Johannes (6) – Het getuigenis van de 2e en 3e dag

Terwijl Jezus nog onderweg is naar Bethanië, heeft Johannes de vragen van de delegatie uit de Farizeeën beantwoord. Zijn getuigenis verwijst naar de eeuwige Zoon, die ver boven Johannes verheven is: hij is het niet waard “de riem van Zijn sandalen los te maken.” Tegenover Jezus is Johannes nog minder dan een slaaf. Dat is het antwoord dat de Farizeeën hebben meegenomen naar Jeruzalem.

We lezen niet wat ze ermee gedaan hebben. Maar het lijkt duidelijk te zijn dat vanaf dat moment alle berichten over Johannes en Jezus nauwlettend in de gaten zijn gehouden. Het is veelzeggend namelijk, dat er geen antwoord staat. We lezen in Mattheus 21 vanaf vers 23 over een twistgesprek met de priesters en de “oudsten van het volk”. Ze vragen aan Jezus met welke bevoegdheid Hij “deze dingen” – de reiniging van de tempel en Zijn onderwijs – allemaal doet. En dan stelt Jezus ze de vraag of de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen was. Ze overleggen met elkaar over hun antwoord, en zeggen dan tegen elkaar: “Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” Als de doop van Johannes inderdaad uit de hemel was – als ze zijn getuigenis hadden aangenomen – dan ligt het voor de hand dat de delegatie in Bethanië daar gebleven was om te zien over Wie Johannes gesproken had. Johannes gaf getuigenis van het licht (vergelijk vers 7), maar “de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Vers 11)

De volgende dag, zegt vers 29, komt Jezus aan bij de plaats waar Johannes doopte, in Bethanië, aan de andere kant van de Jordaan. Nu spreekt Johannes tot de schare die bij hem verzameld zijn. “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” In Hem worden de woorden van Johannes vervuld, en krijgt de doop met water zijn betekenis. Dat was immers “een doop van bekering tot vergeving van zonden.” (Markus 1:4) Dat was de reiniging die vooraf zou gaan aan de openbaring van de Messias en de komst van de heilige Geest. (Ezechiël 36:25)

Het is belangrijk om hier te zien dat het woord “zonde” in het enkelvoud staat. Jezus komt niet de symptomen wegnemen, maar de oorzaak van de ziekte zelf. Maar heeft Israël zoiets verwacht? Zij hebben gedacht dat de Messias zou komen als een profeet en koning, in plaats daarvan krijgen ze een Lam. Waarom? Waarom komt Jezus niet als profeet en koning? Hoewel wij weten dat Hij dat in alle opzichten ook is. Kun je het Woord van God horen en verstaan en gehoorzamen, als de zonde nog over je heerst? Kun je door God geregeerd worden, kun je de Koning gehoorzamen, als de zonde nog macht over je heeft? Heel de geschiedenis van Israël had toch laten zien, dat de zonde telkens weer de gemeenschap tussen God en het volk heeft verstoord. Zolang de zonde er is, is de relatie met God verstoord. Er kan alleen geestelijke gemeenschap zijn met de heilige God, als je zelf gereinigd bent van je zonden en je schuld, en dat niet tijdelijk en elke keer weer, maar wezenlijk, en volkomen en eens en voor altijd. Christus heeft eenmaal voor altijd de zonde weggenomen zodat wij met een geweten dat is gereinigd van alle dode werken vrijelijk tot God de Vader konden komen. Daarom moest Hij in de eerste plaats het Lam van God zijn. En Johannes de Doper heeft dat geweten en verkondigd en dat is zijn getuigenis nu op de tweede dag, wanneer Jezus bij hem komt. “Zie het Lam van God!”

Het eerste getuigenis is heel eenvoudig: de Messias is al gekomen! Het tweede getuigenis is gecompliceerder, zeker voor de oren van de menigte in Bethanië. Deze Messias is het Lam van God! God komt niet alleen maar om te heersen en Zijn Woord te brengen, Hij komt om te reinigen van zonde en schuld, dat moet eerst worden gedaan. Daarom was de doop van Johannes “tot vergeving van zonden.” Die doop verwees naar het Lam, dat die vergeving van zonden zou teweegbrengen. Het berouw en de bekering konden die vergeving niet tot stand brengen, daarvoor moest Jezus Zijn leven geven op het kruis van Golgotha.

Dan vertelt Johannes hoe hij zelf ontdekt heeft wie Christus is. Op die dag, pak en beet 40 dagen daarvoor, kwam Jezus bij hem om door hem gedoopt te worden. Dat was weer een andere functie van de doop van Johannes. God zou Zijn Messias openbaar maken op het moment dat Hij de doop van Johannes onderging. Op het moment dat Jezus zijn dienstwerk begint en zich identificeert met de schare die uit de geestelijke woestijn van Jeruzalem is weggetrokken, om in de vlakte van de Jordaan opnieuw te beginnen. Er is een nieuwe uittocht gaande, en er is een nieuwe Mozes die de schare zal leiden naar de verlossing. Ook daarom doopte Johannes in de Jordaan, zoals hij zegt: “En ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik gekomen om te dopen met het water.” (Vers 31) God geeft dan aan Johannes een teken, dat hij alleen met geestelijke ogen gezien kan hebben. “Ik heb de Geest zien neerdalen uit de hemel als een duif, en Hij bleef op Hem.” (Vers 32) Die uitdrukking “als een duif” betekent niet dat Johannes een duif zag, en begreep dat dat de heilige Geest was. Het betekent dat de heilige Geest naar beneden kwam op de manier waarop een duif neerdaalt uit de lucht.

Toch heeft Johannes ook bij die gebeurtenis Jezus nog niet gezien als de Zoon van God. Vers 34: “En ik kende Hem niet.” Er was een bijzondere openbaring van God voor nodig, zodat Johannes werkelijk zou begrijpen dat Jezus de Zoon van God was. Johannes was immers, zegt vers 6, door God gezonden. God heeft dus tegen hem gezegd “op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met de heilige Geest doopt.” En op grond van die profetische ingeving komt Johannes dan tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” Zo ging het ook bij Petrus. Als Jezus aan de discipelen vraagt wie zij zeggen dat Hij is, dan antwoordt Petrus met de woorden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” (Mattheus 16:16) en Jezus antwoordt dan: “vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.” Hoe kan iemand weten en geloven dat Jezus de Zoon van God is? Uiteindelijk alleen maar omdat God het hem of haar te zien geeft. De woorden van Jezus en de wonderen op zichzelf – zo zal ook blijken in dit evangelie – kunnen iemand niet overhalen om tot die belijdenis te komen. Ook Johannes kan het met zijn natuurlijke ogen niet zien. God zelf is de eerste en belangrijkste getuige. Wanneer Hij dat getuigenis in iemands hart legt, dan komt iemand tot gelovige erkenning van Jezus. Dan wordt iemand een kind van God. Op grond van deze openbaring dus, komt Johannes tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.”

Twee getuigenissen hebben we nu gehoord. Het eerste wat je moet geloven is dat Jezus de Christus is, de Messias, de Zoon van God. Het tweede wat je moet geloven is, dat deze Zoon van God gekomen is om de zonde weg te nemen, radicaal en op volmaakte wijze; gekomen is om de macht van de zonde en de dood te breken. Kortom, nu moet je ook geloven dat deze Jezus ook het Lam van God is. En dan komt de derde dag met het derde getuigenis, nu aan twee van de volgelingen van Johannes zelf.

Wat zegt Johannes daar? Johannes staat bij het water met twee van zijn discipelen. En dan wijst hij naar Jezus en zegt: “zie, het Lam van God!” Dat is niet alleen maar een herhaling van de verkondiging van vers 29. Op deze manier gezegd betekent het: volg Hem. Daar, bij Hem moet je zijn. Maar wat betekent dit volgen? Sommigen hebben gedacht dat het de bedoeling is dat zij discipelen van Jezus worden. Dat zou ook uiteindelijk gebeuren. Maar de uitdrukking “volgen” in dit gedeelte betekent eerder een letterlijk volgen, achter iemand aangaan. Daarom lezen we ook in vers 38 dat Jezus zich omkeert en dan “zag dat zij volgden.” Wat zegt Johannes dus? Hij zegt tegen zijn discipelen dat Jezus het Lam van God is, maar hij zegt er meteen bij dat ze niet zijn woord moeten geloven, maar zelf op onderzoek uit moeten gaan. Het is alsof hij zegt: Ga het maar aan Jezus zelf vragen, spreek maar met hem en ontdek voor jezelf dat hij waarlijk het Lam van God is, en dat hij waarlijk de Zoon van God is. En daarmee is het getuigenis van Johannes compleet. Eerste getuigenis: Jezus is de Zoon van God. Tweede getuigenis: de Zoon van God is ook het Lam van God. Derde getuigenis: ga voor jezelf de waarheid daarvan ontdekken door Hem te volgen. Geen oproep dus tot navolging, maar een oproep om te ontdekken. (De oproep tot navolging gaat van Jezus Zelf uit.)

Zijn dat geen prachtige woorden? Is het niet geweldig wanneer mensen op onderzoek uitgaan, en dan niet meer kijken naar het getuigenis van anderen, zoals zij hier niet langer het getuigenis van Johannes de Doper hebben aangehoord, maar met hun vragen bij Jezus zelf komen? Is dat niet de kern van alle catechisatie? Wij geven het getuigenis: Jezus is de Zoon van God, Jezus is het Lam van God, en dat zul je voor jezelf moeten ontdekken en dat kan alleen als je met Hem bezig bent, Hem volgt. Is dat samen niet de kern van het christelijk getuigenis? De getuige zelf is alleen maar een stem, de getuige is tegenover de Heer over wie hij spreekt nog minder dan een slaaf, maar God heeft iets aan hem geopenbaard. En daarom heeft de getuige gezien dat deze Jezus de Zoon van God is en het Lam van God is. En nu hij dat eenmaal weet is het enige wat hij nog moet doen anderen daarop te wijzen. Dat is alles wat vanaf de kansel en bij de catechisatie kan worden gezegd: “Zie!” In het besef dat alleen God Zelf te zien kan geven, alleen God iemand kan brengen tot de erkenning van Zijn Zoon. Maakt dat het getuigenis onbelangrijk? Of gebruikt God juist dat getuigenis om het hart van mensen te raken en te vervullen met de kennis van Zijn Zoon? De getuige kan geen roem opeisen voor wat hij of zij doet. Kan geen succes claimen als iemand tot bekering komt. Maar elke getuige moet wel net als Paulus zeggen: “wee mij als ik het evangelie niet verkondig.”

Johannes (4) – De vleeswording van het Woord – met de controverse over Kerst

Waar gaat het Kerstfeest eigenlijk over?

Ik denk dat de meesten van ons het verhaal zullen navertellen van Mattheus en Lucas. Zo vertellen we dat Maria, de moeder van Jezus, zwanger was geworden zonder toedoen van Jozef en dat de engel tot haar gesproken had en gezegd had dat haar zoon Jezus zou moeten heten. En dat de wijzen uit het oosten kwamen om Hem als de pasgeboren Koning van de joden te aanbidden. En dat Jozef en Maria gevlucht waren naar Egypte, en dat Herodes alle kinderen in het gebied rondom Bethlehem onder de twee jaar oud liet doden, en dat de engelen waren verschenen aan de herders in het veld en hadden gezongen: “Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.” En wie is dat kind dan? De “Koning der joden.”

Er is genoeg te vinden voor iedereen in deze historische vertelling. Je kunt ontroerd zijn, wie je ook bent, over de jonge Maria die met haar oudere man door de winterkou heen naar Bethlehem reist op een ezeltje. Wat geeft het, dat we niet zeker weten dat Jozef een oudere man was, dat we zeker weten dat het niet de winter was, en dat we zeker weten dat zij niet op een ezeltje reisde. Het romantische beeld zit nu eenmaal in ons hoofd. Je kunt ontroerd zijn van de aanblik van de pasgeboren Jezus die in de kribbe ligt, te midden van het vee en het stro omdat er in de herberg geen plaats was. Je gaat goede gedachten denken over asielzoekers en mensen die het zo moeilijk hebben in de wereld. Msschien geef je zelfs nog wat meer in de collecte dan vorig jaar. Wat geeft het, dat Hij niet te midden van het vee heeft gelegen, omdat de os en de ezel op de binnenplaats hebben gestaan, en dat de voederbak niet met stro gevuld was, omdat Jozef en Maria in het verblijf van de knechten hebben gelegen. Wat geeft het, dat het niet de normale herberg was, maar een pleisterplaats voor veehandelaren. Ook als je geloof op een heel laag pitje zit, en je eigenlijk alleen maar met kerstavond naar de kerk gaat, kun je vol nostalgie raken wanneer je over het lied van de engelen nadenkt. De hemelse boodschappers vertellen immers dat God welbehagen aan je heeft, dat Hij van alle mensen houdt en dat Hij het goede met iedereen voor heeft. Een heerlijke, romantische, nostalgische, geruststellende en inspirerende  – en valse – jaarlijkse boodschap voor iedereen.

En ik geloof er niks van.

Voor mij is dit romantische plaatje vol met prietpraat en sentiment. En eigenlijk kun je dat al zien wanneer je nauwkeurig leest in het evangelie van Mattheus en Lucas. Zijn komst is een buitengewoon Goddelijk ingrijpen in de schepping en de geschiedenis van de mensheid. Maria is zwanger uit de heilige Geest; engelen verschijnen, Gods heerlijkheid wordt op aarde zichtbaar. De Koning van Israël is de Messias voor jood én niet-jood; Hij is de Heer met all gezag in hemel en op aarde; Hij is de wetgever die de mens Zijn wil oplegt en ons allen roept Hem na te volgen en te gehoorzamen in alle dingen; de volmaakte mens bij Lukas is het zondoffer voor de zonden van de gehele wereld etc.  Het gaat om de redding van de mensheid in dit verhaal, niet om morele inspiratie voor goedbedoelende mensen – die wij denken te zijn. Maar dat is iets wat ik nu niet wil uitwerken. Ik wil juist gaan kijken naar een heel ander kerstverhaal. En dat is een verhaal dat door al onze oppervlakkige,  historische en romantische plaatjes héén prikt en ons brengt bij de cruciale vraag: Wie wordt hier geboren? En welke relatie heb ik met Hem?

In de proloog van het evangelie naar Johannes wordt ons verteld wie deze Jezus is. Hij is het eeuwige woord zegt het eerste vers. Hij is de schepper van alle dingen zegt het derde vers. In Hem was de bron van alle geestelijke leven dat als een licht straalt over de mensen, zegt vers 9. En dit waarachtige licht komt in de wereld, zegt Johannes. En Hij was in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet gekend. Dat heeft Hem niet belemmerd om in deze wereld Zijn licht uit te stralen, want de duisternis heeft dat licht niet gegrepen, zegt het vijfde vers. En dan komt Kerstmis: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, en heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.”

De Jezus die geboren wordt op kerstochtend is het eeuwige Woord, de schepper van hemel en aarde, Hij is het leven en het licht. Maar Hij is ook de verworpene, want de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hebben wíj Hem aangenomen? Heeft u Hem aangenomen? Toch hebben sommigen Zijn heerlijkheid gezien, Zijn genade en waarheid. Dat is het getuigenis van de apostelen dat ook nu nog naar ons toekomt. Beseft iedereen dat, die het kerstfeest viert? Dat de genade van God is verschenen in Christus Jezus? Dat is de genade die wij nodig hebben omdat wij ver van God zijn afgedwaald, vijandig staan tegenover God en Zijn geboden, en omdat wij verzoening nodig hebben met deze God om behouden te zijn. Beseft iedereen die kerst viert dat? Dat deze Jezus de waarheid over God aan ons heeft gedemonstreerd en verteld? Niemand is in staat om God te zien en te begrijpen. De Zoon van God, die in de kerstnacht geboren is, die heeft Hem ons verklaard.

Het kerstfeest is niet het feest van goede bedoelingen, ook niet van de goede bedoelingen van onze God. Het is het moment dat God Zijn Zoon inbrengt in de wereld om het Lam van God te zijn, dat de zonden van de wereld wegdraagt. Om het schuldoffer te worden in onze plaats. Om ons de waarheid over God te vertellen opdat wij die zouden gehoorzamen. Dat alles lijkt juist ver weg, als we oppervlakkig de historische omstandigheden nalezen, waarover Mattheus en Lucas bericht hebben. Dan kun je blijven steken aan de buitenkant. Daarom is voor mij het mooiste verhaal van kerst de proloog van het evangelie naar Johannes. Alle ruis en alle mist is weggevallen, en we horen in heldere woorden wat er werkelijk gebeurd is in die kerstnacht. Het Woord is vlees geworden – God heeft zich niet vermomd als een mens, en ook is geen mens goddelijk verklaard, maar God heeft Zelf de gedaante van een mens aangenomen, is aan ons gelijk geworden, heeft ons bestaan gedeeld. De schepper treedt in, in Zijn schepping. En Hij heeft ons leven gedeeld, hij heeft onder ons gewoond – Hij is in alle opzichten aan ons gelijk geworden, de enige uitzondering is de zonde. De volmaakte Zoon van God was in ons midden, er was geen bedrog in hem, geen verkeerd woord kwam van zijn lippen, heel Zijn hart was God toegewijd en gevuld met liefde voor de mens. Johannes de evangelist was er bij, en Hij getuigt met dit evangelie. “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Door dit menselijke leven héén en door deze oppervlakkige historische gebeurtenissen héén, hebben de discipelen Gods Heerlijkheid gezien in Hem. Alle voortreffelijk eigenschappen die God heeft, straalden in Jezus Christus naar buiten met een ongekende helderheid. Getemperd alleen, opdat menselijke ogen het konden waarnemen. Liefde, genade, barmhartigheid, goedertierenheid, geduld, mededogen, begrip, zuiverheid, licht dat ons aan onszelf ontdekt, en leven dat ons doet ontwaken uit de dood. Alle wijsheid van God, elke onbenoembare volmaaktheid in God, straalde in deze Jezus van Nazareth. In dit Kind, in deze kribbe, in deze kerstnacht.

Stel nu eens dat je op een berg had gestaan met een verrekijker in je hand, zodat je alles kon zien wat er in Bethlehem, ja zelfs wat er in het paleis van Herodes die dagen allemaal gebeurd was. Je was dan getuige geweest van de geboorte van Jezus en al het andere dat in die nacht heeft plaatsgevonden. En zou je dan niet gezegd hebben: wat heeft die moeder het moeilijk gehad? Waar komt dat licht vandaan bij die herders in het veld? Wat betekenen die woorden toch die ik hoor: in mensen een welbehagen? Verder was je nooit gekomen, als God het je niet geopenbaard had, zoals Hij het aan de discipelen in hun hart openbaarde. Zonder de theologie van het evangelie naar Johannes, zijn de gebeurtenissen die worden geschetst in het evangelie naar Mattheus en naar Lucas – zelfs als je al hun theologische kanttekeningen meerekent – onbegrijpelijk en onbetekenend.

Johannes zegt ons, dat pas toen Jezus werd geboren, mensen God konden zien. In Jezus zagen ze de volledige volmaakte godheid. Jezus was één met God, hij was één met Hem in genade en waarheid. Alles wat je ooit in je leven van God zou kunnen en moeten weten, weet je in Hem. Weet u, je kunt het kerstverhaal elk jaar horen, zoals het wordt verteld bij Mattheus en Lucas. Je kunt je er elk jaar over verbazen en verwonderen en er zelfs ontroerd van raken. Maar als je niet begrijpt wie Hij is die hier wordt geboren, en als je niet gelooft in Diegene die hier geopenbaard wordt, dan heb je daar helemaal niets aan. Dan ben je, zegt Johannes, helemaal geen kind van God. “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht (eigenlijk: recht, bevoegdheid) gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Hem aannemen is in Zijn Naam geloven. In Zijn Naam geloven betekent, geloven en vertrouwen in alles wat Hij is en gezegd heeft. En de kern van dit “alles wat Hij is” vinden we precies bij Johannes. Dit Kerstkind is het eeuwige Woord, en buiten dat Woord om kun je geen kind van God zijn, kun je geen genade ontvangen en geen waarheid kennen, blijf je dood in je zonden en ontvang je het leven niet, en wandel je in de duisternis omdat je het Licht niet over je laat schijnen.

Elke keer weer, wanneer wij kerst vieren, lezen we of Mattheus of Lucas. Maar eigenlijk zouden wij elk jaar meteen na het lezen van het kerstverhaal, de proloog van het evangelie naar Johannes moeten lezen. Want de inzichten die Johannes hier met ons deelt, die verhinderen dat ons het grootst mogelijke misverstand overkomt: te menen dat het evangelie niets anders is dan een wonderlijk geboorteverhaal over een goed mens die tragisch stierf, in een voor ons onbereikbaar verleden. Neen! Deze Jezus is het eeuwige Woord, de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven in de dood, opdat ik zou leven door Hem.

Kent U Hem? Kent U de Zoon van God? Is Hij uw Heer en Heiland?

PERSOONLIJKE VOETNOOT

Henneke las deze tekst, vlak nadat ik die op internet had geplaatst. Haar commentaar was, dat ik (weer) in de aanval was gegaan tegen mensen die deze “prietpraat en valse sentimenten” juist heel prettig vonden. “Je moet ze er zachtjes op wijzen.” In mijn ervaring van de laatste 40 jaar helpt het NOOIT wanneer je mensen ergens “zachtjes” op wijst. Je bent dan alleen wollig, onhelder, mensen vergissen zich over je eigenlijke bedoelingen etc. Je bent dan weliswaar een vriendelijke man in hun ogen, maar ze leggen de boodschap die je brengt net zo makkelijk naast zich neer, als de tekst te lezen is die je geschreven hebt. Ik heb in mijn tekst geen mensen op het oog gehad, het is geen aanval op iemand, maar het is wel gericht tegen een bepaalde manier van gelovig-zijn. Je meent dat je gelovig bent omdat je het kerstverhaal zo mooi vindt? Maar dat is een illusie! Dat is geen geloof in Jezus Christus die door de Vader gezonden is. En alleen “wie Hem aanneemt” in geloof, ontvangt van Hem het leven en het Licht. Vanuit Gods Woord kun je niet anders – meen ik – dan daar duidelijk en helder op wijzen. Dat het “kerstgevoel” van de meeste mensen helemaal niets te maken heeft met de waarheid van de geboorte van Jezus. Dat het verhaal van de ongelukkige joodse martelaar die zo’n bijzondere geboorte had, geen evangelie is. Dat er méér staat in de Bijbel dan in dit oppervlakkige verhaal terug te vinden is.

Je kunt en mag dat van mij niet leuk vinden, en je kunt en mag vinden dat ik dat (te) hard neerzet. Leg het naast je neer, en er is geen schade. Noem mij een vervelende vent, en ik lijd geen schade. Maar als ik niet de (Bijbelse) waarheid spreek, lijdt iedereen schade – ik, omdat ik mijn opdracht verzaak het evangelie te verkondigen en jij, lezer, omdat ik de stroopkwast hanteer en jou niet helder zeg wat ik denk. Daar schiet jij immers ook niets mee op. Dat doet bovendien iedereen al. Maar je kunt en mag er ook iets van leren. Namelijk opnieuw leren dat Kerst over de Heer Jezus Christus gaat die kwam om ons te redden, die het leven met ons deelde etc. etc. Kortom je kunt en mag er ook van leren wat de ware Kerstboodschap is. Daar word je niet minder van, integendeel.

Johannes (3) – Leven en Licht

De eerste drie verzen van de proloog van het evangelie naar Johannes vertellen ons rechtstreeks iets over de godheid van Jezus Christus. Hij was vanaf de eeuwigheid. Hij was bij God, dat wil zeggen communiceerde met God, was voor Zijn aangezicht, er was een levende, persoonlijke betrekking en relatie tussen God en het Woord. En het derde wat hij zegt is dit: God heeft alle dingen door het Woord gemaakt, het Woord is de schepper van alle dingen, en niets dat bestaat, bestaat buiten Hem om.

In de verzen 4 en 5 gaat het vervolgens om het vleesgeworden Woord. Gaat het om de relatie tussen het Woord en de wereld. Twee dingen worden daar gezegd. In de eerste plaats, dat het Woord de bron van alle leven is. En dat dit leven ook het licht is van de menselijke wereld. Leven en licht. Dat is vers 4. En dan het tweede, dat rechtstreeks te maken heeft met de komst van Jezus in de wereld. Het Woord is licht, en schijnt in de duisternis die over onze wereld ligt. En de duisternis heeft dat licht niet kunnen overwinnen. Het is meer dan “niet begrepen” wat in de Herziene Statenvertaling staat. Het gaat er niet om dat de wereld die in duisternis ligt niet heeft begrepen dat Hij het Woord is, maar dat deze duisternis dat licht niet heeft kunnen overwinnen, niet heeft kunnen overmeesteren.

“In Hem was het leven.” Het woord dat hier gebruikt wordt is niet bios, wat op het fysieke en laten we zeggen biologische leven slaat. Het gaat om het geestelijke leven en om die reden gebruikt Johannes het woord dzoè. Als schepper van de wereld is Hij ook de bron van al het levende, dus van het leven. Maar Hij is ook de bron van het geestelijke leven. Dat leven is in Hem.

Wat is geestelijk leven? Het staat tegenover geestelijk dood zijn. Wat is dan geestelijk dood zijn? Paulus zegt in de brief aan Efeze: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.” (2:1) Geestelijk dood zijn betekent dat je niet bij machte bent om God te antwoorden, om in een levende betrekking tot Hem te staan. In deze wereld zijn de meeste mensen geestelijk dood, omdat hun zonden en overtredingen tegenover God niet vergeven zijn. Omdat ze de kracht van de levendmakende Geest niet hebben meegemaakt. Daarom gebruikt Johannes in dit evangelie meer dan 50 keer het woord dzoè, geestelijk leven. De mensen in de wereld waren dood, en Hij kwam om hen het leven te geven. Opdat de mensen wél met God in een levende betrekking konden staan, Hem waarachtig zouden kennen, met Hem zouden wandelen in hun leven. Daarom zegt Hij van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

En dan wordt dit Leven dat Jezus Christus kon brengen ook nog eens het licht genoemd. Dat Leven dat in Hem is, straalt naar buiten toe, verlicht alle mensen, verdrijft de duisternis. Net zoals licht vanuit een lichtbron straalt, zo straalt het leven uit Jezus Christus die de bron van het leven is. En dat licht van het leven straalt uit naar alle mensen in de wereld, zoals we lezen in vers 9. “Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” Hoe kun je dat leven ontvangen? Hoe kun je dat licht in je leven laten schijnen? Johannes gaat het in zijn evangelie uitleggen.

In de eerste plaats moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Als je dat niet gelooft zoek je het licht op de verkeerde plaats, of blijf je liever in de duisternis, en dan heb je de bron van het leven niet gevonden. Er worden in deze wereld zoveel leugens verteld, de waarheid is zo schaars, maar in Christus vind je de bron van alle waarheid, de Waarheid zelf.

In de tweede plaats moet je vertrouwen hebben in wat Hij geopenbaard heeft. Moet je geloven dat Hij werkelijk de Vader heeft laten zien en de Vader in eenheid met Hem is. Want alleen als je Zijn Woord aanvaard, weet je wat je doen moet en hoe je dat leven kunt ontvangen. Je moet Hem dus erkennen als de Weg die tot het leven leidt.

En in de derde plaats moet je je leven toewijden aan deze twee dingen, je moet de Zoon van God daadwerkelijk gehoorzamen en Hem je leven toevertrouwen. Niet alleen maar weten dat dat zo moet, maar het ook daadwerkelijk doen. Wie dat doet heeft het leven in zichzelf ontvangen, en wandelt in het licht, en is – zoals vers 12 het zegt – een kind van God. Daarom is Hij het Leven zelf, omdat Hij het geestelijke leven geeft aan iedereen die Hem aanneemt in geloof.

Johannes (1) – Het evangelie der evangelieën

Het komende seizoen zullen wij, zo God het wil, ons bezighouden met het evangelie naar Johannes. Door het hele evangelie heen staan we tegenover Jezus Christus, de Zoon van God. Dat is de wijze waarop dit evangelie ons Hem voorstelt en die boodschap is het doel van het schrijven van Johannes. De evangelist vertelt het ons zelf in hoofdstuk 20: “deze [tekenen RAV] zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.” Het evangelie heeft dus een tweevoudig doel. In de eerste plaats wil het demonstreren dat Jezus waarachtig de Zoon van God is, dat wil zeggen dat Hij aan God gelijk is, God Zelf is. En in de tweede plaats wil het tot geloof wekken, omdat alleen door het geloof in Jezus als de Zoon van God mensen het eeuwige leven kunnen verwerven. Dat is ook het patroon van het evangelie. Steeds weer opnieuw is er een getuigenis voor Jezus als de Zoon van God, en steeds opnieuw is er het ongeloof van de omgeving, maar dan zijn er ook de enkelingen aan wie God het vergund heeft om Jezus in Zijn waarachtige status te erkennen.

Het evangelie naar Johannes is het vierde evangelie in de volgorde van de boeken van de bijbel. Waarom zijn er vier evangeliën? Verschillen zij van elkaar? Spreken ze elkaar tegen? Ik geloof het niet. Het zijn vier verschillende portretten van Jezus Christus. Maar zij vullen elkaar aan. Dat is juist bij het evangelie naar Johannes het duidelijkst te zien. Hij kende immers het evangelie van Mattheus, Markus en Lucas. Op hoge leeftijd schreef de apostel Johannes dit evangelie in Efeze, enige tijd voor zijn verbanning naar het eiland Patmos. Ergens tussen het jaar 80 en 90. Johannes heeft dan vermoedelijk een rijpe leeftijd bereikt, tussen de 70 en 90 jaar oud is hij.

Om te weten waarom het nodig was dat Johannes een evangelie schreef, moeten we een ogenblik kijken naar de gezichtspunten van de andere evangeliën. In het evangelie naar Mattheus bijvoorbeeld, wordt Jezus gepresenteerd als de beloofde Messias van Israël. De korte boodschap van Mattheus is dan ook: zie uw koning. Markus daarentegen presenteert Christus niet als koning, maar als de getrouwe Dienaar en profeet. Precies om die reden kent het evangelie naar Marcus geen geslachtregister omdat die er niet toe doet bij een Knecht van de Heer. De boodschap van Marcus is dus eenvoudig: zie uw Knecht. En tenslotte in het evangelie naar Lucas zie je Jezus als de volmaakte mens en vandaar dan ook de boodschap van dat evangelie: zie de Mens. Lucas wilde de menselijkheid van Jezus Christus aan ons voorstellen.

Dan komen we bij het evangelie naar Johannes. Als we beginnen te lezen zien we de hemelen opengaan en het eerste wat we zien gebeuren is dat de eeuwige Zoon van God neerdaalt naar de wereld. Hij is God en mens tegelijk. Een heerlijke persoon, de eeuwige Zoon van God, Jezus Christus. De boodschap van het evangelie naar Johannes is dus: zie uw God. De waarheid van de godheid van Jezus is het onderwerp van dit evangelie. Hij is niet een beetje God en een beetje mens, maar hij is volmaakt en volledig God en volmaakt en volledig mens. Johannes kent dus wel een geslachtregister, maar daarin komen geen mensen voor. Hij gaat terug naar de tijd voor alle tijd, hij gaat terug naar de eeuwigheid en zegt dat daar alles begonnen is. Jezus Christus is niet in de tijd begonnen, maar hij was er altijd al. En op die wijze presenteert Johannes ons de Zoon van God.

Lang geleden hoorde ik van een broeder in de Vergadering deze uitleg van de noodzaak van de vier evangeliën. Het lijkt op de inrichting van het kamp tijdens de reis van Israël door de woestijn. De tabernakel stond in het midden en alle stammen waren rondom de tabernakel gelegerd. In Mattheus vinden we de presentatie van Gods regering in zijn geheel. Het hele kamp is rondom de koning opgebouwd en God regeert alle stammen vanuit het midden. Na Mattheus, komt Marcus. Dat is de buitenste plaats van de tabernakel, de voorhof en/of de “hof van de heidenen” waar God werd gediend en vereerd en waar de offers werden gebracht. In het evangelie van Marcus is de volmaakte dienaar ook het volmaakte offer. Dan in het evangelie naar Lucas doen we een stap in het heilige, de eerste afgesloten ruimte van de tabernakel waar alleen de priesters mochten komen. Daar staat het toonbrood en de kandelaar. Het evangelie naar Lucas presenteert ons Christus die zijn priesterlijke werk temidden van de mensen verricht, aan mensen getuigenis aflegt en met hen één is.

Wanneer we vervolgens het evangelie van Johannes gaan lezen, komen we in het heilige der heiligen. Daar zien we God Zelf, God in het vlees gekomen. Het evangelie naar Johannes brengt ons in de tegenwoordigheid van God zelf. Daarom is het evangelie naar Johannes het evangelie van alle evangeliën. Het is het heilige der heiligen van het Nieuwe Testament. Nu moeten we onze schoenen uit doen want we staan op heilige grond als we dit evangelie bestuderen. Dit evangelie spreekt over de menselijkheid van Jezus, het spreekt over de dienaar, het spreekt over Zijn koningschap, maar in de allereerste plaats laat het ons Zijn godheid zien.

Het lezen van het evangelie naar Johannes is een bijzondere ervaring. Tijdens mijn vakantie in Tsjechië hebben mijn vrouw en ik samen dat evangelie twee keer in zijn geheel doorgelezen. Het heeft ons hart diep geraakt. Het is een evangelie vol diepe gedachten in eenvoudige taal. Het is een evangelie dat je in de hoogte opheft tot aan de hemelen toe. Het laat ons de vernedering zien van onze Heer Jezus Christus, maar tegelijkertijd toont het ons Zijn heerlijkheid. Het laat het verschrikkelijke drama zien van ongeloof tegenover de Zoon van God. En het wekt de hoop, dat geloof in deze Zoon het eeuwige leven schenkt.

Oecumene

DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS

AAN DE GEMEENTE VAN

 

TER APEL

 

  1. Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus door de wil van God, en Timotheus, de broeder, aan de gemeente van God die in Ter Apel is, aan de geheiligden in Christus Jezus,
    2. met allen die de naam van onze Here aanroepen: genade zij u en vrede van God, onze vader, en van de Here Jezus Christus, in de gemeenschap van de Heilige Geest.
    3. Ik dank mijn God altijd voor u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus.
    4. U bent immers rijk in Hem, in spreken en kennis in de mate waarin het getuigenis van Christus bevestigd is onder u.
    5. God zal u ook bevestigen tot het einde toe, want Hij is getrouw door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.
    6. Maar ik roep u ertoe op, broeders en zusters, door de Naam van onze Here Jezus Christus, dat u eensgezind bent in uw spreken en handelen, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen.
    7. Want mij is over u bekend gemaakt, broeders en zusters, dat er scheuringen onder u zijn. Ik bedoel dit, dat sommigen van u zeggen ik ben van Calvijn, ik van Luther, ik van Benedictus en ik van Christus.
    8. Is Christus dan verdeeld? Is Benedictus soms voor u gekruisigd? Of bent u dan in de naam van Calvijn gedoopt?
    9. Onder u hebben velen het Evangelie verkondigd, niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus zijn inhoud niet verliest. Wie heeft u dan betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen?
    10.  U voor wie Jezus Christus gekruisigd is? Dit wil ik dan van u vernemen: hebt u de verlossing ontvangen op grond  van de werken van de wet? Of door de genade van het geloof?
    11. U bent met het Evangelie begonnen, gaat u dan nu eindigen met de werken van het vlees?
    12.  Broeders en zusters, ik kan u alleen maar overleveren wat ik ook ontvangen heb, dat Christus voor onze zonden gestorven is, en dat hij begraven is en op de derde dag is opgestaan, en dat hij ten hemel is gevaren en nu zijn plaats inneemt aan de rechterhand van de majesteit in de hoge.
    13. Als Christus niet is opgewekt uit de doden, dan is alle prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is dan ook uw geloof.
    14. Dan zijn uw voorgangers valse getuigen van God. Zij hebben namelijk van God getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt uit de doden.
    15. Ik zeg het u nog eens. Als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos. Maar dan bent u nog in uw zonden.
    16. Onderzoek uzelf of u nog in het geloof staat, beproef uzelf. Weet u niet van uzelf dat Jezus Christus in u is? Want zonder geloof in Hem is het onmogelijk God te behagen.
    17. Waarom is voor u het eerste onderwijs nog nodig met betrekking tot onze Heere Jezus Christus? Gaat dan voort tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van het geloof in God en in Zijn Zoon Jezus Christus, van de rechtvaardiging door geloof en van de heiliging door de werking van Zijn Geest.
    18. Verzuim dan de onderlinge bijeenkomst niet, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar spoort elkander aan.
    19. Laat dan het gebed van uw hart zijn, dat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, zodat u de liefde van Christus zou kennen, die alle kennis te boven gaat en vervuld zou worden tot heel de volheid van God.
    20. Geeft dan eer aan hen die Hij gegeven heeft om onder u te werken: pastoraal werkers en leraars, evangelisten en ouderlingen, om u toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot de opbouw van het lichaam van Christus, en de eenheid van het geloof en de kennis van de Zoon van God.
    21. Verdraagt elkander dan in liefde, in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met het geduld van de Geest. Bidt voor elkander.
    22. Want zo bent u geroepen: één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen en door allen en in u allen is.
    23. Vrede zij u allen, en liefde met geloof, van God de Vader en van de Here Jezus Christus.
    24. De genade zij met allen die onze Here Jezus Christus in waarheid liefhebben. Amen.

Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21

Zusters en broeders, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Het hoogtepunt van het evangelie van Marcus is ongetwijfeld het gedeelte net hiervoor, waar we Petrus horen zeggen dat Jezus de Messias is. Deze belijdenis is de juiste beoordeling van Jezus. Hij is niet een soort Johannes de Doper, Hij is niet Elia, Hij is niet zomaar een van de profeten, maar Hij is de Christus, de Messias. Het moet voor de discipelen wel teleurstellend zijn geweest, dat meteen daarna Jezus begint uit te leggen dat de Zoon des Mensen door de diepste vernedering heen moest gaan. Hij moest lijden en verworpen worden en zou gedood worden. Doorgaan met het lezen van “Het betrouwbare profetische woord – Verkondiging over Markus 9:2-8 en 2 Pe.1:16-21”

U bent de Christus, de Zoon van de levende God – verkondiging in Katwijk

Hetzelfde thema als in de ochtenddienst in Aalst. Wat betekent het belijden van Jezus voor ons?

De tekst geeft een groot aantal aanwijzingen.

In de eerste plaats: we zijn in de om,geving van Caesarea Filippi, de stad gewijd aan de Griekse cultuur en godsdienst en aan de macht van de keizer. Hoe kunnen juist in de omgeving dan zeggen dat Jezus de Christus is? Want die titel betekent dat Hij de enige, door God aangestelde koning is, hoger dan de keizer. En dat Hij de enige weg tot de waarheid is. Daarmee is alles waar Caesarea Filippi voor staat weersproken. In feite is Petrus’ belijdenis verraad aan de bezettende macht, en een dwaasheid in de ogen van de grieken.

In de tweede plaats: je kunt Jezus als de Christus belijden, zonder te weten wat je doet. Dat blijkt uit het vervolg, waar Jezus moet uitleggen dat de Zoon des Mensen niet triomnfanbtelijk Zijn plaats in de wereld boven de keizer zal innemen, maar dat Gods weg met Hem door het lijden en de dood heen moet gaan.Het belijden van Jezus is het belijden van een gekruisigde koning!

In de derde plaats: er is veekl verwarring over wie Jezus is in de wereld van toen en in de wereld van nu. Maar het beslissende verschil tussen wat de mensen over Jezus zeggen en wat Petrus belijdt is, dat in al die mooie titels die mensen aan Jezus geven Hij in de marge van de geschiedenis blijft staan. Jezus komt er a.h.w. bij, Hij is een van de profetyen, een van de grote religieuze leiders, een bijzonder mens etc. Maar dat Hij uniek is wordt alleen door Petrus uitgesproken. Er kan maar één Christus zijn!

Ook in onze PKN is de verwarring groot. De enorme verschillen in belijden tussen de verschillende gemeenten in de PKN bewijzen dat. Maar laten we die rode draad vasthouden als een getuigenis naar de wereld toe: Hij is de Christus, de Zoon van de levende God.

Verkondiging in Heukelum – 29 juli 2018

Dit is de preek zoals die uiteindelijk werd gegeven. Vergelijk daarmee de voorbereiding op een van de vorige blogs.

 

EFEZE 3:14-24

14 Om deze reden buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heere Jezus Christus, 15 naar Wie elk geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16 opdat Hij u geeft, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens, 17 opdat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, 18 opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, met alle heiligen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is, 19 en u de liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God.
20 Hem nu Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken, overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is, 21 Hem zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. Amen.