In het begin was het Woord – De Catena Aurea van Thomas over Joh. 1:1a

Een fraai voorbeeld van de diepgravende wijsgerige beschouwingen van de kerkvaders. 

HOOFDSTUK I 1a. In den beginne was het Woord.

Terwijl alle andere Evangelisten met de Menswording beginnen, spreekt Johannes, voorbijgaand aan de Ontvangenis, Geboorte, opvoeding en groei, onmiddellijk over de Eeuwige Generatie, zeggende: In den beginne was het Woord. Doorgaan met het lezen van “In het begin was het Woord – De Catena Aurea van Thomas over Joh. 1:1a”

De joodse achtergrond van Jezus’ gelijkenissen

Door (c) 2014 Amy-Jill Levine

Voor christelijke lezers die slecht op de hoogte zijn van het vroege Jodendom, worden de gelijkenis van het gist (zuurdeeg) en de gelijkenis van het mosterdzaadje leerstellingen die de Joodse reinheidswetten en zelfs de Joodse identiteit verwerpen, alsof Joden op de een of andere manier gebakken brood en specerijen mijden en wij Jezus daarom dankbaar moeten zijn dat wij een hotdog op een broodje met mosterd mogen eten. Deze gelijkenissen hebben niets te maken met reinheidswetten, en gist en mosterd lezen als onrein is een verkeerd begrip van het Jodendom, net als het mislopen van een aantal uitstekende gerechten.

De gelijkenis van de rijke man en Lazarus is opgevat als een confrontatie met de Joodse opvatting dat de rijken noodzakelijkerwijs rechtvaardig zijn en de armen noodzakelijkerwijs zondaars – ondanks de juist Joodse opvatting dat God bijzonder begaan is met de armen, weduwen, wezen en vreemdelingen. De gelijkenis van de verloren munt, met zijn prominente vrouwelijke hoofdpersoon, wordt gezien als een uitdaging voor de Joodse vrouwenhaat, alsof Joden nooit verhalen vertelden met vrouwelijke hoofdpersonen (Ruth, Esther en Judith zouden tot degenen behoren die verbaasd zijn over deze bewering). Dergelijke opvattingen doen het jodendom hardvochtig en exclusivistisch lijken, de joodse praxis bijgelovig en xenofoob, de joodse moraal gelijk aan de aanbidding van Mammon, en de joodse opvattingen over gender het toppunt van vrouwenhaat. Dergelijke leerstellingen geven niet alleen Jezus en het Jodendom een verkeerd beeld, maar ze stimuleren en versterken onverdraagzaamheid. Doorgaan met het lezen van “De joodse achtergrond van Jezus’ gelijkenissen”

Engelen als woorden van macht – Walter Wink

Hoe kunnen wij de taal van de Bijbel over de “overheden en machten” als moderne mensen verstaan? We nemen aan dat in de antieke wereld deze machten letterlijk werden gezien als onzichtbare demonen die met hun vleugels rond flapper een in de lucht, en ongelukkige sterfelijke mensen af en toe raken met ziekte, of dood.

Als moderne mensen nemen we aan dat we deze klassieke teksten alleen maar kunnen opvatten als uitingen van hallucinaties, zonder fysieke basis, zodat we hun beschrijvingen moeten afdoen als restanten van mythisch denken. (Hoewel sommigen met moderne fysische opvattingen de taal van de Bijbel geheel en al letterlijk nemen.)

Wat voor ons heel moeilijk is, dat is nadenken in een dimensie die tussen het fysische en het metafysische in staat, en die we de symbolische orde, of de orde van de verbeelding moeten noemen. Wij kunnen over de machten niet nadenken zoals de Bijbel dat doet: als realiteiten zonder substantie, als geestelijke wezens die toch geen bestaan hebben buiten hun concrete aanwezigheid in de zichtbare wereld. Onze tactiek om ermee om te gaan is meestal deze: we lezen de geestelijke wezens in de Bijbel alsof het personages zijn, en vervolgens beoordelen we het door ons gebruikte begrip persoon als onwetenschappelijke vorm van bijgeloof. Wat de Bijbel verstaat onder een macht en wat wij daarmee bedoelen komt daardoor volledig uit elkaar te liggen. Wanneer we willen begrijpen wat de Bijbel onder deze machten verstaat, moeten we niet onze eigen sociologische categorieën van macht op de Bijbelse teksten toepassen. Wat we moeten doen is kijken naar het unieke vocabulaire en de begrippen uit de eerste eeuw, en proberen ons voor te stellen wat mensen uit die tijd bedoeld hebben met deze taal van de machten, binnen hun eigen wereldvisie en binnen hun eigen mythische referentiekader.

Natuurlijk mogen wij niet geloven in wat niet bestaat. Maar het is gevaarlijk om niet te geloven in datgene wat bestaat buiten onze beperkte categorieën. De overheden en machten van het Nieuwe Testament kunnen niet zomaar worden vertaald in de categorieën van de moderne sociologie of psychologie. De overheden en machten kunnen zeker wel worden opgevat als instituties, sociale systemen en politieke structuren. Zo komt ook een christelijke sociale ethiek, of een politieke theologie tot stand vanuit de taal van het Nieuwe Testament.

Toch blijft er dan een onzichtbare, geestelijke dimensie over die een ernstige realiteit bevat. Zeker, de taal van de overheden en machten verwijst naar de innerlijke en uiterlijke kant van een manifestatie van macht. Er is een geestelijke mentaliteit werkzaam in instituties, en dat is de innerlijke kant. Er is ook een uiterlijke kant: politieke systemen, aangestelde ambtenaren, wetten, alle tastbare manifestaties die macht ook heeft. Elke macht heeft een zichtbare kant en een onzichtbare kant. En die twee kanten ontstaan tegelijkertijd.

Wanneer een bepaalde macht zichzelf boven God plaatst, wordt die macht demonisch. De taak van de kerk is de afgoderij te ontmaskeren en zo de machten terug te roepen tot het doel dat God voor hen heeft aangewezen. Zo zegt Efeze 3:10:

Opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt.

De uitdrukking “in de hemelse gewesten” duidt niet op hun fysieke plaats van bestaan, maar op de pretentie dat ze goddelijk zijn, boven de mens staan in gezag en macht. Een materialistische verklaring wordt hier metafysisch – het is dan een tastbare maar tegelijk onzichtbare realiteit in een specifieke, hoewel onzichtbare plaats. Een spiritualisme geeft als verklaring dat het uitdrukkingen zijn voor een mentaliteit of een ideologie. Beide voldoen echter niet.

De taal van de machten loopt door het hele Nieuwe Testament heen. De ontmaskering van de machten is een belangrijk thema in de uitleg van het evangelie. Het Koninkrijk van God behelst de vol van deze machten of nog beter: het terugbrengen van deze machten onder het gezag van God.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is zeer gevarieerd. Er is sprake van heersers in Mattheus 20, koningen, hogepriesters in Lukas 24, engelen en machten in Romeinen 8, machten en namen in Handelingen 4, autoriteiten en delegaties in Handelingen 26.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is niet systematisch en het is mogelijk dat woorden wisselend worden gebruikt zowel voor menselijke machthebbers als voor de “machten” in de hemelse gewesten, dus met een element van het metafysische.

Desalniettemin vertonen deze kernwoorden in het Nieuwe Testament een duidelijk patroon van hun gebruik.
Archè wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het ambt, of de structuur van de macht – regering, Koninkrijk, machtsgebied.
Exousia is een aanduiding voor de sancties en vormen van legitimatie waardoor de macht wordt gehandhaafd, het heeft normaal gesproken een abstracte betekenis.
Thronos duidt een zetel van de macht aan, de plaats waar de macht is geconcentreerd.
Het woord “naam” refereert aan het geheel van de persoon die macht uitoefent, een rang bekleed of beroemd is.

De lijst van Romeinen 8:38-39 is bijna compleet: dood, leven, engelen, overheden, tegenwoordige dingen, komende dingen, machten, hoogte, diepte zijn allemaal termen voor deze machten in de symbolische orde. Met een onzichtbare kant en een zichtbare kant.

Alle machten in het Nieuwe Testament zijn goddelijk en menselijk, geestelijk en politiek, onzichtbaar en structureel, hemels en aards. Zo lezen we in Kol. 1:16

“In Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.”

De machten komen uit Christus voort en zijn bestemd om Hem te dienen. De machten worden demonisch en afgodisch als ze zichzelf dienen er goddelijke eer opeisen.

Kijken we in het bijzonder naar de taal van de engelen.

Engelen zijn de machten in hun hemelse vorm. Ook hier vinden we de dubbelzinnigheid van alle termen van de macht. Een engel is ook een menselijke boodschapper, of een ander woord voor de Heilige Geest. Zo bijvoorbeeld in Lukas 9:26 waar we lezen dat de Zoon des mensen komen zal in zijn heerlijkheid en die van de Vader en van de – en dan verwachten we Heilige Geest maar dan staat er – en van de heilige engelen.

Engelen worden aangeduid met een veelheid van termen. Het woord engel is blijkbaar synoniem met de meeste andere woorden voor macht in het Nieuwe Testament. Het lijkt erop dat het woord engel gebruikt wordt om machten aan te duiden niet als personen zozeer, maar als gepersonifieerd, dat wil zeggen machten die van Gods wegen uitgaan met de verstaanbare boodschap, dus in een situatie van communicatie.

Sinds Daniël 10 is het ook gebruikelijk om engelen te beschouwen als vertegenwoordigers van de mentaliteit van een volk, als de hoeder van hun bestemming. Dat werd ook ligt op een passage in 1 Kor. 6:3 waar Paulus zegt dat wij engelen zullen oordelen. Het lijkt mij dat dat dan engelen zijn die de volkeren representeren, en dat Paulus hier eenvoudig zegt dat wij betrokken zullen zijn bij het oordeel over de volkeren – overigens een bekend motief in de rabbijnse literatuur.

(Wordt vervolgd)

KLIVE! Extra – De zalving in Bethanië en de Bijbel in Gewone Taal

Extra uitzending van Koinonia Bijbelstudie Live!
Wat zegt de zalving in Bethanië ons over de juiste wijze om Avondmaal te vieren? Een korte exegese van de tekst kan ons dat duidelijk maken. Het is een maaltijd voor Hem en voor Hem alleen. Wij kunnen worden herkend als degene die nieuw leven hebben ontvangen zoals Lazarus, die gereinigd zijn zoals Simon de melaatse, die de woorden van Jezus indrinken zoals Maria en die dienen voor Hem alleen, zoals Martha.
Daarnaast nog een korte kritische blik op de Bijbel in Gewone Taal, de vertaling van een paar verzen uit Romeinen 1. Soms is met enige moeite in de parafrase de oorspronkelijke betekenis nog te herkennen. Maar door het omschrijven van de kernwoorden, en de keuzes die daarbij gemaakt moeten worden, is de kracht van de tekst geheel en al verdwenen. Men lengt de wijn niet aan met 100 liter water op een paar druppels wijn! (Een homeopathische vertaling zou je dat kunnen noemen…)
Opgenomen in Ilpendam, vandaar de andere kwaliteit van de audio – een beetje echo.

Robert Alter – The Art of Biblical Narrative #5 – De techniek van de herhaling

Moderne lezers ervaren letterlijke herhaling als een bijzonder vreemd element in de Bijbelse teksten. Numeri 7 is een extreem voorbeeld. De 12 prinsen van de 12 stammen brengen een geschenk naar het heiligdom. Elk geschenk wordt op identieke manier beschreven. Doorgaan met het lezen van “Robert Alter – The Art of Biblical Narrative #5 – De techniek van de herhaling”

De mens en de sabbat

De schepping van de dieren op de aarde en het gevogelte van de hemel is de laatste daad waarvan gezegd wordt dat God zag dat het goed was. Goed betekende immers: passend en geschikt voor de mens om wie het bij de schepping uiteindelijk gaat. Na deze inrichting van de aarde is alles in gereedheid voor de laatste twee scheppingsdaden van God die elk een geheel eigen karakter hebben. “En God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis…”(Gen. 1:26) het is meteen duidelijk aan de bewoording dat we hier met een bijzondere daad van God te maken hebben. De herhaling van de woorden “naar zijn aard” in de vorige verzen en de uitdrukking waarin de aarde een actieve rol krijgt (laat de aarde voorbrengen) komt hier aan zijn einde. God schept de mens niet door de tussenkomst van de aarde en het gaat niet om de eigen vruchtbaarheid van aarde en zee. Ook de uitdrukking “er zij…” die de eerste scheppingsdagen domineert wordt hier verlaten. Het beslissende moment van het verhaal is hier aangebroken in het verrassende meervoud van het “laat ons.” Doorgaan met het lezen van “De mens en de sabbat”

De ordening in de schepping

We zagen al dat het werk van de eerste en de tweede scheppingsdag aan het licht en de duisternis, en aan de wateren boven en de wateren onder de hemel een plaats toebedeelt. De overgang van dag naar nacht en het uitspansel tussen de wateren dient als grens tussen beide. Zo krijgen de duisternis en de watervloed een functie en worden dienstbaar aan de mens. Zo wordt ook de onzichtbare hemel indirect zichtbaar aan het “gewelf” dat hem overspant en een richtingsgevoel naar de boven hem staande machten geeft. Aan dat gewelf ziet de mens de geschapen machten die hem in kracht verre overtreffen, maar waarvan hij tegelijkertijd weten mag, dat ze er zijn om zijn bestaan mogelijk te maken. Het werk van de derde dag zet deze ordening van de aarde voort, door de wateren onder de hemel te scheiden van het droge, van de aarde, en zo de zeeën te scheppen. De aarde toont zich, en de zeeën blijven over. De zeeën herinneren nog aan de oervloed, maar worden in hun grenzen gehouden. Zo spreekt dan ook de Wijsheid

Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf

en een cirkel om het water trok,

de wolken aan de hemelkoepel plaatste,

de oceanen bruisend op liet wellen,

toen hij aan de zeeën grenzen stelde,

het water met zijn woord zijn plaats gaf,

de fundamenten van de aarde legde. (Spr. 8:27 – 29)

Het droge “komt te voorschijn” en treedt nu aan het (dag)licht en is dus blijkbaar bestemd voor de dag, als plaats en tijd van bewoning voor de mens. Dat wordt in vers 10 al “goed” genoemd. Maar nu kan de aarde ook haar eigen vruchtbaarheid tonen. De aarde wordt actief en brengt “jong groen” voort, “zaadzaaiend gewas.” Geordend is ook hun vruchtbaarheid: “vruchtbomen die naar hun aard vruchten dragen.” (1:11)

Door de bedwinging van de wateren tegenover de aarde, kan de aarde haar vruchtbaarheid als plaats laten zien. Het groene komt uit de aarde voort. De bodem is vruchtbaar zoals een goed akkerland betaamt.

Op de vierde dag van de schepping wordt nu niet de ruimte maar vooral de tijd bedwongen. De oude machten uit de mythen die met de sterren werden geïdentificeerd, worden nu als teken van de “vaste tijden”, d.w.z. van feestdagen, en “dagen en jaren” ingezet. De lichten aan het uitspansel of hemelgewelf krijgen nu een functie voor de mens en worden onttroond. Hun functie is nog alleen om licht te geven op de aarde en dat doen ze ook in de nacht die daardoor wel herinnert aan de macht van de duisternis, maar moet toestaan dat ook dar het licht doordringt. Het grote licht tot heerschappij over de dag wordt het voor mensen zichtbare teken van het oorspronkelijke licht dat God in de schepping inbrengt. Het kleinere licht, de maan, is tot heerschappij over de nacht gesteld. De duisternis wordt toegelaten, maar in een ondergeschikte positie! Zo wordt in de wisseling van de tijden voortdurend zichtbaar dat de heerschappij van het licht over de duisternis een dynamisch proces is. God overwint met zijn licht de duisternis, en met zijn woord de warboel van de chaotische wateren en de woest-ledige aarde.

Op de vijfde dag krijgen dan zelfs de wateren en de lucht hun eigen vruchtbaarheid door de schepping van de waterwezens en het gevogelte. Zelfs de watermachten die het leven bedreigen moeten nu toestaan dat het leven zich in hen voortplant. Er is leven in de sfeer van de zee, zoals er licht is in de sfeer van de duisternis. Hoe chaotisch deze machten en de levende wezens die eruit voortkomen ook zijn, God brengt ordening door de vruchtbaarheid van deze wezens te laten verlopen “naar hun aard.” Zo krijgen ook de levende wezens hun grens.

Op de zesde dag vinden we nu zowel de schepping van de op aarde levende wezens als die van de mens. De eerste fundamentele relatie waarin de mens geplaatst wordt, is die van mens en dier. Die is van oorsprong een andere dan de relatie tussen de mens en het gewas, het “jonge groen.” Het zaaddragend gewas is tot voedsel gegeven aan de mens (Gen. 1:29). Het groene kruid is gegeven tot voedsel aan de vogels en aan de levende dieren op de aarde. De mens, kortom, is op graan en wijnstok, d.w.z. op brood en wijn aangewezen, terwijl runderen het gras herkauwen. Daarin ligt besloten dat de mens naast het dier een plaats op deze aarde krijgt. Het vee is hier, zoals de kudde schapen van Abel in Gen. 4, de dieren die in de zorg voor de mens worden opgenomen, terwijl wol en melk bijdragen aan het menselijke bestaan. Pas na de zondvloed horen we, dat het de mens is toegestaan om levende wezens als voedsel te beschouwen. De enige grens daarbij is dat het dier niet met zijn bloed mag worden gegeten.

De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ontzag en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef ik je, zoals ik je ook de planten heb gegeven. Maar vlees waarin nog leven is, waar nog bloed in zit, mag je niet eten. (Gen. 9:2 – 4)

Dat is niet het geval bij de schepping zelf. Daar horen mens en dier nog bij elkaar zoals in de Psalm:

HEER, hoog als de hemel is uw liefde,

tot in de wolken reikt uw trouw,

uw gerechtigheid is als de machtige bergen,

uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan:

u, HEER, bent de redder van mens en dier. (Ps. 36: 6, 7)

Drie soorten dieren worden onderscheiden: het wilde gedierte dat het verste van de mens afstaat en dat volgens de wet van Mozes doorgaans niet mag worden gegeten. Het “krioelende” of “kruipende gedierte” wordt op de aarde gevonden, op de akker dus die de mens zijn voedsel geeft. En tenslotte het vee, waarover de mens heersen kan en alleen deze dieren mogen onder het verbond van de Sinai de mens tot voedsel dienen. In Gen. 1:25 komen we dus van de uiterste grens van de wilde dieren steeds dichter bij de relatie die de mens heeft met de gedomesticeerde dieren, die zijn ploeg trekken en gegeten worden.

Scheppen en maken in Genesis 1

Dat het niet alleen gaat om het veroorzaken van de zichtbare werkelijkheid, blijkt uit het verschil dat tussen het woord scheppen en het woord “maken” valt op te merken. We lezen in Gen. 2:2-3 in de Naardense Bijbel

God voltooit op de zevende dag zijn werk dat hij heeft gedaan; hij houdt sabbat op de zevende dag
van al zijn werk dat hij heeft gedaan.  God zegent de zevende dag en heiligt die; want daarop heeft hij sabbat gehouden van al zijn werk dat God geschapen heeft om te maken.

Men kan het laatste vers ook zo lezen: dat “God schiep door het te maken.” Pas toen het ook gemaakt werd, was de schepping er werkelijk. Maar de schepping is vooral een werkelijkheid die door Gods woord tot stand komt. God sprak en toen was het er ook. Als je alleen kijkt naar dit “toen was het er ook” let je alleen op de zichtbare feitelijkheid. Dat levert een heel eigen kijk op: de wereld is simpel wat ze is. Wat we ervan kunnen zien en verklaren is eenvoudig “gegeven.” Dat is de kosmos, of de feitelijk gegeven, zichtbare werkelijkheid. Maar die hele werkelijkheid die we sinds de Griekse filosofie kosmos noemen is vooral ook schepping omdat ze uit het Woord voortgekomen is. Daarvan getuigt dan ook het evangelie van Johannes als het de openingswoorden van Gen. 1 weer oppakt en zegt:

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. (Joh. 1:1 – 3)

Scheppen is dus niet alleen laten ontstaan of maken, het is bovenal spreken, een betekenis aan iets geven, iets “bedenken” zou je misschien kunnen zeggen. De werkelijkheid van hemel en aarde heeft al een pointe of een “zin”, en dat is het bestaan van de mens die de verbondspartner van de scheppende God zou moeten worden. Daarom wordt in het volgende vers vooral weer over de aarde gesproken, want dat is de plaats waar God en mens in het verbond met elkaar moeten gaan samenleven.

Meteen moet het daarom gaan over de machten die deze aarde, plaats van de mens, ook bedreigen. De aarde is geen neutrale leefwereld. Ze is blootgesteld aan de chaos. De NBV leest dat zo:

De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. (Gen. 1:2)

De Naardense Bijbel:

De aarde is woestheid en warboel geweest, met duisternis op het aanschijn van de oervloed,- maar adem van God reeds wervelend over het aanschijn van het water.

De aarde is gevangen in (1) woestheid en warboel, (2) de duisternis en (3) bedreigd door de wateren (de oerkolk). Temidden van deze drie chaosmachten haalt God adem om te gaan spreken. Immers door de “adem van zijn mond heeft de heerlijkheid van de hemelen gemaakt” (vgl. Ps. 33:6): Gods geest of adem zweeft al, zoals een adelaar boven het nest van zijn jongen kan “broeden”, boven de wateren om hen hun plaats te geven. De chaosmachten worden bedwongen ter wille van het verbond, om een aarde te scheppen die passend is voor het verbond. Wanneer dat verbond wordt geschonden, vernielen de chaosmachten de aarde en maken haar ontoegankelijk voor de mens. Vandaar dat Jeremia kan zeggen:

Ik zag het land aan,
en zie, het was woestheid en warboel;
naar de hemelen: weg was hun licht! (Jer. 4:23; Naardense Bijbel)

Aarde en hemel zijn uit elkaar gerukt. De duisternis heerst weer omdat het licht van de hemel is verduisterd. Maar dat is van meet af aan niet Gods bedoeling geweest, om zijn schepping prijs te geven aan de chaosmacht. Zo zegt Jesaja dat:

Want zo heeft gezegd de Ene,schepper der hemelen,hij is God, de formeerder van de aarde en haar maker, hij is het die haar bevestigt, niet voor een woest-en-ledig (woestheid en warboel) heeft hij haar geschapen, om er te zetelen heeft hij haar gevormd: ik ben de Ene en anders geen (Jes. 45:18; Naardense Bijbel)

De scheppingsdagen zullen nu achtereenvolgens aan de duisternis, de wanorde en aan de chaotische vloed van de wateren een grens gaan stellen. Eerst wordt de duisternis bestreden. “God zei ‘er zij licht.’ En er was licht.” En dit licht wordt menselijk licht, wanneer God spreekt en dat licht “dag” noemt. Het is zo niet alleen een fysische realiteit, maar ook een tijdsbestek waarin de mens aanwezig kan zijn en de zichtbare wereld kan verkennen en bewonen. God zag het licht, dat het goed was, d.w.z. dat het voldeed aan zijn bestemming om de mens een ruimte en een tijd te geven om er te zijn. Ook de duisternis krijgt een naam, want in haar bedwongen gedaante heeft ook zij een functie, zij wordt avondof nacht.

Op de tweede dag worden de wateren gespleten. Naamloos verdwijnt de helft van alle wateren en worden boven de hemel verbannen, terwijl de andere helft op de derde scheppingsdag de benaming zeeën krijgt. Zo worden de wateren in dienst genomen van de schepper om niet langer zelfstandige chaosmacht en bedreiging voor de mens te zijn, maar deel te gaan uitmaken van diens bewoonde wereld. Dan blijft alleen nog de wanorde over, die als als woestheid en warboel de schepping bedreigt.

Die hemel en aarde gemaakt heeft

We kijken naar een aantal uitdrukkingen uit de tekst van Gen. 1:1 – 2:3. Om te beginnen naar de uitdrukking: hemel en aarde. Waarom spreekt de tekst hier niet over de “wereld?” In een volgende blog kijken we naar de ordening die God in de wereld tot stand brengt in de scheppingsdagen. Ten slotte behandelen we de passage over de schepping van de mens en de zevende dag, de sabbat, waarmee het verhaal eindigt.

Hemel en aarde

Het is zeker waar dat de bijbelschrijvers zich ervan bewust waren dat God de oorzaak van alle werkelijkheid was. “Hij is de formeerder van het al” zegt Jeremia (Jer. 9:23). Maar dat is niet de betekenis van de eerste woorden van de bijbel. “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” De wereld is niet een groot geheel, geen eindeloze leegte waarin hier en daar energie en materie voorkomt. Het is vanuit de mens bezien een geordende werkelijkheid met twee richtingen: naar boven, naar de hemel, en naar beneden, waar de mens staat, leeft en sterft. De hemel is de geschapen werkelijkheid die uitsluitend aan God toebehoort. Zo zegt de Psalm het:

Moge de HEER u zegenen,
hij die hemel en aarde gemaakt heeft.
De hemel is de hemel van de HEER,
de aarde heeft hij aan de mensen gegeven. (Psalm 115:15, 16)
De hemel is de plaats waar Gods wil geschiedt:
De HEER – zijn troon staat vast in de hemel,
als koning heerst hij over alles.
Prijs de HEER, u die zijn boden bent,
sterke helden die doen wat hij zegt,
gehoorzaam aan het woord dat hij spreekt.
Prijs de HEER, hemelse machten,
dienaren die doen wat hem behaagt. (Ps. 103:19 – 21)

Vanuit de onwankelbare positie die God heeft in de hemel, is hij betrokken bij de geschiedenis van de mensen. Daarop rust ook de het lot van de aarde:

Dit zegt de HEER,
die de hemel geschapen heeft – hij is God! –,
die de aarde gemaakt en gevormd heeft
en die haar heeft gegrondvest
– niet als chaos schiep hij de aarde,
maar om te bewonen heeft hij haar gevormd:
Ik ben de HEER, er is geen ander.
Ik heb niet in het verborgene gesproken,
ergens in een duister oord,
ik heb Jakobs nageslacht niet gevraagd:
‘Zoek mij in de chaos.’
Nee, ik ben de HEER,
al wat ik zeg is rechtvaardig,
wat ik aankondig is waarachtig. (Jes. 45:18 – 19)

De hemel is de verborgen kant van de schepping waar God volledig aanwezig is. De aarde is het voor de mens zichtbare deel van de werkelijkheid. De aarde -in het Hebreeuws: erets – is vooral akkerland – adamah – of de plaats waar de mens leeft en werkt en omgang heeft met zijn medemensen en andere medeschepselen. Het is de plaats waar hij gesteld is om die te bewerken en te bewaren. Een akkerland dat bedoeld is als “hof” van Eden. De constatering dat de bijbelschrijver meende dat God de oorzaak is van alle dingen schiet dus tekort om hier de pointe te vatten. Heel de onzichtbare en heel de zichtbare werkelijkheid (hemel en aarde) is een ruimte, waarin God en de mens elkaar kunnen ontmoeten. De schepping is de grondslag van het verbond, van de relatie die God met de mensen wil hebben.