Over Schleiermacher en het begin van het Modernisme – bespreking in de studiegroep Gorssel

Vijfde deel van de serie besprekingen in de Studiekring Gorssel over de Reformatie.

Op 17 maart 2017 hebben we Friedrich Schleiermacher besproken. De grote kerkvader van de 19e eeuw die aan de wieg staat van het Modernisme in de theologie.
Geloof wordt in deze eeuw het dominante thema, maar dan in de versie van de Romantiek: het diepe gevoel van “absolute afhankelijkheid”, dat kan worden begrepen als de “ontvankelijkheid” voor de Totaliteit, de Kosmos, d.w.z. het Goddelijke.
Alle religies en zelfs atheïsten kennen dit diep menselijke gevoel, en daarop zijn alle religies gebaseerd. Uiteindelijk berust hierop ook het “waardenbewustzijn” van de samenleving. Om goed in het leven te staan moet een mens zijn eigen religieuze overtuigingen opbouwen met dit gevoel als bron en als criterium. Een consequentie daarvan is de achterstelling van het Woord, de Openbaring door de Heilige Geest en de exclusiviteit van het Evangelie. Individualisme vervangt het opperste gezag van Christus in de kerk.
Kritiek op Schleiermacher was er genoeg: van de kant van Hegel, van de kant van orthodoxe theologen, maar ook van de beweging van het Réveil, dat óók het gevoel een plaats gaf in het geloof, maar hier bleef het Woord, het Evangelie en de Heilige Geest dominant.
Schleiermacher is het beste te begrijpen als een “seculiere Piëtist”.

(On-)voorwaardelijke roeping – de soevereiniteit van God in het geding

“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.” (Mat. 9:13)

Wie worden dan wel geroepen en wie worden dan niet geroepen? Zijn dat nou zondaars in het algemeen? Want die zogenaamde “rechtvaardigen” zijn toch alleen in eigen ogen rechtvaardig, maar tegenover God net zo zondig als degenen die weten niet rechtvaardig te zijn? De tekst lijkt ons te zeggen, dat Christus niet gekomen is om alle zondaars te roepen, maar alleen diegenen die weten zondaars te zijn. “Christus kwam niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars, dat is gevoelig of met levend bewustzijn belaste zondaren tot bekering” zegt John Owen. Niet zondaars in het algemeen dus, want dat zijn alle mensen. De “rechtvaardigen” daarbij inbegrepen.

De consequentie is dat het evangelie alleen aan sommigen wordt aangeboden. Alleen diegenen die van zonde overtuigd zijn, zijn waarlijk zondaren, en alleen zij kijken uit naar de verlossing en alleen zij worden dus geroepen tot bekering. Alleen het verloren schaap wordt gered, maar dat is het schaap dat beseft verloren te zijn. Niet degenen die zeggen dat ze hopen op de verlossing, maar hen die zeggen dat er geen hoop is. 

Hoe zit het dan met die “rechtvaardigen” die toch evenzeer, omdat ook zij zondaars zijn, de genade nodig hebben? Zolang zij menen de genade niet nodig te hebben en zondaars te zijn, hebben zij te maken niet met het evangelie van de genade, maar met de Wet. De overtuiging van de zonde moet eerst worden gewekt, voordat het evangelie de genade aan hen verkondigen kan. 

Immers,  een drenkeling die meent zich door eigen zwemvaardigheid te kunnen redden, zal de uitgestoken hand niet aannemen die hem redden zal. Pas wanneer de ernst van de situatie tot hem doordringt en hij zich dus een drenkeling weet,  zal hij hulp aanvaarden. Tot dat moment zal hij zich zelfs verzetten tegen degene die hem uit het water probeert te halen. 

In ons vers sluit Jezus dus juist de waanrechtvaardigen – uitdrukking gevonden bij A. Weremeus – uit van zijn oproep tot bekering. 

Wat is in deze kwestie nu eigenlijk in het geding? Wanneer, als sommigen menen, het aanbod van genade en de roeping tot bekering alle zondaars gelden, dan is de verwerping van die roeping een weerstaan van Christus. Dan beslist de mens over de effectiviteit van die roeping en kan hem in geloof aanvaarden of in ongeloof verwerpen. Als we het vers dus zo begrijpen dat de Heer Jezus alle zondaren roept, dan verleggen we de laatste grond van het behoud naar de menselijke keuze voor of tegen Christus. De roeping door Jezus heeft dan geen effectiviteit. Het geloof van de mens komt daarmee voorop te staan. 

We kunnen daaraan wellicht ontkomen wanneer we verschil maken tussen een algemeen aanbod van genade en de roeping door Christus. Zoals Paulus spreekt over “God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4). Dat is niet de onweerstaanbare wil van Gods almacht, maar een uitvloeisel van Gods wezen. Hij kan het niet niet willen omdat Hij goedheid is, maar Hij wil het uiteindelijk niet, omdat Hij ook Zijn gerechtigheid en heiligheid tot uitdrukking moet brengen. Of zoals de prediking van Paulus wordt weergegeven in Hand.17:30, waar het God Zelf is die “verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren.” Sommigen die deze boodschap hoorden hebben haar ongetwijfeld verworpen: “sommigen spotten daarmee” zegt vers 32. Maar ook dit is een uitdrukking van Gods wezen en geen bevel dat onweerstaanbaar zal blijken te zijn. 

Tegenover dit algemene aanbod van genade binnen de regeringswegen van God kunnen we dan de effectieve roeping stellen die in Joh.3 als de wedergeboorte wordt aangeduid, en die in Rom.  8:30 dan zo wordt uitgedrukt:

“En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd.”

Wie kwam de Heere Jezus dus roepen en d.w.z. redden van het oordeel? Is dat de onbekeerde of de bekeerde zondaar? De bekeerde zondaar is al geroepen, lijkt het. Maar als dat de onbekeerde zondaar is, dan is er geen reden om de rechtvaardigen daarbij uit te sluiten omdat zij immers alleen “waanrechtvaardigen” zijn. Zij zijn toch evenzeer onbekeerde zondaars. En als we hen echter moeten uitsluiten, en de Heere dus niet kwam om hen te roepen, dan zijn de hier bedoelde “zondaren” degenen die weten zondaars te zijn – indien zij dat niet wisten, waren ook zij waanrechtvaardigen. 

Maar kan iemand dan weten een zondaar te zijn, zonder dat de Wet het hem heeft duidelijk gemaakt? Of is het juist de ontmoeting met de genade die in Jezus Christus openbaar is geworden, waardoor een mens zich van zijn zonde bewust wordt? Of zijn het nu precies deze beide elementen tezamen, die inbegrepen zijn in de roeping van zondaars? Is dat niet de tweevoudige wijze waarop de Heere geroepen heeft: door genade te schenken die ook bewijst waarom de genade nodig is? 

Moeten we niet vermijden dat we de grondslag van de roeping gaan leggen in het bewustzijn van een mens een zondaar te zijn? De soevereiniteit van de roeping door Christus wordt zeker verzwakt wanneer we aannemen dat die alleen voorwaardelijk is, en afhangt van het geloof of ongeloof van een mens. Maar wordt die soevereiniteit niet evenzeer verzwakt door de aanname dat alleen de zondaar die door schuldgevoel gebroken is, het evangelie kan horen en aannemen? Ook dan wordt aan de effectieve roeping door Christus een voorwaarde gesteld. Ook al is deze van andere aard en wordt niet de actieve aanname  van het evangelie maar het passieve besef van zonde als voorwaarde begrepen. 

Vanuit de Schrift moeten we toch zeggen dat de Heere Jezus zowel bij de Samaritaanse vrouw, die Hij aan haar zondestaat ontdekte, als bij de schriftgeleerde Nicodemus in zijn waangerechtigheid een bekering tot stand bracht. Daarom ontbreekt het onderscheid ook in Rom.8 – een ieder, dus zowel de waanrechtvaardige als de geknakte zondaar – wordt volgens Zijn voornemen geroepen, en dat is dus volstrekt in overeenstemming met Zijn soevereiniteit. Onvoorwaardelijk.

KLIVE! Extra – Geestelijke Liederen

Een aantal liederen uit de Vergaderingsbundel “Geestelijke Liederen” hebben we in deze korte uitzending besproken.

Kol. 3:16 is een sleutel om het zingen van de gemeente te verstaan.

(1) Het Woord van Christus moet rijkelijk in ons hart wonen zodat we
(2) met Psalmen, lofzangen en geestelijke Liederen Hem “de vrucht van onze lippen” als een offer kunnen aanbieden. en
(3) daarmee wijzen we elkaar terecht en leren we elkaar de inhoud van het evangelie mar met als voorwaarde dat we
(4) met dankbaarheid zingen in ons hart, want we moeten de Vader aanbidden in geest en waarheid.

Waarom ik geen christen meer ben

Met de naam “christenen” worden alle mensen bedoeld die op een of andere wijze met een of andere christelijke traditie of kerk verbonden zijn. Daar schuilt nog tot op zekere hoogte de oorspronkelijke betekenis van het woord in. Een “christianos” was een oorspronkelijke scheldnaam voor de volgelingen van Jezus in de Grieks-Romeinse wereld. Het betekende letterlijk dat je tot het huisgezin van ene Christus behoorde. Maar die naam Christus was in de Grieks-Romeinse wereld niet te onderscheiden van een ander woord, namelijk “christos” in de betekenis van slaaf. Doorgaan met het lezen van “Waarom ik geen christen meer ben”

Dat moeilijke geloof… Exegetische problemen in Rom. 1:17 – (eerste ruwe versie van de inleiding)

“Niet immers schaam ik mij voor het evangelie, want een kracht van God is het tot behoud voor een ieder die gelooft, en wel eerst voor de Jood en dan ook voor de Griek.
Gerechtigheid immers van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, ‘maar de rechtvaardige zal uit geloof (over –) leven.'”

Een bijzonder moeilijke tekst in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen zijn deze verzen 16 en 17. Wanneer aan deze verzen inderdaad de functie toekomt het thema van de brief te omschrijven, is het eigenlijk vreemd dat Paulus hier een uitdrukking gebruikt die op het eerste gezicht helemaal niet zo helder is. Het gaat om de uitdrukking “uit geloof tot geloof”, dat zowel op de gerechtigheid kan slaan, als op het woord geopenbaard. Gaat het om een gerechtigheid die het geloof als bron of voorwaarde heeft? Of gaat het om een gerechtigheid die wordt erkend of ontvangen vanuit geloof? Gaat het om een geloof dat bij een individu groeit tot meer geloof? Of om een geloof dat aanstekelijk werkt en anderen tot geloof brengt? Of is het subject van het eerste geloof iemand anders dan wij en moeten we denken aan de trouw, bijvoorbeeld de trouw aan het verbond, dat de Here Jezus kenmerkte?

Aan het woord “geloof” kleeft ook nog de dubbelzinnigheid, dat het zowel om een benaming van het evangelie met verstand en wil kan gaan, als ook om datgene wat met verstand en wil wordt erkend, terwijl het ook de eenvoudiger connotatie van vertrouwen of trouw kan hebben.

De oplossingen die in de exegetische literatuur te vinden zijn, lopen sterk uiteen. We geven een overzicht:

  1. Thomas van Aquino, “deze gerechtigheid van God wordt geopenbaard in het evangelie voorzover mensen worden gerechtvaardigd door geloof in het evangelie in elk tijdperk. Daarom voegt hij eraan toe ‘ uit geloof tot geloof’, dat wil zeggen, vanuit het geloof binnen het Oude Testament tot het geloof in het Nieuwe Testament, omdat in beide gevallen mensen rechtvaardig worden gemaakt en worden gered door geloof in Christus, omdat zij hebben geloofd in Zijn komst met het zelfde geloof dat wij hebben dat Hij gekomen is. […]
    Het kan echter ook betekenen: van het geloof van de predikers tot het geloof van de hoorders – Rom. 10:14. Of van het geloof in het ene geloofsartikel tot het andere, omdat rechtvaardiging het geloof in alle artikelen van het geloof vereist: ‘zalig is hij die de woorden van deze profetie leest en hoort’ (Op. 1:3).
  2. Johannes Calvijn (noot 1): gerechtigheid wordt door het evangelie aangeboden, het wordt door geloof ontvangen. Dus: uit geloof, d.w.z. uit het evangelie dat wij geloven. En hij voegt toe “tot geloof; want als ons geloof voortgang maakt en vooruitgaat in kennis, wordt ook de gerechtigheid van God in ons groter, en het bezit ervan wordt op zekere wijze bevestigd.” Het gaat dus om de dagelijkse vooruitgang die elke gelovige doormaakt.
  3. Kanttekeningen bij de Statenvertaling op Rom. 1:17.  Hier sluit men aan bij Calvijn. “36. Dat is, tot dagelijkse toeneming en versterking in het geloof.”
  4. BMK, de verklarende kanttekeningen van Dr. H.M. Matter: “de gerechtigheid is uit het geloof, dat wil zeggen we kunnen haar niet verwerven, zelfs niet uitdenken. We kunnen haar slechts als voldongen feit geloven. We zouden het kortweg kunnen weergeven door g”eloofsgerechtigheid” in tegenstelling tot de “werkgerechtigheid” der Joden. “Tot geloof” onderstreept het voorafgaande uit geloof nog eens. (…) Ons geloof wordt integendeel steeds meer geloof.”
  5. NET: “het zou kunnen betekenen dat deze gerechtigheid door het geloof wordt verworven omdat het voor geloof bestemd was.”
  6. MNC, John MacArthur: “uit geloof tot geloof lijkt een parallel te zijn van “een ieder die gelooft” in het voorafgaande vers. Als dat zo is, dan betekent het zoiets als “van geloof tot geloof tot geloof tot geloof,” alsof Paulus het geloof van elke individuele gelovige apart wilde benoemen.” Een keten van mensen die tot bekering komen.
  7. CNT (Jakob van Bruggen): Je zou kunnen zeggen: “de gerechtigheid van God wordt openbaar in het evangelie van geloof tot geloof.” Het evangelie kan enkel en alleen door geloof worden aangenomen. Deze interpretatie verwerpt Van Brugge echter en zegt het volgende: “het accent ligt op het evangelie als gebeurtenis van verkondiging in die tijd. Het evangelie verspreidde zich in de wereld als een lopend vuurtje van het geloof van de ene prediker naar het geloof van de andere gelovende.” Het geloof verbreidt zich dus ook van de joodse christenen naar de niet-joodse christenen toe. Belangrijk is ook dat Van Brugge de mogelijkheid verwerpt dat Paulus deze woorden gebruikt als een exegese van het citaat uit Habakuk. Het gaat er alleen maar om dat het geloof een kracht is tot behoud. Wanneer het wel een uitleg zou zijn van dit citaat, dan kan het niet gaan om het “overslaan van het geloof van de een op de andere dankzij het evangelie.”
  8. NIBC, “in het licht van 3:21-22 is de meest natuurlijke betekenis “vanuit Gods trouw tot menselijke trouw.” (Zo ook James Dunn.) De tekst in het derde hoofdstuk zegt “door het geloof [van Jezus Christus ] tot allen die geloven.” Als we de genitivus moeten lezen als een genitivus objectivus – dus als het geloof in Jezus Christus – is er echter geen sprake van een parallel tussen 3:21 e.v. en 1:17.
  9. IB, “de lastige uitdrukking, letterlijk weergegeven als uit geloof tot geloof, is waarschijnlijk alleen maar een manier om het exclusieve belang van het geloof te benadrukken, alsof je kan zeggen, “geloof van begin tot eind.” (Gerald R. Cragg) Het citaat van Habakuk past niet helemaal bij deze gedachte, maar ondersteunt het idee van Paulus dat dit geloof al in het Oude Testament is aangekondigd.
  10. EBC is van mening dat de uitdrukking “uit geloof” geen verwijzing is naar een uitgangspunt, noch het uitgangspunt van Gods trouw, noch het uitgangspunt van het geloof van een prediker. Het Griekse voorzetsel is immers niet apo, dat naar een herkomst verwijst, maar ek, dat door Paulus regelmatig samen met geloof wordt gebruikt om te spreken over de grondslag van de rechtvaar-diging. Of van de gerechtigheid. De term gerechtigheid kan vaak de kracht krijgen van de rechtvaardiging. Problematisch is alleen de uitdrukking tot geloof. “Misschien wil dit zeggen dat de gelovigen moet worden vermaand dat het geloof dat rechtvaardigt alleen het begin van het christelijk leven is. Dezelfde houding van het geloof moet ook dominant zijn in de voortgaande ervaring van gelovigen als kinderen van God.” Harrison en Hagner citeren met instemming Bruce, dat het citaat van Habakuk eigenlijk de tekst is van deze hele brief; “wat hierna volgt is in hoge mate een expositie van de woorden van de profeet.”
  11. Enduring Word (David Guzik) – “door geloof van begin tot eind.” Dat wil zeggen niet vanuit geloof tot werken, of uit werken tot geloof; maar van geloof tot geloof, dat is “alleen door geloof.”

De uitleg van vers 17 door de eeuwen heen en verspreid over verschillende tradities kan ruwweg in drie categorieën worden ingedeeld. Wat betekent de uitdrukking van geloof tot geloof?

1) het verwijst naar de voortgang van het evangelie door de prediking.
2) het verwijst naar de voortgang van het evangelie in het leven van een christen
3) het is een omschrijving van het evangelie: Gods trouw tot (ons) geloof

Welke van deze drie interpretaties wordt nu door de context gesteund?

Paulus heeft net hiervoor gezegd dat hij bereid is het evangelie te verkondigen. Het is immers een kracht tot behoudenis. In het evangelie wordt immers de gerechtigheid van God geopenbaard – een gerechtigheid die in het eerstvolgende gedeelte vooral gezien wordt als Gods maatstaf van gerechtigheid tegenover een goddeloze en onrechtvaardige wereld. Dat wordt helder in vers 18.

In de onmiddellijke context is de uitdrukking “voor ieder die gelooft” die eraan voorafgaat, en het citaat van Habakuk dat erop volgt van groot belang. Paulus introduceert de term “geloof” in eerste instantie in verband met de behoudenis. Die behoudenis ligt volgens het geheel van de brief in het ontvangen van Gods gerechtigheid als een gave. Geloof is dus vooral het aannemen van het aanbod van het evangelie. De erkenning van de gerechtigheid van Christus waaraan ik deel mag krijgen als ik mij daartoe wend in geloof.

Op grond hiervan lijkt mij de eerste uitleg niet helemaal ter zake. Wanneer het zou gaan om de prediking, dan leggen we een verband met vers 6 en vers 15. Paulus die het evangelie wil verkondigen in Rome, laat die gedachte mee klinken in de uitdrukking van geloof tot geloof. Ook vers 6 krijgt dan gewicht, waar Paulus spreekt over het feit dat het geloof van de gemeente in Rome over de hele wereld bekend is geraakt. Op grond daarvan zou je kunnen besluiten dat de prediking van het evangelie aan de orde is in de uitdrukking van geloof tot geloof. Het lijkt mij echter dat we daardoor de directe context te zeer verwaarlozen.

Ook de tweede uitleg is onbevredigend, omdat we voor die benadering helemaal geen aanknopingspunt hebben in de context. Hooguit zou je kunnen zeggen dat de vertroosting door elkaars geloof in vers 12 dan zou meewegen in de uitdrukking van vers 17. Ook dat lijkt mij te ver weg voor de uitleg van deze problematische uitdrukking.

Dan blijven er twee mogelijkheden over. Wanneer we het voorafgaande vers 16 benadrukken, zou de uitdrukking van geloof tot geloof te maken kunnen hebben met het ontvangen van de gerechtigheid van God door geloof in Jezus. Dat geloof is de voorwaarde van het ontvangen van Gods gerechtigheid, dat wil zeggen van de behoudenis. Het evangelie openbaart dat de gerechtigheid van God alleen maar door geloof kan worden aangenomen. Uit geloof betekent dan zoiets als “alleen maar door geloof aan te nemen”. Dat is dan de eerste mogelijkheid: in het evangelie wordt geopenbaard, dat de gerechtigheid (dat wil zeggen de rechtvaardiging die wij ontvangen) het geloof als grondslag heeft.

Dan blijven we echter zitten met de eigenlijk overbodige uitdrukking “tot geloof.” De verklaring van sommigen dat Paulus daarmee alleen maar een nadruk wil geven is voor mij niet bevredigend. De kanttekening van de EBC, dat het voorzetsel ek doorgaans bij Paulus gebruikt wordt om de grondslag aan te geven en niet de herkomst, moeten we hier ook verdisconteren.

Wanneer de gerechtigheid is op grond van geloof, wat betekent het dan dat ze ook “tot geloof” is? Zou het kunnen zijn dat Paulus “uit geloof” in verband brengt met vervullen van de voorwaarde voor het ontvangen van de gerechtigheid, en tot geloof verbindt met de openbaring daarvan? De gerechtigheid in het evangelie wordt ontvangen door het geloof, en is geopenbaard om dat geloof op te roepen.

Het nadeel echter van deze optie is, dat het citaat van Habakuk in het tweede deel van vers 17 nu geen belangrijk doel meer dient. Het illustreert alleen een samenhang tussen gerechtigheid en geloof. Is het wel zo zeker dat Paulus geen exegese van dit vers probeert te geven?

Sommigen sluiten deze mogelijkheid uit, ook met een beroep op het feit dat de lezers in Rome over het algemeen geen Hebreeuws kunnen lezen, en de Hebreeuwse tekst van Habakuk dus ook niet in het hoofd hebben. Die Hebreeuwse tekst bevat namelijk een dubbelzinnigheid. Letterlijk staat daar: “en (of: maar) de rechtvaardige zal leven in (door) “zijn” geloof. Het woordje “zijn” is in het Hebreeuws maar een enkele letter, een zogenaamde wav. De Hebreeuwse tekst maakt niet duidelijk of de rechtvaardige leven zal op grond van zijn geloof, dat wil zeggen zijn trouw en vertrouwen binnen het verbond, of dat hij zal leven op grond van Zijn, dat is Gods trouw aan het Verbond. Die ambiguïteit is wellicht ook opzettelijk. Het is juist de bedoeling, dat we met deze beide vertaalmogelijkheden rekening houden.

In het Grieks kan Paulus die mogelijkheden suggereren door het woordje “zijn” gewoon weg te laten. En daarmee is een exegese van de tekst van Habakuk voorbereid. Gerechtigheid van God wordt geopenbaard op grond van Gods trouw (uit geloof) die het vertrouwen en de trouw van de gelovigen mogelijk maakt (tot geloof). Dat is dan ook dezelfde gedachte van hoofdstuk 3:26.

Het lijkt daarmee duidelijk geworden dat de beste benadering ligt in de derde mogelijkheid. De behouden s is voor ieen eder die zijn geloof stelt in het evangelie. In dat evangelie wordt Gods gerechtigheid immers geopenbaard op een bijzondere wijze. Gerechtigheid van God blijkt te zijn een daad van Gods trouw die ontvangen wordt en erkend wordt in ons geloof. De gerechtvaardigde op grond van Gods trouw die zal leven. Want de gerechtigheid die nodig is om staande te blijven in het oordeel, wordt ontvangen en niet tot stand gebracht.

NOTEN


(1) When at first we taste the gospel, we indeed see God’s smiling countenance turned towards us, but at a distance: the more the knowledge of true religion grows in us, by coming as it were nearer, we behold God’s favor more clearly and more familiarly. What some think, that there is here an implied comparison between the Old and New Testament, is more refined than well-founded; for Paul does not here compare the Fathers who lived under the law with us, but points out the daily progress that is made by every one of the faithful. Calvin ad locum.

Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)

Het sjema – deel 2

De vraag is in welke relatie christenen staan tot wat we hier eerst genoemd hebben “de geloofsbelijdenis van Israël.” En bij die vraag is het van groot belang om ons niet te laten beïnvloeden door een gangbaar modern vooroordeel. Vanuit onze historische positie is het vanzelfsprekend om het christendom en het Jodendom als twee volstrekt gescheiden en aparte godsdiensten te beschouwen. Maar dat heeft te maken met de geschiedenis van de relatie tussen christenen en joden vanaf het einde van de tweede eeuw. In de eerste eeuw, de apostolische tijd, is er geen sprake van een dergelijk onderscheid. De grenzen tussen beide zijn heel beweeglijk en nog niet tot een tegenstelling verhard. Er is nog geen muur die beide van elkaar scheidt. Doorgaan met het lezen van “Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)”

Passivisme of possibilisme? – wat is het fundament van Christelijke ethiek?

Passivistisch Christomonisme? Of een Torahgetrouw possibilisme?

Opmerkingen  naar aanleiding van de Bijbelbespreking in Arnhem.

Thema: Romeinen 6-8

Het was goed om weer in het gezelschap van de “Broeders” te zijn. Goed om mee te maken hoe nauwkeurig en eerbiedig de Bijbel dan wordt gelezen.

Ik was het niet van plan maar ik heb toch een paar keer wat gezegd. Mijn laatste opmerkingen waren wellicht het belangrijkste, althans vanuit mijn perspectief.

Het ging om Romeinen 8.

Wat betekende dat wandelen in de Geest? Is er dan nog wel een plaats voor de Thora? Het typische antwoord van de Vergadering is dan: Nee! Want we zijn niet onder de wet, de mens kan zich ook niet aan de wet van God onderwerpen want we zijn vijanden van God et cetera. Wij leven door de Geest en dat betekent dat wij “automatisch” Gods wil doen zolang wij innerlijk dicht bij God leven.

Dat klinkt een beetje mystiek en dat is het ook. Wat de broeders denk ik niet zien is, dat er een verband is tussen deze uitspraak over het “automatische” gehoorzamen aan Gods wil en de constatering dat wij vaak niet weten of wat wij doen door de Heilige Geest gewerkt is, of uit ons eigen denken en bedenken voortkomt. De Geest werkt dan wel in ons, maar ook het vlees werkt in ons. Alles gaat dan afhangen van de motivatie. Een soort van omkering van Romeinen 7. Ik wil het goede doen, maar ik doe het kwade, en dat is feitelijk wat ik niet wil, dus doet de zonde dat die in mij woont. Dat zegt vers 20 van Romeinen 7. Het leven in de Geest, zoals het wordt voorgesteld, heeft echter een soortgelijke dubbelzinnigheid.

Ik wil het goede doen, maar ben daartoe niet in staat, dus doet de Geest dat die in mij woont. Het goede dat ik doe komt uit de Geest; het kwade dat ik doe komt voort uit de zonde.

Een dergelijke opvatting over de herkomst van onze goede daden, sterk bepaald natuurlijk door de woorden van Paulus “het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken”, wordt in de theologie ook wel het Christomonisme genoemd. Het is een hele aantrekkelijke leer. Christus doet alles in ons, en wanneer we het kwade doen is het ons vlees en de zonde die het doet. Dat is bedoeld om alle roem uit te sluiten, en af te weren wat men ziet als een belangrijke katholieke vergissing, namelijk de samenwerking van onze menselijke wil met de Geest. Die samenwerking, het “synergisme” zou aan de mens een te grote rol toekennen.

Dat leidt in de ethiek tot de positie van het passivisme. Het is niet langer belangrijk om vast te stellen wat we moeten doen, maar het gaat om een innerlijke bereidheid om de impulsen van de Heilige Geest niet tegen te werken. De Geest doet het, Christus doet het, ons vlees werkt alleen tegen.

Daar staat een geheel andere opvatting tegenover, die we het “possibilisme” kunnen noemen. Daar wordt de nadruk gelegd op het feit dat wij in de bekering wel degelijk tot nieuwe mensen worden, met een nieuw leven en levensbeginsel. De Heilige Geest maakt het ons mogelijk om de wil van God niet alleen maar te begrijpen, wat al heel veel is, maar die ook te willen doen. De apostel Johannes is de belangrijkste getuige voor dit possiblisme.

Om een heel lang verhaal dus heel erg kort te maken zei ik in Arnhem alleen maar, dat al deze vragen over het belang van de Thora, de strekking van Mattheus 5:17 het automatisch, doen van Gods wil et cetera, voor mij werden opgelost door de woorden van Johannes: “Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.” Deze woorden uit 1 Joh. 5:2, 3 zijn voor mij een fundament voor de gedachte dat we niet alleen maar met het dubbel gebod te maken hebben, maar inderdaad met een veelheid van geboden. Kortom dat we te maken hebben met de thora.

Ook na de opstanding van de Heer Jezus blijft de Wet van Mozes de volmaakte spiegel (Jacobus) waarin we onszelf leren kennen. Maar ook de volmaakte richtsnoer voor het leven zoals Psalm 119 ons diepgaand schetst.
Het citeren van Mattheus 5, waar de Heer Jezus toch duidelijk zegt dat de Thora zijn geldigheid behoudt, dat geen tittel of jota verloren zal gaan, dat onze gerechtigheid niet anders is dan die van de Farizeeën maar groter moet zijn, wordt in de Vergadering niet eens gehoord. Het vaste schema van de uitleg is immers, dat de Bergrede is uitgesproken voor de opstanding, en daarom geen geldigheid heeft voor ons maar hooguit voor het gelovig overblijfsel van de toekomst. Dat had ik kunnen weten, maar ik vond het wel van belang om het nog even te zeggen.

Na afloop kwam er uiteraard een broeder naar mij toe om mij te melden dat hij wel wist waar ik vandaan kwam. O ja? Zei ik. Ik was uiteraard, vond hij, van gereformeerden huize en had het om die reden moeten opnemen voor het doen van de wet. Hij was volkomen zeker van zijn zaak. Dat had hij “automatisch” begrepen.