Luther was zeer teleurgesteld dat Joden geen interesse toonden in zijn versie van het evangelie. Integendeel, christenen die protestants werden, voelden zich zelfs sterker aangetrokken tot het jodendom dan ooit tevoren. Joden zagen ook weinig in het verwijderen van heilige beelden uit de kerk of het verminderd gebruik van kruisbeelden.
De joodse aversie tegen kerk en christendom hing gedeeltelijk samen met de inrichting van de kerkelijke ruimte. (Kruisbeelden, heiligenbeelden.) De kern van het verzet tegen het christendom lag echter in het anti-joodse karakter van het evangelie zelf. Het maakte weinig uit of Paulus uit het christelijk denken werd verwijderd. Het probleem was dat het Nieuwe Testament Joden opdroeg om de Tora en de leefwijze van de halacha te vervangen door dit wetvrije evangelie.
De komst van de Messias maakte immers geen einde aan het leven volgens de halacha en de Tora. Dat was wel de Christelijke aanname: met de komst van de Messias waren de Torah en de synagoge afgeschaft – geheel tegen Jezus’ eigen woorden in. (Zoals je kunt zien in Mattheüs 5:17) Het aanbod van het evangelie ging gepaard met de opdracht om de Tora op te geven, wat onmogelijk was. Twee bewegingen binnen het middeleeuwse christendom droegen vervolgens bij tot een drastische verandering van de positie van het jodendom: de kruistochten en de vervolging van grote ketterse stromingen.
In de tijd van Karel de Grote hadden Joden in Europa veel goodwill en aanzien verworven. Er was een soort symbiose tussen christelijk, joods en islamitisch leven, vooral in Frankrijk. Maar na 1096 veranderde dit allemaal. De eerste kruisvaarders, op weg naar het Heilige Land, zaaiden dood en verderf in de joodse gemeenschappen van Noord-Frankrijk en Duitsland, met het idee dat Joden de moordenaars waren van Jezus en – vanwege het dogma van de twee-naturen, Jezus was immers én God én Mens – dus van God zelf.
Paus Innocentius III, geboren rond 1160, zette de strijd tegen ketterse bewegingen zwaar aan. Zijn pausdom kende een grote triomf door de invoering van de inquisitie, waarbij vooral de leer van de transsubstantiatie werd benadrukt. De substantie van brood en wijn veranderde door de consecratiewoorden in het ware lichaam en bloed van Jezus. Deze ontwikkeling ging gepaard met een zware beperking van de vrijheid van Joden. Deze zogenaamde godsmoordenaars moesten herkenbaar zijn aan een teken op hun kleding. Het Joodse volk werd vogelvrij verklaard. Dat teken, een gele vlek, werd later door de nazi’s als gele ster ingevoerd. Joden werden uitgestoten in Europa, net zoals Kain na het doden van Abel veroordeeld werd tot zwerver of levenslange “asielzoeker.” Kerkvader Augustinus herkende in Kain het volk Israël. Ze mochten niet verdwijnen, omdat ze levende tekenen waren van het onrecht dat het Joodse volk Jezus had aangedaan.
Hieruit volgden bepaalde politieke besluiten, zoals het idee – uitgewerkt door Augustinus, dat kerken, koningen en vorsten recht hadden over de bezittingen van de Joden te beschikken als over hun eigen bezittingen. De kerkfilosofie was: “Ik heb gelijk, jij hebt ongelijk. Als je sterker bent dan ik, moet je mij tolereren want het is je plicht de waarheid te tolereren. Maar als ik sterker ben dan jij, zal ik je vervolgen want het is mijn plicht dwaling te bestrijden.”
Het allerbelangrijkste van de beschuldigingen tegen de Joden werd nu het idee van de schending van de hostie. Aan de ene kant was er de leer van transsubstantiatie: hostie en wijn worden werkelijk Jezus’ lichaam en bloed. Aan de andere kant ontstond het idee dat Joden een tegenovergesteld ritueel hadden waarin ze de hostie ontwijdden. De hostie was het heiligste van de kerk. Als Joden deze met scherpe instrumenten bewerkten zodat het bloedde en wonderen gebeurden, was dit opnieuw een schending van Jezus’ lichaam, een rituele moord.
Er werden allerlei redenen bedacht waarom Joden dit bloed nodig hadden: het verlichten van menstruatiepijn, vergieten van christelijk bloed ter ere van God of snellere genezing na besnijdenis. Allerlei idiote zaken kwamen naar voren. Dit toont hoe de ontwikkeling in theologie, zoals onder paus Innocentius III de invoering van de transsubstantiatieleer, leidde tot grotere vijandschap en vervolging van de Joden.
Deze samenhang van Christelijke leer en Jodenvervolging mogen we nooit uit het zicht laten raken. Dogmatiek en geschiedenis tonen ons dat de christologie in de christelijke kerk, de leer van Christus, verbonden is met een praktische en theoretische verguizing en vervolging van de Joden. Laten we dit altijd in gedachten houden.