandaar de woorden “voorwaar, voorwaar.” Nu legt Jezus uit wat Nicodemus niet heeft willen aanvaarden, en Hij legt het uit op een manier die Nicodemus, de geleerde kenner van het Oude Testament, zou kunnen aanspreken.

“Als iemand die geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.”

Dat betekent niet dat je eerst geboren moet worden uit water (het water van de doop of het vruchtwater bij de bevalling) en daarna uit de Geest. Er is geen aparte geboorte uit de Geest en er is geen aparte doop met de heilige Geest. Iedereen die tot geloof komt ontvangt de heilige Geest en wordt daardoor ingelijfd in de gemeente van God. Wat Jezus hier bedoeld heeft, moet aan Nicodemus bekend zijn geweest. Het is het water van de reiniging zoals dat gebruikt werd in het Oude Testament. Het is het water dat was opgeslagen in de watervaten in Kana aan het begin van hoofdstuk twee. En die watervaten stonden daar “volgens het reinigingsgebruik van de Joden.”

Maar Nicodemus zal ook begrepen hebben dat deze leraar die van God gezonden is daarmee verwijzen wil naar de profeten van het Oude Testament. Want er stond in Ezechiël 36 te lezen (vers 26):

“Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.”

En dat betekende reiniging van het oude leven, van de onreinheid van de zonde en de afgoderij. En dan in vers 26 het nieuwe leven:

“Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.”

Dat is levensvernieuwing, en die is door de heilige Geest: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven.” En daarmee zal precies het doel bereikt worden, dat Nicodemus en de zijnen zo lang vruchteloos hebben nagestreefd:

“Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.” (vers 27).

En Nicodemus moet ook geweten hebben, dat God de vernieuwing van het verbond zou aanbieden:

“Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in het hart schrijven. Ik zal u tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

En Nicodemus moet ook geweten hebben uit diezelfde passage, dat het middel dat God moet inzetten om deze vernieuwing van het verbond tot stand te brengen de vergeving is – die het Lam Gods brengen zou – zoals we dan lezen:

“Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonden niet meer denken.” (Jeremia 31:33-34.)

Jezus zeg dus hier tegen Nicodemus, dat hij de tekst van het Oude Testament beter had moeten kennen. Er is een wedergeboorte uit het water van de reiniging en de Geest van de vernieuwing die de voorwaarde is van deelname aan het Koninkrijk van God. Zo hebben de profeten Ezechiël en Jeremia het duidelijk gemaakt.

Het water is dus alleen maar een symbool. Het symbool waarvan? Efeze 5 zegt dat Christus Zijn gemeente, voor wie Hij zichzelf heeft overgegeven, wilde heiligen, “door haar te reinigen met het water door het Woord.” De Geest brengt leven op het moment van de bekering. Dan ben je gewassen door het Woord, en heb je een nieuw leven gekregen – dan ben je een nieuwe schepping,. Dan draag je Christus met je mee, je wordt met Hem bekleed (Gal. 3:27) en dan word je verbonden met alle andere kinderen van God in het Lichaam van Christus, dan word je gevoegd bij de gemeente van  Christus. (1 Kor. 12:13)

Johannes (11) – Twee confrontaties

Johannes 2:18-25

Het tweede hoofdstuk van Johannes beschrijft vanaf vers 13 drie confrontaties tussen Jezus en de mensen. De eerste confrontatie hebben we al besproken; die vond plaats in de tempel tussen Jezus en de verkopers van schapen en duiven, en de geldwisselaars. Het is een bewijs van Zijn goddelijke autoriteit: Hij dreef ze allen de tempel uit. En het woord “allen” betekent werkelijk iedereen. Duizenden mensen zijn op het gezag van de Messias uit de voorhof naar buiten gegaan. “De ijver voor het Huis van Mijn Vader heeft mij verslonden.” (Zoals Psalm 69: 10 het zegt.)

Nu komt er een nieuwe confrontatie, met de tegenstanders van Jezus – dus weer de term “Joden” – naar aanleiding van de “reiniging” van de tempel. Ook in deze nieuwe confrontatie staat de godheid van Jezus ter discussie. We horen Johannes zeggen dat Hij almachtig is. (Hij verandert water in wijn.) We horen Johannes ons vertellen dat Jezus alwetend is. (Hij kende Nathanael voordat Hij hem zag.) We horen hem zeggen dat Hij Heer is van de tempel, en dat hij kwaad kan worden wanneer God niet de eer krijgt die Hem toekomt. Er is “ijver” bij de Zoon van God voor de eer en de waardigheid van God in de hemel.

De Joden die Hem nu aanspreken, hebben het teken gezien van Zijn gezag over de tempel en Zijn macht over de mensen. Zij trekken dat nu in twijfel. Jezus is immers geen priester of Leviet; welk recht heeft Hij om zich met de zaken van de tempel te bemoeien? En dan vragen ze Hem om een teken. Niet zomaar een wonderteken, want daar had Jezus al vele van gedaan. Dat lezen we ook in vers 23. “Velen geloofden in Zijn Naam, toen zij Zijn tekenen zagen die Hij deed.” Maar dat zijn niet de tekenen die deze Joden in gedachten hebben, en die hen hadden kunnen overtuigen. De genezingen die Jezus volbracht en het uitwerpen van de demonen, het was voor deze mensen onvoldoende bewijs van de godheid van Jezus. Zij zochten geen teken dat op aarde werd verricht, dat mensen genas en heel maakte; zij zochten wel de openbaring van de Zoon van God in heerlijkheid, maar zij zochten Hem niet in de genade en de waarheid waarmee Jezus Zich juist aan de mensen, op menselijke maat, wilde openbaren. Zij verlangden een teken uit de hemel, een of andere astronomische gebeurtenis die alleen de overmacht van God zou demonstreren. Hier stond Jezus voor hen, een mens zoals zij, zonder een of ander fysiek teken van Zijn goddelijke herkomst. En Hij was bezig met de ziekten van mensen, en de macht van het Kwade over hen. Dat was niet de Messias die zij zich hadden voorgesteld. En zo geven ze zichzelf een excuus om niet in Hem te geloven: Hij deed geen hemelse dingen, Hij demonstreerde niet Gods almacht, Hij was alleen maar bezig met zieken.

Daarom vragen zij om een teken van Zijn gezag. Welk teken kunt u ons laten zien, dat voor ons bewijst dat u, die geen priester of leviet bent, die niet de hemelse aanblik vertoont die wij verwachten van de Messias, dat voor ons bewijst dat u het gezag hebt over de tempel? Het feit dat de mensen Jezus allen gehoorzaamd hadden, was dus blijkbaar onvoldoende. Ze konden tegen zichzelf zeggen, dat dat een goed geslaagde truc was van een goede volksmenner, of op zuiver toeval berustte. Alleen Zijn stem en een geïmproviseerd zweepje waren daar verantwoordelijk voor geweest. Er waren geen engelen zichtbaar geworden, er was geen enkele bovenaardse manifestatie van macht.

Welk teken krijgen zij dan? Jezus vertelt over het ultieme teken dat Hij zou verrichten waarmee Hij Zijn gezag definitief zou demonstreren, namelijk de opstanding. In het antwoord van Jezus zijn een aantal elementen te onderscheiden. In de eerste plaats zegt Hij: “breek deze tempel af.” Hij zegt daarmee dat Hij de waarachtige tempel is, hij is Degene in Wie de Geest van God woont. In de tweede plaats zegt Hij, dat zij – de Joden van het Sanhedrin en hun aanhangers – Zijn lichaam zouden breken. Het afbreken van deze tempel is hetzelfde als de moord op Jezus. En dan het derde: “en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.” Jezus voorspelt hier Zijn opstanding uit de doden. Hij zegt hier nauwkeurig dat dat na drie dagen zou gebeuren. Welnu, dat is het teken, de demonstratie, van Zijn gezag over de tempel die met steen was gebouwd.

Deze woorden van Jezus zijn als een lopend vuurtje door heel Jeruzalem heengegaan. We weten dat, omdat bij het haastige schijnproces tegen Jezus in het huis van de hogepriester Kajafas, de opgeroepen getuigen alleen nog maar dit weten te vertellen. Dat is het enige getuigenis. Dat Jezus gezegd heeft dat Hij de tempel zal afbreken. Het is een mooi voorbeeld van slecht luisteren of van een opzettelijke verdraaiing. Jezus had gezegd dat zij, dat wil zeggen de Joden, de tempel zouden afbreken, en dat Hij hem na drie dagen zou laten herrijzen. Maar dat is wat ze ervan maken in hun getuigenis, en dat moet ook, want het ging erom dat Jezus woorden tegen de tempel had gesproken. Dat is het enige wat ze Hem kunnen verwijten, denken ze.

De tegenstanders van Jezus denken dat Zijn antwoord een grap moet zijn. 46 jaar lang is aan deze tempel gebouwd. U zult hem in drie dagen laten herrijzen? Jezus doet geen enkele moeite om dit misverstand op te helderen. En daarmee eindigt deze confrontatie. We horen niet hoe het verder gegaan is. Jezus spreekt over de tempel van Zijn lichaam, en zegt dat de opstanding het teken is van Zijn gezag over de stenen tempel. De Joden horen Hem alleen maar dit wonderlijke woord spreken, en dat is alles wat ze van Hem te horen krijgen. Minstens hebben ze wel begrepen, dat Hij tegen hen zegt, dat het helemaal niet om de tempel te doen is. De waarde van de tempel heeft blijkbaar afgedaan, dat tenminste zullen ze begrepen hebben. En daarover zullen ze ongetwijfeld boos zijn geworden. Na de opstanding hebben de discipelen zich deze woorden herinnerd. En dan lezen we: “geloofden zij de Schrift” – alles wat in het Oude Testament over Hem geschreven stond, en dus ook de verwijzingen naar de opstanding – en ze geloofden “het woord dat Jezus gesproken had.” De discipelen hebben dus niet onmiddellijk dit woord begrepen en geloofd, maar het is pas na de opstanding van Jezus duidelijk geworden.

En dan de tweede confrontatie. Tijdens dit Paasfeest heeft Jezus vele tekenen en wonderen verricht. En dat heeft succes gehad. Velen geloofden in Zijn Naam op grond van deze tekenen. Mensen beginnen vertrouwen te krijgen in Jezus. Maar dan lezen we het wonderlijke woord, dat Jezus Zelf geen vertrouwen had in die mensen. “Hij vertrouwde Zich aan hen niet toe.” In een paar zinnen wordt ons duidelijk gemaakt, dat Jezus God Zelf is, “want Hij wist Zelf wat in de mens was.” Blijkbaar is hun geloof alleen maar op tekenen gebouwd, is het een vals geloof. Het gaat ook uiteindelijk niet om de tekenen, maar om het geloof in Zijn Persoon; het geloof dat zalig maakt is het geloof dat zich kan uitspreken in de belijdenis “U bent de Zoon van de levende God.” Zo ver kwamen de mensen in Jeruzalem niet. Toch staat er dat zij geloofden “in Zijn Naam.” We hebben al eerder gezien dat de Naam staat voor alles wat Jezus is en doet. Waarom is hun geloof dan toch vals geweest?

Als iemand zegt dat hij of zij in Jezus gelooft, of dat hij of zij een christen is, moeten we dat dan zomaar aannemen? Op zijn minst zou je nog een paar vragen kunnen stellen. Gaat zo iemand naar de kerk om God eer te brengen of heeft hij een leven buiten de kerk om zonder enig verlangen naar de gemeente en de eredienst? Waar is hij vooral mee bezig in zijn leven? Is het gebed een natuurlijke bezigheid en gaat de bijbel regelmatig open? Neemt iemand de grote beslissingen in het leven op grond van het Woord van God en het gebed, of uit puur natuurlijke motieven zoals iedereen in de wereld dat doet? Is iemand in staat om anderen te vergeven? En zoekt zo iemand ook vergeving voor de fouten die hij of zij zelf heeft gedaan? Spreekt zo iemand regelmatig over God en Christus? Of komt het alleen maar ter sprake wanneer iemand rechtstreeks vraagt naar de kerkelijke achtergrond? Wat je doet en nalaat in je leven laat zien of je waarachtig christen bent. Dat gaat niet om morele perfectie, maar wel om het verlangen om in gemeenschap met God en Christus je leven door te brengen, om de gemeente op te zoeken, om daar je plaats in te nemen, om God te willen eren in je leven en Christus te willen gehoorzamen en navolgen. Als je daar helemaal niets van ziet, en al deze vragen onbeantwoord blijven, dan kun je er praktisch zeker van zijn dat zo iemand een vals geloof heeft. Zichzelf wijsmaakt er bij te horen, terwijl in werkelijkheid God en Christus voor zo iemand niets betekenen. Het zijn dan alleen maar woorden in de trant van: “Och, ik weet wel dat ik gedragen word door een hogere macht, dat er meer is tussen hemel en aarde, dat er een onzichtbare macht in deze wereld is et cetera.” Maar dat is geen geloof in Christus, dat is geen geloof in het evangelie, dat is niet hetzelfde als het “aannemen van Hem”, waardoor je het recht hebt om jezelf een kind van God te noemen. (Vergelijk maar Johannes 1:12.)

En daarmee zijn we voorbereid op wat komen gaat in het derde hoofdstuk. In dat hoofdstuk spreekt Jezus met een leider van de Joden over het ware geloof. Het ware geloof is niets minder dan een wedergeboorte, een geboorte uit Geest en water, een volkomen nieuw begin dat God met een mens maken kan, die werkelijk Christus aanvaardt in zijn of haar leven. Wie alleen maar in Hem gelooft, vanwege een of andere bijzaak – en de mensen in Jeruzalem geloofden in Zijn Naam, en deden dat tenminste nog op grond van een teken dat ze Hem hadden zien doen – maar zichzelf niet werkelijk aan Christus toevertrouwt, die wordt ook door Christus niet vertrouwd. Met andere woorden, in dat geval ontstaat er geen wederkerige relatie. En dat is uiteindelijk wat geloof betekent: een relatie krijgen met het vleesgeworden Woord, met het Licht en de Levensbron van jouw leven. Wie alleen maar de oppervlakte van het evangelie vertrouwt, geniet van de goede en genadige woorden, de mooie beloften van eeuwig leven, maar zichzelf niet werkelijk aan deze Jezus overgeeft; wie zijn eigen zonden niet in Gods licht gezien heeft en om vergeving heeft gevraagd, die kan zichzelf geen christen noemen.

Ik hoop dat u die dit leest waarachtig een kind van God bent. Dat u uw leven aan Christus heeft overgegeven om Zijn discipel te worden en een kind van God te mogen heten. Alles wat het evangelie ons toezegt, elke belofte, elke geestelijke zegening, gaat aan u voorbij als u niet bent wedergeboren uit Geest en water. Je kunt doen alsof je een christen bent. Je kunt jezelf een christen noemen zonder het gedrag te vertonen dat erbij hoort. Je kunt jezelf en anderen wijsmaken dat je een christen mag heten omdat je een goed mens bent. Maar christenen zijn geen goede mensen, het zijn zondaars die vergeving hebben ontvangen in de Naam van de Heer Jezus Christus.

Johannes (8) – Filippus en Nathanaël – De roeping van de eerste twee discipelen in Joh. 1:44-52

Het doel van het evangelie van Johannes is te bewijzen dat Jezus de Zoon van God is. Elk mogelijk getuigenis moet daarvoor worden verzameld. Om die reden is Johannes niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de manier waarop de eerste discipelen door Jezus zijn geroepen. Daarom vertelt hij over de ontmoeting met Andreas en Simon Petrus op de manier die we net gelezen hebben. Andreas en Johannes zijn in een gesprek met Jezus overtuigd geraakt van de waarheid van de prediking van Johannes de Doper. Dat maakt hen tot getuigen. Simon Petrus in het bijzonder is onder de indruk van het feit, dat Jezus al weet hoe hij heet voordat zijn naam door Andreas genoemd is. Op dezelfde manier en vanuit hetzelfde motief wordt nu in het gedeelte vanaf vers 44 verteld over Filippus en Nathanaël. De evangelist is geïnteresseerd in het getuigenis: “Wij hebben Hem gevonden…” – Vers 46. En dan in het wonder: “Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u.” – Vers 49. En vervolgens in het getuigenis van Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.” – Vers 50. Het gedeelte eindigt met een getuigenis van Jezus over zichzelf in vers 52.

We lezen vanaf vers 44. Hier komen we de tweede groep tegen, op de “volgende dag.” Dat is dan de vierde dag. Jezus is onderweg naar Galilea, een wandeling van ongeveer 25 km. Als je vroeg genoeg vertrekt kun je na vijf of zes uur lopen daar aankomen. Het ligt voor de hand om te denken dat Simon Petrus, Andreas en Johannes met Jezus waren meegegaan. Het doel van de reis zal wel geweest zijn om hun vrienden aan Jezus voor te stellen. En de eerste die ze tegenkomen was Filippus, uit het dorpje Bethsaïda, waar ook Andreas en Petrus geboren waren. Het is een klein vissersdorp aan de noord-oostelijke hoek van het Meer van Galilea. Later horen we dat Petrus in Kapernaüm woonde, zoals in Markus 1:21-29. Petrus was dus geboren in Bethsaïda, maar heeft gewoond in Kapernaüm. Zo was Jezus geboren in Bethlehem, groeide Hij op in Nazareth, en woonde in Kapernaüm toen Zijn zending eenmaal begonnen was.

We lezen dat Jezus Zelf Filippus vond. Hoewel Andreas en Simon goede bekenden van hem geweest moeten zijn, is het Jezus Zelf die hem ziet. In vers 45 zegt deze, dat hij en de anderen – dat moeten dan Andreas, Petrus en Johannes zijn geweest – dat “wij” dus, Hem hebben gevonden, “over Wie Mozes in de wet geschreven heeft.” En Filippus kent Hem ook nog als “Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” Er moet dus een lange conversatie zijn geweest tussen Jezus en Filippus waar we verder niets over horen; een soortgelijk gesprek had Jezus al met Andreas, Johannes en Petrus gevoerd. Er zit een mooie spanning in deze tekst. Filippus lijkt iemand te zijn geweest, sterker dan bij de eerste drie discipelen, die bezig was met het Oude Testament. Hij zegt dat hij de Messias gevonden heeft van wie Mozes en de profeten hebben getuigd. Dat moet hem zijn uitgelegd, en daar heeft hij vermoedelijk vragen over gesteld. Intussen weet hij heel goed wie Jezus is, dat wil zeggen hij kent de aardse werkelijkheid: “zoon van Jozef”, zegt hij, “uit Nazareth”, voegt hij eraan toe. Dat is dan ook het wonderbare getuigenis van Filippus tegenover Nathanaël. Het is alsof hij zegt: “Hier zie je een mens zoals wij, die is opgegroeid in Nazareth – Bethlehem wordt hier niet vermeld – en het is een mens zoals wij, want hij heeft een vader die Jozef heet. Jozef zal in deze dorpjes ook wel bekend zijn geweest als timmerman. Maar tegelijkertijd is deze “gewone” mens de profeet en de koning en het Lam van God over wie het Oude Testament getuigd heeft.

Nathanael merkt deze spanning op en reageert meteen: “kan uit Nazareth iets goeds komen?” Dat is begrijpelijk, als we beseffen dat Nathanael uit een nog kleiner dorpje afkomstig is, namelijk uit Kana. (Johannes 21:2) Die twee dorpjes Nazareth en Kana waren maar 15 km van elkaar verwijderd. Blijkbaar waren er veel familierelaties tussen de dorpjes, want we horen iets later dat ook de discipelen en de familie van Jezus waren uitgenodigd voor een bruiloft in Kana. Maar er moet ook rivaliteit tussen die dorpen zijn geweest, vandaar de opmerking: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” Het is spottend bedoeld, maar niet haatdragend.

Dan horen we in vers 47 hetzelfde als wat we al gehoord hebben in vers 39: “Kom en zie!” Vraag het Hem zelf maar, betekent dat. Ontdek het maar voor jezelf, hoe ongelooflijk het ook in je oren geklonken zal hebben, dat de Messias zomaar iemand uit onze eigen omgeving is, dat we Zijn vader kennen en dat er niets bijzonders aan Zijn familie is. Jezus ziet Nathanaël naar Hem toe komen. En nu geeft Jezus een getuigenis over Nathanaël. “Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is!” Een waarachtige gelovige in de ware God, een berouwvolle gelovige die door de prediking van Johannes de Doper is geraakt. Geen hypocrisie, geen dubbelzinnigheid, geen aanstellerij. Hij zegt niet het ene en denkt het andere. Nathanaël is een uitzondering in een volk vol afvalligen en hypocrieten. Mensen die ervoor gekozen hebben om hun eigen gerechtigheid op te richten, van wie de leiders in Jeruzalem met argwaan en angst naar de prediking van Johannes de Doper hebben geïnformeerd, en die er alleen maar op uit zijn om de rust te bewaren en hun eigen status te verzekeren. De Zoon van God kan hier zeggen dat er een waarachtige joodse gelovige voor Hem staat, en dan gebruikt de evangelist het woord “Israëliet”. (“Jood” reserveert hij voor de tegenstanders van Jezus uit het volk, die gewoonlijk uit Juda kwamen; vijandige Judeeërs dus=Joden.) Nathanael is een waarachtige zoon van Abraham, Isaak en Jakob. Iemand die de Schriften gelooft, en de Messias verwacht en de wil van God probeert te doen, niet alleen maar in de uiterlijke dingen, maar ook in de gezindheid van het hart. Jezus ziet aan deze mens de geestelijke gezindheid die alleen maar innerlijk te zien is. Hij zegt dus tegen Nathanael dat Hij zijn hart gezien heeft. Daarom vraagt Nathanael: “Hoe kent U mij dan?” Dit is de strekking van zijn vraag: “Hoe kun je ook maar iets over mij weten? Zit je mij te vleien, zonder reden? Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?” En dan komt het antwoord van Jezus, waar het de evangelist Johannes ook om te doen is. Nu komt het wonder: “Ik zag jou al toen je nog onder de vijgenboom zat.” Voordat Filippus naar Nathanael toe stapte, zat die misschien al onder een vijgenboom. Dat kon Jezus als mens niet geweten hebben. Maar de Zoon van God kon dat weten, omdat Hij met God de eigenschap deelt van alwetendheid. Net zo goed als Jezus kon weten waar Nathanael fysiek geweest is, zo kan Hij weten wat de innerlijke gesteldheid van het hart van Nathanael was. Dat maakt dit getuigenis voor Johannes de evangelist zo bijzonder.

Op grond van de aanwijzing van Filippus, en het wonderlijke spreken van Jezus als Zoon van God, komt Nathanael dan tot een belijdenis. Drie elementen heeft dat: “Rabbi” zegt hij. Jezus is voor hem de waarachtige leraar, de opvolger van Mozes zelf. “U bent de Zoon van God” – hij herkende in Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, God Zelf. Dan het tweede: “Zoon van God” betekent hier precies, wat het in de proloog betekende. “De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem (God) ons verklaard.” (1:18) Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, belijdt dat Jezus Christus “in het vlees gekomen is”, dat Hij het “vleesgeworden Woord” is. En dan het derde: “U bent de Koning van Israël.” Een drievoudige belijdenis dus. Eerst de relatie – Rabbi –, dan de Persoon – Zoon van God – en dan de functie of titel – Koning van Israël. En dat zegt deze Nathanaël over Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth. Hij heeft gedaan wat Filippus hem vroeg: “Kom en zie!” Nathanaël is gekomen en heeft gezien en heeft gehoord en is tot een belijdenis gekomen, heeft getuigenis afgelegd van Wie hij gevonden heeft.

Jezus maakt daarna meteen duidelijk, dat de motivatie achter het geloof van Nathanael niet genoeg is. Nathanael geloofde dat Jezus de Messias was, omdat Hij in staat bleek om hem al te kennen voordat ze elkaar ontmoet hadden. Hij gelooft op grond van het wonder van Jezus’ alwetendheid. Daarom zegt Jezus dat er nog grotere dingen zullen zijn, de discipelen zullen wonder na wonder na wonder meemaken. Maar het grootste wonder en de kern van alle wonderen wordt door Jezus aan het eind van de passage uitgelegd.

Vers 52 geeft ons nu de kern, het waarachtige teken of wonder dat de discipelen zouden meemaken. En het is dat wonder dat de waarachtige grondslag van hun geloof is. Niet de wonderlijke tekenen van genezing en alwetendheid en almacht. Het waarachtige teken vinden we in vers 52, ingeleid met de woorden “Voorwaar, voorwaar”. Met deze woorden wordt altijd een nieuwe openbaring ingeleid. “Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.” Dat is een verwijzing naar Genesis 28. Jacob krijgt daar te horen dat God Zijn beloften aan hem en zijn familie en nageslacht zou gaan vervullen. De belofte die ooit aan Abraham gegeven was. Ik zal jou tot een natie maken, ik zal jouw volk zegenen, ik zal verlossing brengen aan jouw volk, ik zal de hemel openen en de engelen heen en weer laten gaan om jou te beschermen en voor jou te zorgen tot dat de belofte vervuld zal zijn. Wat Jezus hier zegt is eenvoudig dat de macht van de hemel in Zijn bediening, in Zijn verkondiging zichtbaar zou worden. Jezus zegt hiermee tegen Nathanael: je zult zien in de wonderen die Ik doe, dat God met Mij is, en dat Hij Zijn beloften in Mij zal waarmaken. De wonderen zijn er niet voor zichzelf. Ze worden ook niet gedaan alleen maar om mensen te helpen – anders zou Jezus wel een bovennatuurlijk hospitaal hebben geopend om tot in eeuwigheid zieken te genezen. De wonderen zijn er om getuigenis af te leggen van het feit dat God waarachtig en volledig in Jezus van Nazareth present was. En dat op die manier, in de vernedering van de Zoon van God als mens, in wie tevens Gods genade en waarheid openbaar zijn geworden, God de belofte van Daniel 7 waar maakt. Want de Zoon van God is ook de waarachtige Zoon des mensen. In Daniël vinden we de titel “Zoon des Mensen” – “Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:14) Dat is wat Jezus hier zegt. Niet alleen dat ene bijzondere vermogen van alwetendheid, dat werd gedemonstreerd aan Nathanael, maar het voortdurende en krachtige getuigenis, dat de macht van de hemel aanwezig is bij en in Hem, die de beloofde Zoon des mensen is.

Wat betekent dan die verwijzing naar engelen die opklimmen en neerdalen? Het hele leven van Jezus is omringd door engelen, door bijzondere manifestaties van Gods macht. De engelen spraken tot Zacharias en zeiden dat de voorloper, Johannes de Doper geboren zou worden. Engelen spraken tot Maria, de moeder van Jezus. Een engel waarschuwde Jozef in de droom. Een koor van engelen kondigde de geboorte van Christus aan, tegenover de herders in het veld. De engelen kwamen aan het eind van de periode van 40 dagen in de woestijn, om Hem te dienen. Er zijn engelen bij het graf, er zijn engelen die Hem bij zijn Hemelvaart omringen. Hij had voortdurend de macht om een legioen van engelen op te roepen om Zijn wil te doen, zo getuigt Jezus tegenover Pilatus. Daarom is de verwijzing naar Genesis 28 zo fraai. Engelen die opklimmen en neerdalen tussen hemel en aarde. Een levende, sterke verbinding tussen hemel en aarde in het leven van Jezus.

Heel schematisch kun je in dit gedeelte zien hoe een mens behouden wordt. In de eerste plaats moet er een zoekende ziel zijn. Dat zagen we al in het vorige gedeelte, in vers 38. Jezus draait zich om en hij ziet Andreas en Johannes achter Hem aanlopen. Hij vraagt: “Wat zoeken jullie?” Ze zoeken het Lam Gods over Wie Johannes de Doper heeft gesproken, Die zou dopenb met de heilige Geest en Die de verlossing van zonde en schuld zou brengen. En dan zegt eerst Andreas tegen Simon, dat hij de Messias heeft gevonden. En zo zegt Filippus tegen Nathanaël, dat hij de Messias heeft gevonden. Je kunt Hem alleen vinden als je Hem zoekt. “Zoekt en u zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden.” Maar het motief achter dit zoeken is niet eenvoudige nieuwsgierigheid of een verlangen naar geluk. Het moet zijn uitgelokt door berouw, en een geloof in de Schrift. De verkondiging van Johannes de Doper was gericht op bekering, een afzien van de oude en kwaadaardige wegen, een ommekeer – en dus een totale morele vernieuwing – in de richting van God. De belijdenis van de zonden die Johannes de Doper gevraagd heeft voorafgaande aan de doop, was en is een reëel onderdeel van dit zoeken naar de verlossing. Maar hij gaf ook onderwijs in de Bijbel, leerde zijn discipelen wat er in de profeten en bij Mozes over deze Messias gezegd was. Die twee zaken dus: berouw en geloof in de Schriften.

En dan het tweede. Dat zoeken heeft geen enkele zin behalve wanneer de Verlosser ook zoekt. Daarom zegt Jezus tegen Filippus: “Volg Mij.” Het is Jezus die Zijn volgelingen zoekt en vindt.

En dan het derde. Er is ook altijd iemand die getuigenis aflegt. Hoe zullen mensen het evangelie geloven, als dat evangelie hun niet wordt verkondigd? Het is weliswaar niet de verkondiging die mensen tot geloof brengt, want dat is het werk van de heilige Geest. Maar het geloof, innerlijk gewekt door de heilige Geest, wordt uiterlijk mogelijk gemaakt door het horen, het horen van de verkondiging van het evangelie.

En die verkondiging van het evangelie is altijd hetzelfde: “kom en zie!” Eerst komen. Daarin zit de gedachte dat je je oude manier van denken moet loslaten, dat je jezelf moreel moet oordelen in het licht van Gods Woord. Het is ook een komen in de zin van de schrift leren kennen, de Bijbel lezen, de verkondiging in de kerk horen. Dat alles is een komen. En dan ook nog het zien. Je ogen en je hart en je oren openstellen voor de Persoon over Wie de verkondiging gaat, over Wie de Schriften spreken. Zien met het innerlijk oog, inzien en tot je laten doordringen. Het heeft geen enkele zin om met verstandelijke redenaties te proberen de overgang te maken van ongeloof naar geloof. Dat wil niet zeggen dat bekering een onredelijke en blinde sprong in het geloof is. Maar het sluit wel uit dat we met het verstand, zonder de betrokkenheid van ons hart en geweten de keuze voor Christus kunnen maken. De heilige Geest overtuigt ons van de zonde in ons hart, van de noodzaak van verlossing, en wijst op Hem die onze Verlosser wilde zijn.

En wij? Wij hebben alleen maar als taak – dat heet de bediening van de verzoening – om mensen ertoe op te roepen zich te laten verzoenen met God. Kom en zie! – zeggen wij. Om aan onze naasten en buren en familie te zeggen, wat Filippus tegen Nathanael zegt. Wat zegt hij dan? God wil verlossing schenken. De Zoon van God is gekomen en wilde die verlosser zijn. En als jij jezelf aan die verlosser toevertrouwt, zul je de genade en de waarheid van God leren kennen. Dan zul je vergeving ontvangen van je zonden en bevrijding van je schuld en zul je in de kracht van de heilige Geest nieuw leven ontvangen. Het leven namelijk zoals God het bedoeld heeft.