Johannes 14:1-3 in een preek van Augustinus (1/3)

We moeten nu onze bijzondere aandacht geven, broeders, aan God zelf, zodat we de woorden van het heilig evangelie kunnen begrijpen die we net hebben gehoord. Want de Here Jezus heeft gezegd: “laat uw hart niet in beroering zijn. Geloof in God en geloof in mij.” Hij troost hen, zodat ze geen angst zullen hebben voor de dood, en daardoor in beroering raken, door te bevestigen dat ook Hij God is. “Geloof,” zegt Hij, “in God, geloof ook in mij.” Wanneer je gelooft in God is het een logische consequentie, dat je ook in Mij moet geloven: wat geen consequentie zou zijn als Christus niet God was. “Geloof in God, en geloof in” Hem, die door Zijn natuur en niet door diefstal, gelijk is aan God; want Hij heeft zichzelf ontledigd; echter niet door de vorm van God te verliezen, maar door de vorm van een slaaf aan te nemen. Jullie zijn bang vanwege deze vorm van een dienstknecht, “laat uw hart niet in beroering zijn,” de vorm van God zal het opnieuw opwekken.

Maar waarom hebben we dan het volgende: “In Mijn Vaders huis zijn vele woningen,” behalve dan omdat zij ook angst hadden over zichzelf? En in die angst hebben ze dan deze woorden gehoord, “laat uw hart niet in beroering zijn.” Want, was er dan iemand onder hen die vrij kon zijn van angst, wanneer tegen Petrus, de meest zelfverzekerde en actieve van hen allen, werd gezegd, “de haan zal niet kraaien totdat jij mij drie keer hebt verloochend”? Omdat zij overwogen, te beginnen met Petrus, dat zij gedoemd waren om ten onder te gaan, hadden ze ook goede reden om in beroering te zijn: maar wanneer ze dan nu horen, “in Mijn Vaders huis zijn vele woningen: als het niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben; want Ik ga heen om plaats te bereiden,” worden zij uit hun moeilijkheden opgewekt, ontvangen zekerheid en zijn nu ervan verzekerd dat zij na alle gevaren van verleidingen uiteindelijk zullen wonen met Christus in de tegenwoordigheid van God. De een mag dan sterker zijn dan de ander, de een mag dan wijzer zijn dan de ander, de een mag dan rechtvaardiger zijn dan de ander, “in het huis van Mijn  Vader zijn vele woningen;” zodat niemand van hen buiten dat huis zal blijven, waar iedereen, in overeenstemming met zijn verdienste, een woning zal ontvangen. Zij hebben allen in gelijke mate dat muntje, dat de heer des huizes heeft bevolen om gegeven te worden aan allen die hebben gewerkt in de wijngaard, zonder verschil te maken tussen hen  die minder en hen die meer hebben gewerkt; en met dat muntje, wordt natuurlijk het eeuwige leven bedoeld, waarin niemand langer leeft dan een ander, want in de eeuwigheid heeft het leven geen verschil in lengte. Maar de vele woningen wijzen op de verschillende niveaus van verdienste in dat ene eeuwige leven. Want er is een heerlijkheid van de zon, een andere heerlijkheid van de maan, en weer een andere heerlijkheid van de sterren: want de ene ster verschilt van de andere ster in heerlijkheid; en zo is het ook met de opstanding van de doden. De heiligen, net als de sterren aan de hemel, verkrijgen in het Koninkrijk verschillende woningen met verschillende gradaties van helderheid; maar vanwege dat ene muntstukje wordt niemand afgesneden van het Koninkrijk; en God zal alles zijn in allen op zo’n manier, dat, zoals God liefde is, liefde tot stand zal brengen dat wat door de ene als bezit geclaimd kan worden tegelijkertijd ook aan alle anderen toekomt. Op deze manier heeft iedereen het werkelijk in bezit, wanneer hij namelijk in een ander graag ziet wat hij niet zelf heeft. Er zal dus om die reden geen enkele jaloezie zijn in deze diversiteit van helderheid, aangezien in hen allen de eenheid van de liefde zal heersen.

Elk christelijk hart moet daarom volkomen het idee verwerpen, van degenen die zich voorstellen dat er van vele woningen sprake is, omdat er ook een plek zal zijn buiten het Koninkrijk van de hemelen, die de woonplaats zal zijn van die gezegende onschuldigen die dit leven hebben verlaten zonder gedoopt te zijn, omdat zonder de doop zij het Koninkrijk van de hemelen niet kunnen binnengaan. Geloof zoals dit is geen geloof, in ieder geval is het niet het ware en katholieke geloof. Ben je dan niet een dwaas en verblind met een vleselijke verbeelding zodat je het waard bent om bestraft te worden, als je op die wijze de woning probeert te sluiten, niet voor Petrus of Paulus, of een van de apostelen, maar voor enig gedoopt kind uit het Koninkrijk van de hemel? Denk je dan niet dat jij bestraffing verdient als je op die wijze een scheiding maakt tussen hen en het huis van God de Vader? De woorden van de Here zijn immers niet dat er “in de hele wereld”, of, “in de hele schepping,” of, “in het eeuwige leven en de gezegende staat,” vele woningen zijn; maar Hij zegt, “in Mijn Vaders huis zijn vele woningen.” Is dat dan niet het huis waar wij een gebouw van God hebben, een huis niet gemaakt met handen, eeuwig in de hemelen? Is dat dan niet het huis waarover wij tot de Here zingen, “gezegend zijn zij die in Uw huis wonen; zij zullen U prijzen voor altijd en eeuwig”? Wil je dan proberen het huis uit het koninkrijk van de hemel buiten te sluiten, niet dat van elke gedoopte broeder, maar van God de Vader Zelf, tot Wie, wij allen die broeders zijn zeggen: “Onze Vader, die in de hemelen zijt,” of op zo’n manier een verdeling maken , dat sommige van deze woningen binnen en andere buiten het Koninkrijk der hemelen liggen? Ver, ver mag het zijn van hen die het verlangen hebben om in het Koninkrijk der hemelen te verblijven, dat zij gewillig zouden willen wonen in een dergelijke dwaasheid samen met u. Ver moge het zijn, zeg ik, omdat ieder huis van zoons dirigeren nergens anders kan zijn maar binnen het Koninkrijk, dat nu enig deel van het Koninklijke Huis zelf buiten het Koninkrijk zou liggen.

“En als Ik ga,” zegt Hij, “en een plaats voor u bereid, zal ik terugkeren, en u bij mijzelf brengen; zodat waar ik ben, jullie ook zullen zijn. En waarheen ik ga weten jullie, en jullie weten de weg.”
O,  Here Jezus, hoe kan het dat u uitgaat om een plaats te bereiden, als er al vele woningen zijn in het huis van Uw Vader, waar Uw volk zal wonen met u samen? En als u hen allen bij uzelf ontvangt, hoe kan het dan dat U terugkeert, u, die nooit Uw aanwezigheid terugtrekt? Zulke onderwerpen als deze, geliefden, als wij een poging zouden doen om ze te verklaren met de beknoptheid die past bij de natuurlijke grenzen van onze toespraak vandaag, zouden zeker te lijden hebben in helderheid van de samenvatting, en we zouden een tweede onhelderheid introduceren door hier te korte tijd over te spreken. We zullen daarom deze schuld enige tijd uitstellen.

Johannes 1:1-6 – Grieks, met een nawoord van Augustinus.

Christenen hebben, anders dan joden en moslims, weinig of geen toegang tot de oerteksten van hun geloof.

Bijna niemand neemt de moeite om de Bijbel te lezen – te bestuderen – in een vertaling, laat staan met de nodige commentaren en in het Hebreeuws en Grieks. Er is nóg een gebrek: dat wij de tradities niet kennen, de gedachten van de Bijbellezers vóór ons die al over de Bijbel nagedacht hebben.

Zo iemand is Augustinus, die we uiteraard niet volgen in zijn hele theologie, maar die ons bij het lezen van zijn teksten wel dwingt om opnieuw na te denken over de Bijelse tekst. Soms geeft dat verrassend nieuwe inzichten.

Deze video wil laten zien hoe belangrijk kennis van het Grieks en de grammatika is om een tekst als Johannes 1:1-6 werkelijk te verstaan. En daarnaast wil het aan een enkele passage van Augustinus laten zien hoe belangrijk de kennis van de oude tradities is.

In de joodse benadering van de Schriften hebben we een goed voorbeeld van een andere en betere manier van lezen. De tekst in het Hebreeuws blijft het uitgangspunt; kennis van de grondtaal en de grammatika is cuciaal voor het correcte begrip en dus ook de gehoorzaamheid aan Gods woord. De traditie spreekt mee in de Talmoed, de Midrasj en in de joodse exegese door de eeuwen heen. Volgens mij is dat voorbeeldig!

Maar niet alleen dat wij moeten en mogen leren van de Rabbijnen, zoals ik elders uitvoerig betoogd heb, maar we moeten en mogen ook leren van onze eigen “Talmoed” de rijke traditie van de Apostolische Vaders en van de patristieke literatuur, waarvan Augustinus een uitstekend voorbeeld is.

1. De achtergrond van de persoonlijke predestinatie

(Vrij naar de “Foundations of Wesleyan-Arminian Theology”, hoofdstuk 1, van Mildred Bangs Wynkoop.)

In de vroege kerk – tot ongeveer het jaar 500 – werden vier grote documenten geproduceerd, in vier verschillende concilies, die door de gehele kerk werden geaccepteerd als de normatieve uitdrukking van het christelijk geloof. Doorgaan met het lezen van “1. De achtergrond van de persoonlijke predestinatie”

Augustinus: de macht van de vergeving

Boek 2 Augustinus’ Belijdenissen Hoofdstuk VII Hij dankt God voor de vergeving van zijn zonden en daarvoor, dat hij voor vele andere behoed is.

In dit fraaie gedeelte, dat volgt op de belijdenis van een diefstal op 16-jarige leeftijd, met kameraden gepleegd, spreekt Augustinus over de macht van de vergeving.

15. Wat zal ik de Heere vergelden, (Ps. 116:12.) dat mijn geheugen mij dit weer voor de geest haalt en dat mijn ziel daarvan niets vreest?

We kunnen ons zo af en toe wel herinneren waarin we fout zijn gegaan. En het is zeker de bedoeling dat we actief onze zonden belijden tegenover de Heere en in sommige gevallen ook tegenover elkaar. Maar dat die belijdenis van zonden dan geen enkele angst voor het oordeel oplevert en geen scheiding maakt tussen God en ons, is waarachtig een daad van Gods genade. Het is dan ook een bevrijding van het geweten tot een diepte die onder het systeem van de offers in het OT niet mogelijk was.

Ik wil U beminnen, Heere, en danken, en Uw Naam belijden, omdat U mij zo grote zonden en wandaden vergeven hebt. Uw genade en Uw  barmhartigheid dank ik het, dat U mijn zonden hebt doen versmelten als ijs.

Als onze zonden zijn bvergeven, kunnen wij ons dan op ons zelf beroemen dat wij andere zonden hebben nagelaten? Augustinus weet maar al te goed dat we ook in dit opzicht Gods genade nodig hebben:

Aan Uw genade dank ik ook het nalaten van de zonden, die ik niet deed; want wat had ik, die de misdaad zelfs om haarzelf wil beminde, niet al kunnen doen? En ik belijd, dat alles mij vergeven is, zowel de zonden, die ik uit eigen beweging deed als die, welke ik door Uw leiding, niet deed. Welke mens is er, die, wanneer hij eigen zwakheid bedenkt, het aandurft zijn reinheid en onschuld aan eigen krachten toe te schrijven, om U des te minder te beminnen, alsof voor hem Uw ontferming minder noodzakelijk ware, waarmee U hun, die zich tot U bekeerd hebben, hun zonden vergeeft?

Want wie, door U geroepen, Uw stem gevolgd is en vermeden heeft te doen de dingen, die, zoals hij hier leest, ik me van mezelf herinner en die ik belijd, die mag er niet om lachen, dat ik in mijn ziekte door dezelfde heelmeester genezen werd, aan wie hij het te danken heeft, dat hij niet ziek was, of liever dat hij minder ziek was, maar hij moet U evenzeer of liever nog meer beminnen, omdat hij ziet, dat dezelfde, die mij verloste uit een zo ernstige ziekte van zonden, hem er voor behoedde, dat hij in een zo ernstige ziekte van zonden geraakte.

Al met al een prachtige lofzang op Gods genade in de vergeving maar ook in de vermijding van de zonde, waaraan ik maar weinig heb toe te voegen.

Spreken en zwijgen over God – Confessiones I, 4

4. Wat is dan mijn God? Wat, vraag ik, anders dan God, de Heere? Want wie is de Heere, behalve de Heere? Of wie is God, behalve onze God? (Vgl. Ps. 18:32).

Het lijkt alsof Augustinus antwoord geeft op zijn vraag met een tautologie: de Heere is de Heere; God is God. Maar in die schijnbare nietszeggende tautologie ligt een grote wijsheid. Doorgaan met het lezen van “Spreken en zwijgen over God – Confessiones I, 4”

Confessiones I, 2 – Waar is God wanneer ik Hem aanroep?

2. En hoe zal ik mijn God aanroepen, mijn God en mijn Heer, daar ik Hem immers in mij roep, wanneer ik Hem aanroep?

Zeker, wij roepen God aan en we beseffen dat Hij dat heeft mogelijk gemaakt – mijn geloof roept U aan, het geloof dat U mij geschonken hebt. Maar de lofprijzing zet zich voort in de reflectie. We dienen en aanbidden God ook door het verstand. En daarom is deze vraag terecht. Hoe roep ik God dan aan? Want aanroepen is een innerlijke bezigheid, die zinloos is als het woord “God” alleen maar iets in mijn innerlijkheid zou aanduiden. Maar die ook een God die geheel buiten mij staat niet zou kunnen bereiken. Daar ligt een dilemma. Hoe kunnen wij vanuit ons innerlijk een God bereiken die toch buiten mij staat? Hoe is dat te begrijpen?

En welke plaats is in mij, dat mijn God daarheen in mij zou komen? Dat mijn God daarheen zou komen in mij, God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft? Ja, Heere mijn God, is er iets in mij, dat U zou kunnen bevatten?

Als aanroepen werkelijk een ontmoeting met God betekent, kun je je afvragen in welke “plaats”, in welke ruimte dat mogelijk is. Als mijn aanroepen innerlijk is, en God buiten en boven mij staat, dan zal God moeten binnengaan in mijn innerlijkheid – om het te horen, om te kunnen worden aangesproken, om in mijn aanroeping present te zijn. Voor Augustinus is het dan vanzelfsprekend dat als God mijn innerlijkheid binnengaat, mijn innerlijkheid Hem zou moeten omvatten. Hoe kan de schepper van hemel en aarde echter de ruimte van mijn innerlijkheid binnentreden? Hoe is het mogelijk dat die plaats van mijn innerlijkheid Hem bevat? Wij hebben de neiging om ons bij dit innerlijke aanroepen, bij het bidden, ons voor te stellen dat onze woorden vanuit de hemel worden gadegeslagen, waargenomen. Maar wat dan als wij in stilte bidden? Wij hebben de neiging ons voor te stellen, dat bij het bidden God oneindig ver van ons af blijft staan en dat alleen Hij die afstand in Zijn waarneming overbrugt.
Maar voor Augustinus staat het vast dat het aanroepen van God pas en waarachtige ontmoeting kan zijn, als God in het gebed wel degelijk een en dezelfde plaats deelt met degene die aanroept.

Kunnen dan de hemel en de aarde, die Gij gemaakt hebt en in welke Gij mij gemaakt hebt, U bevatten? Of kan daarom al wat is, U bevatten, omdat zonder U niet zijn zou, wat is? En daar nu ook ik ben, waartoe vraag ik dan, dat Gij komt in mij, die niet zijn zou, wanneer Gij niet in mij waart? Want ik ben toch niet de hel, en toch bent Gij ook daar. Want bedde ik mij in de hel, U bent daar. (Ps. 139:8) Ik zou dus niet zijn, mijn God, ik zou geheel niet zijn, wanneer Gij niet in mij waart.

Nu is er niets dat God kan bevatten. Maar er is ook niets dat God kan buitensluiten. Als ons aanroepen van God inderdaad een aanwezigheid van God in mij betekent, zegt dat nog niet dat God zichzelf in beweging moet zetten om een plaats in mijn innerlijkheid in te nemen. Ook voor het aanroepen is God “in mij”, in de eerste plaats omdat Hij overal is, nergens is buitengesloten. In de tweede plaats omdat ik niet zou bestaan, als God niet in mij was, als mijn “plaats” niet al Gods aanwezigheid kende.

Of is het zo, dat ik niet zijn zou, indien ik niet was in U, uit wie alles is, door wie alles is en in wie alles is? Ja ook zo is het, Heere; ook zo.

Dit is dan de werkelijkheid van Gods presentie: Hij is in elke plaats, dus ook in mij. Maar ook dit is waar: ik zou er niet zijn, als ik niet “in Hem” was. Daarom is God aanwezig in de innerlijkheid van mijn gebed. Hij is er al voordat ik Hem aanroepen. Mijn aanroepen brengt God niet in beweging zodat Hij er eerst niet was, en dan na mijn aanroepen wel. Maar dat roept een vraag op.

Waarheen roep ik U dan, daar ik in U ben? Of vanwaar zou Gij komen in mij? Want waar zou ik gaan buiten hemel en aarde, dat vandaar in mij zou komen mijn God, die gezegd heeft: “Ik vervul hemel en aarde?” (Jer. 23:24)

Als ik dan al in Hem bestaat, en als Hij dan al in alle dingen aanwezig is omdat geen plaats Hem kan buitensluiten, wat betekent dan mijn aanroepen? Wat is dan nog de betekenis van de presentie van God in mijn innerlijkheid tijdens het gebed? “Waarheen” roep ik God? In het gebed komt het tot een bijzondere presentie van God voor mij. Ik richt mijn aandacht op Hem. Maar is er ook iets dat gebeurt met God, die toch al overal aanwezig was? De reflectie op het bidden levert interessante vragen op die niet makkelijk te beantwoorden zijn.

Confessiones I, 1 – onrustig is ons hart…

Groot zijt Gij, o Heere, en zeer te prijzen; groot is Uw kracht en Uw verstand is geen getal.

Met dit citaat uit Psalm 145:3 beginnen de Belijdenissen van Augustinus. In onze versies staat het iets anders: “De Heere is groot en zeer te prijzen, Zijn grootheid is niet te doorgronden.” Maar in de Belijdenissen wordt God aangesproken. Het is theologie in de tweede persoon. Want hoe persoonlijk alle overwegingen hier ook zijn, hoe openhartig Augustinus ook zijn zonden belijdt, uiteindelijk wil hij, net als de Psalmist “spreken van de heerlijke glorie van Uw majesteit, en van Uw wonderlijke daden” (Psalm 145:5). Het is daarom karakteristiek voor dit boek dat het begint met een lofprijzing. Natuurlijk, Augustinus spreekt ook over alle ongerechtigheden en twijfels in zijn leven. We horen de worstelingen van een verstand dat naar de waarheid zoekt en een hart dat naar vrede verlangt. Het is uiteindelijk het smeekgebed van iemand die schreeuwt tot God, zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen. Maar het doel is om door het eigen leven heen de “wonderlijke en ontzagwekkende daden van God” in herinnering te roepen.

En de mens wil U prijzen, de mens, een deel Uwer schepping; ja de mens, ofschoon hij zijn sterfelijkheid in zich omdraagt en de getuigenis van zijn zonde en de getuigenis, dat Gij de hovaardige weerstaat: toch wil de mens, een deel Uwer schepping, U prijzen.

De vraag is: wie is dan deze mens die God wil prijzen? In zijn commentaar op Psalm 149 zegt Augustinus: “een nieuw lied past niet goed op de lippen van een oude man. Hij die een nieuwe schepping is en een nieuw leven leidt moet dan ook een nieuw lied zingen.” De mens die al tot geloof is gekomen, die wil God prijzen. Juist omdat deze mens een wedergeboren kind van God is, beseft hij hoe wonderbaarlijk het is dat een sterfelijk mens die zijn zonde beseft zijn Schepper wil en kan prijzen. Augustinus maakt meteen duidelijk dat deze drang tot lofprijzing niet voortkomt uit de natuurlijke mens, maar ook niet de verdienste van een gelovige is.

Gij wekt hem er toe op, dat het zijn lust is U te loven, want Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U.

Het genoegen dat wij vinden in de lofprijzing heeft zijn grond niet in onszelf. Van nature zijn wij vervreemd van het leven van God, afgesneden van Hem door de zonde. Wanneer wordt het mogelijk om te zeggen dat het onze “lust is U te loven”? Enerzijds moet God ons daartoe opwekken. Alleen in de kracht van God kan het een verlangen bij ons zijn om God te prijzen. Waarom zou God dat echter doen? De lofprijzing is meer dan alleen een danken of een muzikale ervaring. In de lofprijzing komt het schepsel tot zijn doel. We zijn immers geschapen “tot U”, vanaf onze oorsprong zijn we bedoeld voor Hem. “Alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen” (Kol. 1:16). Is het mogelijk dat de onrust van ons hart wordt gedeeld door alle mensen? Is dit bedoeld als een universeel kenmerk van alle mensen dat zij onrustig zijn tot dat zij de rust – van de vergeving, van de verlossing – vinden in God? Of is dit juist het grote verschil. Niet alleen dat de ongelovigen God niet zoeken, en wat zij wel zoeken niet God is, maar dat zij ook nergens rust zullen vinden. Maar dan is het goed om je af te vragen of je deze rust ook werkelijk hebt. Moeten wij niet met Augustinus bidden en strijden en worstelen om deze rust ook te vinden? Kunnen wij afstand doen van de intellectuele worsteling die daarvoor nodig is? Ook al is de strijd van Augustinus – tegen Manicheeërs en Pelagianen – niet de onze.

Laat mij, Heere, weten en inzien, wat voorafgaat: U aan te roepen of U te prijzen, en of U te kennen voorafgaat, of U aan te roepen.

Aanroepen en prijzen, het zijn verschillende handelingen waarin een andere relatie tot God is uitgedrukt. Augustinus heeft hier ongetwijfeld een passage uit Romeinen 10 voor de aandacht gehad. “Ieder die de Naam van de Here zal aanroepen, zal behouden worden.” Dit is een aanroepen dat noodzakelijk voorafgaat aan de lofprijzing. Maar de lofprijzing veronderstelt kennis. En veronderstelt kennis niet ook geloof? Zo beschouwd is het lastig om vast te stellen wat het eerste is. Aanroepen of prijzen, aanroepen of kennen? Loven wij God omdat wij Hem kennen? Kennen wij Hem omdat we in Hem geloven? Geloven we in Hem omdat we Hem hebben aangeroepen?

Maar wie roept U aan, wanneer hij U niet kent? Want in zijn onwetendheid kan hij in plaats van het een wezen een ander aanroepen. Of wordt Gij veeleer aangeroepen, opdat Gij gekend wordt? Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welke zij niet geloofd hebben? Of hoe geloven zij, zonder die hun predikt? (Rom. 10:14)

Augustinus geeft een ondubbelzinnig en helder antwoord op zijn eigen vraag. Er moet iemand zijn die gezonden is om te prediken en die predikt. En die prediking is uit het woord van Christus. En die prediking moet worden gehoord. Maar dan moeten zij die het horen ook geloven in Hem van Wie zij voorheen niet gehoord hebben. En dan pas kunnen zij Hem aanroepen. Aan de lofprijzing gaat dus het een en ander vooraf. Want we kunnen alleen lof zeg brengen aan Hem die wij kennen. Maar die kennis berust uiteindelijk op de prediking van het Woord van Christus (Romeinen 10:17).

En zij zullen de Heere prijzen, die Hem zoeken. Want wie Hem zoeken, vinden Hem en wie Hem vinden, zullen Hem prijzen. Laat me U zoeken, Heere, terwijl ik U aanroep en U aanroepen, terwijl ik in U geloof; want U bent ons verkondigd.

Dit aanroepen op grond van geloof en verkondiging mag niet te massief worden aangezet. Het is een tasten en zoeken. Terwijl we in Hem geloven op grond van de verkondiging, terwijl de Hem aanroepen, zoeken we Hem. Dat is geen zoektocht die kan falen. Wie God zoekt, oprecht en met alle inzet, die zal Hem ook vinden (Mat. 7:7).

U roept aan, o Heere, mijn geloof, dat Gij mij geschonken hebt, dat Gij in mij hebt gewekt door de menswording van Uw Zoon, door de dienst van Uw verkondiger.

En dan is zelfs dit aanroepen, opgewekt door God Zelf, dat berust op het horen van de verkondiging van het Woord van Christus, het vleesgeworden Woord, geen prestatie van mijzelf. Het is een geschenk, want God Zelf roept aan, roept tot mij, roept mijn geloof op. God schenkt het geloof dat horen kan en spreekt mijn geloof in mij aan.