De verlamde van Bethesda – voorbereiding van de prediking in Ilpendam en Watergang

Overal ter wereld wordt het evangelie van Jezus Christus gepredikt. En overal ter wereld zijn de reacties verschillend. Soms vinden we spot, soms minachting, soms haat, maar een enkele keer ook blijdschap en een besef van bevrijding. Er zijn mensen die hun ongeloof verdedigen door te zeggen dat ze geen ervaring hebben van God. Soms zeggen ze spottend: “ik heb die God van jou nooit ontmoet.” Sommige mensen zeggen, dat ze eerst willen zien en dan pas zullen ze geloven.

Maar menen ze dat nu echt? Zouden ze inderdaad gaan geloven als God een zichtbaar teken van zijn bestaan zou geven? Als dat waar is, dan zouden de mensen in het land Israël, zo’n 2000 jaar geleden, een bevoorrechte positie hebben. Zij konden Jezus zien, hem aanraken, zijn woorden horen. En meer nog dan dat, zij waren getuigen van zijn wonderen, van de wonderbaarlijke genezingen die hij verricht heeft. Dan zou je kunnen denken, dat zij toch gezien hebben wie Jezus was, en dus ook in hem geloofd hebben.

Het tegendeel echter is waar. We weten dat van de vele getuigen van Jezus wonderen maar een enkeling tot bekering kwam. Het Nieuwe Testament leert ons dat het zien van Jezus, met door zelfzucht verblinden ogen en een onwillig hart, helemaal niet automatisch leidt tot geloof. Een wonder leidt niet automatisch tot geloof. Waarom niet?

De wonderen van Jezus zijn niet zomaar bovennatuurlijke genezingen. Jezus lijkt niet op Jomanda of op de genezers uit de charismatische kring. Een wonder van Jezus heeft tot doel om het gezag van Zijn persoon en woorden te onderstrepen. Zo was het ook met Mozes, zo was het met Elia en met Jona. Het is een hulpmiddel dat God een enkele keer gebruikt, en nooit een doel op zichzelf. Het is een teken dat begrepen moet worden en niet alleen een bovennatuurlijke gebeurtenis, een wonder dat gezien kan worden. Veel mensen hebben het wonder gezien bijvoorbeeld van de vermenigvuldiging van het brood, maar er zijn maar enkelen die het teken begrepen hebben, namelijk dat Jezus zelf het levende brood uit de hemel is. Veel mensen hebben de opwekking van Lazarus bijgewoond, een wonder van de eerste orde. Maar er zijn maar weinigen die geloofd hebben, dat Jezus zelf de opstanding en het leven is – zoals hij uitlegt aan Martha en Maria. Er zijn veel getuigenissen geweest van de opstanding van Jezus, maar ook dat heeft niet iedereen tot bekering gebracht.

We krijgen dit alles heel duidelijk te zien in het vijfde hoofdstuk van Johannes. Laten we eens zien wat er nog meer nodig is dan een wonder, om iemand tot geloof te brengen. De gebeurtenissen op zich zijn niet moeilijk te begrijpen. Jezus gaat terug naar Jeruzalem, om aanwezig te zijn ofwel bij het paasfeest in april ofwel bij het Loofhuttenfeest in oktober, welke van de twee kunnen we niet met zekerheid vaststellen.
Nu is er in Jeruzalem in die tijd, net ten noorden van de stad, bij de zogenaamde Schaapspoort, een badwater, met vijf zuilengangen. In de tijd dat Johannes dit schrijft, ongeveer 25 jaar na de verwoesting van Jeruzalem, is dat badwater er al lang niet meer. Maar Johannes kan het zich nog goed herinneren en daarom schrijft hij dat er een badwater is – hij zegt niet dat het er geweest is.

Dat badwater had de naam Bethesda gekregen, dat is Aramees voor “Huis van erbarmen”. Een soort ziekenhuis, maar dan met een heel bijzondere geneeswijze. Johannes vertelt ons dat bij dat badwater een menigte zieken, blinden, kreupelen en verlamden zich had verzameld. Want er was een legende, dat af en toe het water zou gaan kolken en borrelen, en dat alleen de allereerste van hen die meteen het water in gingen konden genezen. Het volksgeloof was, dat het water door een engel in beweging werd gebracht. De ondergrondse bron van dit badwater heeft waarschijnlijk geen continue waterstroom geleverd. Af en toe zal dat water geborreld hebben wanneer er vers water bijkomt, dat misschien ook nog wel allerlei mineralen heeft bevat. Er moeten dus af en toe gassen in dat water gezeten hebben, en die gasbelletjes brachten dan het oppervlakte van het water in beroering.

Het is wel heel bijzonder dat Jezus naar dit badwater gaat. Eigenlijk had hij in de tempel moeten zijn voor het Loofhuttenfeest of voor Pasen, maar hij richt zijn aandacht op deze groep zieken. Hij zoekt ons daadwerkelijk op! En temidden van deze groep zieken richt hij zijn aandacht op het meest wanhopige geval, een man die al 38 jaar ziek was en heel die tijd bij dit badwater heeft gelegen. Je zou denken dat hiermee een prachtige bekeringsgeschiedenis is begonnen

Er zijn nu drie dingen van belang. In de eerste plaats de manier waarop deze man werd genezen. In de tweede plaats wat de man deed nadat hij genezen was. En in de derde plaats de reactie van de joodse leiders op deze genezing.

We beginnen met het eerste punt: hoe wordt deze man nu genezen.
Welk wonderteken heeft Jezus hier eigenlijk verricht? De genezing begint met een wonderlijke vraag aan de man: “wilt u gezond worden?” Nu ligt het voor de hand dat deze man daar alleen maar is om gezond te worden. Het lijkt op het eerste gezicht een wonderlijke vraag te zijn. Maar deze man ligt hier al 38 jaar. Heeft hij na al die tijd nog wel enige hoop of zelfs maar het verlangen om te worden genezen? In zekere zin spreekt Jezus hem aan door naar de bekende weg te vragen. Maar zo krijgt de man wel de gelegenheid om te zeggen wat er op zijn hart ligt. Het laat zien dat Jezus belang stelt in zijn toestand en hem wil aanmoedigen om over zijn ziekte te spreken. En op deze manier lokt Jezus een antwoord uit waaruit kan blijken, of hij innerlijk alle hoop heeft laten varen en misschien alleen nog maar hier ligt omdat hij tenminste beschut was en te eten kreeg, of dat hij hier zelf na 38 jaar nog het verlangen en de hoop op genezing had. De eerste stap van het wonder is dus de toestand van degene aan wie het wonder verricht wordt. Dat is niet onbelangrijk. Als de man intussen tevreden was met zijn conditie, was er geen wonderbare genezing gebeurd. Alleen als hij ernaar verlangt, kan de Here hem helpen.

We horen het hopeloze antwoord van de man in vers 7. Hij staat er helemaal alleen voor. “Ik heb geen mensen om mij in het badwater te werpen wanneer het water in beroering gebracht wordt.” Hij voelt zich door iedereen in de steek gelaten. Niemand heeft het op zich genomen om zo’n lange tijd voor hem te zorgen. En hij vertelt over een soort competitie tussen al deze zieke mensen, omdat alleen maar de eerste – en dat is dan eigenlijk degene met de meeste gezondheid – kon worden genezen. In dit “Huis van Barmhartigheid” moet iedereen maar zichzelf zien te redden. Er is dus eigenlijk geen erbarmen, geen barmhartigheid, want dat is de eigenschap waarmee we in genade eerst aan een ander denken en dan pas aan onszelf. Maar het is ook opvallend dat de man in zijn antwoord wel spreekt over de mensen die niet willen helpen, maar niet spreekt over God in de hemel, die uiteindelijk de bron is van alle goede gaven. Blijkbaar gaat de man helemaal op in het bijgeloof dat een engel zonder naam in het bronwater heel even een wonder zal verrichten, voor degenen tenminste die de race naar het badwater gewonnen heeft. Hij wil genezen worden, desnoods door iets of iemand anders dan God zelf.

Zo krijgen we een scherp beeld van deze man. Is hij geheel en al wanhopig? Ja. Want hij is alleen. Wil hij nog wel genezen worden? Ja, maar hij blijft vertrouwen op het volksgeloof. Heeft hij voor zijn genezing gedacht aan de barmhartigheid van God? Nee, hij is alleen maar bezig met zijn aardse omstandigheden, met het ontbreken van familieleden die hem kunnen helpen, met zijn onvermogen om de eerste te zijn. Het lijkt trouwens net alsof het hier gaat om een wachtlijst, en alleen de eerste op die lijst zal worden geholpen.

Jezus negeert de woorden van deze man maar spreekt drie geboden uit. De eerste is: sta op! De verminking van zijn ledematen is onmiddellijk en geheel weggenomen. En dan het tweede bevel: neem uw ligmat op – de kracht van de man is weer hersteld en hij hoeft niet te blijven in deze plaats. En dan de derde opdracht: wandel!, dat wil zeggen blijf lopen, ga weg van hier en pak je leven weer op.

Ziet u hoe bijzonder dat is? De genezingen van Jezus stellen geen voorwaarde. De man gelooft niet in Jezus, maar heeft hooguit een wankel bijgeloof. Jezus heeft dit wonder niet verricht om de man tot bekering te brengen. Het wonder is een wondertéken. Het is een getuigenis tegenover de joodse godsdienst van die dagen die dit bijgeloof in Bethesda getolereerd heeft. Dat volksgeloof werd door de joodse leiders niet uitgebannen of zelfs maar bestreden; en zo blijft een parodie bestaan, van een “Huis van Barmhartigheid” waarin geen barmhartigheid maar een moordende concurrentie om de eerste plaats zich afspeelde.

Het is een aanklacht tegen het toenmalige joodse systeem. Het huis van de barmhartigheid is niet barmhartig. Het huis van de aanbidding, de tempel, is geen plaats van aanbidding, maar van handel. Het volk van de Messias is het volk van de vijand van de Messias, zijn eigen volk verraadt hem.

Gaat het inderdaad om het gehele joodse systeem? Ik denk inderdaad dat het falen van de joodse elite zichtbaar wordt. Misschien is dat ene detail, namelijk dat Bethesda vijf zuilengangen heeft, een subtiele aanwijzing. Dat getal vijf zou kunnen verwijzen naar de vijf boeken van Mozes die niet bij machte zijn en mens te genezen. Of misschien gaat het om de vijf geboden van de tweede tafel, gebod zes tot en met 10. Dat zijn de geboden die de relatie tussen mensen regelen. In ieder geval is er een getolereerd volksgeloof, volkomen fake, dat door de joodse leiders blijkbaar gesteund wordt.

Komen we bij het tweede. Wat doet de man na zijn genezing? Provocatie van de joodse leiders.

Als de man eenmaal gezond is, accepteert hij onmiddellijk de drie opdrachten die Jezus hem geeft. Hij neemt zijn ligmat op en gaat ermee rondlopen. Dat is op zich geen deel van de genezing, maar een gevolg ervan. Ik denk weleens dat de man ook had kunnen zeggen: ik wil nog even blijven om misschien een paar andere mensen te helpen. Dat zou nog niet eens zo’n beroerd idee geweest zijn. Of dat hij aan Jezus zou vragen om een paar vrienden te helpen die hij in die 38 jaar gekregen had. Dat zegt dan iets over zijn karakter. Maar ik denk dat dat een verkeerde benadering is. De man is alleen maar gezond geworden, om het bevel van Jezus te kunnen uitvoeren.

Het wonder van zijn genezing draait namelijk niet alleen maar om de gezondheid van deze man. Daarin ligt een belangrijke les. God’s interesse gaat er niet in de eerste plaats naar uit dat wij gezond zijn. Of wij nu ziek of gezond zijn, het gaat erom hoe wij God kunnen dienen en eren. De man had 38 jaar lang de kans gehad om anderen te helpen, in plaats daarvan ligt hij te mokken dat anderen hem niet hebben geholpen. Het gaat dus veel meer om het teken dat Jezus hier geeft van zijn gezag. Dat wordt nu precies zichtbaar in wat de genezene doet. De man loopt rond met zijn ligmat. Omdat Jezus dat bevolen heeft. Dat is volgens de regels die de rabbijnen hebben opgesteld een overtreding van de wet op de sabbat. Dat is wat de joodse leiders zien: iemand die de regels van de sabbat verbreekt. Ze kennen die man ongetwijfeld, en ze weten dat hij 38 jaar lang in een hopeloze toestand heeft verkeerd. Ze moeten beseft hebben, dat deze ongeneeslijk zieke man nu op een wonderlijke wijze genezen is. Jezus stelt ze met dit wonderteken voor een keuze: of je houdt je bezig met de overtreding van een gedetailleerde regel van de sabbat, of je raakt onder de indruk van het goddelijk gezag dat Jezus heeft over deze zieke. De kreupele die wordt genezen, dat is het wonder; maar het rondlopen met de ligmat is het teken. Het is een rechtstreekse uitdaging aan het gezag van de rabbijnen.

Je kunt hier de vraag stellen: waarom heeft Jezus niet met een enkel woord alle zieken, blinden, kreupelen en verlamden genezen die daar op de grond lagen? Maar als hij dat gedaan had, was het geen teken geweest. Dan was Bethesda een bovennatuurlijk ziekenhuis geworden. Als dat de weg was geweest van Jezus, dan was hij tot op de huidige dag bij ons geweest en waren wij allen genezen in het bovennatuurlijk ziekenhuis van Bethesda. Alle mensen waren dan lichamelijk wel genezen, maar nog steeds in geestelijke zin ongeneeslijk ziek gebleven. God werkt nooit met een grote kwast, maar altijd met een fijn penseel. Christus schenkt de verlossing niet aan groepen en volkeren, maar altijd aan een enkeling, op een individuele en bijzondere wijze. Daarom heeft Jezus zijn aandacht gericht op die ene mens, de meest hopeloze van allemaal, temidden van al die zieken en verlamden. Het gaat hem niet om het wonder op zich, maar om het teken.

Waarom wil Jezus nu de joodse leiders uitdagen? Maar doet Jezus dat niet altijd al? Hij spreekt Nicodemus tegen om hem het idee van de wedergeboorte uit te leggen. Daarmee raakt hij het hart van Nicodemus, die dan ook later tot bekering komt. Hij confronteert de Samaritaanse vrouw met haar overspel en haar vele mislukte huwelijken. Ook dat geeft een schok aan haar vanzelfsprekendheden, haar persoonlijke veiligheid. Maar gebeurt dat niet altijd met ons? Wanneer wij met het licht van Christus in aanraking komen, wordt de veilige duisternis verstoord waarin wij willen leven.

In dit geval maakt Jezus duidelijk, dat het nooit de bedoeling van God is geweest om zoiets als het dragen van een ligbed onmogelijk te maken. En als de thora in de handen van de rabbijnen niet bij machte is een volksgeloof weg te nemen, en nog sterker, als de thora in de handen van de rabbijnen niet voor een waarachtige genezing kan zorgen, waarom zijn de nauwkeurige voorschriften van de sabbat dan zo belangrijk? Alleen de Messias is bij machte de vernieuwing van het leven te geven, de genezing niet alleen van het lichaam maar ook van het hart. En de joodse leiders hebben precies begrepen wat deze provocatie van Jezus heeft ingehouden en daarom lezen we: “daarom dan probeerden de joden des te meer hem te doden, omdat hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God zijn eigen vader was en daarmee zichzelf aan God gelijk maakte.” Het wonder is verdwenen in de ogen van de joodse leiders, en wat overblijft is de steriele toepassing van hun voorschriften en regels. En hun ongeloof in de Messias Jezus.

Daarmee zijn we al bij het derde punt gekomen. Hoe reageren de joodse leiders op deze genezing?

Ik heb al gezegd dat het gaat om een bijgeloof van deze menigte zieken in Bethesda. Met deze genezing lokt Jezus dus een twist uit over de sabbat. Wat is Gods wil? Dat de mens ten onder gaat aan de regels voor de sabbat? Of is God uiteindelijk met zijn hele persoon gericht op de bevrijding en genezing van mensen? De rabbijnen hadden bedacht, dat je op de sabbat geen goederen mocht verplaatsen van de ene ruimte naar de andere. Het is waar dat God had verboden om op de sabbat handel te drijven. En de rabbijnen wilden uit voorzorg daar nog een aantal regels aan toevoegen. In dit geval dus de regel dat je helemaal niks mocht dragen van de ene ruimte naar de andere, ook niet wanneer dat geen handel was. Je zou anders immers in de verleiding kunnen komen om stiekem toch handel te drijven.

Nu komt er een bijzonder gesprek tussen de rabbijnen en de man die is genezen. De rabbijnen spreken hem aan op zijn gedrag: het is niet geoorloofd om een ligmat te dragen op de sabbat. Hoe reageert nu deze man? Zeker, hij spreekt over het wonderlijke feit dat hij genezen is. Maar hij geeft de schuld voor de overtreding van de sabbat aan Jezus. Hij die mij gezond gemaakt heeft, die heeft dat tegen mij gezegd.

De farizeeën hadden hieruit moeten begrijpen, dat dezelfde Jezus die bij machte was om deze man te genezen, ook het gezag gaat over de sabbat. De macht over deze ziekte is het bewijs van de status van Jezus. Alleen de zoon van God kan op het gezag van zijn woord zieken genezen. Hij moet dus de Messias zijn. Maar de Messias heeft ook het gezag om de wet van Mozes bindend uit te leggen, inclusief de wet op de sabbat. De genezene lijkt dat wel te beseffen. De Messias Jezus heeft mij gezond gemaakt en hij gaf mij de opdracht om een ligbed te dragen. Hoe moeten de rabbijnen je nu op reageren? Jezus lijkt de Messias te zijn, maar trekt tevens het gezag van de rabbijnen over de wet in twijfel. Jezus confronteert ze dus met de noodzaak van een keuze. Ze kiezen of voor de Messias en geven hun eigen gezag op, of ze kiezen voor hun eigen gezag, maar dan zullen ze Jezus als Messias moeten verwerpen. En hoe kunnen ze dat eigenlijk doen, als ze het wonder van de genezing toch voor hun ogen konden zien?

Het is duidelijk: zien leidt niet tot geloven. Als je helemaal verwikkeld bent in een strijd om je eigen overleven, om je eigen positie en roem, dan maakt het niet uit wat je ziet. Je zult wel het wonder gadeslaan, maar het teken kun je niet zien. Je ziet wel de genezing, maar niet de Genezer. Je ziet de wonderen van de schepping, maar je ziet niet het karakter van de Schepper. Je bent dankbaar voor de vergeving, maar je wilt geen relatie met degene die zijn leven gaf zodat je vergeven kon worden.

Het ongeloof van de genezene

Een klein detail. Wat de zaak nog erger maakt. We horen niet dat de genezen man Jezus verdedigt tegenover de farizeeën. Zoals dat wel gebeurt bij de genezing van de blindgeborene. Waarom niet? Ik denk dat dat komt, omdat deze man ook alleen maar het wonder heeft gezien, maar het teken heeft gemist. Hij is genezen in zijn lichaam, maar niet genezen in zijn hart. Als hij Jezus heeft ontmoet in de tempel, waar hij het offer wil brengen volgens de nauwgezette regels van de rabbijnen, het offer dat hoort bij zijn wonderbaarlijke genezing, spreekt Jezus hem aan. En meteen daarna gaat de man weg en vertelt aan de joden dat hij nu eindelijk weet wat de naam is van degene die hem genezen had. Het is Jezus! zegt hij. Wat een dankbaarheid. Hij wist dat de farizeeën op zoek waren naar Jezus, niet vanwege de genezing, maar vanwege de overtreding van de sabbat. Hij lapt hem erbij. Hij geeft hem aan. Niet om Jezus te eren voor zijn daad van genezing, maar om zichzelf vrij te pleiten van de aanklacht van de schending van de sabbat.

38 jaar ziek, genezen door Jezus, maar dat brengt geen verandering in het hart van deze man. De 38 jaar van verlamming is ook 38 jaar van zonde geweest. Daarom denk ik dat Jezus tegen hem zegt, dat hij nu na zijn genezing moet ophouden met zondigen. Maar het eerste wat hij daarna doet, is Jezus verraden aan de farizeeën, aan de rabbijnen. Hij gaat juist door met zondigen. Er is geen enkel teken van een veranderd hart, van een wedergeboorte, van een nieuw leven in geloof.

Samenvatting en conclusie

Drie dingen waren van belang. In de eerste plaats de manier waarop deze man werd genezen. Hij werd uitverkoren te midden van een menigte van zieken, om zonder enige voorwaarde door Jezus onmiddellijk en volledig te worden genezen. Vergelijk dat maar eens met de pseudo wonderen in de charismatische beweging. Halve genezingen, illusies van genezingen, uitsluitend voor ziekten met een psychische component, en altijd maar gedeeltelijk en vaak komt de ziekte weer terug. Wat een aanfluiting! We zullen moeten berusten in het feit, dat de Heilige Geest in onze tijd geen wonderlijke genezingen meer verricht voor ons, zoals in de tijd van Jezus en de apostelen. Want dit is de maatstaf: het moet gaan om een wonderteken dat de aandacht op Jezus vestigt. Het moet gaan om een onmiddellijke, en volkomen genezing, die niets minder is dan een scheppingswonder.

In de tweede plaats ging het om wat de man deed nadat hij genezen was. Hij volgt wel het bevel van Jezus, maar gelooft niet in Hem. Als de farizeeën hem er naar vragen, dan wijst hij Jezus beschuldigend aan. En wanneer hij de naam van zijn genezer ontdekt, keert hij terug naar de farizeeën om Jezus aan te geven als de aanstichter van deze overtreding van de sabbat. Er is geen greintje dankbaarheid in deze man. Het wonder heeft geen geloof gebracht.

En in de derde plaats spraken we over de reactie van de joodse leiders op deze genezing. Zij hadden een keuze tussen hun eigen positie en de aanvaarding van het gezag van de Messias. Zij hebben voor zichzelf gekozen. Ondanks het overweldigende bewijs van de positie van Jezus. Omdat ze liever wilden vasthouden aan hun eigen macht.

Is dit geen fraaie lijst van motieven waarom mensen niet in het evangelie geloven? Net als de 38 jaar zieke man willen veel mensen wel de gevolgen van het evangelie, – de vergeving en de genade en de liefde en de gemeenschap van de heiligen – maar dan zonder het geloof in een gekruisigde Messias, die het lijden niet weg neemt, die geen welvaart garandeert, die een soms moeizame weg in de navolging opdraagt. Nog liever geloven ze in een engel die het water beroert, of in een medium die boodschappen uit de andere wereld doorgeeft, of in een gebedsgenezer die claimt een zalving van de Heilige Geest te hebben ontvangen – er is zoveel bedrog in deze wereld. Ook in naam van Christus wordt bedrog gepleegd. Wees voorzichtig met mensen die zeggen There Is More, er is meer, en vervolgens u het spektakel van moderne wonderen willen voorschotelen. Antwoord dan in uw hart: er is al meer dan genoeg. We hebben alleen Jezus nodig.

En dan is er nog het voorbeeld van de reactie van de farizeeën. Net als de joodse leiders, willen wij soms hameren op de regels en onze kerkelijke wetten, waardoor wij blind worden voor het wonder van de aanwezigheid van de Messias in ons midden, die altijd iets anders doet dan verwacht, die altijd het tegendeel doet van wat wij zelf bedacht hebben. Hij schenkt bevrijding en genezing aan mensen die naar hem verlangen, en verleent zijn gezag niet aan een instituut zonder een levend geloof, die kerkje spelen maar het niet werkelijk zijn, of een synagoge alleen gebruiken voor een eigen macht en invloed, zoals de joodse leiders dat deden. Jezus breekt de menselijke regels van de sabbat, Jezus geneest een man die het niet verdiend heeft die niet tot geloof komt, Jezus laat zien wie hij is zonder een garantie dat een mens zijn vertrouwen op hem zou stellen, Jezus zoekt in liefde het hart van een mens, maar loopt het risico te worden afgewezen, zoals dat hier ook gebeurd is.

Uiteindelijk komt het niet aan op de genezing van het lichaam. Het belangrijkste punt is de Genezer van onze ziel. Het gaat niet om de wonderen van Jezus, maar om de wondertekenen die getuigen van Zijn Persoon. Want het is Jezus om wie het geloof draait en het is de taak van de Heilige Geest om de heerlijkheid van de Zoon van God, Jezus christus onze Here, aan ons hart duidelijk te maken, zodat Hij door het geloof in onze harten kan wonen. Amen.

Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21

Zusters en broeders, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Het hoogtepunt van het evangelie van Marcus is ongetwijfeld het gedeelte net hiervoor, waar we Petrus horen zeggen dat Jezus de Messias is. Deze belijdenis is de juiste beoordeling van Jezus. Hij is niet een soort Johannes de Doper, Hij is niet Elia, Hij is niet zomaar een van de profeten, maar Hij is de Christus, de Messias. Het moet voor de discipelen wel teleurstellend zijn geweest, dat meteen daarna Jezus begint uit te leggen dat de Zoon des Mensen door de diepste vernedering heen moest gaan. Hij moest lijden en verworpen worden en zou gedood worden. “Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21” verder lezen

Voorbereiding van een preek

Weergave van de voorbereiding van de preek van 24 juli 2018 in Schagen.
Tekst: Gen. 17:15-23
Thema: Geloof en gehoorzaamheid binnen het verbond.
Boodschap: Op God vertrouwen is de eigen mogelijkheden overstijgen.

Het leven op de nauwe weg

Ik zie een poort wijd open staan,
waardoor het licht komt stromen
van ‘t kruis, waar ‘k vrijlijk heen mag gaan
om vrede te bekomen.

KOOR:
Genade Gods, zo rijk en vrij!
Die poort staat open ook voor mij!
Voor mij! Voor mij!
Staat open, ook voor mij.

Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus,

“Het leven op de nauwe weg” verder lezen

De bekering van de kamerling – Handelingen 8

Exegetische voorbereiding van de verkondiging van as zondag 1 oktober 2017 in Schagen. Handelingen 8:25-40

25 Toen zij dan getuigd hadden van het Woord van de Heere en het gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden het Evangelie in veel dorpen van de Samaritanen. 26 En een engel van de Heere sprak tot Filippus en zei: Sta op en ga naar het zuiden, de weg op die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, die eenzaam is. 27 En hij stond op en ging op weg; en zie, een Ethiopiër, een kamerheer en een machtig heer van de kandakè, de koningin van de Ethiopiërs, die heel haar schatkist beheerde en gekomen was om in Jeruzalem te aanbidden, 28 keerde terug, en hij zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja. 29 En de Geest zei tegen Filippus: Ga ernaartoe en voeg u bij deze wagen. 30 En Filippus snelde ernaartoe, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: Begrijpt u ook wat u leest? 31 Maar hij zei: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus op de wagen te klimmen en bij hem te komen zitten. 32 En het schriftgedeelte dat hij las, was dit: Hij is als een schaap naar de slachting geleid en zoals een lam stemmeloos is bij de scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open. 33 In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen en wie zal over Zijn geslacht vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerheer antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders? 35 En Filippus deed zijn mond open en, uitgaande van dat Schriftwoord, verkondigde hij hem Jezus. 36 En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water. En de kamerheer zei: Kijk, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden? 37 En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is. 38 En hij liet de wagen stilhouden, en zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerheer, en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water opgekomen waren, nam de Geest van de Heere Filippus weg; en de kamerheer zag hem niet meer, want hij vervolgde zijn weg met blijdschap. 40 Maar Filippus werd aangetroffen in Asdod; en terwijl hij het land doorging, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij in Caesarea kwam.

Voorbereiding van de verkondiging op Hemelvaartsdag 2017

NB, helaas is er geen opname van de preek op Hemelvaartsdag…

Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Van alle kerkelijke feesten is Hemelvaart het kleinste. Zeer uitbundig vieren wij kerst, diep bewogen vieren wij Goede Vrijdag, en vol vreugde ook het Paasfeest. Daarna bewegen wij ons zo snel als maar kan naar Pinksteren waarmee we het seizoen van de grote feesten afsluiten. Daar tussenin zit dan Hemelvaart. Ik ben zeer dankbaar dat onze gemeente dat op de donderdag apart viert. Veel andere gemeenten bestempelen de zondag erna als “Hemelvaartszondag” en proberen er dan aandacht aan te besteden. Maar wij vieren waarachtig Hemelvaart vandaag.

Ook in onze geloofsbelijdenis neemt de Hemelvaart maar een kleine plaats in. “Opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods” – meer niet. Maar toch is deze Hemelvaart van het grootste belang. Niet alleen omdat deze gebeurtenis het verhaal van Jezus compleet maakt. Maar ook vanwege de praktische consequenties voor ons leven.

1. Het belang van Hemelvaart

Als we de Bijbel goed lezen, dan zien we hoe belangrijk Hemelvaart geweest is voor de apostelen. Neem bijvoorbeeld het gebed dat Paulus uitspreekt voor de gemeente van Efeze. Hij bidt dat de gelovigen van Efeze zullen weten hoe groot de kracht is die God in hun levens werken wil. En dan bemoedigt hij hen door die kracht te benoemen. Het is geen lege troost. Het is gebaseerd op een realiteit. Hij zegt: “hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken – dat is de opstanding – en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten  boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn – dat is Christus’ – voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt” (Efeze 1:19-23). Nu weten de gelovigen in Efeze waar deze kracht vandaan komt, die hen staande houdt. Het is de kracht van de opstanding in de eerste plaats, maar vervolgens ook de macht van de Hemelvaart. Jezus is boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam verheven. Alles is onder zijn voeten gesteld. Hij is het hoofd boven al wat is. En dat hoofd, die koning, die opperste gezaghebber over het heelal, is gegeven aan de gemeente. Juist als de Hemelse Heer staat Hij nu in betrekking tot alle gelovigen en met de Gemeente als geheel. Paulus zegt het dus zó, dat de opstanding een “moment” is in de geschiedenis van de Heere Jezus, maar dat de kracht van Zijn leven en opstanding pas aan de gemeente merkbaar wordt door de Hemelvaart!

Paulus heeft in dit gebed veel meer woorden uitgesproken over de Hemelvaart dan over de opstanding. Waarom is dan de Hemelvaart zo belangrijk voor ons? In diezelfde brief noemt Paulus in ieder geval twee redenen. In de eerste plaats is Hemelvaart de voltooiing van de heilsgeschiedenis. Zo lezen we in 4:10, “hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.” Wat wordt er dan tot volheid gebracht? Wel, alles! Hemelvaart is het doel van de vleeswording van Christus. Kerst zou niets betekenen zonder de Hemelvaart. Dat Jezus is geboren, en dat Hij God Zelf is, heeft geen betekenis voor ons en voor de wereld als het daarbij gebleven was. Maar dat geldt ook voor de kruisdood van Christus. Zonder opstanding en Hemelvaart, is dat alleen een tragische moord. En de opstanding die we vieren met Pasen is dan weliswaar de overwinning van Christus over de dood, maar dat heeft voor ons en de wereld geen gevolgen zonder de Hemelvaart. Stel je voor dat er geen Hemelvaart geweest was. Dan zou de Heilige Geest niet gekomen zijn, de gemeente nooit zijn begonnen, en dan zou ergens in Israël nog een man rondlopen die claimde Jezus te zijn. Wat zou er dan gebeurd zijn? Zou Hij dan niet steeds opnieuw gekruisigd zijn? Zou dan de opstanding niet steeds herhaald moeten worden?

De Hemelvaart is dus de voltooiing van het leven en de missie van Jezus. En dat heeft ook gevolgen voor ons, en dat is de tweede reden, en dat lezen we in het tweede hoofdstuk in vers 6. “(Hij) heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus.” Wij hebben een plaats in de hemelse gewesten. De hemel is ons ware vaderland, omdat onze Koning daar is. En daarom is ons sterven geen reis in het vreemde, maar een thuiskomen bij onze hemelse Vader.

2. De ervaring van Hemelvaart voor de discipelen

2a. het slot van Lukas

Zo belangrijk is dus de Hemelvaart in de gedachten van Paulus. Maar in contrast daarmee is het wel opvallend hoe beknopt de weergave is die Lucas ervan geeft aan het eind van zijn evangelie en aan het begin van het boek Handelingen. We lezen in Lukas 24 dat Jezus aan de apostelen de opdracht geeft om in Jeruzalem te blijven totdat zij “kracht uit den hoge” zouden ontvangen. In Jeruzalem blijven tot de komst van de Heilige Geest dus. Dan brengt Jezus hen naar Bethanië, dat tegen de zuid-oostelijke wand van de Olijf berg aanligt. Vervolgens heeft Hij de handen omhoog geheven en hen gezegend. Dat is het laatste dat de discipelen van Hem gezien hebben. Zijn zegenende handen. En precies op dat moment is Hij van hen gescheiden geraakt, dat wil zeggen opgenomen in de heerlijkheid van de Vader. Ze hebben een zegen ontvangen die niet ophoudt. Iedereen weet hoe belangrijk het moment en de manier is waarop hij afscheid van elkaar nemen. Soms staat het afscheid in ons geheugen gegrift en denken wij er steeds aan terug. Ik heb er geen moment twijfel over dat Jezus precies wist dat Hij op deze manier afscheid wilde nemen. Zodat de herinnering aan deze zegen hun leven lang bij hen zou blijven.

Nu waren de discipelen van tevoren zeer angstig geweest vanwege het vooruitzicht dat Jezus van hen zou scheiden. Daarom zegt Jezus tegen de discipelen in Johannes 14: “uw hart worde niet ontroerd”, in een andere vertaling: “uw hart moet niet verschrikt raken.” Want Jezus ging wel heen, maar dat was om voor hun een plaats te bereiden in het Vaderhuis. Hij gaf daarbij meteen de belofte dat Hij zou terugkeren: “(dan) kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.” Maar nadat de Heere 40 dagen lang onderwijs heeft gegeven, en na deze zegen te hebben gegeven, zijn ze van deze angst bevrijd: “En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God” (Lukas 24:52,53). Niet alleen was de angst verdwijnen en had plaatsgemaakt voor blijdschap, opvallend is ook de vrijmoedigheid waarmee deze discipelen, die zich eerst uit de angst voor de joodse leiders hadden verborgen in een achterafkamertje, nu in het openbaar in de tempel God prijzen vanwege hun levende Heer.

2b. Het begin van Handelingen

Met deze korte weergave van de Hemelvaart eindigt het evangelie van Lucas. Maar Lucas heeft nog een tweede boek geschreven, het boek Handelingen. Aan het begin van dat tweede boek zegt Lukas dat zijn evangelie geschreven is “overal wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen” (1:1-2a). Hieruit kunnen wij twee dingen opmaken. In de eerste plaats dat de beide boeken van Lucas spreken over wat Jezus doet en leert. Het eerste boek gaat immers over het begin daarvan, over wat Jezus heeft gedaan en geleerd tot op de dag van Zijn Hemelvaart. Maar dan ligt het voor de hand, ten tweede, dat de Handelingen nu gaan over wat Jezus heeft gedaan en geleerd in de kracht van de heilige Geest door middel van de apostelen. Nu noemen wij dat boek meestal de Handelingen der apostelen, maar het zou dus veel beter zijn geweest om het de titel: “de Handelingen van de verhoogde Heer” te noemen. Zoals het evangelie dan had kunnen heten: “de Handelingen van de vernederde Heer.”

Na de veertig dagen van onderwijs komen de discipelen nog met een laatste vraag. Zo lezen we in vers 6: “Heere, herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israël?” Jezus antwoordt dat het hun niet gegeven is de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. In feite zegt Jezus nu dat alle speculatie over de toekomst, al het bezig zijn met het herstel van het koninkrijk, niet aan de orde is. Wat nu aanbreekt is niet de tijd van de vervulling, maar de tijd van het afwachten. De tijden of gelegenheden, de toekomst van het koninkrijk, is niet onze zaak. Het is zeker niet onze opdracht omdat Koninkrijk te verwerkelijken of zelfs maar voor te bereiden. De komst van het Koninkrijk ligt uitsluitend in de beschikking van de Vader, en is verbonden met de Terugkeer van Jezus. Maar dat betekent niet dat de discipelen ondertussen niets te doen hebben. Vers 8 zegt daarom in de eerste plaats dat de apostelen kracht van boven zullen ontvangen. Namelijk wanneer de Heilige Geest over hen komt. De Trooster zou komen! Maar het doel van de komst van de Heilige Geest is niet om de discipelen van Jezus nu gelukkig te maken of in afzondering te bewaren, maar om het voor hun mogelijk te maken aan hun opdracht te voldoen. Zij moeten immers nu de getuigen van Jezus zijn. Niet alleen in Jeruzalem, maar tot aan de einden der aarde – een opdracht die de apostelen zelf maar gedeeltelijk konden vervullen, maar die uiteindelijk voor alle gelovigen geldt.

Na dit bevel van de Koning zal de zegen hebben plaatsgevonden waarover Lucas in zijn evangelie spreekt, en daarna lezen we over de Hemelvaart. Over die Hemelvaart is natuurlijk heel veel speculatie geweest. Wat betekent het nu dat Jezus is opgenomen? Hoe moeten wij ons voorstellen dat een wolk Hem aan hun ogen heeft onttrokken? Er zullen veel mensen zijn die simpelweg redeneren dat zoiets niet kan, en daarom ook niet gebeurd is. En sommigen van hen zullen ongetwijfeld geprobeerd hebben om aan deze weergave van de feiten een symbolische verklaring te geven. Het is echter opvallend dat Lucas op geen enkele manier dit wonderbaarlijke feit met mooie woorden probeert te verklaren. Hij geeft het weer als een simpele constatering van een gebeurtenis. De tekst heeft de zakelijkheid van een mededeling. Zo spreekt een historicus die eenvoudig de feiten wil weergeven. Zonder een eigen verklaring te bedenken, en zonder zijn verhaal aan te vullen met allerlei invallen en fantasieën.

3. De Hemelvaart als gebeurtenis

Ik denk dat we de Hemelvaart moeten nemen en lezen, zoals we ook lezen over de schepping. Ook het boek Genesis begint met een eenvoudige constatering, een mededeling van een feit. “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” Ook bij de uittocht uit Egypte is de mededeling van grote eenvoud: “de Heere deed de zee de gehele nacht door een sterke oostenwind wegvloeien” (Ex. 14:21). Op dezelfde manier spreekt de Bijbel over de geboorte van Jezus uit de maagd Maria: “en zij baarde haar eerstgeboren zoon” – zonder ophef, zonder wonderbare gebeurtenissen. Over het lege graf, en de weggerolde steen, en de opgerolde zweetdoek, en de verschijning van engelen en de aardbevingen en het gescheurde voorhangsel in de tempel wordt in de vorm van een simpele mededeling van een feit gesproken. Een dergelijke eenvoud is voor mij altijd behulpzaam geweest. Het is een teken dat wij niet te maken hebben met kunstig bedachte fabeltjes maar met een betrouwbare weergave van feiten door ooggetuigen. Zoals Petrus zegt: “want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd” (2 Pe. 1:16).

Het blijft lastig om ons de Hemelvaart voor te stellen. Het is veel makkelijker om een schilderij te maken van de geboorte of van de opstanding. Maar het is wel duidelijk dat door heel de Bijbel heen de belangrijkste macht in het universum – God Zelf en al Zijn wonderbare daden – juist onzichtbaar is. Het is niet voor niets dat het geloof geldt als “het bewijs der dingen, die men niet ziet”, omdat alles wat zichtbaar is, “door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (vgl. Hebr. 11:1-3). In ieder geval is het duidelijk dat Jezus niet langer op aarde is. De levende Heer is aan ons oog onttrokken en geplaatst in een onbereikbaar “Boven”. De verkondiging zegt dat Hij herenigd is met de Vader in de hemel. Dat Hij nu gezeten is aan de rechterhand van God en dat daarmee Zijn werk voltooid is. Hij neemt de positie in van de ware Koning van het universum. En dat gegeven blijft niet zonder gevolgen.

Misschien is van alle feesten die wij als Christenen vieren, de Hemelvaart het moeilijkste ook om door te vertellen. Wie niet in Christus gelooft, kan zich nog iets voorstellen bij het Kerstverhaal en ontroering voelen over het kind in de kribbe uit het arme gezin in Galilea. Wie niet in Christus gelooft, kan nog denken dat het verhaal van Pasen troostrijk kan zijn zoals een sprookje troostrijk kan zijn. Maar wat moet iemand die niet in Christus gelooft nu met het verhaal van de Hemelvaart? Juist het verhaal over de kroning van Jezus, kan voor een ongelovige alleen maar bedreigend zijn. De kroning van Jezus geeft immers de garantie in de eerste plaats dat Jezus nu regeert. Hij is het door God ingestelde wettige gezag over de wereld. Alle schepselen zijn er aan gebonden om de geboden en verboden van deze levende Heer te gehoorzamen. Maar de kroning van Jezus garandeert ook, wanneer Hij daadwerkelijk het gezag over de wereld rechtstreeks gaat uitoefenen, dat er over alle ongerechtigheid van mensen een oordeel wordt geveld. De Hemelvaart geeft de garantie van de Terugkeer van de ware Rechter, die “zal oordelen over levenden en doden.” Zo bezien, is het eigenlijk het enige feest waar een ongelovige helemaal niets mee kan. Behalve dan een vrije dag accepteren, zolang een samenleving met christelijke tradities nog een vrije dag schenken wil.

4. De Hemelvaart in het Oude Testament

Het is denkbaar dat Lucas zijn weergave van de feiten ook zo beperkt heeft, omdat wij uit andere bronnen ook over de Hemelvaart worden ingelicht. Je kunt dan denken aan de Psalmen, bijvoorbeeld Psalm 110: “aldus luidt het woord des Heeren tot mijn Heere: “Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten”” (110:1). Een eerste vervulling hebben deze woorden ongetwijfeld gehad bij de kroning van David of bij een van zijn nakomelingen. Maar het is duidelijk dat David nooit priester is geweest. Daarover spreekt het vierde vers: “De Heere heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchizedek.” Over wie spreekt de Psalm dan? Wie is dan deze priester?

Stel je voor dat David naar huis gegaan is, na een dag hard werken, en dat zijn vrouw hem dan vraagt hoe zijn dag geweest is. David zegt dan dat hij een bijzonder mooie dag heeft gehad, en dat hij een paar mooie dingen geschreven heeft en leest dan Psalm 110 voor. “Prachtig,” zegt zijn vrouw. “Een koning die ook priester is, en rebellerende heidenen zal verslaan. Dat is inderdaad mooi. Maar over wie gaat dat nu?” Dan zal David tegen zijn vrouw moeten zeggen: “ik heb geen flauw idee.” Dat David niet precies heeft geweten over wie hij sprak, durf ik u te zeggen vanwege de woorden van Petrus in zijn eerste brief. Hij spreekt daar over het bijzondere van de zaligheid die nu in Christus geopenbaard is. (En zegt dan tussendoor: “in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien”, de belangrijkste macht in het universum is inderdaad onzichtbaar.) En dan in vers 10: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna” (1 Pe. 1:10, 11).

Ziet u het verband? Daarom ook is de Hemelvaart zo belangrijk, omdat deze voorspeld is in het Oude Testament. Een andere passage uit de Profeten is misschien nog duidelijker. In Daniel 7 lezen we “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een Mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en Koninklijke macht, en alle volken, nazi en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is” (vers 13). Is dat niet de andere kant van de ervaring uit Handelingen 1? Zoals Lukas beschrijft dat Jezus aan de ogen van de discipelen werd onttrokken door een wolk, zo schrijft Daniel over wat er gebeurd is aan de andere kant van de wolk, in de hemel. De Zoon des mensen heeft het koningschap ontvangen van God.

5. De praktische toepassing van Hemelvaart

Wat is nu de praktische toepassing van Hemelvaart voor ons. Ik wil vier punten aanwijzen waaruit naar voren komt hoe belangrijk Hemelvaart ook voor ons is. Dus niet alleen maar om het verhaal van Jezus compleet te maken, maar ook om te beseffen dat ons leven er zonder de Hemelvaart werkelijk heel anders uitgezien had.

  1. We mogen ons vandaag realiseren dat de opperste Heerser over het heelal, de Koning van de gehele wereld, onze Heere Jezus Christus is. Hij leeft, en Hij is actief en betrokken op de wereld om ons heen net zo goed als op onze persoonlijke levens. Als wij Zijn Troon naderen, dat wil zeggen in ons gebed, in het besef van onze zwakte, schuld en zonde, met gebogen hoofd, dan vinden wij een troon van genade! Wat is het toch vreselijk dat veel mensen denken dat alles uiteindelijk van hen afhangt. Wat is het toch armzalig als je je vertrouwen stelt op jezelf of op de dingen van deze wereld. We hebben nog maar net het zogenaamde Ik-tijdperk achter de rug. Het vulde onze hele cultuur in het Westen. Jouw leven draait om jezelf, om jouw prestaties, om jouw glorie, om jouw aangeboren goedheid, om jouw ontplooien, om jouw carrière, om jouw geluk. Maar óns leven is met Christus in de hemelse gewesten geplaatst, zoals we Paulus horen zeggen in Efeze 2. En daarom mogen we belijden met Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus, dat onze troost niet is dat wij op onszelf zijn aangewezen, maar dat wij niet van onszelf zijn, en dat wij mogen leven en zullen sterven niet voor onszelf maar voor de Heere. Want wij zijn Zijn eigendom, gekocht door Zijn kostbaar bloed
  2. Maar dan mogen we ook in ons leven moedig zijn, vol zekerheid, om onze opdracht als dienaren van deze koning te kunnen vervullen. In het besef dat alles wat wij doen in de naam van de Heer Jezus niet tevergeefs zal zijn.
  3. Dan mogen we ook weten dat Jezus niet onverschillig staat tegenover onze strijd en moeite. Hijzelf heeft een diepe lijden moeten doormaken en daarom is hij de meest barmhartige Hogepriester die we ons maar kunnen voorstellen. We mogen onze zorgen brengen bij een opgevaren en verhoogde Heere die onze gebeden hoort en met al het gezag van de hemel kan antwoorden op ons gebed.
  4. Tenslotte mogen we hopen op een glorieuze toekomst. De opgevaren Heere zal terugkeren als rechter en koning. Hij zal alle ongerechtigheid wegnemen, een einde maken aan het lijden, de dood vernietigen en een koninkrijk vestigen van waarheid, gerechtigheid en liefde. En het mooiste van alles is, dat wij voor altijd bij onze Koning zullen zijn.