KLIVE! Extra – De zalving in Bethanië en de Bijbel in Gewone Taal

Extra uitzending van Koinonia Bijbelstudie Live!
Wat zegt de zalving in Bethanië ons over de juiste wijze om Avondmaal te vieren? Een korte exegese van de tekst kan ons dat duidelijk maken. Het is een maaltijd voor Hem en voor Hem alleen. Wij kunnen worden herkend als degene die nieuw leven hebben ontvangen zoals Lazarus, die gereinigd zijn zoals Simon de melaatse, die de woorden van Jezus indrinken zoals Maria en die dienen voor Hem alleen, zoals Martha.
Daarnaast nog een korte kritische blik op de Bijbel in Gewone Taal, de vertaling van een paar verzen uit Romeinen 1. Soms is met enige moeite in de parafrase de oorspronkelijke betekenis nog te herkennen. Maar door het omschrijven van de kernwoorden, en de keuzes die daarbij gemaakt moeten worden, is de kracht van de tekst geheel en al verdwenen. Men lengt de wijn niet aan met 100 liter water op een paar druppels wijn! (Een homeopathische vertaling zou je dat kunnen noemen…)
Opgenomen in Ilpendam, vandaar de andere kwaliteit van de audio – een beetje echo.

De mens en de sabbat

De schepping van de dieren op de aarde en het gevogelte van de hemel is de laatste daad waarvan gezegd wordt dat God zag dat het goed was. Goed betekende immers: passend en geschikt voor de mens om wie het bij de schepping uiteindelijk gaat. Na deze inrichting van de aarde is alles in gereedheid voor de laatste twee scheppingsdaden van God die elk een geheel eigen karakter hebben. “En God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis…”(Gen. 1:26) het is meteen duidelijk aan de bewoording dat we hier met een bijzondere daad van God te maken hebben. De herhaling van de woorden “naar zijn aard” in de vorige verzen en de uitdrukking waarin de aarde een actieve rol krijgt (laat de aarde voorbrengen) komt hier aan zijn einde. God schept de mens niet door de tussenkomst van de aarde en het gaat niet om de eigen vruchtbaarheid van aarde en zee. Ook de uitdrukking “er zij…” die de eerste scheppingsdagen domineert wordt hier verlaten. Het beslissende moment van het verhaal is hier aangebroken in het verrassende meervoud van het “laat ons.” “De mens en de sabbat” verder lezen

De ordening in de schepping

We zagen al dat het werk van de eerste en de tweede scheppingsdag aan het licht en de duisternis, en aan de wateren boven en de wateren onder de hemel een plaats toebedeelt. De overgang van dag naar nacht en het uitspansel tussen de wateren dient als grens tussen beide. Zo krijgen de duisternis en de watervloed een functie en worden dienstbaar aan de mens. Zo wordt ook de onzichtbare hemel indirect zichtbaar aan het “gewelf” dat hem overspant en een richtingsgevoel naar de boven hem staande machten geeft. Aan dat gewelf ziet de mens de geschapen machten die hem in kracht verre overtreffen, maar waarvan hij tegelijkertijd weten mag, dat ze er zijn om zijn bestaan mogelijk te maken. Het werk van de derde dag zet deze ordening van de aarde voort, door de wateren onder de hemel te scheiden van het droge, van de aarde, en zo de zeeën te scheppen. De aarde toont zich, en de zeeën blijven over. De zeeën herinneren nog aan de oervloed, maar worden in hun grenzen gehouden. Zo spreekt dan ook de Wijsheid

Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf

en een cirkel om het water trok,

de wolken aan de hemelkoepel plaatste,

de oceanen bruisend op liet wellen,

toen hij aan de zeeën grenzen stelde,

het water met zijn woord zijn plaats gaf,

de fundamenten van de aarde legde. (Spr. 8:27 – 29)

Het droge “komt te voorschijn” en treedt nu aan het (dag)licht en is dus blijkbaar bestemd voor de dag, als plaats en tijd van bewoning voor de mens. Dat wordt in vers 10 al “goed” genoemd. Maar nu kan de aarde ook haar eigen vruchtbaarheid tonen. De aarde wordt actief en brengt “jong groen” voort, “zaadzaaiend gewas.” Geordend is ook hun vruchtbaarheid: “vruchtbomen die naar hun aard vruchten dragen.” (1:11)

Door de bedwinging van de wateren tegenover de aarde, kan de aarde haar vruchtbaarheid als plaats laten zien. Het groene komt uit de aarde voort. De bodem is vruchtbaar zoals een goed akkerland betaamt.

Op de vierde dag van de schepping wordt nu niet de ruimte maar vooral de tijd bedwongen. De oude machten uit de mythen die met de sterren werden geïdentificeerd, worden nu als teken van de “vaste tijden”, d.w.z. van feestdagen, en “dagen en jaren” ingezet. De lichten aan het uitspansel of hemelgewelf krijgen nu een functie voor de mens en worden onttroond. Hun functie is nog alleen om licht te geven op de aarde en dat doen ze ook in de nacht die daardoor wel herinnert aan de macht van de duisternis, maar moet toestaan dat ook dar het licht doordringt. Het grote licht tot heerschappij over de dag wordt het voor mensen zichtbare teken van het oorspronkelijke licht dat God in de schepping inbrengt. Het kleinere licht, de maan, is tot heerschappij over de nacht gesteld. De duisternis wordt toegelaten, maar in een ondergeschikte positie! Zo wordt in de wisseling van de tijden voortdurend zichtbaar dat de heerschappij van het licht over de duisternis een dynamisch proces is. God overwint met zijn licht de duisternis, en met zijn woord de warboel van de chaotische wateren en de woest-ledige aarde.

Op de vijfde dag krijgen dan zelfs de wateren en de lucht hun eigen vruchtbaarheid door de schepping van de waterwezens en het gevogelte. Zelfs de watermachten die het leven bedreigen moeten nu toestaan dat het leven zich in hen voortplant. Er is leven in de sfeer van de zee, zoals er licht is in de sfeer van de duisternis. Hoe chaotisch deze machten en de levende wezens die eruit voortkomen ook zijn, God brengt ordening door de vruchtbaarheid van deze wezens te laten verlopen “naar hun aard.” Zo krijgen ook de levende wezens hun grens.

Op de zesde dag vinden we nu zowel de schepping van de op aarde levende wezens als die van de mens. De eerste fundamentele relatie waarin de mens geplaatst wordt, is die van mens en dier. Die is van oorsprong een andere dan de relatie tussen de mens en het gewas, het “jonge groen.” Het zaaddragend gewas is tot voedsel gegeven aan de mens (Gen. 1:29). Het groene kruid is gegeven tot voedsel aan de vogels en aan de levende dieren op de aarde. De mens, kortom, is op graan en wijnstok, d.w.z. op brood en wijn aangewezen, terwijl runderen het gras herkauwen. Daarin ligt besloten dat de mens naast het dier een plaats op deze aarde krijgt. Het vee is hier, zoals de kudde schapen van Abel in Gen. 4, de dieren die in de zorg voor de mens worden opgenomen, terwijl wol en melk bijdragen aan het menselijke bestaan. Pas na de zondvloed horen we, dat het de mens is toegestaan om levende wezens als voedsel te beschouwen. De enige grens daarbij is dat het dier niet met zijn bloed mag worden gegeten.

De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ontzag en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef ik je, zoals ik je ook de planten heb gegeven. Maar vlees waarin nog leven is, waar nog bloed in zit, mag je niet eten. (Gen. 9:2 – 4)

Dat is niet het geval bij de schepping zelf. Daar horen mens en dier nog bij elkaar zoals in de Psalm:

HEER, hoog als de hemel is uw liefde,

tot in de wolken reikt uw trouw,

uw gerechtigheid is als de machtige bergen,

uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan:

u, HEER, bent de redder van mens en dier. (Ps. 36: 6, 7)

Drie soorten dieren worden onderscheiden: het wilde gedierte dat het verste van de mens afstaat en dat volgens de wet van Mozes doorgaans niet mag worden gegeten. Het “krioelende” of “kruipende gedierte” wordt op de aarde gevonden, op de akker dus die de mens zijn voedsel geeft. En tenslotte het vee, waarover de mens heersen kan en alleen deze dieren mogen onder het verbond van de Sinai de mens tot voedsel dienen. In Gen. 1:25 komen we dus van de uiterste grens van de wilde dieren steeds dichter bij de relatie die de mens heeft met de gedomesticeerde dieren, die zijn ploeg trekken en gegeten worden.

Scheppen en maken in Genesis 1

Dat het niet alleen gaat om het veroorzaken van de zichtbare werkelijkheid, blijkt uit het verschil dat tussen het woord scheppen en het woord “maken” valt op te merken. We lezen in Gen. 2:2-3 in de Naardense Bijbel

God voltooit op de zevende dag zijn werk dat hij heeft gedaan; hij houdt sabbat op de zevende dag
van al zijn werk dat hij heeft gedaan.  God zegent de zevende dag en heiligt die; want daarop heeft hij sabbat gehouden van al zijn werk dat God geschapen heeft om te maken.

Men kan het laatste vers ook zo lezen: dat “God schiep door het te maken.” Pas toen het ook gemaakt werd, was de schepping er werkelijk. Maar de schepping is vooral een werkelijkheid die door Gods woord tot stand komt. God sprak en toen was het er ook. Als je alleen kijkt naar dit “toen was het er ook” let je alleen op de zichtbare feitelijkheid. Dat levert een heel eigen kijk op: de wereld is simpel wat ze is. Wat we ervan kunnen zien en verklaren is eenvoudig “gegeven.” Dat is de kosmos, of de feitelijk gegeven, zichtbare werkelijkheid. Maar die hele werkelijkheid die we sinds de Griekse filosofie kosmos noemen is vooral ook schepping omdat ze uit het Woord voortgekomen is. Daarvan getuigt dan ook het evangelie van Johannes als het de openingswoorden van Gen. 1 weer oppakt en zegt:

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. (Joh. 1:1 – 3)

Scheppen is dus niet alleen laten ontstaan of maken, het is bovenal spreken, een betekenis aan iets geven, iets “bedenken” zou je misschien kunnen zeggen. De werkelijkheid van hemel en aarde heeft al een pointe of een “zin”, en dat is het bestaan van de mens die de verbondspartner van de scheppende God zou moeten worden. Daarom wordt in het volgende vers vooral weer over de aarde gesproken, want dat is de plaats waar God en mens in het verbond met elkaar moeten gaan samenleven.

Meteen moet het daarom gaan over de machten die deze aarde, plaats van de mens, ook bedreigen. De aarde is geen neutrale leefwereld. Ze is blootgesteld aan de chaos. De NBV leest dat zo:

De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. (Gen. 1:2)

De Naardense Bijbel:

De aarde is woestheid en warboel geweest, met duisternis op het aanschijn van de oervloed,- maar adem van God reeds wervelend over het aanschijn van het water.

De aarde is gevangen in (1) woestheid en warboel, (2) de duisternis en (3) bedreigd door de wateren (de oerkolk). Temidden van deze drie chaosmachten haalt God adem om te gaan spreken. Immers door de “adem van zijn mond heeft de heerlijkheid van de hemelen gemaakt” (vgl. Ps. 33:6): Gods geest of adem zweeft al, zoals een adelaar boven het nest van zijn jongen kan “broeden”, boven de wateren om hen hun plaats te geven. De chaosmachten worden bedwongen ter wille van het verbond, om een aarde te scheppen die passend is voor het verbond. Wanneer dat verbond wordt geschonden, vernielen de chaosmachten de aarde en maken haar ontoegankelijk voor de mens. Vandaar dat Jeremia kan zeggen:

Ik zag het land aan,
en zie, het was woestheid en warboel;
naar de hemelen: weg was hun licht! (Jer. 4:23; Naardense Bijbel)

Aarde en hemel zijn uit elkaar gerukt. De duisternis heerst weer omdat het licht van de hemel is verduisterd. Maar dat is van meet af aan niet Gods bedoeling geweest, om zijn schepping prijs te geven aan de chaosmacht. Zo zegt Jesaja dat:

Want zo heeft gezegd de Ene,schepper der hemelen,hij is God, de formeerder van de aarde en haar maker, hij is het die haar bevestigt, niet voor een woest-en-ledig (woestheid en warboel) heeft hij haar geschapen, om er te zetelen heeft hij haar gevormd: ik ben de Ene en anders geen (Jes. 45:18; Naardense Bijbel)

De scheppingsdagen zullen nu achtereenvolgens aan de duisternis, de wanorde en aan de chaotische vloed van de wateren een grens gaan stellen. Eerst wordt de duisternis bestreden. “God zei ‘er zij licht.’ En er was licht.” En dit licht wordt menselijk licht, wanneer God spreekt en dat licht “dag” noemt. Het is zo niet alleen een fysische realiteit, maar ook een tijdsbestek waarin de mens aanwezig kan zijn en de zichtbare wereld kan verkennen en bewonen. God zag het licht, dat het goed was, d.w.z. dat het voldeed aan zijn bestemming om de mens een ruimte en een tijd te geven om er te zijn. Ook de duisternis krijgt een naam, want in haar bedwongen gedaante heeft ook zij een functie, zij wordt avondof nacht.

Op de tweede dag worden de wateren gespleten. Naamloos verdwijnt de helft van alle wateren en worden boven de hemel verbannen, terwijl de andere helft op de derde scheppingsdag de benaming zeeën krijgt. Zo worden de wateren in dienst genomen van de schepper om niet langer zelfstandige chaosmacht en bedreiging voor de mens te zijn, maar deel te gaan uitmaken van diens bewoonde wereld. Dan blijft alleen nog de wanorde over, die als als woestheid en warboel de schepping bedreigt.

Die hemel en aarde gemaakt heeft

We kijken naar een aantal uitdrukkingen uit de tekst van Gen. 1:1 – 2:3. Om te beginnen naar de uitdrukking: hemel en aarde. Waarom spreekt de tekst hier niet over de “wereld?” In een volgende blog kijken we naar de ordening die God in de wereld tot stand brengt in de scheppingsdagen. Ten slotte behandelen we de passage over de schepping van de mens en de zevende dag, de sabbat, waarmee het verhaal eindigt.

Hemel en aarde

Het is zeker waar dat de bijbelschrijvers zich ervan bewust waren dat God de oorzaak van alle werkelijkheid was. “Hij is de formeerder van het al” zegt Jeremia (Jer. 9:23). Maar dat is niet de betekenis van de eerste woorden van de bijbel. “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” De wereld is niet een groot geheel, geen eindeloze leegte waarin hier en daar energie en materie voorkomt. Het is vanuit de mens bezien een geordende werkelijkheid met twee richtingen: naar boven, naar de hemel, en naar beneden, waar de mens staat, leeft en sterft. De hemel is de geschapen werkelijkheid die uitsluitend aan God toebehoort. Zo zegt de Psalm het:

Moge de HEER u zegenen,
hij die hemel en aarde gemaakt heeft.
De hemel is de hemel van de HEER,
de aarde heeft hij aan de mensen gegeven. (Psalm 115:15, 16)
De hemel is de plaats waar Gods wil geschiedt:
De HEER – zijn troon staat vast in de hemel,
als koning heerst hij over alles.
Prijs de HEER, u die zijn boden bent,
sterke helden die doen wat hij zegt,
gehoorzaam aan het woord dat hij spreekt.
Prijs de HEER, hemelse machten,
dienaren die doen wat hem behaagt. (Ps. 103:19 – 21)

Vanuit de onwankelbare positie die God heeft in de hemel, is hij betrokken bij de geschiedenis van de mensen. Daarop rust ook de het lot van de aarde:

Dit zegt de HEER,
die de hemel geschapen heeft – hij is God! –,
die de aarde gemaakt en gevormd heeft
en die haar heeft gegrondvest
– niet als chaos schiep hij de aarde,
maar om te bewonen heeft hij haar gevormd:
Ik ben de HEER, er is geen ander.
Ik heb niet in het verborgene gesproken,
ergens in een duister oord,
ik heb Jakobs nageslacht niet gevraagd:
‘Zoek mij in de chaos.’
Nee, ik ben de HEER,
al wat ik zeg is rechtvaardig,
wat ik aankondig is waarachtig. (Jes. 45:18 – 19)

De hemel is de verborgen kant van de schepping waar God volledig aanwezig is. De aarde is het voor de mens zichtbare deel van de werkelijkheid. De aarde -in het Hebreeuws: erets – is vooral akkerland – adamah – of de plaats waar de mens leeft en werkt en omgang heeft met zijn medemensen en andere medeschepselen. Het is de plaats waar hij gesteld is om die te bewerken en te bewaren. Een akkerland dat bedoeld is als “hof” van Eden. De constatering dat de bijbelschrijver meende dat God de oorzaak is van alle dingen schiet dus tekort om hier de pointe te vatten. Heel de onzichtbare en heel de zichtbare werkelijkheid (hemel en aarde) is een ruimte, waarin God en de mens elkaar kunnen ontmoeten. De schepping is de grondslag van het verbond, van de relatie die God met de mensen wil hebben.

De vernedering van Jezus

Tussen Markus 15:22 en 16:1 vinden we de beschrijving van de kruisiging, het sterven en de begrafenis van Jezus. Een tweetal kleinere scènes in 15:16-21 gaat daaraan vooraf. Deze hebben tot doel te laten zien op welke manier de soldaten (die Rome vertegenwoordigen) het koningschap van Jezus behandelen. Het is uiteraard de vooronderstelling van de evangelist dat Jezus daadwerkelijk de messiaanse koning is. Dat staat buiten alle discussie. De soldaten trekken hem nu een purperen kleed aan en laten hem een doornenkroon dragen. Hun spottende uitroep: “Wees gegroet, gij koning der joden” is een parodie van de erkenning die Jezus eigenlijk verdiend had. Eveneens de hulde die ze hem bewijzen door voor hem op de knieën te vallen. Dat spottende gebaar heeft een dubbele bodem. Paulus voorziet dat alle mensen hun knieën zullen buigen voor deze koning in oprechte erkenning en aanbidding. Wat de soldaten nu op spottende wijze doen, is volgens Paulus iets wat ze onvermijdelijk in de toekomst in ernst zullen doen.

Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer, ‘tot eer van God, de Vader. (Fil 2:9-11)

De tweede scene vormt met de bespotting één geheel. Een ter dood veroordeelde moest vanuit de gevangenis de dwarsbalk van het kruis op zijn rug meedragen, een gewicht van ongeveer 45 kilo. Op zich was dat niet te zwaar. Een volwassen man, zelfs na een zware geseling, zou dat moeten kunnen. Maar als deze Jezus dan de koning van de joden is, dan zal een van zijn onderdanen dat voor hem moeten doen. Zo wordt het een optocht naar de plaats van executie die opnieuw op spottende wijze het koningschap van Jezus laat zien.

De inschakeling van Simon van Cyrene (Noord-Afrika) is dus een onderdeel van de parodie. Hier loopt de koning van de joden met een enkele onderdaan en deze draagt het middel van de executie achter hem aan. Zo heeft Jezus inderdaad “volgelingen” die hem plechtig uit de stad begeleiden. Op een ironische manier wordt hier een woord van Jezus geïllustreerd:

Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. (Mk 8:34)

Het is denkbaar de soldaten deze uitdrukking gekend hebben en juist daarom deze optocht zo georganiseerd hebben.

De soldaten marcheren nu met Jezus rechtstreeks naar de plaats van executie, Schedelplaats of Golgota geheten. Het is net zo’n aanduiding als “knekelveld” (Van Bruggen). Het gaat er niet om dat de heuvel een schelachtige vorm zou hebben en het is ook maar de vraag of het wel een heuvel is. De tekst geeft daarvoor geen aanwijzing. De plaats waar executies werden voltrokken heette gewoon: schedel of doodshoofd.

Op die plaats aangekomen wordt Jezus gekruisigd. De beker wijn die hem nu wordt aangereikt – speciaal aan hem, niet als vast onderdeel van een executie – is niet bestemd om het lijden te verlichten. Het is ook geen middel om de pijn te verdoven, maar een onderdeel van de bespotting. Wanneer de koning op reis op zijn bestemming aankomt, reikt men hem een beker met gemengde wijn aan. Het hoort tot de parodie van het koningschap die de soldaten zo uitgebreid willen opvoeren. De wijn die hem wordt aangereikt is bitter gemaakt door toevoeging van de mirre. Mirre heeft geen verdovend effect. Jezus neemt daarom de wijn ook niet aan. Hij draagt niet bij aan de parodie die met hem gespeeld wordt.

Na het quasi-eerbiedige gebaar, volgt weer een vernedering. Men verdeelt Jezus’ kleren waar hij nog bij is. Het is alsof men zich stort op de buit van een overwonnen koning (Van Bruggen).

Vervolgens wordt melding gemaakt van het bord, dat de soldaten al in Mk 15:24 op het kruis bevestigd moeten hebben. Dat was tijdens het derde uur, dat wil zeggen om negen uur ’s morgens. Veel uitstel werd dus niet gegeven. De soldaten hebben onmiddellijk in de ochtend het bevel van Pilatus uitgevoerd. Tijdens de verdeling van de kleren was Jezus dus al gekruisigd. Bovenop zijn kruis hadden zij een bord bevestigd met de woorden: de koning der joden.

Markus noemt deze woorden een aanklacht. Dat is niet verwonderlijk. De Romeinen hadden het koningschap aan Judea ontnomen. Elke claim om koning te zijn, kon alleen worden opgevat als een directe uitdaging aan het adres van het gezag van de bezetter. Dat was niet alles. De term koning van de joden, bevat nog een andere vernedering. Voor Pilatus bestaat er geen Israël. Er zijn alleen joden in een land dat deel uitmaakt van het Romeinse rijk. Het is geen serieuze aanduiding van schuld of misdrijf. Het is eerder een spot drijven met de joodse Messiasverwachting. Zij verwachten een koning uit het huis van David. Welaan, hier hangt deze koning dan aan een Romeins kruis. Het is niet zo dat Pilatus werkelijk gedacht heeft dat Jezus deze koning was. Naast Jezus worden twee rovers gekruisigd. Dat geeft aan wat Pialtus werkelijk dacht. Jezus is een misdadiger, een bedreiging van de openbare orde.

In een tussenzinnetje geeft Markus nu aan, dat al deze spot en mishandeling een keerzijde heeft.

En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.

<p>(Mk 15:28NBG51; de NBV laat het vers weg omdat sommigen menen dat dit vers een latere toevoeging is.) </p> </blockquote>

Jezus is machteloos onder de spot van de soldaten en wordt samen met rovers gekruisigd. (Volgens sommigen – C. den Heijer b.v. – zijn deze ‘rovers” eigenlijk verzetsstrijders, Zeloten geweest.) Dieper kan men niet zinken in het leven! Dan wordt het juist van groot belang om te kunnen zeggen dat dit alles een vervulling is van een Schriftwoord. In het Lukasevangelie lezen we:

Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ (Lk 22:37)

Dat is een citaat uit Jesaja:

Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen

<p>en zal hij met machtigen delen in de buit, </p>    <p>omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood </p>    <p><i>en zich tot de zondaars liet rekenen</i>. </p>    <p>Hij droeg echter de schuld van velen </p>    <p>en nam het voor zondaars op. (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Jes+53%3A12" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Jes 53:12</a>) </p> </blockquote>

Wanneer deze gebeurtenissen kunnen worden gezien als een vervulling van de profetie, ga je er anders naar kijken. De machteloosheid van Jezus is een gebeuren dat hij toelaat en aanvaardt. Hij geeft zijn leven prijs. De soldaten zetten hem op één lijn met rovers, maar de profetie zegt: “hij liet zich tot de zondaars rekenen.” En door dat alles krijgt Jezus’ dood een bijzondere betekenis: “hij droeg de schuld van velen.” Die uitdrukking zal in de eerste plaats betekenen dat de omstandigheden waarin de executie van Jezus mogelijk was, te danken was aan de politieke en religieuze ontwikkelingen van Israël. Het is de toestand van het volk onder Romeins gezag die een dergelijke gewelddadige context hebben mogelijk gemaakt. Daarmee “draagt” hij de schuld. Maar je moet dan tevens denken aan het “wegdragen” van de zonde door de zondebok en het “lam Gods” van Johannes.

Tenslotte zijn er nog de bespottingen van de voorbijgangers in 15:29-32. De soldaten hebben Jezus bespot vanwege de waan dat hij de koning van de joden zou zijn. De voorbijgangers bespotten hem, vanwege het woord dat in het Sanhedrin tegen Jezus gebruikt was. Ze geven hem het advies om nu maar snel zijn woorden waar te maken en zichzelf te gaan redden. Als Jezus dan zoveel goddelijke macht heeft, is dit het moment om er gebruik van te maken. De spot is erop gericht om Jezus’ claim op het koningschap belachelijk te maken omdat hij die niet met gewel
d en overmacht kan doorzetten. Ook de overpriesters en schriftgeleerden redeneren bij Markus zo. Als Jezus de Christus is, de koning van Israël, dan moet dat worden aangetoond door een groot vertoon van macht. “Laat hij nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven” zeggen ze tegen elkaar. Door Jezus aan de Romeinen over te leveren en te laten executeren is het bewijs geleverd dat hij niet de ware messias kan zijn. Daarmee kan de menigte tot rust worden gebracht die met Palmpasen nog hun geloof op Jezus stelde. Natuurlijk verwachtten zij geen ogenblik dat Jezus werkelijk van het kruis af zou komen.

Door te vermelden dat ook de beide rovers hem beschimpen maakt Markus duidelijk dat de spot voor Jezus algemeen is. Zelfs zijn lotgenoten in het lijden distantiëren zich van hem. Jezus blijft dus werkelijk alleen achter.

Het verhoor van Jezus

Het verhoor dat nu plaatsvindt bij de Hogepriester is geen officiële zitting van het hoogste religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Het Sanhedrin kwam overdag bijeen in een openbare zitting. Als het al kan gelden als een vergadering van het Sanhedrin was het een uitzonderlijke: een besloten en informele zitting die als voorbereiding had kunnen gelden voor een formele zitting in de ochtend. De leden van het Sanhedrin komen nu bijeen in het huis van de hogepriester Kajafas om hem te verhoren. Alle religieuze groeperingen komen daar bijeen met als enige doel Jezus te veroordelen en een grondslag te vinden om hem aan de Romeinse bezetter over te dragen.

Het eigenlijke verhoor is niets anders dan een show-proces. De genoemde getuigen zijn leden van het Sanhedrin zelf. Er is immers niet door buitenstaanders een aanklacht tegen Jezus ingediend die nu door de aanklagers voor een onafhankelijk rechtscollege moeten worden onderbouwd. Het Sanhedrin is zelf de instantie die Jezus probeert te veroordelen. Het vermijden van een opstand onder het volk is blijkbaar de belangrijkste en begrijpelijke motivatie.

De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. Ze zeiden bij zichzelf: Tijdens het feest kan dat niet, want dan komt het volk in opstand. (Mk 14:2)

Men wil in deze zitting alleen een rechtsgrond formuleren om Jezus te kunnen uitleveren. De motivatie daarvan zou kunnen zijn, dat men achteraf de beslissing wil kunnen rechtvaardigen tegenover de andere, in deze nacht niet beschikbare leden van het Sanhedrin. Vandaar dat Markus in 14:2 een groepering aanspreekt die onderdeel is van het Sanhedrin. Het gaat om de elite onder de priesters (hogepriesters) en “schriftgeleerden” waarmee nooit alle leden van deze beroepsgroep bedoeld kunnen zijn. Interessant genoeg ontbreken hier de farizeeën. Blijkbaar zijn deze niet in voldoende mate vertegenwoordigd om als medeplichtig te kunnen worden aangewezen.

Men zoekt dus nu geen “getuigen”, maar een “getuigenis” onder de leden van het rechtscollege. Die tactiek faalt op zo’n beschamende wijze, dat de beoogde legitimatie van de uitlevering niet kan worden gevonden:

De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden iemand een getuigenverklaring tegen Jezus te laten afleggen op grond waarvan ze hem ter dood konden veroordelen, maar dat lukte hun niet; want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet eensluidend. (Mk 14:55)

Nu zal op het woord van twee of drie getuigen de zaak vaststaan, maar wanneer de getuigenissen elkaar tegenspreken kan er geen formele rechtsgrond voor een veroordeling zijn. Bovendien wil men hier een rechtsgrond leggen voor een executie door de Romeinen. Dat betekent dat de aanklacht niets minder kan zijn dan godslastering of afgoderij met het gevolg dat een stad of een gemeenschap ook tot afgoderij wordt bewogen. Zo werd de zaak in Leviticus voorgeschreven.

Wie zijn God vervloekt, zal de gevolgen van zijn zonde dragen. Wie de naam van de HEER lastert moet ter dood gebracht worden, die moet door de voltallige gemeenschap worden gestenigd. Of het nu een vreemdeling is of een geboren Israëliet, wie mijn naam lastert moet ter dood gebracht worden. (Lev 24:14, 15)

Is de pretentie dat Jezus de messias is, een geval van godslastering? Het begrip godslastering werd ruimer begrepen dan de letterlijke tekst uit de Torah laat vermoeden. De godslasteraar is iemand die zich in zekere zin aan God zelf vergrijpt. Hij zorgt er voor dat erkenning en eer aan God worden onttrokken. Zo wordt het verwijt ook aan Jezus gericht wanneer hij zonden vergeeft:

Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.’ Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal! (Mt 9:2, 3)

Uiteindelijk treden enkele leden van het Sanhedrin naar voren die hetzelfde weten te vertellen.

Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring: ‘We hebben hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ Maar ook op dit punt waren de getuigenverklaringen niet afdoende. (Mk 14:57-59)

Dat ze niet afdoende waren moet kan betekenen dat ze onderling niet eenstemmig waren. Hebben ze die uitspraak letterlijk genomen? Het verwijt was enigszins belachelijk. Hoe kon Jezus claimen dat hij de Tempel zou afbreken? Zelfs de Romeinen zouden daar een zeer grote inzet van het leger voor nodig hebben gehad. Wat kan het betekenen dat hij de Tempel in drie dagen opnieuw zou opbouwen, als men daarbij aan de werkelijke tempel van steen moesten denken? Dat zou dan de uitspraak van een fantast zijn geweest die door niemand serieus kon worden genomen. Stel nu eens dat men die woorden figuurlijk had begrepen? Dan zou het betekend hebben dat Jezus voor zichzelf de functie claimde de plaats te zijn waar God woonde. Dan zou hij claimen dat hij de vervanging van de tempeldienst was. Misschien omdat men vanuit priesterlijk perspectief de Tempel niet alleen als de woonplaats van God op aarde, maar in zekere zin als God zelf beleefde, was elke uitspraak tegen de tempel een godslastering. Zeker als men aannam dat een dergelijke prediking succes kon hebben. De triomfantelijke intocht in Jeruzalem met Palmpasen was daarbij zeker in hun gedachten gebleven als een aanwijzing dat Jezus juist in Jeruzalem – met het Romeinse garnizoen in alarmfase één – voor een enorme onrust had kunnen zorgen. Daar kwam nog bij dat tenminste in sommige kringen het idee leefde dat de messias de luister van de tempel en Jeruzalem zou verhogen. Toch was die uitspraak niet voldoende omdat het twijfelachtig was of Jezus het letterlijk of figuurlijk bedoelde.

Nu staat de voorzittende hogepriester zelf op om het woord te nemen. Hij gaat naar het midden en staat tussen Jezus en zijn rechters in “om de schijn van onpartijdigheid op te houden.” (Van Bruggen) Hij wil van Jezus weten waarom hij geen antwoord geeft op de door de rechters zelf ingebrachte beschuldigingen. Je zou een spontaan protest verwachten bij de beschuldiging van godslastering die hier wordt uitgesproken. Onder het mom van een informatieve vraag, versterkt de hogepriester hiermee de beschuldiging. Is dat geen teken van schuld dat Jezus zwijgt?

Maar het zwijgen van Jezus heeft een andere, ontmaskerende functie. Als het duidelijk is, dat de aanklacht geen grond heeft omdat ze ofwel op valse getuigenissen ofwel op absurde gronden berusten, moet dan niet de voorzitter van het Sanhedrin zelf ingrijpen? Waarom zou Jezus zich tegen een dergelijke aanklacht moeten verweren? Op dit moment had de voorzitter moeten besluiten dat Jezus had moeten worden vrijgelaten. Jezus’ zwijgen is dus ontmaskerend. Het toont aan dat wat nu volgt, berust op politieke en niet op religieuze of juridische afweging. De eigenlijke intentie achter deze zitting wordt nu duidelijk. Kajafas, die zich tegen de valse getuigen had moeten richten, probeert nu Jezus te manipuleren zodat deze zichzelf zal aanklagen, omdat de formele rechtszitting zijn doel niet bereikt. Vandaar de vraag:

Toen vroeg de hogepriester hem: ‘Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?’ Jezus zei: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’ De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende. (Mk 14:61-64)

Wat zit daar nu achter? De hogepriester weet dat de messias de zoon van G
od zal zijn. Maar wat hij niet wil accepteren is dat de messias tegelijkertijd de zoon des mensen d.w.z. een gewoon mens zal zijn. Een messias die met overmacht komt, vergt geen geloof. De messias die zich vernedert om daardoor de zondenlast van het volk te kunnen dragen is in strijd met Kajafas’ religieuze overtuigingen. Heeft Jezus zich nu ondubbelzinnig tot de messias verklaart? Denkt Jezus dat hij het werkelijk is?

Het antwoord van Jezus is ondubbelzinnig: Dat ben ik. Ja. Hij identificeert zich ondubbelzinnig met de Zoon des Mensen die van de hemel af komt. Hij is de uiteindelijke verlosser van Israël. Ook al zal men hem kunnen doden, men zal hem ook terugzien als de zoon des mensen die van de hemel komt om Gods regering te vestigen. Omdat het voor Kajafas echter vaststaat dat Jezus die messias niet zijn kan, is deze uitspraak van Jezus een godslastering. Het plan om Jezus ter dood te brengen kan dus doorgaan. Jezus’ woorden houden eigenlijk in dat het er niet toe doet wat Kajafas en de Romeinen zullen doen. Als Jezus inderdaad de Messias is, dan zal zijn gewelddadige dood in de handen van mensen God niet hinderen om zijn doel te bereiken.

“De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende. (Mk 14:63, 64)

Nu had het Sanhedrin, zelfs als het wel in een formele zitting bijeengekomen was, onder de jurisdictie van de Romeinse bezetter geen bevoegdheid om een doodstraf te laten uitvoeren. Dat kon alleen als de bezetter een reden zag om het oordeel van de joodse rechtbank te bekrachtigen. Dat was alleen het geval wanneer de Romeinen een politiek voordeel konden zien in die bekrachtiging. Het groepje leden van het Sanhedrin werd daarom gedwongen om Jezus nu met de door hen geformuleerde aanklacht naar Pontius Pilatus te sturen en hem te vragen een doodsvonnis uit te spreken en ook uit te voeren. De religieuze aanklacht van godslastering moest dus op een of andere manier begrepen kunnen worden als politiek verzet tegen de Romeinse bezetting of als verstoring van de openbare orde.

De arrestatie van Jezus

De leerlingen vallen intussen in slaap. Zij zijn niet bij machte dit moment met Jezus te delen. Jezus is hier door mensen al verlaten, terwijl hem nog het uur wacht dat hij door God verlaten zal zijn. Uiteindelijk is de diepe worsteling van Jezus voorbij. Na een derde periode van gebed, heeft hij zijn bestemming aanvaard.

Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. (Mk 14:41)

Het is zover! Nu is de periode voorbij dat er nog gewaakt en gebeden moet worden. Nu is het “uur” aangebroken waarop alles gericht is geweest in deze laatste week. De beker gaat dus niet voorbij en Gods wil blijft onveranderd. Geen ontzetting en radeloosheid is bij Jezus te bespeuren. Nu wordt de Zoon van de Mensen overgeleverd in de handen van zondige mensen. Dat wil niet zeggen dat God de Vader de dood van zijn zoon wil en ook niet dat hij het geweld van de mensen dat nu volgt feitelijk stuurt. God weet dat zonder zijn ingrijpen zijn zoon niet veilig is in de handen van de mensen. Door het niet te verhinderen wordt duidelijk gemaakt wat de toestand is van Israël en de wereld. De machten in deze wereld worden door de dood van Jezus – die ze als HEER hadden moeten aanvaarden – ontmaskerd en in hun feitelijke gedaante tentoongesteld.

Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd. (Kol 2:15)

In de volgende gedeelten worden verschillende groepen en personen beschreven die bij de historische handeling betrokken zijn. Maar de manier waarop ze in het evangelie worden getekend heeft ook een exemplarische betekenis. We kunnen steeds denken aan een bepaalde algemene houding of toestand die deze mensen kenmerkt. Op die manier worden ze “tentoongesteld.”

Arrestatie 14:43-52

De arrestatie van Jezus was een verwarrende gebeurtenis. Uit de vier evangeliën doemt het volgende beeld op. Terwijl Jezus naar de uitgang van Getsemane loopt, komt Judas hem tegemoet en valt hem om de hals. Jezus spreekt over het uitleveren door een kus en meteen daarna duikt een groep gewapende mannen op. Hij vraagt om de vrije aftocht van zijn leerlingen en grijpen Jezus beet. Op dat moment verzet Petrus zich heftig en slaat met zijn zwaard het oor van de knecht Malchus af. (Markus noemt deze naam niet.) Jezus bedwingt dit opkomende geweld en zegt opnieuw dat dit alles noodzakelijk is opdat de Schriften worden vervuld.

Het is opvallend hoe sterk de evangeliën benadrukken dat de komende gebeurtenissen niet zonder Gods regie verlopen. Jezus heeft net gesproken over zijn uitlevering wanneer Judas op het toneel verschijnt. Judas verrast Jezus niet. De groep bewapende mannen die nu opduiken kunnen deel uitmaken van de joodse tempelpolitie. Het is in ieder geval duidelijk dat zij gestuurd worden door de “overpriesters en wetgeleerden en oudsten.” Met die uitdrukking wordt het hele religieuze establishment aangeduid. Daardoor krijgt de arrestatie ook een officieel karakter. De diepe afkeer die Jezus’ optreden bij de religieuze leiders van Israël had opgeroepen – niet allen, maar op dat moment blijkbaar degenen die macht hadden – en die al eerder tot een samenzwering tegen zijn leven had geleid, voltooit zich nu in de arrestatie van Jezus.

Dat het om gewapende mannen gaat bewijst dat men zich voorstelde dat Jezus zich met geweld zou verdedigen. Wellicht dat hier ook de aanwijzing wordt gegeven dat de afkeer werd opgeroepen door de misvatting dat Jezus een poging deed met geweld een ander regime te vestigen. Petrus’ reactie kan in die context ook goed worden geduid. Voor hem, evenals voor Judas, is het niet duidelijk wat Jezus bedoeld heeft met zijn andere Koninkrijk. De les van de Bergrede – de vijand lief te hebben – is door hem niet geleerd. Het geeft in zekere zin de gelegenheid aan de evangelist om nog eens duidelijk te maken dat Jezus de komende gebeurtenissen in gelatenheid ondergaat en elke daad van gewelddadig verzet afwijst. Zo is zijn koninkrijk niet! Het is duidelijk dat de weg van de messias Jezus niet wordt begrepen. Zo hadden ook de Schriften het geformuleerd:

want vijandig en bedrieglijk is de mond

<p>van hen die mij beschuldigen, </p>    <p>hun tong spreekt niets dan leugens,</p>    <p>ze bestoken mij met woorden van haat, </p>    <p>zonder reden bestrijden ze mij. </p>    <p>Ik bid voor hen, </p>    <p>maar mijn liefde roept vijandschap op,</p>    <p>ze vergelden goed met kwaad, </p>    <p>woorden van haat zijn de dank voor mijn liefde (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Ps+109%3A2-5" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Ps 109:2-5</a>)</p> </blockquote>

Zo krijgt de geweldloze leraar de behandeling van een terrorist. Jezus spreekt niet tegen. Hij laat zich “tot de zondaars rekenen” om op die manier te kunnen ontmaskeren dat niet hij, maar zijn tegenstanders het systeem van de dwang en het geweld representeren.

De Schriften moeten worden vervuld – zegt Jezus in het evangelie van Markus. Ongetwijfeld heeft de evangelist dan teksten in gedachten gehad die al eerder in het evangelie een achtergrond gevormd hebben:

 

<p>Om onze zonden werd hij doorboord, </p>    <p>om onze wandaden gebroken. </p>    <p>Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, </p>    <p>zijn striemen brachten ons genezing. </p>    <p>…</p>    <p>Hij offerde zijn leven voor hun schuld, </p>    <p>om zijn nageslacht te zien en lang te leven. </p>    <p>En <i>door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.</i></p>    <p>…</p>    <p>omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood </p>    <p>en zich tot de zondaars liet rekenen. </p>    <p>Hij droeg echter de schuld van velen </p>    <p>en nam het voor zondaars op (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Jes+53%3A5" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Jes 53:5, 10, 12</a>)</p> </blockquote>

Het is deze bereidheid van Jezus om gearresteerd te worden die nu de discipelen grote angst inboezemt. Een messias voor wie ze hadden kunnen vechten, om dan hopeloos ten onder te gaan als waarachtige martelaren voor de goede zaak, zou nog wel in hun denken gepast hebben. Wat hen tot de vlucht aanzet is de volstrekte onderwerping van Jezus aan de macht van de overheden. “Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg.” (Mk 14:50)

Markus kent nog een merkwaardige passage (14:51,52) over een jonge man die bijna zelf ook gearresteerd werd, maar wist te ontkomen met achterlating van zijn bovenkleed. Anders dan de leerlingen probeert deze verder ongenoemde man de groep gewapende mannen met Jezus te volgen. Men heeft in de traditie deze jonge man nog wel eens met Markus geïdentificeerd. Het lijkt eerder een middel van Markus om het verhaal van de arrestatie en de vlucht enige dramatische glans mee te geven. (Van Bruggen)

In de hof van Getsemane

Na de Pesachmaaltijd komen de leerlingen bij een stuk akkerland of wellicht olijfboomgaard om daar de nacht door te brengen. Jezus geeft aan zijn leerlingen de opdracht om wakker te blijven tijdens zijn gebed. Na het gebed zal de voorbereiding van het koninkrijk waarschijnlijk verder gaan. Petrus, Jakobus en Johannes worden meegenomen om dichterbij te zijn dan de anderen. Zij zijn de getuigen van wat dan gebeurt:

Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’ Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. (Mk 14:33-35)

Onrustig en angstig is misschien nog te zwak vertaald. Jezus “raakte ontsteld en buiten zichzelf” zit er dichterbij. Jezus is vol angst en huiver voor wat hem nu wacht. Markus geeft ook de inhoud van dit gebed aan. Jezus bidt of er een andere weg zal zijn om het Koninkrijk te vestigen dan door zijn dood heen. De kernwoorden van Jezus’ gebed vinden we echter enkele verzen later:

Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ (Mk 14:35, 36)

Het drinken van de beker staat voor het ondergaan van oordeel en woede. Zo is de beker al betiteld in een ander vers:

Maar Jezus zei tegen hen: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of de doop ondergaan die ik moet ondergaan?’ (Mk. 10:38)

Wat er nu komt is niet alleen het tragische einde van Jezus’ leven, maar heeft verregaande consequentie voor de hele wereld. Wanneer Jezus plaatsvervangend sterft voor alle mensen, is hij niet alleen een slachtoffer van menselijk geweld, maar zal hij ook de afkeer voelen die God heeft tegenover de zonde. Het lam wordt immers “beladen” met de zonde, het ‘draagt” deze weg. Het is vooral de bitterheid van dit verlaten worden door God, die hier als een diepe huiver over jezus komt. Wanneer hij het paaslam is, zal hij door God verlaten worden. Jezus wordt om die reden door Zijn vader overgeleverd. Er is geen andere weg: hij moet sterven. Gods vermogen is uiteraard onbeperkt. Hij kan elke weg kiezen die hij maar wil. Maar Jezus is er van overtuigd dat God daadwerkelijk deze weg gekozen heeft. Jezus onderwerpt zich dan ook aan deze bijzondere wil van zijn Vader. “Laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.”