Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)

Het sjema – deel 2

De vraag is in welke relatie christenen staan tot wat we hier eerst genoemd hebben “de geloofsbelijdenis van Israël.” En bij die vraag is het van groot belang om ons niet te laten beïnvloeden door een gangbaar modern vooroordeel. Vanuit onze historische positie is het vanzelfsprekend om het christendom en het Jodendom als twee volstrekt gescheiden en aparte godsdiensten te beschouwen. Maar dat heeft te maken met de geschiedenis van de relatie tussen christenen en joden vanaf het einde van de tweede eeuw. In de eerste eeuw, de apostolische tijd, is er geen sprake van een dergelijk onderscheid. De grenzen tussen beide zijn heel beweeglijk en nog niet tot een tegenstelling verhard. Er is nog geen muur die beide van elkaar scheidt. “Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)” verder lezen

Passivisme of possibilisme? – wat is het fundament van Christelijke ethiek?

Passivistisch Christomonisme? Of een Torahgetrouw possibilisme?

Opmerkingen  naar aanleiding van de Bijbelbespreking in Arnhem.

Thema: Romeinen 6-8

Het was goed om weer in het gezelschap van de “Broeders” te zijn. Goed om mee te maken hoe nauwkeurig en eerbiedig de Bijbel dan wordt gelezen.

Ik was het niet van plan maar ik heb toch een paar keer wat gezegd. Mijn laatste opmerkingen waren wellicht het belangrijkste, althans vanuit mijn perspectief.

Het ging om Romeinen 8.

Wat betekende dat wandelen in de Geest? Is er dan nog wel een plaats voor de Thora? Het typische antwoord van de Vergadering is dan: Nee! Want we zijn niet onder de wet, de mens kan zich ook niet aan de wet van God onderwerpen want we zijn vijanden van God et cetera. Wij leven door de Geest en dat betekent dat wij “automatisch” Gods wil doen zolang wij innerlijk dicht bij God leven.

Dat klinkt een beetje mystiek en dat is het ook. Wat de broeders denk ik niet zien is, dat er een verband is tussen deze uitspraak over het “automatische” gehoorzamen aan Gods wil en de constatering dat wij vaak niet weten of wat wij doen door de Heilige Geest gewerkt is, of uit ons eigen denken en bedenken voortkomt. De Geest werkt dan wel in ons, maar ook het vlees werkt in ons. Alles gaat dan afhangen van de motivatie. Een soort van omkering van Romeinen 7. Ik wil het goede doen, maar ik doe het kwade, en dat is feitelijk wat ik niet wil, dus doet de zonde dat die in mij woont. Dat zegt vers 20 van Romeinen 7. Het leven in de Geest, zoals het wordt voorgesteld, heeft echter een soortgelijke dubbelzinnigheid.

Ik wil het goede doen, maar ben daartoe niet in staat, dus doet de Geest dat die in mij woont. Het goede dat ik doe komt uit de Geest; het kwade dat ik doe komt voort uit de zonde.

Een dergelijke opvatting over de herkomst van onze goede daden, sterk bepaald natuurlijk door de woorden van Paulus “het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken”, wordt in de theologie ook wel het Christomonisme genoemd. Het is een hele aantrekkelijke leer. Christus doet alles in ons, en wanneer we het kwade doen is het ons vlees en de zonde die het doet. Dat is bedoeld om alle roem uit te sluiten, en af te weren wat men ziet als een belangrijke katholieke vergissing, namelijk de samenwerking van onze menselijke wil met de Geest. Die samenwerking, het “synergisme” zou aan de mens een te grote rol toekennen.

Dat leidt in de ethiek tot de positie van het passivisme. Het is niet langer belangrijk om vast te stellen wat we moeten doen, maar het gaat om een innerlijke bereidheid om de impulsen van de Heilige Geest niet tegen te werken. De Geest doet het, Christus doet het, ons vlees werkt alleen tegen.

Daar staat een geheel andere opvatting tegenover, die we het “possibilisme” kunnen noemen. Daar wordt de nadruk gelegd op het feit dat wij in de bekering wel degelijk tot nieuwe mensen worden, met een nieuw leven en levensbeginsel. De Heilige Geest maakt het ons mogelijk om de wil van God niet alleen maar te begrijpen, wat al heel veel is, maar die ook te willen doen. De apostel Johannes is de belangrijkste getuige voor dit possiblisme.

Om een heel lang verhaal dus heel erg kort te maken zei ik in Arnhem alleen maar, dat al deze vragen over het belang van de Thora, de strekking van Mattheus 5:17 het automatisch, doen van Gods wil et cetera, voor mij werden opgelost door de woorden van Johannes: “Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.” Deze woorden uit 1 Joh. 5:2, 3 zijn voor mij een fundament voor de gedachte dat we niet alleen maar met het dubbel gebod te maken hebben, maar inderdaad met een veelheid van geboden. Kortom dat we te maken hebben met de thora.

Ook na de opstanding van de Heer Jezus blijft de Wet van Mozes de volmaakte spiegel (Jacobus) waarin we onszelf leren kennen. Maar ook de volmaakte richtsnoer voor het leven zoals Psalm 119 ons diepgaand schetst.
Het citeren van Mattheus 5, waar de Heer Jezus toch duidelijk zegt dat de Thora zijn geldigheid behoudt, dat geen tittel of jota verloren zal gaan, dat onze gerechtigheid niet anders is dan die van de Farizeeën maar groter moet zijn, wordt in de Vergadering niet eens gehoord. Het vaste schema van de uitleg is immers, dat de Bergrede is uitgesproken voor de opstanding, en daarom geen geldigheid heeft voor ons maar hooguit voor het gelovig overblijfsel van de toekomst. Dat had ik kunnen weten, maar ik vond het wel van belang om het nog even te zeggen.

Na afloop kwam er uiteraard een broeder naar mij toe om mij te melden dat hij wel wist waar ik vandaan kwam. O ja? Zei ik. Ik was uiteraard, vond hij, van gereformeerden huize en had het om die reden moeten opnemen voor het doen van de wet. Hij was volkomen zeker van zijn zaak. Dat had hij “automatisch” begrepen.

Vergevingsgezindheid – een goddelijke eigenschap

“Het verstand van een mens doet hem zijn toorn uitstellen, het is zijn sieraad aan een overtreding voorbij te gaan.” (Spr. 19:11)

Vergevingsgezindheid is een eigenschap van de mens, die het dichtste komt bij de eigenschappen van God zelf. God zou je bijna kunnen definiëren als vergevingsgezindheid. In Exodus 34:6 omschrijft God zichzelf: “HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw… Die ongerechtigheid, overtreding en zonden vergeeft.” Er staat nog meer, ook dat de schuldige niet voor onschuldig zal worden gehouden, dus de gerechtigheid van God speelt onmiddellijk ook een rol, maar het gaat mij nu niet om de theologische kwestie hoe de gerechtigheid van God en Zijn vergevingsgezindheid met elkaar samenhangen. Daarover een andere keer. Het gaat mij nu alleen om de eigenschappen van barmhartigheid, genade, geduld, goedertierenheid en trouw.

Natuurlijk spelen vergeving en verzoening in de hele bijbel een grote rol. Maar we kennen allemaal het verhaal uit Lucas 15, het verhaal van de verloren zoon. Daar zien we in een prachtig beeld hoe de vergeving bij God werkt. De zoon kan er niet op rekenen bij zijn terugkeer, hij hoopt alleen dat hij in ieder geval als een slaaf zal worden behandeld, een dak boven zijn hoofd krijgt en tenminste iets beters te eten krijgt dan het varkensvervoer. Maar we zien de vader in het verhaal niet eens wachten tot de zoon bij hem komt, maar hij rent al op hem af, hij kust hem en omhelst hem, hij wacht de woorden van berouw niet eens af, maar valt de zoon in de rede, en richt een feestmaaltijd aan, nodigt buren en familie uit om samen te vieren dat de zoon is teruggekeerd. Net zoals in het verhaal van de barmhartige Samaritaan bij de naastenliefde, gaat het om de overvloed aan vergevingsgezindheid die de vader in het verhaal vertoont – dat is om zo te zeggen de goddelijke overvloed. De vader staat niet zuinig het excuus af te wachten, zegt niet “ik zal nog eens kijken of jij het wel waard bent,” hij houdt geen afstand terwijl die zoon beschaamd zijn best moet doen om het vertrouwen van zijn vader terug te winnen, maar er is overvloed aan genade en barmhartigheid.

Het tweede dat je hier leert is, dat een dergelijke vergevingsgezindheid door anderen niet gewaardeerd wordt. Misschien dat wij er daarom zo slecht in zijn. De oudste zoon staat er knorrend en mopperend bij. Hij begrijpt niet dat dit overdadige feest juist wordt aangericht tegenover een onwaardige broer van hem. Een feest hoort bij een prestatie, denkt hij. En die prestatie heeft hij, de oudste zoon, geleverd. Alleen krijgt hij geen feest. Hij wordt alleen uitgenodigd om te delen in de feestvreugde rondom degene die vergeving ontvangt, om betrokken te raken in het proces van de vergeving. Maar de oudste zoon weigert dat.

Uit het verhaal in Lucas 15 kunnen we dus leren op welke manier God vergeeft. Uitbundig, vrijgevig en volkomen. En God verwacht dat wij op dezelfde manier elkaar vergeven. Zo horen we in de brief aan Efeze 4:32:

“wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig, en vergeef elkaar, ZOALS ook God in Christus u vergeven heeft.”

Zoals. We moeten vergeven op dezelfde manier als God vergeven heeft. Hoe heeft God dat gedaan? Uitbundig, vrijgevig en volkomen. Hij wil niet dat wij elkaar beschamen, op de proef stellen, laten wachten tot we de vergeving verdiend hebben, hij wil niet dat we wegkruipen om alleen maar de positie van een slaaf in te nemen. Hij wil dat wij die relatie volkomen herstellen, en daarin actief zijn en vrijgevig. Zo zijn wij vergeven. Zo horen wij elkaar te vergeven.

We horen het nog uitgebreider in de brief aan Kolosse, hoofdstuk 3:13.

“Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen.”

Hier gaat het ook nog eens over “verdragen”, en vergeven van elke klacht. Als je dit alles samen bekijkt, dan wordt het duidelijk dat God jou heeft vergeven en dan van jou mag verwachten dat ook jij de vergeving beoefent. Sterker nog, er is een direct verband tussen de praktische vergeving van God – die wij elke keer weer moeten ontvangen, 1 Joh. 1:9 – en onze vergeving voor anderen. Want dit is de kern:

“Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.” (Mat. 6:12) 

Cultuur zonder dorst

Pas enkele dagen na mijn preek over Johannes 7 ben ik gaan nadenken over de stevige veronderstelling ervan. In dat gedeelte spreekt Jezus, nee schreeuwt Hij de woorden uit: “als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij, en drinke.” In het Grieks is het duidelijk, dat Jezus meende dat aan deze voorwaarde kon worden voldaan. Het was reëel om te verwachten dat iemand waarachtige dorst zou hebben. Uiteraard niet de fysieke dorst naar water, maar de dorst waarover Psalm 42 spreekt. “Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Ps. 42:2, 3) de vraag is nu, of het in onze tijd vanzelfsprekend is dat mensen deze dorst ervaren.

In mijn preek heb ik al een keer gezegd – maar ik denk dat ik daar onduidelijk over was – dat uiteindelijk niet het gevoel, de beleving van het verlangen doorslaggevend was, maar het inzicht in ons tekort. In de taal van de Heidelberger: om naar de troost te verlangen moet je je ellende kennen. Als Christus mijn enige troost is in leven en sterven, dan zal ik moeten weten “hoe groot mijn zonden en ellende zijn” (zondag 2). En dan vertelt zondag 2 ons, dat wij onze “ellende”, onze troosteloze, van God verlaten en hopeloze toestand, niet kennen uit ons gevoel of ervaring. De bron van de kennis van onze ellende, dat wil zeggen het inzicht in onze werkelijke dorst, komt volgens het antwoord van zondag 3 “Uit de wet Gods.” Immers, Paulus schrijft dat wij uit de wet kennis van de zonde verwerven (Rom. 3:20).

Onze huidige cultuur kent wel degelijk de ervaring van het kwade. Overspel, diefstal, mishandeling en moord worden op zichzelf als kwaad beschouwd. Maar het besef van zonde kent twee elementen die in dat huidige besef niet aanwezig zijn. In de eerste plaats het besef dat zonde niet alleen bestaat in de vorm van duidelijk onderscheiden overtredingen van de strafwet. Zonde is niet alleen maar een kenmerk dat de wetgeving verbindt aan bepaalde daden waarin mensen andere schade toebrengen of pijn doen. Wanneer de Heidelberger zegt dat wij de zonde kennen uit de Wet, dan slaat dat niet alleen maar op de tweede Tafel van de 10 geboden, waarin het gaat over de relatie van mensen tot elkaar. De erkenning van God als de bevrijder, het verbod op het maken van eigenzinnige voorstellingen van deze God, het gebod om de afhankelijkheid tegenover onze Schepper en Bevrijder ook praktisch en concreet te laten zien in het houden van de Sabbat – kortom alle geboden en afleidingen daarvan uit de eerste Tafel, zijn net zo belangrijk in het bepalen van wat zonde is.

Daar komt nog iets bij, namelijk dat zonde niet alleen maar bestaat in de uiterlijke overtreding van een wetsregel, maar ook en wellicht vooral in het wilsbesluit – en de gevoelens van begeerte die daarmee verbonden zijn – om een verkeerde daad te overwegen. In de Bijbelse analyse van de zonde is vooral het verhaal van David illustratief. Aangelokt door de aanblik van de badende Bathseba, neemt David het besluit om zich te blijven verlustigen aan die aanblik. Het besluit vervolgens om het overspel te overwegen, en na te denken over de mogelijke obstakels die uit de weg moeten worden geruimd. (Een overweging die leidt tot de indirecte moord op de echtgenoot van Bathseba.) Het verlangen en de begeerte drijven de wil om in een reeks van daden een voorgesteld doel te bereiken. Dat valt buiten de regels van het strafrecht. Bij dit alles is koning David in het geheel niet strafbaar volgens de heersende normen van die tijd. De uitoefening van zijn Koninklijke macht is, naar geldende normen van het koningschap, geheel en al wettig. De vrouw is in dit geval gewillig. David heeft niet zelf de hand gehad in de dood van de echtgenoot. Die is uiterlijk bezien omgekomen door een vijand in de oorlog.

Het is allemaal een wettige daad, een menselijk verlangen, een uitoefening van een gezag dat rechtmatig aan de koning toekomt, er is daarom ook geen strafrechtelijk proces denkbaar, en toch is het zonde. Het is een overtreding van het vijfde gebod, dat ons opdraagt geen echtbreuk (overspel) te plegen. Het is ook een overtreding van het tiende gebod, dat ons opdraagt niet te begeren. Het is tevens een overtreding van het zesde gebod, dat Davids daad als doodslag karakteriseert en nadrukkelijk ook deze indirecte vorm van moord verbiedt. Het is eigenlijk ook een overtreding van het eerste gebod dat ons verbiedt een god te bedenken naar eigen makelij, in dit geval een god die dergelijke daden goedkeurt en geen kennis heeft van onze innerlijke overwegingen. In Gods ogen is er sprake van een zonde en wel een die tot de dood leidt – “des doods schuldig”! “Het loon van de zonde is de dood” zegt Paulus. Als de zonde volgroeid is, baart zij de dood, zegt Jacobus (Jac. 1:15). Gods perspectief is daarmee geheel anders dan de menselijke overwegingen van David en die van ons als postmoderne mensen.  Hoewel er meer over te zeggen valt, is het daarom van belang, dat David wel vergeving ontvangt – zijn zonde is een zonde tegen God –  maar dat de Heere toch gevolgen verbindt aan zijn daad: “Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de Heere zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven” (2 Sam. 12:14).

Het lijkt erop dat in onze tijd een dergelijke diagnose van de zonde op dovemansoren valt. Onze cultuur is postmodern, wat in ieder geval wil zeggen dat de verschillende kringen waarin mensen leven elk hun eigen systeem van waarden en normen kunnen hebben. In elk van die kringen zou een pleidooi gehouden kunnen worden waarin juist een zekere waardering voor het handelen van David wordt uitgedrukt. Was zijn liefde voor deze vrouw niet zo groot, dat hij er – tragisch natuurlijk – toe kwam om tot het uiterste te gaan om haar voor zich te verwerven? Liefde maakt niet alleen blind, maar soms ook immoreel. De waarde van de liefde gaat echter uiteindelijk die van het machtsmisbruik van David te boven. Ons morele gevoel wordt dieper aangetast door het idee dat een onschuldig kind het slachtoffer zou moeten zijn van de wraakzucht van God, die blijkbaar geen waardering heeft voor de diepe kracht die liefde kan hebben in een mensenleven. Een onschuldige sterft om David te straffen voor iets wat in aanleg juist als goed en bewonderenswaardig wordt ervaren.

De dood van het kind van David en Bathseba wil echter juist illustreren, dat het probleem van de zonde niet alleen maar een probleem is van het gevoel en de ervaring. Het berouw van David kan oprecht zijn geweest. De vergeving van de Heere is een wonderlijk blijk van Zijn liefde. Als het daarbij gebleven was, zouden wij dan niet hebben geprotesteerd tegen het feit, dat de dood van Uria blijkbaar onbestraft is gebleven? Of hadden wij deze man, die gekenschetst wordt als een relatieve buitenstaander in Israël, een huurling, makkelijk uit ons geweten laten ontsnappen? De ernst van de zonde wordt ons eigenlijk pas duidelijk, niet door het overspel van David, dat wij in onze tijd makkelijk kunnen vergoelijken. De ernst van de zonde wordt ons ook niet duidelijk, wanneer we lezen over de beraamde moord tegen Uria. Ons instinct zegt ons dat de opdracht om deze man ter plaatse in het heetst van de strijd nog niet eens als een opzettelijke en persoonlijke schuld kan worden toegerekend. Juist de dood van het kind moet ons duidelijk maken, dat de Heere de zonde onder het regime van haar gevolgen heeft geplaatst.

Wat ik daarmee bedoel, vinden we in Exodus 20. Daar lezen we dat de Heere “de misdaad van de vaderen bezoekt aan de kinderen.” Dat mogen we niet opvatten als “vergelden”, of “bestraffen”. Het woord dat daar wordt gebruikt betekent ook “bezoeken”, dat wil zeggen erbij aanwezig zijn, ontmoeten. De misdaad of zonden van de vaderen wordt zichtbaar en tastbaar in het leven van de kinderen. De zonde heeft gevolgen ver buiten de feitelijkheid van een misdrijf. En God handhaaft deze verder weg liggende gevolgen juist om de zonden te ontmoedigen en haar ware karakter helder te maken. David en Bathseba zullen niet genieten van de vrucht van hun zonden.

Juist wanneer we zien dat de zonde meer is dan een overtreding of misdrijf, wordt duidelijk hoe diep onze ellende is. Een fluisterende stem, een onopzettelijke roddelpraat, een neiging van het hart die zich vertoont in onze gelaatstrekken, al deze dingen hebben gevolgen die ver buiten onze eigen intentie liggen. In de Bergrede maakt Jezus ook duidelijk, dat de echte kracht van het kwade niet ligt in de daad, zoals de echte kracht van de boom niet ligt in de vruchten, maar in de wortels. Onze begeerte sleurt ons mee en verleidt ons. Ons wilsbesluit bevrucht onze begeerte. En die begeerte baart dan de zonde die anderen raakt en verleidt en ontmoedigt en schaadt. (Vgl. Jacobus 1:14, 15) De spottende uitroep “dwaas” is al een vorm van moord. De weigering om je met een ander te verzoenen, bederft al onze verhouding tot God. Het koesteren van een begeerte in het hart staat al gelijk aan de daad van overspel. Trouweloosheid in het huwelijk, gewelddadig verzet tegen vijanden uit wraakzucht, meegesleurd worden in de haat tegen anderen, dat alles wordt door de strafwet niet verboden. Maar in het onderwijs van Jezus is het net zozeer zonde als de in het oog vallende overtredingen van de wet. (Vergelijk de Bergrede in Mattheus 5-7)

Wie zichzelf in het licht van dit begrip van de zonde heeft leren kennen, zal moeten instemmen met de Bijbelse diagnose. Dat de mens vervuld is van allerlei ongerechtigheid. Dat mensen kwaadaardig en hebzuchtig kunnen zijn. Dat wij afgunst voelen en geneigd zijn tot bedrog. Al die dingen die Paulus opsomt in Rom. 1:29 en 30 zijn wij van nature. Ook wanneer wij ze niet doen worden we erdoor gekenmerkt, en sleuren anderen die het wel doen ons met hen mee. Het is een beschrijving van de defecten in ons morele DNA. Het zijn de aangeboren afwijkingen in onze cultuur waardoor wij de kans lopen het een of het ander ook daadwerkelijk te doen.

David kende zijn “ellende”. Onze cultuur heeft zich tegen dat besef ingeënt. Wat nodig is is het heilzame besef van onze morele armoede. Opdat wij kunnen bidden:

“Wend U tot mij en wees mij genadig,
want ik ben eenzaam en ellendig.
De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt,
bevrijdt mij uit mijn angsten.
Zie mijn ellende en mijn moeite,
neem weg al mijn zonden.” (Ps. 25:16-18)

Als wij onze ellende weer kennen, dan kunnen wij onze troost benoemen: “Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet van mij ben, maar van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus het eigendom ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle heerschappij van de duivel heeft verlost.” Dan zullen wij tot Jezus komen in vertrouwen dat Hij onze zonden heeft gedragen en ons een nieuwe “natuur” wil schenken. En dan zullen we tenslotte drinken van het levende water dat Hij ons aanreikt. Dat was ik vergeten te zeggen afgelopen zondag.

Over Schleiermacher en het begin van het Modernisme – bespreking in de studiegroep Gorssel

Vijfde deel van de serie besprekingen in de Studiekring Gorssel over de Reformatie.

Op 17 maart 2017 hebben we Friedrich Schleiermacher besproken. De grote kerkvader van de 19e eeuw en de oorsprong van het Modernisme in de theologie.
Geloof wordt in deze eeuw het dominante thema, maar dan in de versie van de Romantiek: het diepe gevoel van “absolute afhankelijkheid”, dat kan worden begrepen als de “ontvankelijkheid” voor de Totaliteit, de Kosmos, d.w.z. het Goddelijke.
Alle religies en zelfs atheïsten kennen dit diep menselijke gevoel, en daarop zijn alle religies gebaseerd. Uiteindelijk berust hierop ook het “waardenbewustzijn” van de samenleving. Om goed in het leven te staan moet een mens zijn eigen religieuze overtuigingen opbouwen met dit gevoel als bron en als kriterium. Een consequentie daarvan is de achterstelling van het Woord, de Openbaring door de heilige Geest en de exclusiviteit van het Evangelie. Individualisme vervangt het opperste gezag van Christus in de kerk.
Kritiek op Schleiermacher was er genoeg: van de kant van Hegel, van de kant van orthodoxe theologen, maar ook van de beweging van het Réveil, dat óók het gevoel een plaats gaf in het geloof, maar hier bleef het Woord, het Evangelie en de Heilige Geest dominant.
Schleiermacher is het beste te begrijpen als een “seculiere Piëtist”.

Verslag van de bijbelbespreking van maandag 13 maart: Rebecca – deel 2

We kijken nu naar een aantal andere teksten waarin we het karakter en de daden van Rebecca te horen krijgen. Dan gaat het over haar onvruchtbaarheid (Gen. 25:21), de geboorte van de tweeling (22-26), en haar voorkeur voor Jacob. Maar ook over de liefde van Jacob en Rebecca die blijkt uit het gezamenlijke gebed (25:21) en hun liefkozingen (26:8). We horen ook nog over haar moeilijkheden met haar schoondochters, de vrouwen van Ezau (26:35). Maar het hoogtepunt is ongetwijfeld de list die zij met Jacob uitvoert om het eerstgeboorterecht van Ezau weg te nemen in hoofdstuk 27.

1. De geboorte

Net als Sara is Rebecca eerst onvruchtbaar. Izaak en Rebecca bidden nu gezamenlijk om een kind en dat gebed wordt verhoord. Rebecca wordt zwanger. Maar zij wordt zwanger van een tweeling. Dat had ze niet verwacht. In zekere zin krijgt ze nu twee eerstgeborenen, tenminste als beide kinderen mannelijk zouden zijn. Wat is daarvan de bedoeling? Wanneer Rebecca ontdekt dat ze zwanger is van een tweeling, vraagt ze waarom dit haar overkomt. En dan is het mooi te zien dat zij het antwoord bij God zoekt: “En zij ging de Heere raadplegen” (25:22).

Het antwoord van de Heere is, dat deze twee eerstgeborenen niet op hetzelfde niveau zullen staan. Er is niet één eerstgeborene, uit wie uiteindelijk de beloofde nakomelingen – dat ene volk, dat ene nageslacht – zal voortkomen. Er zijn er twee, die stamvader van twee verschillende volkeren zullen zijn. De ene eerstgeborene is de stamvader van het volk Israël, de andere eerstgeborene is uiteindelijk de stamvader van het volk van Edom. Tussen deze volkeren bestaat een scheiding (23a), en het ene zal sterker zijn dan het andere, en de grotere (of de meerdere) zal de kleinere (of de mindere) dienen (23b). Maar het is nog onduidelijk waarin deze sterkte dan ligt, en wat het betekent groot of klein te zijn.

De eerste aanwijzing voor het antwoord krijgt Rebecca al bij de geboorte van de tweeling. Het eerste kind dat tevoorschijn komt is “rossig en helemaal behaard als een haren mantel” (25:25). In die tijd is dat een aanwijzing van een soort aangeboren woestheid. En zo zal later ook het karakter van Ezau zijn. Een dergelijke aanwijzing voor het karakter van Jacob wordt ook zichtbaar bij de geboorte. Als de broer van Ezau tevoorschijn komt, houdt zijn hand de hiel van Ezau vast. Daaraan dankt Jacob zijn naam. Het Hebreeuwse woord voor hiel is namelijk eeqèv. De Hebreeuwse uitdrukking voor bedriegen is: de hiel vastpakken. Daarom krijgt Jacob deze dubbelzinnige naam. Hij is de Hielpakker, maar dat betekent wellicht ook: de Bedrieger. (EEQÈV -> JAÁQOV)

2. Het opgroeien van de tweeling

De tweede aanwijzing ligt in hun gedrag tijdens het opgroeien. Ezau wordt “een man ervaren in de jacht, een man van het veld” (vers 27). De bijbel is niet erg positief over het jagen. Denk maar aan Nimrod in Genesis 10:8-10. Babel komt uit het nageslacht van Nimrod! Uiteindelijk zal God alleen maar het eten van dieren toestaan, die gefokt en verzorgd zijn en gedomesticeerd. Dieren dus die uiteindelijk hun leven te danken hebben aan de mens, mogen dan door de mens gegeten worden. Maar de dieren van het vrije veld zijn niet als voedsel toegestaan. Hier geldt dat verbod nog niet, want Izaak eet van het wildbraad. Het lijkt waarschijnlijk dat Ezau niet alleen maar gejaagd heeft voor het voedsel. Hij is gewend om in het vrije veld te bivakkeren, en als ervaren jager schiet hij ook op dieren gewoon voor de sport.

 

Zijn tweelingbroer Jacob is een heel ander mens. Hij wordt een “oprecht man” genoemd, heel anders dus dan zijn naam van bedrieger deed vermoeden. Misschien kun je zeggen dat deze eigenschap wel in hem zat, maar bij het opgroeien nog niet tevoorschijn kwam. Er was ook geen aanleiding voor. Deze “oprechte man” woonde in tenten, een aanduiding dat hij veel tijd met zijn moeder doorbracht. Jacob krijgt dus nadrukkelijk een opvoeding van een van zijn ouders, van zijn moeder. Maar wie had dit jagen aan Ezau geleerd? Dat kan niet zijn vader zijn geweest, die immers blind aan het worden was. Hij moet het geleerd hebben van een van de knechten van Izaak. Hij heeft een vervangende vader gehad, misschien wel iemand uit het volk van het land. Misschien wel een van zijn latere schoonvaders, Beëri en Elon, de Hethieten (26:34).

Zo trekt Ezau nadrukkelijk een andere kant op dan God gewenst had. Het wordt langzamerhand duidelijk dat hij niet geschikt is om als de eerstgeborene (de “BECHOR” in het Hebreeuws) ook de zegen (“BERACHA”) van Abraham door te geven. Rebecca zit dus met een probleem. Een van de broers moet de stamvader worden van het volk Israël, en de belofte aan Abraham realiseren. Maar deze eerstgeborene heeft niet het vereiste karakter. Jacob, de oprechte, heeft dat wel. Maar hij is de tweede die geboren is en kan daarvoor niet in aanmerking komen. Hoe zal deze spanning worden opgelost? (En Jacob is daarbij zeker niet perfect en zal moeten leren van zijn “ballingschap” in Paddan-Aram – een verwijzing wellicht ook naar de latere ballingschap van Israël.)

3. Het begrijpen van de profetie: wie is de meerdere?

Rebecca heeft nog een ander probleem. Hoe moet zij het woord van de Heere nu begrijpen? God had gezegd dat de meerdere de mindere zou dienen. Is de meerdere nu Ezau, die groter en krachtiger is en bovendien de eerstgeborene? Dan zal de mindere, dat is Jacob, de plaats van zijn tweelingbroer moeten innemen. Izaak had kunnen zeggen, dat Jacob weliswaar in geestelijke zin de meerdere is, maar dat hij toch de mindere, dat is dan Ezau, zal moeten dienen. Ik krijg de indruk dat Izaak en Rebecca hier strijd over hebben gehad. De profetie lijkt dubbelzinnig. Je kunt het uitleggen naar je persoonlijke voorkeur, zoals Izaak overduidelijk ook doet. Het woordje voor groot of meerdere kan zowel op het fysieke als op het geestelijke slaan. En het woordje voor mindere duidt vooral iets aan van kwetsbaarheid en zwakte. Rebecca blijkt hier dieper inzicht te hebben dan haar man.

Rebecca moet nu iets doen, wat ook voor ons van belang is. Zij moet het woord van de Heere interpreteren zodat ze duidelijk voor zich ziet wat haar te doen staat. Ook wij lezen de bijbel om te ontdekken wat de Heere van ons wil. Wanneer wij de Heere raadplegen is dat niet alleen in gebed maar eerst en vooral in het lezen van de bijbel. Uiteraard niet zonder gebed. Rebecca begrijpt de woorden van God nu zo, dat Ezau de meerdere is en dat Jacob dus uiteindelijk het eerstgeboorterecht moet ontvangen. Ezau moet Jakob dienen. En dat vertelt zij ongetwijfeld ook aan Jacob. Vandaar de episode van het verkopen van het eerstgeboorterecht in de verzen 29 tot en met 34.

4. De minachting voor het eerstgeboorterecht bij Ezau

Jacob is listig en wil het eerstgeboorterecht “kopen”. We moeten goed begrijpen dat dat een list is. Het is een test om te zien hoe ver Ezau gaan wil. Om te zien of hij aanspraak zal maken op zijn bijzondere positie. Het eerstgeboorterecht kan niet als een bezit worden gezien dat kan worden gekocht of verkocht. Het is dus maar beeldspraak. Maar Ezau gaat behoorlijk ver. In vers 32 maakt hij duidelijk, dat hij alleen maar zorg heeft voor zijn eigen leven. “Zie, ik ga toch sterven.”

 

Dutch School; Esau Selling His Birthright to Jacob; Durham University; http://www.artuk.org/artworks/esau-selling-his-birthright-to-jacob-47628

 

Zo zien we hoe ongeschikt Ezau is voor zijn bijzondere taak. Het leven van Abraham Isaak en Jakob draait om het doorgeven van de zegen aan hun nakomelingen, dat God vormen zou tot Zijn eigen volk. Op grond van hun geloof keken ze verder dan hun eigen leven. Zij hebben zichzelf in de eerste plaats gezien als erfgenamen van een belofte. Maar niet als degenen die de vervulling van die belofte zouden verkrijgen. Zoals Hebreeën 11:13 het zegt, “Zij hebben de vervulling van de belofte niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet.”

Dat geldt overduidelijk niet voor Ezau. Hij is bereid om met het zweren van een eed het eerstgeboorterecht af te staan. Waarom moeite doen voor een nageslacht? Waarom een zegen doorgeven die je niet zelf genieten kunt? En wat dat betekent zegt vers 34: “Zo verachtte Ezau het eerstgeboorterecht.”

5. De liefde van Izaak en Rebecca

Rebecca en Izaak hebben in het begin een goede verhouding met elkaar gehad. Ze hebben samen gebeden om het krijgen van een kind in hoofdstuk 25:21. “Izaak bad vurig tot de Heere in het bijzijn van zijn vrouw.” Geweldig is dat, als je met je partner samen kunt bidden. En ook nadat het conflict over het eerstgeboorterecht een rol gaat spelen, blijft de liefde intact. Als in hoofdstuk 26 over de hongersnood wordt gesproken, blijkt Izaak de les van zijn vader niet goed geleerd te hebben. Wanneer hij naar Gerar trekt, om bij Abimelech, de koning van de Filistijnen om voedsel te vragen, zegt hij dat Rebecca zijn zuster is. Want net als Sara was zij “knap om te zien.” Een teken dat deze Filistijnen al net zo verdorven waren als de Egyptenaren. Maar dan lezen we in vers 8 dat Abimelech er achter komt dat zij zijn vrouw is, toen hij “uit het venster keek en zag, en zie, Izaak was zijn vrouw Rebecca aan het liefkozen.”

Nog een andere zaak waar Izaak en Rebecca het over eens waren, was de ongehoorzaamheid van Ezau bij het vinden van een vrouw. Wanneer Ezau eenmaal 40 jaar oud geworden is, ziet hij de kans schoon om tegen de wil van zijn vader en moeder in te gaan. Hij trouwt met twee Kanaänitische meisjes Judith en Basmath. Judith betekent in het Hebreeuws “de geprezene”, maar de naam komt vermoedelijk uit een taal van de Filistijnen. De naam Basmath betekent zoiets als “de geurige, de welriekende”. Maar ook dat kan in de taal van de Filistijnen een andere betekenis hebben gehad. Later trouwt Ezau ook nog met Machalath, een dochter van Ishmaël. Dat is ook weer merkwaardig. Ezau heeft ontdekt dat de dochters van de Kanaänieten (de Hethieten vormen daar een deel van) “niet deugden in de ogen van zijn vader Izaak”, en daarom neemt hij een dochter van Ishmael tot vrouw. Maar de enige mogelijke vrouw voor de eerstgeborene zou moeten komen uit de verwanten, dus uit dezelfde kringen waarin Jacob nu zijn vrouw gaat zoeken. Alleen deze verwanten geloven in de God van Abraham. De familie van Abraham’s broer Nachor of Haran is geschikt. Ezau kiest dus opnieuw de verkeerde vrouw.

De liefde tussen Izaak en Rebecca is jaren later toch ook weer bekoeld. We zien ze in de hoofdstukken 27 en later niet meer samen optreden of met elkaar spreken. De tweeling en het conflict over het eerstgeboorterecht heeft een diepe scheiding tussen hen teweeggebracht. Misschien is dat ook de reden dat Izaak geen andere kinderen dan deze twee heeft gehad. Na de geboorte van de tweeling heeft ofwel Izaak geen belangstelling meer voor zijn vrouw, ofwel Rebecca is opnieuw onvruchtbaar.

6. Moeder en zoon: list en bedrog

Hoofdstuk 27 spreekt nu over de list van Rebecca en het bedrog van Jacob. De ouderdom van Izaak brengt met zich mee, dat hij nog voor zijn dood de zegen voor de eerstgeborene aan Ezau wil geven. En die zegen is geen geringe zaak. Het is, zoals 27:7 het zegt, een plechtige zegen “voor het aangezicht van de Heere.” Dat betekent dat deze zegening God als getuige heeft, en dus onherroepelijk is en bovendien werkzaam zal zijn. Wat Izaak tegen zijn zoon zal zeggen, heeft de kracht van een profetie omdat God in de hemel die woorden ondersteunt en er de getuige van is.

We kennen het verhaal. Wanneer Ezau gaat jagen om een smakelijk gerecht voor Izaak klaar te maken, neemt Rebecca het heft in handen. Zij zal twee geitenblokjes bereiden als een maaltijd voor Izaak. En dan zal Izaak Jacob zegenen voor het aangezicht van God. Jacob brengt een bezwaar in. Vers 12: “Misschien betast mijn vader mij; dan zal ik in zijn ogen als een bedrieger zijn.” Dan komt de list van Rebecca tot volle ontplooiing. Ze heeft aan alles gedacht. Ze neemt de kostbare kleding van Ezau die ze bij zich in huis had – wonderlijk, want waarom is die kleding niet in de tent van Ezau zelf? De enige reden kan zijn, dat Ezau zijn eigen vrouwen niet eens zijn kostbare kleding toevertrouwd – ze neemt de kleding van Ezau en trekt die Jacob aan. Ze neemt het vel van de geitenbokjes en trekt het over zijn hals en handen. En dan geeft ze het vlees en het brood in zijn handen en stuurt hem naar zijn vader. Op dit punt had Jacob nog kunnen weigeren om mee te doen.

Maar Jacob weigert niet. Hij liegt tegen zijn vader in vers 19: “Jacob zei tegen zijn vader: Ik ben Ezau, uw eerstgeborene.” Jacob vertrouwt het niet want de jacht is nogal snel gegaan – vers 20. Daarom wil Izaak zijn zoon betasten om te zien of het werkelijk Ezau is. En zijn conclusie is dat de stem die van Jacob is, maar de handen die van Ezau. De beharing van Ezau kan worden nagebootst, maar de stem niet. In vers 23 geeft Izaak een algemene zegen aan Jakob. (“En hij zegende hem.”) Maar nogmaals vraagt hij, en dat is de derde keer dat hij twijfelt, of dit echt zijn zoon Ezau is? En opnieuw liegt Jacob met de woorden: “Dat ben ik.”

En dan nog voor de vierde keer heeft Izaak een bevestiging nodig. Maar wanneer hij de geur van de kleren van Ezau ruikt, gaat hij overstag. Nu geeft hij aan Jakob de onherroepelijke en profetische zegen. Het is de zegen van koren en nieuwe wijn, en van de vruchtbaarheid. Maar het is ook de zegen van de geestelijke heerschappij van Israël: “Volken zullen je dienen, naties zullen zich voor je buigen.” Deze heerschappij van Israël zal uiteindelijk worden uitgeoefend door de ene zoon uit Israël, de Heere Jezus Christus. Niet door het volk zelf! Jacob zal geestelijk de heerser zijn over zijn broers. Dat is dan Ezau en zijn nazaten.

7. Rebecca redt Jacob

Wanneer Ezau het bedrog bemerkt en tevreden moet zijn met de zegen voor de andere zoon, is het leven van Jacob in gevaar. Het bijzondere trouwens van de zegen die Ezau ontvangt, is dat het moeilijk voor te stellen is, dat deze tweede zegen voor Jacob bedoeld zou zijn. Woorden als: “van je zwaard zul je leven” en dat hij zal wonen in de “vruchtbare streken van de aarde”, zijn op Jacob en zijn karakter toch zeker niet van toepassing geweest. Van jager wordt Ezau hier bovendien krijger en rover, omdat hij van het zwaard moet leven. Maar tegelijkertijd wordt hij voorgesteld als een dienaar van zijn broer – wat uitsluitend in geestelijke zin verstaan kan worden. Uiteindelijk zullen alle volkeren Gods Woord horen en erkennen. En dan tenslotte zegt Izaak dat Ezau bij machte zal zijn om zich los te rukken van het juk van Jacob. Zoals later inderdaad Edom zich zou losrukken van het gezag van Israël. (Die profetie zou nog eens uitkomen: Koning Herodes die heerste over Galilea rond de geboorte van Jezus, was een Edomiet!)

Om Jacob te redden van de wraak van Ezau stuurt Rebecca hem naar Laban. Daar zal Jacob ook zijn vrouwen vinden. En daarmee verdwijnt Rebecca uit het gezichtsveld van de bijbel.

8. Conclusie

Gods voorzienigheid werkt soms op wonderbare wijze. Pogingen van de mens om Hem dwars te zitten brengen God niet van de wijs. “God is getrouw, Zijn plannen falen niet.” Soms maakt Hij juist gebruik van de zonden van mensen om Zijn reddingsplan door te zetten. Op een of andere wijze moest worden verhinderd, dat Izaak aan de ongeschikte zoon de zegen van de eerstgeborene gaf. Misschien had Rebecca met Izaak kunnen spreken over haar zorgen. Maar hun relatie stond dat blijkbaar niet meer toe. Izaak had misschien verstandiger kunnen oordelen over het karakter van zijn zoons. Maar zijn eigen persoonlijke voorkeur voor die sterke zoon, die zonder angst kon optreden, had hem blind gemaakt. Dat was hij ook letterlijk geworden. Omdat Izaak geestelijk blind is voor het karakter van zijn zoons, is zijn fysieke blindheid erbij gekomen en die is ook de reden dat het bedrog van Jacob uiteindelijk kon slagen.

Rebecca heeft net als Sara gemeend God een handje te moeten helpen. Izaak wordt bedrogen, Ezau wordt beroofd. Vanuit haar gezichtspunt is dat voor het goede doel. En zeker, de Heere maakt er gebruik van. Maar tegelijkertijd ontgaat Rebecca de straf niet. 14 jaar lang zal zij van haar zoon Jacob gescheiden zijn. Omdat we later alleen horen van de hereniging tussen Izaak en Jacob, is het niet ondenkbaar dat Rebecca intussen is gestorven. In dat geval heeft zij haar zoon nooit meer teruggezien. God gebruikt de zonden van Rebecca, maar tegelijkertijd rust er voor haar zelf geen zegen op.

De volgende keer zullen wij met elkaar spreken over het boek Ruth.