KLIVE! Extra – Geestelijke Liederen

Een aantal liederen uit de Vergaderingsbundel “Geestelijke Liederen” hebben we in deze korte uitzending besproken.

Kol. 3:16 is een sleutel om het zingen van de gemeente te verstaan.

(1) Het Woord van Christus moet rijkelijk in ons hart wonen zodat we
(2) met Psalmen, lofzangen en geestelijke Liederen Hem “de vrucht van onze lippen” als een offer kunnen aanbieden. en
(3) daarmee wijzen we elkaar terecht en leren we elkaar de inhoud van het evangelie mar met als voorwaarde dat we
(4) met dankbaarheid zingen in ons hart, want we moeten de Vader aanbidden in geest en waarheid.

Waarom ik geen christen meer ben

Met de naam “christenen” worden alle mensen bedoeld die op een of andere wijze met een of andere christelijke traditie of kerk verbonden zijn. Daar schuilt nog tot op zekere hoogte de oorspronkelijke betekenis van het woord in. Een “christianos” was een oorspronkelijke scheldnaam voor de volgelingen van Jezus in de Grieks-Romeinse wereld. Het betekende letterlijk dat je tot het huisgezin van ene Christus behoorde. Maar die naam Christus was in de Grieks-Romeinse wereld niet te onderscheiden van een ander woord, namelijk “christos” in de betekenis van slaaf. Doorgaan met het lezen van “Waarom ik geen christen meer ben”

Dat moeilijke geloof… Exegetische problemen in Rom. 1:17 – (eerste ruwe versie van de inleiding)

“Niet immers schaam ik mij voor het evangelie, want een kracht van God is het tot behoud voor een ieder die gelooft, en wel eerst voor de Jood en dan ook voor de Griek.
Gerechtigheid immers van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, ‘maar de rechtvaardige zal uit geloof (over –) leven.'”

Een bijzonder moeilijke tekst in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen zijn deze verzen 16 en 17. Wanneer aan deze verzen inderdaad de functie toekomt het thema van de brief te omschrijven, is het eigenlijk vreemd dat Paulus hier een uitdrukking gebruikt die op het eerste gezicht helemaal niet zo helder is. Het gaat om de uitdrukking “uit geloof tot geloof”, dat zowel op de gerechtigheid kan slaan, als op het woord geopenbaard. Gaat het om een gerechtigheid die het geloof als bron of voorwaarde heeft? Of gaat het om een gerechtigheid die wordt erkend of ontvangen vanuit geloof? Gaat het om een geloof dat bij een individu groeit tot meer geloof? Of om een geloof dat aanstekelijk werkt en anderen tot geloof brengt? Of is het subject van het eerste geloof iemand anders dan wij en moeten we denken aan de trouw, bijvoorbeeld de trouw aan het verbond, dat de Here Jezus kenmerkte?

Aan het woord “geloof” kleeft ook nog de dubbelzinnigheid, dat het zowel om een benaming van het evangelie met verstand en wil kan gaan, als ook om datgene wat met verstand en wil wordt erkend, terwijl het ook de eenvoudiger connotatie van vertrouwen of trouw kan hebben.

De oplossingen die in de exegetische literatuur te vinden zijn, lopen sterk uiteen. We geven een overzicht:

  1. Thomas van Aquino, “deze gerechtigheid van God wordt geopenbaard in het evangelie voorzover mensen worden gerechtvaardigd door geloof in het evangelie in elk tijdperk. Daarom voegt hij eraan toe ‘ uit geloof tot geloof’, dat wil zeggen, vanuit het geloof binnen het Oude Testament tot het geloof in het Nieuwe Testament, omdat in beide gevallen mensen rechtvaardig worden gemaakt en worden gered door geloof in Christus, omdat zij hebben geloofd in Zijn komst met het zelfde geloof dat wij hebben dat Hij gekomen is. […]
    Het kan echter ook betekenen: van het geloof van de predikers tot het geloof van de hoorders – Rom. 10:14. Of van het geloof in het ene geloofsartikel tot het andere, omdat rechtvaardiging het geloof in alle artikelen van het geloof vereist: ‘zalig is hij die de woorden van deze profetie leest en hoort’ (Op. 1:3).
  2. Johannes Calvijn (noot 1): gerechtigheid wordt door het evangelie aangeboden, het wordt door geloof ontvangen. Dus: uit geloof, d.w.z. uit het evangelie dat wij geloven. En hij voegt toe “tot geloof; want als ons geloof voortgang maakt en vooruitgaat in kennis, wordt ook de gerechtigheid van God in ons groter, en het bezit ervan wordt op zekere wijze bevestigd.” Het gaat dus om de dagelijkse vooruitgang die elke gelovige doormaakt.
  3. Kanttekeningen bij de Statenvertaling op Rom. 1:17.  Hier sluit men aan bij Calvijn. “36. Dat is, tot dagelijkse toeneming en versterking in het geloof.”
  4. BMK, de verklarende kanttekeningen van Dr. H.M. Matter: “de gerechtigheid is uit het geloof, dat wil zeggen we kunnen haar niet verwerven, zelfs niet uitdenken. We kunnen haar slechts als voldongen feit geloven. We zouden het kortweg kunnen weergeven door g”eloofsgerechtigheid” in tegenstelling tot de “werkgerechtigheid” der Joden. “Tot geloof” onderstreept het voorafgaande uit geloof nog eens. (…) Ons geloof wordt integendeel steeds meer geloof.”
  5. NET: “het zou kunnen betekenen dat deze gerechtigheid door het geloof wordt verworven omdat het voor geloof bestemd was.”
  6. MNC, John MacArthur: “uit geloof tot geloof lijkt een parallel te zijn van “een ieder die gelooft” in het voorafgaande vers. Als dat zo is, dan betekent het zoiets als “van geloof tot geloof tot geloof tot geloof,” alsof Paulus het geloof van elke individuele gelovige apart wilde benoemen.” Een keten van mensen die tot bekering komen.
  7. CNT (Jakob van Bruggen): Je zou kunnen zeggen: “de gerechtigheid van God wordt openbaar in het evangelie van geloof tot geloof.” Het evangelie kan enkel en alleen door geloof worden aangenomen. Deze interpretatie verwerpt Van Brugge echter en zegt het volgende: “het accent ligt op het evangelie als gebeurtenis van verkondiging in die tijd. Het evangelie verspreidde zich in de wereld als een lopend vuurtje van het geloof van de ene prediker naar het geloof van de andere gelovende.” Het geloof verbreidt zich dus ook van de joodse christenen naar de niet-joodse christenen toe. Belangrijk is ook dat Van Brugge de mogelijkheid verwerpt dat Paulus deze woorden gebruikt als een exegese van het citaat uit Habakuk. Het gaat er alleen maar om dat het geloof een kracht is tot behoud. Wanneer het wel een uitleg zou zijn van dit citaat, dan kan het niet gaan om het “overslaan van het geloof van de een op de andere dankzij het evangelie.”
  8. NIBC, “in het licht van 3:21-22 is de meest natuurlijke betekenis “vanuit Gods trouw tot menselijke trouw.” (Zo ook James Dunn.) De tekst in het derde hoofdstuk zegt “door het geloof [van Jezus Christus ] tot allen die geloven.” Als we de genitivus moeten lezen als een genitivus objectivus – dus als het geloof in Jezus Christus – is er echter geen sprake van een parallel tussen 3:21 e.v. en 1:17.
  9. IB, “de lastige uitdrukking, letterlijk weergegeven als uit geloof tot geloof, is waarschijnlijk alleen maar een manier om het exclusieve belang van het geloof te benadrukken, alsof je kan zeggen, “geloof van begin tot eind.” (Gerald R. Cragg) Het citaat van Habakuk past niet helemaal bij deze gedachte, maar ondersteunt het idee van Paulus dat dit geloof al in het Oude Testament is aangekondigd.
  10. EBC is van mening dat de uitdrukking “uit geloof” geen verwijzing is naar een uitgangspunt, noch het uitgangspunt van Gods trouw, noch het uitgangspunt van het geloof van een prediker. Het Griekse voorzetsel is immers niet apo, dat naar een herkomst verwijst, maar ek, dat door Paulus regelmatig samen met geloof wordt gebruikt om te spreken over de grondslag van de rechtvaar-diging. Of van de gerechtigheid. De term gerechtigheid kan vaak de kracht krijgen van de rechtvaardiging. Problematisch is alleen de uitdrukking tot geloof. “Misschien wil dit zeggen dat de gelovigen moet worden vermaand dat het geloof dat rechtvaardigt alleen het begin van het christelijk leven is. Dezelfde houding van het geloof moet ook dominant zijn in de voortgaande ervaring van gelovigen als kinderen van God.” Harrison en Hagner citeren met instemming Bruce, dat het citaat van Habakuk eigenlijk de tekst is van deze hele brief; “wat hierna volgt is in hoge mate een expositie van de woorden van de profeet.”
  11. Enduring Word (David Guzik) – “door geloof van begin tot eind.” Dat wil zeggen niet vanuit geloof tot werken, of uit werken tot geloof; maar van geloof tot geloof, dat is “alleen door geloof.”

De uitleg van vers 17 door de eeuwen heen en verspreid over verschillende tradities kan ruwweg in drie categorieën worden ingedeeld. Wat betekent de uitdrukking van geloof tot geloof?

1) het verwijst naar de voortgang van het evangelie door de prediking.
2) het verwijst naar de voortgang van het evangelie in het leven van een christen
3) het is een omschrijving van het evangelie: Gods trouw tot (ons) geloof

Welke van deze drie interpretaties wordt nu door de context gesteund?

Paulus heeft net hiervoor gezegd dat hij bereid is het evangelie te verkondigen. Het is immers een kracht tot behoudenis. In het evangelie wordt immers de gerechtigheid van God geopenbaard – een gerechtigheid die in het eerstvolgende gedeelte vooral gezien wordt als Gods maatstaf van gerechtigheid tegenover een goddeloze en onrechtvaardige wereld. Dat wordt helder in vers 18.

In de onmiddellijke context is de uitdrukking “voor ieder die gelooft” die eraan voorafgaat, en het citaat van Habakuk dat erop volgt van groot belang. Paulus introduceert de term “geloof” in eerste instantie in verband met de behoudenis. Die behoudenis ligt volgens het geheel van de brief in het ontvangen van Gods gerechtigheid als een gave. Geloof is dus vooral het aannemen van het aanbod van het evangelie. De erkenning van de gerechtigheid van Christus waaraan ik deel mag krijgen als ik mij daartoe wend in geloof.

Op grond hiervan lijkt mij de eerste uitleg niet helemaal ter zake. Wanneer het zou gaan om de prediking, dan leggen we een verband met vers 6 en vers 15. Paulus die het evangelie wil verkondigen in Rome, laat die gedachte mee klinken in de uitdrukking van geloof tot geloof. Ook vers 6 krijgt dan gewicht, waar Paulus spreekt over het feit dat het geloof van de gemeente in Rome over de hele wereld bekend is geraakt. Op grond daarvan zou je kunnen besluiten dat de prediking van het evangelie aan de orde is in de uitdrukking van geloof tot geloof. Het lijkt mij echter dat we daardoor de directe context te zeer verwaarlozen.

Ook de tweede uitleg is onbevredigend, omdat we voor die benadering helemaal geen aanknopingspunt hebben in de context. Hooguit zou je kunnen zeggen dat de vertroosting door elkaars geloof in vers 12 dan zou meewegen in de uitdrukking van vers 17. Ook dat lijkt mij te ver weg voor de uitleg van deze problematische uitdrukking.

Dan blijven er twee mogelijkheden over. Wanneer we het voorafgaande vers 16 benadrukken, zou de uitdrukking van geloof tot geloof te maken kunnen hebben met het ontvangen van de gerechtigheid van God door geloof in Jezus. Dat geloof is de voorwaarde van het ontvangen van Gods gerechtigheid, dat wil zeggen van de behoudenis. Het evangelie openbaart dat de gerechtigheid van God alleen maar door geloof kan worden aangenomen. Uit geloof betekent dan zoiets als “alleen maar door geloof aan te nemen”. Dat is dan de eerste mogelijkheid: in het evangelie wordt geopenbaard, dat de gerechtigheid (dat wil zeggen de rechtvaardiging die wij ontvangen) het geloof als grondslag heeft.

Dan blijven we echter zitten met de eigenlijk overbodige uitdrukking “tot geloof.” De verklaring van sommigen dat Paulus daarmee alleen maar een nadruk wil geven is voor mij niet bevredigend. De kanttekening van de EBC, dat het voorzetsel ek doorgaans bij Paulus gebruikt wordt om de grondslag aan te geven en niet de herkomst, moeten we hier ook verdisconteren.

Wanneer de gerechtigheid is op grond van geloof, wat betekent het dan dat ze ook “tot geloof” is? Zou het kunnen zijn dat Paulus “uit geloof” in verband brengt met vervullen van de voorwaarde voor het ontvangen van de gerechtigheid, en tot geloof verbindt met de openbaring daarvan? De gerechtigheid in het evangelie wordt ontvangen door het geloof, en is geopenbaard om dat geloof op te roepen.

Het nadeel echter van deze optie is, dat het citaat van Habakuk in het tweede deel van vers 17 nu geen belangrijk doel meer dient. Het illustreert alleen een samenhang tussen gerechtigheid en geloof. Is het wel zo zeker dat Paulus geen exegese van dit vers probeert te geven?

Sommigen sluiten deze mogelijkheid uit, ook met een beroep op het feit dat de lezers in Rome over het algemeen geen Hebreeuws kunnen lezen, en de Hebreeuwse tekst van Habakuk dus ook niet in het hoofd hebben. Die Hebreeuwse tekst bevat namelijk een dubbelzinnigheid. Letterlijk staat daar: “en (of: maar) de rechtvaardige zal leven in (door) “zijn” geloof. Het woordje “zijn” is in het Hebreeuws maar een enkele letter, een zogenaamde wav. De Hebreeuwse tekst maakt niet duidelijk of de rechtvaardige leven zal op grond van zijn geloof, dat wil zeggen zijn trouw en vertrouwen binnen het verbond, of dat hij zal leven op grond van Zijn, dat is Gods trouw aan het Verbond. Die ambiguïteit is wellicht ook opzettelijk. Het is juist de bedoeling, dat we met deze beide vertaalmogelijkheden rekening houden.

In het Grieks kan Paulus die mogelijkheden suggereren door het woordje “zijn” gewoon weg te laten. En daarmee is een exegese van de tekst van Habakuk voorbereid. Gerechtigheid van God wordt geopenbaard op grond van Gods trouw (uit geloof) die het vertrouwen en de trouw van de gelovigen mogelijk maakt (tot geloof). Dat is dan ook dezelfde gedachte van hoofdstuk 3:26.

Het lijkt daarmee duidelijk geworden dat de beste benadering ligt in de derde mogelijkheid. De behouden s is voor ieen eder die zijn geloof stelt in het evangelie. In dat evangelie wordt Gods gerechtigheid immers geopenbaard op een bijzondere wijze. Gerechtigheid van God blijkt te zijn een daad van Gods trouw die ontvangen wordt en erkend wordt in ons geloof. De gerechtvaardigde op grond van Gods trouw die zal leven. Want de gerechtigheid die nodig is om staande te blijven in het oordeel, wordt ontvangen en niet tot stand gebracht.

NOTEN


(1) When at first we taste the gospel, we indeed see God’s smiling countenance turned towards us, but at a distance: the more the knowledge of true religion grows in us, by coming as it were nearer, we behold God’s favor more clearly and more familiarly. What some think, that there is here an implied comparison between the Old and New Testament, is more refined than well-founded; for Paul does not here compare the Fathers who lived under the law with us, but points out the daily progress that is made by every one of the faithful. Calvin ad locum.

Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)

Het sjema – deel 2

De vraag is in welke relatie christenen staan tot wat we hier eerst genoemd hebben “de geloofsbelijdenis van Israël.” En bij die vraag is het van groot belang om ons niet te laten beïnvloeden door een gangbaar modern vooroordeel. Vanuit onze historische positie is het vanzelfsprekend om het christendom en het Jodendom als twee volstrekt gescheiden en aparte godsdiensten te beschouwen. Maar dat heeft te maken met de geschiedenis van de relatie tussen christenen en joden vanaf het einde van de tweede eeuw. In de eerste eeuw, de apostolische tijd, is er geen sprake van een dergelijk onderscheid. De grenzen tussen beide zijn heel beweeglijk en nog niet tot een tegenstelling verhard. Er is nog geen muur die beide van elkaar scheidt. Doorgaan met het lezen van “Leren van de Rabbijnen – het gebed (4)”

Passivisme of possibilisme? – wat is het fundament van Christelijke ethiek?

Passivistisch Christomonisme? Of een Torahgetrouw possibilisme?

Opmerkingen  naar aanleiding van de Bijbelbespreking in Arnhem.

Thema: Romeinen 6-8

Het was goed om weer in het gezelschap van de “Broeders” te zijn. Goed om mee te maken hoe nauwkeurig en eerbiedig de Bijbel dan wordt gelezen.

Ik was het niet van plan maar ik heb toch een paar keer wat gezegd. Mijn laatste opmerkingen waren wellicht het belangrijkste, althans vanuit mijn perspectief.

Het ging om Romeinen 8.

Wat betekende dat wandelen in de Geest? Is er dan nog wel een plaats voor de Thora? Het typische antwoord van de Vergadering is dan: Nee! Want we zijn niet onder de wet, de mens kan zich ook niet aan de wet van God onderwerpen want we zijn vijanden van God et cetera. Wij leven door de Geest en dat betekent dat wij “automatisch” Gods wil doen zolang wij innerlijk dicht bij God leven.

Dat klinkt een beetje mystiek en dat is het ook. Wat de broeders denk ik niet zien is, dat er een verband is tussen deze uitspraak over het “automatische” gehoorzamen aan Gods wil en de constatering dat wij vaak niet weten of wat wij doen door de Heilige Geest gewerkt is, of uit ons eigen denken en bedenken voortkomt. De Geest werkt dan wel in ons, maar ook het vlees werkt in ons. Alles gaat dan afhangen van de motivatie. Een soort van omkering van Romeinen 7. Ik wil het goede doen, maar ik doe het kwade, en dat is feitelijk wat ik niet wil, dus doet de zonde dat die in mij woont. Dat zegt vers 20 van Romeinen 7. Het leven in de Geest, zoals het wordt voorgesteld, heeft echter een soortgelijke dubbelzinnigheid.

Ik wil het goede doen, maar ben daartoe niet in staat, dus doet de Geest dat die in mij woont. Het goede dat ik doe komt uit de Geest; het kwade dat ik doe komt voort uit de zonde.

Een dergelijke opvatting over de herkomst van onze goede daden, sterk bepaald natuurlijk door de woorden van Paulus “het is God die in u werkt, zowel het willen als het werken”, wordt in de theologie ook wel het Christomonisme genoemd. Het is een hele aantrekkelijke leer. Christus doet alles in ons, en wanneer we het kwade doen is het ons vlees en de zonde die het doet. Dat is bedoeld om alle roem uit te sluiten, en af te weren wat men ziet als een belangrijke katholieke vergissing, namelijk de samenwerking van onze menselijke wil met de Geest. Die samenwerking, het “synergisme” zou aan de mens een te grote rol toekennen.

Dat leidt in de ethiek tot de positie van het passivisme. Het is niet langer belangrijk om vast te stellen wat we moeten doen, maar het gaat om een innerlijke bereidheid om de impulsen van de Heilige Geest niet tegen te werken. De Geest doet het, Christus doet het, ons vlees werkt alleen tegen.

Daar staat een geheel andere opvatting tegenover, die we het “possibilisme” kunnen noemen. Daar wordt de nadruk gelegd op het feit dat wij in de bekering wel degelijk tot nieuwe mensen worden, met een nieuw leven en levensbeginsel. De Heilige Geest maakt het ons mogelijk om de wil van God niet alleen maar te begrijpen, wat al heel veel is, maar die ook te willen doen. De apostel Johannes is de belangrijkste getuige voor dit possiblisme.

Om een heel lang verhaal dus heel erg kort te maken zei ik in Arnhem alleen maar, dat al deze vragen over het belang van de Thora, de strekking van Mattheus 5:17 het automatisch, doen van Gods wil et cetera, voor mij werden opgelost door de woorden van Johannes: “Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.” Deze woorden uit 1 Joh. 5:2, 3 zijn voor mij een fundament voor de gedachte dat we niet alleen maar met het dubbel gebod te maken hebben, maar inderdaad met een veelheid van geboden. Kortom dat we te maken hebben met de thora.

Ook na de opstanding van de Heer Jezus blijft de Wet van Mozes de volmaakte spiegel (Jacobus) waarin we onszelf leren kennen. Maar ook de volmaakte richtsnoer voor het leven zoals Psalm 119 ons diepgaand schetst.
Het citeren van Mattheus 5, waar de Heer Jezus toch duidelijk zegt dat de Thora zijn geldigheid behoudt, dat geen tittel of jota verloren zal gaan, dat onze gerechtigheid niet anders is dan die van de Farizeeën maar groter moet zijn, wordt in de Vergadering niet eens gehoord. Het vaste schema van de uitleg is immers, dat de Bergrede is uitgesproken voor de opstanding, en daarom geen geldigheid heeft voor ons maar hooguit voor het gelovig overblijfsel van de toekomst. Dat had ik kunnen weten, maar ik vond het wel van belang om het nog even te zeggen.

Na afloop kwam er uiteraard een broeder naar mij toe om mij te melden dat hij wel wist waar ik vandaan kwam. O ja? Zei ik. Ik was uiteraard, vond hij, van gereformeerden huize en had het om die reden moeten opnemen voor het doen van de wet. Hij was volkomen zeker van zijn zaak. Dat had hij “automatisch” begrepen.

De Oneindige – Namen van God (3/30)

Alle theologie is lofprijzing. Zonder lofprijzing, zonder doxologie, is het ijdel menselijk geredeneer. Daarom eindigt Romeinen 8 met een lofprijzing  over Gods plan om zondaars te rechtvaardigen (v. 31-39). Daarom eindigt Romeinen 11 met een lofprijzing over de “ondoorgrondelijkheid” van Gods oordelen  en de “onnaspeurlijkheid”  van Gods wegen in de geschiedenis.

Er is een diepte van wijsheid bij God, die we leren kennen als “ondoorgrondelijk”. Het is een teken van een onvolwassen geloof wanneer we God alleen maar als een mysterie aanduiden, waar niemand wat van weet. Want in Christus heeft deze God zich laten kennen. Maar het is ook onvolwassen geloof wanneer we denken dat God makkelijk te begrijpen is – omdat Hij als Vader net is als andere (goede) vaders; of als Koning net is als andere (rechtvaardige) heersers.

Het mysterie van God is een geopenbaard mysterie – zonder die openbaring zouden we niet eens weten wat we van God niet kunnen weten! Het mysterie ligt niet achter onze kennis, maar het ligt precies in onze kennis.

Het geheim van God, het mysterie ligt in Zijn oneindigheid – onbeperkte goedheid, onbeperkte barmhartigheid, onbeperkte heiligheid. Is er een manier van denken die daarvan de inhoud kan peilen? Paulus spreekt van een diepte van wijsheid – zodat Zijn “reddingsplan” zegen brengt aan Israël, aan de volkeren en aan Zijn eigen eer. Paulus spreekt van de rijkdom van “kennis van God”- Zijn vermogen dat wijze plan ook in de geschiedenis uit te voeren.

Wat kan er theologisch gezegd worden over Gods oneindigheid? Zijn geheim? Paulus weet maar één manier: de lofzang.

“Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid”

Hij is de oorsprong van alle dingen, die we niet kunnen meten. Hij is het middel waarmee alle dingen tot aanzijn zijn gekomen, en door Wie alle dingen bestaan. En Hij is het doel van alle dingen – alles bestaat samen tot Zijn heerlijkheid. Daarmee is het mysterie bezongen, “geprezen”, verheerlijkt! Maar niet begrepen. In dit theologische zingen wordt de wereld helder en doorzichtig – de Oneindige God draagt alle dingen. Gelukkig zijn wij, dat wij de afstraling kennen van die God; de afdruk van Zijn zelfstandige bestaan – want Hij heeft niets en niemand buiten zich nodig. Alle dingen worden gedragen in hun bestaan door het krachtige woord van deze “Erfgenaam” van alles.

En deze Oneindige Zoon van God – want we spreken hier over Jezus Christus – koos ervoor “de reiniging van de zonden” tot stand te brengen. Deze “Eerstgeborene” kwam de wereld binnen; Hij was het levende Woord dat vlees werd. Die de ene genade na de andere genade schonk. Hij heeft onder ons gewoond en Zijn heerlijkheid konden we zien – met onze “eigen” ogen, Hem tasten met onze eigen handen. Zo raakt het Oneindige het eindige zonder het te vernietigen.

Hem zij de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in eeuwigheid!

 

Vergevingsgezindheid – een goddelijke eigenschap

“Het verstand van een mens doet hem zijn toorn uitstellen, het is zijn sieraad aan een overtreding voorbij te gaan.” (Spr. 19:11)

Vergevingsgezindheid is een eigenschap van de mens, die het dichtste komt bij de eigenschappen van God zelf. God zou je bijna kunnen definiëren als vergevingsgezindheid. In Exodus 34:6 omschrijft God zichzelf: “HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw… Die ongerechtigheid, overtreding en zonden vergeeft.” Er staat nog meer, ook dat de schuldige niet voor onschuldig zal worden gehouden, dus de gerechtigheid van God speelt onmiddellijk ook een rol, maar het gaat mij nu niet om de theologische kwestie hoe de gerechtigheid van God en Zijn vergevingsgezindheid met elkaar samenhangen. Daarover een andere keer. Het gaat mij nu alleen om de eigenschappen van barmhartigheid, genade, geduld, goedertierenheid en trouw.

Natuurlijk spelen vergeving en verzoening in de hele bijbel een grote rol. Maar we kennen allemaal het verhaal uit Lucas 15, het verhaal van de verloren zoon. Daar zien we in een prachtig beeld hoe de vergeving bij God werkt. De zoon kan er niet op rekenen bij zijn terugkeer, hij hoopt alleen dat hij in ieder geval als een slaaf zal worden behandeld, een dak boven zijn hoofd krijgt en tenminste iets beters te eten krijgt dan het varkensvervoer. Maar we zien de vader in het verhaal niet eens wachten tot de zoon bij hem komt, maar hij rent al op hem af, hij kust hem en omhelst hem, hij wacht de woorden van berouw niet eens af, maar valt de zoon in de rede, en richt een feestmaaltijd aan, nodigt buren en familie uit om samen te vieren dat de zoon is teruggekeerd. Net zoals in het verhaal van de barmhartige Samaritaan bij de naastenliefde, gaat het om de overvloed aan vergevingsgezindheid die de vader in het verhaal vertoont – dat is om zo te zeggen de goddelijke overvloed. De vader staat niet zuinig het excuus af te wachten, zegt niet “ik zal nog eens kijken of jij het wel waard bent,” hij houdt geen afstand terwijl die zoon beschaamd zijn best moet doen om het vertrouwen van zijn vader terug te winnen, maar er is overvloed aan genade en barmhartigheid.

Het tweede dat je hier leert is, dat een dergelijke vergevingsgezindheid door anderen niet gewaardeerd wordt. Misschien dat wij er daarom zo slecht in zijn. De oudste zoon staat er knorrend en mopperend bij. Hij begrijpt niet dat dit overdadige feest juist wordt aangericht tegenover een onwaardige broer van hem. Een feest hoort bij een prestatie, denkt hij. En die prestatie heeft hij, de oudste zoon, geleverd. Alleen krijgt hij geen feest. Hij wordt alleen uitgenodigd om te delen in de feestvreugde rondom degene die vergeving ontvangt, om betrokken te raken in het proces van de vergeving. Maar de oudste zoon weigert dat.

Uit het verhaal in Lucas 15 kunnen we dus leren op welke manier God vergeeft. Uitbundig, vrijgevig en volkomen. En God verwacht dat wij op dezelfde manier elkaar vergeven. Zo horen we in de brief aan Efeze 4:32:

“wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig, en vergeef elkaar, ZOALS ook God in Christus u vergeven heeft.”

Zoals. We moeten vergeven op dezelfde manier als God vergeven heeft. Hoe heeft God dat gedaan? Uitbundig, vrijgevig en volkomen. Hij wil niet dat wij elkaar beschamen, op de proef stellen, laten wachten tot we de vergeving verdiend hebben, hij wil niet dat we wegkruipen om alleen maar de positie van een slaaf in te nemen. Hij wil dat wij die relatie volkomen herstellen, en daarin actief zijn en vrijgevig. Zo zijn wij vergeven. Zo horen wij elkaar te vergeven.

We horen het nog uitgebreider in de brief aan Kolosse, hoofdstuk 3:13.

“Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen.”

Hier gaat het ook nog eens over “verdragen”, en vergeven van elke klacht. Als je dit alles samen bekijkt, dan wordt het duidelijk dat God jou heeft vergeven en dan van jou mag verwachten dat ook jij de vergeving beoefent. Sterker nog, er is een direct verband tussen de praktische vergeving van God – die wij elke keer weer moeten ontvangen, 1 Joh. 1:9 – en onze vergeving voor anderen. Want dit is de kern:

“Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.” (Mat. 6:12) 

Cultuur zonder dorst

Pas enkele dagen na mijn preek over Johannes 7 ben ik gaan nadenken over de stevige veronderstelling ervan. In dat gedeelte spreekt Jezus, nee schreeuwt Hij de woorden uit: “als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij, en drinke.” In het Grieks is het duidelijk, dat Jezus meende dat aan deze voorwaarde kon worden voldaan. Het was reëel om te verwachten dat iemand waarachtige dorst zou hebben. Uiteraard niet de fysieke dorst naar water, maar de dorst waarover Psalm 42 spreekt. “Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Ps. 42:2, 3) de vraag is nu, of het in onze tijd vanzelfsprekend is dat mensen deze dorst ervaren.

In mijn preek heb ik al een keer gezegd – maar ik denk dat ik daar onduidelijk over was – dat uiteindelijk niet het gevoel, de beleving van het verlangen doorslaggevend was, maar het inzicht in ons tekort. In de taal van de Heidelberger: om naar de troost te verlangen moet je je ellende kennen. Als Christus mijn enige troost is in leven en sterven, dan zal ik moeten weten “hoe groot mijn zonden en ellende zijn” (zondag 2). En dan vertelt zondag 2 ons, dat wij onze “ellende”, onze troosteloze, van God verlaten en hopeloze toestand, niet kennen uit ons gevoel of ervaring. De bron van de kennis van onze ellende, dat wil zeggen het inzicht in onze werkelijke dorst, komt volgens het antwoord van zondag 3 “Uit de wet Gods.” Immers, Paulus schrijft dat wij uit de wet kennis van de zonde verwerven (Rom. 3:20).

Onze huidige cultuur kent wel degelijk de ervaring van het kwade. Overspel, diefstal, mishandeling en moord worden op zichzelf als kwaad beschouwd. Maar het besef van zonde kent twee elementen die in dat huidige besef niet aanwezig zijn. In de eerste plaats het besef dat zonde niet alleen bestaat in de vorm van duidelijk onderscheiden overtredingen van de strafwet. Zonde is niet alleen maar een kenmerk dat de wetgeving verbindt aan bepaalde daden waarin mensen andere schade toebrengen of pijn doen. Wanneer de Heidelberger zegt dat wij de zonde kennen uit de Wet, dan slaat dat niet alleen maar op de tweede Tafel van de 10 geboden, waarin het gaat over de relatie van mensen tot elkaar. De erkenning van God als de bevrijder, het verbod op het maken van eigenzinnige voorstellingen van deze God, het gebod om de afhankelijkheid tegenover onze Schepper en Bevrijder ook praktisch en concreet te laten zien in het houden van de Sabbat – kortom alle geboden en afleidingen daarvan uit de eerste Tafel, zijn net zo belangrijk in het bepalen van wat zonde is.

Daar komt nog iets bij, namelijk dat zonde niet alleen maar bestaat in de uiterlijke overtreding van een wetsregel, maar ook en wellicht vooral in het wilsbesluit – en de gevoelens van begeerte die daarmee verbonden zijn – om een verkeerde daad te overwegen. In de Bijbelse analyse van de zonde is vooral het verhaal van David illustratief. Aangelokt door de aanblik van de badende Bathseba, neemt David het besluit om zich te blijven verlustigen aan die aanblik. Het besluit vervolgens om het overspel te overwegen, en na te denken over de mogelijke obstakels die uit de weg moeten worden geruimd. (Een overweging die leidt tot de indirecte moord op de echtgenoot van Bathseba.) Het verlangen en de begeerte drijven de wil om in een reeks van daden een voorgesteld doel te bereiken. Dat valt buiten de regels van het strafrecht. Bij dit alles is koning David in het geheel niet strafbaar volgens de heersende normen van die tijd. De uitoefening van zijn Koninklijke macht is, naar geldende normen van het koningschap, geheel en al wettig. De vrouw is in dit geval gewillig. David heeft niet zelf de hand gehad in de dood van de echtgenoot. Die is uiterlijk bezien omgekomen door een vijand in de oorlog.

Het is allemaal een wettige daad, een menselijk verlangen, een uitoefening van een gezag dat rechtmatig aan de koning toekomt, er is daarom ook geen strafrechtelijk proces denkbaar, en toch is het zonde. Het is een overtreding van het vijfde gebod, dat ons opdraagt geen echtbreuk (overspel) te plegen. Het is ook een overtreding van het tiende gebod, dat ons opdraagt niet te begeren. Het is tevens een overtreding van het zesde gebod, dat Davids daad als doodslag karakteriseert en nadrukkelijk ook deze indirecte vorm van moord verbiedt. Het is eigenlijk ook een overtreding van het eerste gebod dat ons verbiedt een god te bedenken naar eigen makelij, in dit geval een god die dergelijke daden goedkeurt en geen kennis heeft van onze innerlijke overwegingen. In Gods ogen is er sprake van een zonde en wel een die tot de dood leidt – “des doods schuldig”! “Het loon van de zonde is de dood” zegt Paulus. Als de zonde volgroeid is, baart zij de dood, zegt Jacobus (Jac. 1:15). Gods perspectief is daarmee geheel anders dan de menselijke overwegingen van David en die van ons als postmoderne mensen.  Hoewel er meer over te zeggen valt, is het daarom van belang, dat David wel vergeving ontvangt – zijn zonde is een zonde tegen God –  maar dat de Heere toch gevolgen verbindt aan zijn daad: “Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de Heere zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven” (2 Sam. 12:14).

Het lijkt erop dat in onze tijd een dergelijke diagnose van de zonde op dovemansoren valt. Onze cultuur is postmodern, wat in ieder geval wil zeggen dat de verschillende kringen waarin mensen leven elk hun eigen systeem van waarden en normen kunnen hebben. In elk van die kringen zou een pleidooi gehouden kunnen worden waarin juist een zekere waardering voor het handelen van David wordt uitgedrukt. Was zijn liefde voor deze vrouw niet zo groot, dat hij er – tragisch natuurlijk – toe kwam om tot het uiterste te gaan om haar voor zich te verwerven? Liefde maakt niet alleen blind, maar soms ook immoreel. De waarde van de liefde gaat echter uiteindelijk die van het machtsmisbruik van David te boven. Ons morele gevoel wordt dieper aangetast door het idee dat een onschuldig kind het slachtoffer zou moeten zijn van de wraakzucht van God, die blijkbaar geen waardering heeft voor de diepe kracht die liefde kan hebben in een mensenleven. Een onschuldige sterft om David te straffen voor iets wat in aanleg juist als goed en bewonderenswaardig wordt ervaren.

De dood van het kind van David en Bathseba wil echter juist illustreren, dat het probleem van de zonde niet alleen maar een probleem is van het gevoel en de ervaring. Het berouw van David kan oprecht zijn geweest. De vergeving van de Heere is een wonderlijk blijk van Zijn liefde. Als het daarbij gebleven was, zouden wij dan niet hebben geprotesteerd tegen het feit, dat de dood van Uria blijkbaar onbestraft is gebleven? Of hadden wij deze man, die gekenschetst wordt als een relatieve buitenstaander in Israël, een huurling, makkelijk uit ons geweten laten ontsnappen? De ernst van de zonde wordt ons eigenlijk pas duidelijk, niet door het overspel van David, dat wij in onze tijd makkelijk kunnen vergoelijken. De ernst van de zonde wordt ons ook niet duidelijk, wanneer we lezen over de beraamde moord tegen Uria. Ons instinct zegt ons dat de opdracht om deze man ter plaatse in het heetst van de strijd nog niet eens als een opzettelijke en persoonlijke schuld kan worden toegerekend. Juist de dood van het kind moet ons duidelijk maken, dat de Heere de zonde onder het regime van haar gevolgen heeft geplaatst.

Wat ik daarmee bedoel, vinden we in Exodus 20. Daar lezen we dat de Heere “de misdaad van de vaderen bezoekt aan de kinderen.” Dat mogen we niet opvatten als “vergelden”, of “bestraffen”. Het woord dat daar wordt gebruikt betekent ook “bezoeken”, dat wil zeggen erbij aanwezig zijn, ontmoeten. De misdaad of zonden van de vaderen wordt zichtbaar en tastbaar in het leven van de kinderen. De zonde heeft gevolgen ver buiten de feitelijkheid van een misdrijf. En God handhaaft deze verder weg liggende gevolgen juist om de zonden te ontmoedigen en haar ware karakter helder te maken. David en Bathseba zullen niet genieten van de vrucht van hun zonden.

Juist wanneer we zien dat de zonde meer is dan een overtreding of misdrijf, wordt duidelijk hoe diep onze ellende is. Een fluisterende stem, een onopzettelijke roddelpraat, een neiging van het hart die zich vertoont in onze gelaatstrekken, al deze dingen hebben gevolgen die ver buiten onze eigen intentie liggen. In de Bergrede maakt Jezus ook duidelijk, dat de echte kracht van het kwade niet ligt in de daad, zoals de echte kracht van de boom niet ligt in de vruchten, maar in de wortels. Onze begeerte sleurt ons mee en verleidt ons. Ons wilsbesluit bevrucht onze begeerte. En die begeerte baart dan de zonde die anderen raakt en verleidt en ontmoedigt en schaadt. (Vgl. Jacobus 1:14, 15) De spottende uitroep “dwaas” is al een vorm van moord. De weigering om je met een ander te verzoenen, bederft al onze verhouding tot God. Het koesteren van een begeerte in het hart staat al gelijk aan de daad van overspel. Trouweloosheid in het huwelijk, gewelddadig verzet tegen vijanden uit wraakzucht, meegesleurd worden in de haat tegen anderen, dat alles wordt door de strafwet niet verboden. Maar in het onderwijs van Jezus is het net zozeer zonde als de in het oog vallende overtredingen van de wet. (Vergelijk de Bergrede in Mattheus 5-7)

Wie zichzelf in het licht van dit begrip van de zonde heeft leren kennen, zal moeten instemmen met de Bijbelse diagnose. Dat de mens vervuld is van allerlei ongerechtigheid. Dat mensen kwaadaardig en hebzuchtig kunnen zijn. Dat wij afgunst voelen en geneigd zijn tot bedrog. Al die dingen die Paulus opsomt in Rom. 1:29 en 30 zijn wij van nature. Ook wanneer wij ze niet doen worden we erdoor gekenmerkt, en sleuren anderen die het wel doen ons met hen mee. Het is een beschrijving van de defecten in ons morele DNA. Het zijn de aangeboren afwijkingen in onze cultuur waardoor wij de kans lopen het een of het ander ook daadwerkelijk te doen.

David kende zijn “ellende”. Onze cultuur heeft zich tegen dat besef ingeënt. Wat nodig is is het heilzame besef van onze morele armoede. Opdat wij kunnen bidden:

“Wend U tot mij en wees mij genadig,
want ik ben eenzaam en ellendig.
De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt,
bevrijdt mij uit mijn angsten.
Zie mijn ellende en mijn moeite,
neem weg al mijn zonden.” (Ps. 25:16-18)

Als wij onze ellende weer kennen, dan kunnen wij onze troost benoemen: “Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet van mij ben, maar van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus het eigendom ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle heerschappij van de duivel heeft verlost.” Dan zullen wij tot Jezus komen in vertrouwen dat Hij onze zonden heeft gedragen en ons een nieuwe “natuur” wil schenken. En dan zullen we tenslotte drinken van het levende water dat Hij ons aanreikt. Dat was ik vergeten te zeggen afgelopen zondag.