Kerkelijk recht en krom

 

I

Wat is de betekenis van kerkrecht? Dat is het geheel van regels voor het bestuur van de kerk in zoverre het een gemeenschap van mensen is, die een organisatie van hun activiteiten en relaties behoeven. Komt dat al voor in het Nieuwe Testament? Nee. Wel de verwijzing naar geboden en verboden in verband met huwelijk en echtscheiding. Wel de opdracht om bij geschillen tussen broeders – vermoedelijk geschillen over “burgerlijke” kwesties zoals eigendom en erfenis – niet te rade te gaan bij de wereldlijke rechtbank, maar bij de “heiligen”. (1 Kor. 6:1-5) “Is er dan niemand onder u die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?” (1 Kor. 6:5). Wel de opdracht om “buiten te sluiten” als een broeder zich schuldig maakt aan ontucht, hebzucht, afgoderij, laster, dronkenschap of diefstal. “Doe de kwaaddoener uit uw midden weg” (1 Kor. 5:13). Eigenlijk zijn dat de belangrijke aanwijzingen voor het kerkrecht. Het is maar de vraag of men daaraan gedacht heeft bij de opstelling van de regels, en of niet duidelijk is dat men doorgaans grote delen van dit “recht” uit het oog heeft verloren.

Maar is dat wel het onderwerp? Ik zei: “kerkelijk recht” en niet “kerkrecht.” Ik maak onderscheid tussen die twee. Wat is kerkelijk recht? Dat is het aan de gemeente van Jezus Christus onderwezen en de in de Schrift betuigde openbaring van de gerechtigheid die tussen mensen – gelovigen of ongelovigen – zopu moeten heersen. Kerkelijk recht is het ideale recht, dat ons ook leidraad moet zijn in onze houding tegenover de overheid, en die als basis dienen moet voor wat we kerkrecht moeten noemen. 

Nu is het doorgaans zo, dat men het evangelie ziet als een morele zaak, die zich niet laat verbinden met rechtsregels. Genade gaat toch altijd boven wet, en wij worden niet behouden door het navolgen van de wet en liefde is toch het antwoord op alle morele vragen? Dat heeft wel degelijk betekenis, en de verwijzing naar dergelijke beginselen is niet zonder kracht. Maar een wet-loos evangelie, een genade zonder ethiek, is in staat ongerechtigheid toe te dekken. We kennen de verhalen over de aarzeling waarmee men meldingen van sexueel misbruik in de kerk heeft ontvangen. De onwil en het onvermogen om resoluut te kiezen voor de slachtoffers en “de boosdoeners uit ons midden weg te doen.” Een bestuurlijk ethos van louter genade werkt zedeloosheid en zonde in de hand. Overplaatsing van een priester maakt geen einde aan misbruik, maar verspreidt het alleen. Ambtsherstel voor een gevallen dominee op grond van emotionele uitingen van berouw, is een klap in het gezicht van de slachtoffers.

Wanneer Jezus ons zegt dat onze “gerechtigheid groter moet zijn dan die van de Farizeeën” is dat geen aanbeveling van voor alomvattende vergeving, d.w.z. negeren van zonden. Grotere gerechtigheid is precies wat het woord zegt. Dezelfde Jezus laat ons merken dat Hij niet gekomen is om de Wet of de Profeten te ontbinden, maar om te vervullen. Hij is immers het einddoel van de Wet. Dat betekent geen afschaffing, maar juist intensivering van de Wet, ondanks de gelijktijdige aanscherping van de rol van de vergeving en de noodzaak van verzoening – waar mogelijk ook tussen mensen. 

 

II

 

Daarom mogen we deze tekst uit Deuteronomium (Dt. 1:16-18) lezen als een aanwijzing voor het kerkelijk recht – en daarmee ook als fundament voor kerkrecht.

We zetten het hier op een rijtje:

1. Er moeten rechters zijn – “is er dan niemand onder u die wijs is?”

Wanneer Mozes niet alleen de wet moet doorgeven, maar ook degene is die de wet uitlegt en toepast wordt zijn taak te zwaar. Blijkbaar zijn er veel conflicten over uitleg en toepassing. Blijkbaar is het volk Israël in de woestijn kwetsbaar voor zonden juist in de onderlinge verhoudingen. Vandaar de opdracht:

Geef voor uzelf (dus geen rechters uit het buitenland), ingedeeld naar uw stammen (dus representatief voor het hele volk), wijze (met praktische kennis van de Torah), verstandige (met een ontwikkeld oordeelsvermogen) ervaren (dus geen jonge mensen zonder levenservaring) mannen, dan zal ik hen tot hoofd (niet in politieke zin, maar wel zodanig dat zij als rechters gezag uitoefenen over de partijen in een geschil) over u aanstellen (zodat niemand zichzelf kan opwerpen als rechter in een zaak).

2.  De aanstelling van rechters behoeft instemming van het volk 

“Toen antwoordde u mij en zei: de zaak die u hebt gezegd te doen, is goed.” 

3. Rechtbanken moeten in verschillende “lagen” worden ingesteld

“…stelde hen tot hoofd over u aan, leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.”

4. Rechtbanken moeten worden ondersteund door ambtenaren, die aan het volk en niet aan de rechters verantwoording verschuldigd zijn.

“…en beambten voor uw stammen.”

5. De taak van de rechters is het luisteren naar een geschil dat wordt voorgelegd, niet dat zijzelf het initiatief daartoe nemen.

“Ook beval ik in die tijd uw rechters: “luister naar [de geschillen, d.w.z. datgene wat hier “tussen” broeders een conflict geeft].

6. De veronderstelling zelfs bij het conflict is, dat de partijen “broeders” zijn, d.w.z. zij in beginsel in een goede relatie (kunnen) staan.

Dat is een aanwijzing voor de rol die het rechterlijke oordeel moet spelen. Geen harde en onpersoonlijke gerechtigheid maar zoveel mogelijk het herstel van de geschonden relatie is het doel. 

7. Het oordeel mag echter niet alleen relatie-herstel zijn, het is geen “mediation”, maar er moet recht worden gedaan.

“Oordeel rechtvaardig tussen een man, zijn broeder.”

8. De rechtspraak moet zelfs “rechtvaardig” zijn wanneer er sprake is van een geschil tussen een Israëliet en een vreemdeling. Er moet recht worden gedaan.

Dat geldt uiteraard alleen maar voor de vreemdeling die in een of andere relatie tot de broeder staat: “…en de vreemdeling die bij hem is.” 

9. De rechterlijke uitspraak moet een zuivere toepassing van het recht in het onderhavige geschil zijn. 

“U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak.” 

10. Er mag geen verschil worden gemaakt tussen aanzienlijken en onaanzienlijken, er mag een klasse-justitie zijn. 

Ook niet wanneer dat het gevolg zou zijn van een financiële drempel voor sommigen.

11. De rechtspraak moet zichtbaar zijn gevrijwaard van intimidatie en omkoping.

De rechtspraak zou kunnen verlopen langs politieke voorkeuren, er zou sprake kunnen zijn van belangenverstrengeling, omkoop, of intimidatie en bedreiging. Omgekeerd moet elke poging tot beïnvloeding van de rechterlijke uitspraak door derden worden bestraft. “Want de rechtspraak behoort aan God.”

12. Er moet ruimte zijn voor een hoger beroep en er moet dus een hoogste rechtbank zijn.

“Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.” Is dit een aanwijzing voor een Hooggerechtshof? Of voor een uiteindelijke politieke beslissing over de wetsuitleg? Een hoogste beslissing toewijzen aan Mozes zou beide kunnen betekenen.   Ook in latere tijd is het bij voorbeeld Salomo die tegelijkertijd als hoogste politieke en als rechterlijke macht optreedt. 

 

III

Wat te doen met deze aanwijzingen vanuit het Oude Testament? Is dit behulpzaam bij het beoordelen van ons kerkrecht? Zowel naar de theorie ervan als naar de praktijk? 

Toen een gemeente in Nederland om losmaking verzocht van haar predikant – vrij vertaald: ontslag vanwege het “niet meer vruchtbaar kunnen dienen van de gemeente” – begon een procedure van kerkrecht.

Een commissie zou de hoogste rechter zijn (1) – maar hadden zij kennis van het kerkrecht? Waren het theologen die het kerkelijk recht in de Bijbel kenden? Welnee. Predikanten, ouderlingen en een paar juristen dienden in de commissie. Niemand behalve de adviseur van de commissie – die al eerder als mijn aanklager was opgetreden – kon het kerkrecht aan ze uitleggen.

Hebben zij geluisterd naar het geschil? Welnee. Ze lieten alleen samenvatten wat al schriftelijk al gezegd was – de kerkenraad en hij. Hebben zij daarbij vragen gesteld en toelichting gezocht? Welnee. Het was alleen maar formeel. Hebben ze de kerkenraad het woord ontnomen toen ze met nieuwe en absurde beschuldigingen kwamen? (” Dominee heeft mijn advies inzake een belastingconsulent niet aangenomen dus is het iemand die nooit luistert…”) Welnee. In strijd met (5) dus. Werd er “recht”  gedaan? Werd het geschil besproken om te zien wat hier de waarheid was? Welnee. Het ging om de bevestiging van het voornemen van de kerkenraad, daarvoor moest een grond worden gevonden. Hebben zij die gevonden? Jazeker.  Ze bedachten een mooie truc: omdat de dominee niet uitdrukkelijk had gezegd dat hij het ontslag aanvocht – d.w.z. hij had die woorden niet letterlijk gebruikt, maar inhoudelijk op de redenen geantwoord van het verzoek van de KR – daarom werd zijn bezwaar afgewezen. In strijd dus met (9). 

Maar was dit alles in strijd met het kerkrecht? Welnee. Het kerkrecht was prima gevolgd. De verschillende commissies – KR, districtsvergadering, Commissie ambten – hadden gedaan wat volgens de kerkregels mocht. Die regels maakten het alleen mogelijk dat het kerkelijk recht, de Torah, de gerechtigheid volgens de Schrift met voeten werd getreden.

Zo hebben valse beschuldigingen, een atmosfeer die iedereen tot consensus dwong, een kerkenraad die liever moeilijkheden uit de weg ging dan ze op te lossen, een commissie die alleen de feitelijke breuk wilde bestendigen en formaliseren, precies tot het resultaat geleid van het soort van (on-)recht dat de samenleving zo vaak kenmerkt. 

Daarom wordt het tijd dat we gaan luisteren naar het jodendom, want Christenen hebben geen benul van wat gerechtigheid is. Omdat we de Torah niet kennen, en de Bijbel niet willen toepassen op de praktische vragen van dit moment.

Het kerkrecht kan ons niet redden voor onrecht.

De kenmerken van het reddende geloof bij Abraham – Rom. 4:13-25

13 – 15 Abraham niet gerechtvaardigd door de wet

13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. 14 Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan. 15 De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

Het geloof van Abraham is hem toegerekend tot gerechtigheid. De eerste gedachte bij Paulus is, dat Abraham dus niet is gerechtvaardigd door de besnijdenis. De besnijdenis is een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Maar dat geloof had Abraham al voordat hij besneden werd. Dat vinden we in vers 10 tot en met 14.

In vers 13 tot en met 15 vinden we dat Abraham ook niet gerechtvaardigd was door het onderhouden van de wet. De wet van Mozes immers werd pas 500 jaar later gegeven. De beloften aan Abraham, in Genesis 12 en 15 zijn dus niet verbonden met de wet van Mozes, maar alleen met de gerechtigheid van het geloof.

De belofte aan Abraham lag besloten in het verbond met Abraham. (Genesis 12,15, 18,22) Het verbond met Abraham had vier elementen. Volgens Genesis 15 geeft God een land aan de nakomelingen van Abraham – vijf eeuwen later onder Jozua is die belofte voorlopig vervuld. Voorlopig – want de omvang van het land dat aan Abraham is beloofd is vele malen groter dan het land dat feitelijk door Israël werd ingenomen.

In de tweede plaats beloofde God dat Abraham de vader van vele volkeren zou worden, en dat zijn nageslacht niet kon worden geteld. (Genesis 13:16, 15:5)

In de derde plaats beloofde God aan Abraham dat hij het middel zou zijn waardoor de hele wereld Gods zegen zou ontvangen.

In de vierde plaats lag in de belofte aan Abraham besloten dat in zijn zaad – en Paulus legt uit in Galaten 3:8 dat we daaronder Jezus moeten verstaan – de verlosser zou komen. God zou immers “voor Zichzelf het lam voor het brandoffer” voorzien.

Hebreeën 11 geeft ons daarvan een mooie samenvatting:

17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.18 Tegen hem was gezegd: Dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.19 En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

Op een of andere wijze heeft Abraham de komst van de Messias kunnen voorzien. En het was door middel van deze Messias dan Abraham tot een zegen voor alle volkeren van de aarde zou zijn. Zo blijkt uit Johannes 8:56, waar Jezus zegt: ” Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.”

Waarom zegt Paulus dat Abraham niet uit de wet is gerechtvaardigd? Hij zegt immers in Romeinen 7 heel duidelijk dat die wet heilig is, en dat het gebod heilig en rechtvaardig en goed is. We moeten echter begrijpen dat de wet van Mozes nooit gegeven is als een middel tot behoudenis. De wet werd niet aan Israël voorgehouden als de perfecte standaard, maar als een liefdevolle gave van Gods wijsheid voor het leven van een verlost volk. Die verlossing was Gods soevereine daad in de uittocht uit Egypte. Die verlossing moest brengen tot vertrouwen en geloof in de God van Israël. De overgave aan deze God in geloof, wat Deuteronomium 30 de besnijdenis van het hart noemt, was de werkelijke basis van de verlossing.

De enige gerechtigheid die God ooit heeft erkend, is de gerechtigheid van het geloof, van de overgave aan God. Uiteindelijk is dus elke gerechtigheid op grond van genade. Hebreeën 12 zegt daarom dat Jezus de “voleinder van het geloof” is. Aan wie gelooft in de persoon en het werk van de Here Jezus, wordt dat geloof toegerekend als de eigen gerechtigheid van Christus. Christus Jezus is voor ons geworden: “wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1:30). “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde (zondoffer) gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21).

Stel nu eens dat iemand in Israël door het houden van de wet de perfecte gerechtigheid voor God uit zichzelf zou hebben verworven? Dan zouden zij erfgenamen zijn op grond van de wet. Maar dan is het geloof van Abraham betekenisloos of “zonder inhoud gemaakt.” Bovendien zou de belofte aan Abraham, een daad van vrije genade van God, ook betekenisloos zijn. Waarom zou God het geloof van Abram tot gerechtigheid rekenen, als Abraham dat al door eigen werken verdiend had? Waarom zou God zijn belofte aan Abraham houden, als uit zijn nageslacht in ieder geval enkelingen in staat waren gebleken om de wil van God perfect te doen? Geloof is de vaardigheid om te ontvangen wat God heeft beloofd. Maar als je ontvangt wat God heeft beloofd op grond van gehoorzaamheid aan de wet, dan is geloof overbodig. Als jij iemand iets belooft met een voorwaarde die mogelijk kan worden vervuld, dan is het feitelijk geen belofte meer.

De wet van Mozes kan als zodanig geen redding brengen. De wet brengt kennis van de zonde, en uiteindelijk Gods toorn. Hoe meer wij proberen onszelf te rechtvaardigen door Gods wet te onderhouden, temeer demonstreren wij ons onvermogen vanwege de zonde die over ons heerst. De wet openbaart dus de gerechtigheid van God, door de zonde van de mens te demonstreren. Dat wil niet zeggen dat de wet van Mozes geen enkele functie heeft, omdat ze niet de verlossing brengt. Wanneer je de wet van Mozes echter gaat zien als een door God aangewezen weg tot redding, een weg die zonder geloof kan worden betreden, dan maak je ook de door God wel degelijk gevraagde gehoorzaamheid onmogelijk. De gehoorzaamheid aan God is gebaseerd op ons geloof in de Redder, en berust daarmee dus ook op onze erkenning van onze zonden. Zonder de belofte en de genade en het geloof is die gehoorzaamheid aan God onmogelijk.

Vers 16 – 17 Abraham is gerechtvaardigd door Gods genade

16 Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, 17 zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn.

Uiteindelijk is het Gods wil geweest dat de redding van zonde en dood, de vrijspraak in Gods oordeel, alleen op grond van genade zou zijn. Omdat het op grond van genade moet zijn, wordt ons geloof gerekend tot gerechtigheid. Ook ons geloof immers kan ons niet redden. Geloof is niet een bepaalde vorm van menselijke werken, of een of andere deugd. De macht van de redding ligt niet in ons geloof, maar in Gods genade waarin wij geloven. Het geloof van Abraham was immers niet op zichzelf genomen gerechtigheid, maar werd hem toegerekend als gerechtigheid. Ons geloof is geen gerechtigheid, maar is de erkenning van Gods genade waarmee Hij ons gerechtigheid schenkt.

Met name in de charismatische gemeenten zie je steeds deze denkfout, dat als de Schrift zegt dat iets “door het geloof”, of “uit het geloof” gebeurt, zij dat opvatten alsof het geloof de effectieve oorzaak ervan is. Zeggen “uw geloof heeft u behouden,” betekent echter hetzelfde als te zeggen: ” u bent behouden uit genade, die u in geloof hebt erkend.” Het geloof is niet de effectieve oorzaak, maar de genade, en het geloof is wat je zou kunnen noemen het zichtbare teken van die oorzaak.

Vers 18 – 25 de behoudenis is door Gods genade, niet door menselijke inspanning

18 En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. 21 Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. 22 Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, 24 maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, 25 Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

In deze verzen eindigt Paulus zijn weergave van Abraham als het voornaamste voorbeeld van een reddend geloof. In de behoudenis zijn zowel de genade van God als het geloof van een mens betrokken, maar dat zijn geen gelijkwaardige componenten, en het geloof is, zoals we gezien hebben, niet de effectieve oorzaak van de verlossing. Efeze 2 zegt het zo: “8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

“Uit genade” is een uitdrukking voor de effectieve oorzaak. De genade bewerkt het. “Door het geloof” is een uitdrukking voor de meewerkende oorzaak. Het geloof maakt de bodem rijp voor de ontvangst van deze genade. Wanneer je een cadeau geeft, dan is de gever de effectieve oorzaak, maar de ontvanger moet het aannemen, om het schenken compleet te maken. De ontvanger is dus de meewerkende oorzaak. En om te benadrukken dat het geloof niet een oorzaak van behoud, en niet een menselijk werk of prestatie is, zegt Paulus hier nadrukkelijk: “niet uit u.” Wij zijn niet zelf de oorzaak van ons geloof, het geloof is dus niet onze prestatie of daad.

We spreken in de evangelische wereld wel eens van een keuze. Je zou kunnen zeggen dat de bekering die vorm wel heeft in ons bewustzijn. Wij lijken te kiezen voor het evangelie, tegen ons natuurlijke leven in de wereld. Hoewel we het zo zouden kunnen ervaren, moeten we serieus nemen wat Paulus meteen daarna zegt: “het is de gave van God.” Maar als God ons geloof schenkt, hoe kan het geloof dan onze keuze, onze daad, onze prestatie zijn? Wanneer jij een geschenk ontvangt van iemand, kun je toch moeilijk zeggen dat jij het jezelf hebt gegeven, of dat jij het cadeau zelf tot stand hebt gebracht, en zelfs niet dat jij dat cadeau gekozen hebt. (Sinterklaaslijstjes van hele jonge kinderen daargelaten.)

Het geloof van Abraham heeft zeven belangrijke kenmerken:

  1. Paulus zegt dat Abraham geloofd heeft “tegen hoop op hoop.” Hoop is het verlangen dat iets gebeuren zal; geloof is het vertrouwen dat iets waar is of gebeuren zal. Abraham heeft erop vertrouwd dat iets zou gebeuren, waar hij van een menselijk gezichtspunt uit gezien geen enkele basis voor had. Er was geen rechtvaardiging voor zijn hoop, behalve zijn vertrouwen dat God zou doen wat Hij gezegd had.
  2. Vervolgens zegt Paulus dat Abraham niet zwak werd in geloof, dat wil zeggen dat hij geen twijfel toeliet die het geloof kon ondermijnen. Hij wist al 40 jaar lang dat zijn God leven geeft aan de doden en tot het bestaan kan roepen wat niet eerder bestond (Rom. 4:17). Dat is heel bijzonder omdat Abraham een dergelijk wonder van opwekking nooit gezien had, en evenmin gezien had dat God iemand tot bestaan bracht. Toch was Abraham ervan overtuigd dat de Heere tot die dingen in staat was. Zo lezen we ook in Hebreeën 11:17-19, dat Abraham, toen zijn geloof werd getest, Isaac geofferd heeft. Waarom? “Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.”
  3. Abrahams geloof heeft als derde kenmerk dat hij niet werd ontmoedigd door zijn eigen natuurlijke zwakheden. Zijn eigen onwetendheid en zwakheden waren geen obstakels voor zijn vertrouwen in God. Toen de belofte kwam dat hij een kind zou krijgen bij Sara, heeft hij niet gekeken naar zijn eigen leeftijd – 100 jaar oud!
  4. Er kwam ook een moment dat Abraham eraan kon twijfelen of de belofte zou worden vervuld, toen de omstandigheden om hem heen die vervulling onmogelijk leken te maken. De hoge leeftijd van Sara b.v. was voor hem geen reden om te twijfelen.
  5. Ten vijfde, met betrekking tot de belofte van God is Abraham niet heen en weer gegaan van geloof naar ongeloof. Veel gelovigen gaan op die wijze onrustig heen en weer. Als naar menselijk gezichtspunt de dingen goed gaan, is het makkelijk om God te vertrouwen. Maar als de omstandigheden zwaar worden, is het eenvoudiger om geen vertrouwen te hebben. Zeker, Sara heeft uiteindelijk het punt bereikt dat ze God vertrouwde. Maar op het moment dat de belofte wordt gegeven begint ze te lachen – Genesis 18:12.
  6. Paulus zegt ten zesde dat het geloof van Abraham gekenmerkt wordt door het feit dat hij alle eer aan God gaf. Het door God vereiste maar ook geschonken geloof verheerlijkt God. Uiteraard, als Hij ook de bron is van dat geloof. Elk geloof dat geen heerlijkheid aan God toekent, komt niet uit Hem voort. Mensen verheerlijken God, door hun geloof, omdat ze daardoor bevestigen dat God het vertrouwen waard is. Elke poging om God te eren of te aanbidden zonder geloof, is waardeloos en zelfzuchtig. Wie niet gelooft, zegt Johannes zelfs, maakt God tot een leugenaar.
  7. Dan ten zevende, tenslotte, heeft Abraham volledig geaccepteerd dat wat God beloofd had, Hij ook in staat was te doen. En daarmee kunnen we zeggen dat het geloof in God van Abraham volledig en zonder reserves is geweest.

Vers 22 geeft het antwoord op Abrahams geloof van Godswege. Abraham was naar het vlees totaal niet bij machte om te handelen volgens de eis van volmaakte gerechtigheid. Over die eis van de goddelijke gerechtigheid, die God als schepper aan de mens mag opleggen en opgelegd heeft, heeft Paulus eerder gesproken. De eisende gerechtigheid van God maakte dit evangelie van geschonken gerechtigheid ook noodzakelijk. Maar de blijde boodschap over God is nu juist, dat de Here het geloof, dat Hij Zelf aan een mens heeft gegeven, (of mogelijk heeft gemaakt?) zal aanrekenen tot goddelijke gerechtigheid van de kant van de zondaar.

[De gedachte dat God het geloof niet simpelweg heeft geschonken maar alleen heeft mogelijk gemaakt, is een poging om de uitverkiezing en de wedergeboorte te verzoenen met de ervaring van de bekering. Je zegt dan dat wij weliswaar kiezen voor het evangelie, maar niet zonder een aanleiding of aanraking door de Heilige Geest. Het begrip uitverkiezing kan dan nog alleen maar betekenen, dat God van tevoren wist dat wij die keuze zouden maken. God heeft dan alleen de omstandigheden geschapen waaronder iemand met ons bijzondere karakter tot die keuze geneigd zou zijn. De genade van God is dan bij de bekering een meewerkende oorzaak.

Vanuit Romeinen 8 lijkt het erop dat we dit anders moeten zeggen. “En hen die Hij tevoren heeft bestemd”  – namelijk om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn – ” heeft Hij ook geroepen.”  Waarbij we dan deze roeping moeten begrijpen als een soevereine daad van Gods genade die ons tot gelovigen heeft gemaakt. Dan schept God niet de omstandigheden waarin wij ertoe gebracht worden om een zelfstandige keuze te maken, maar is ons geloof een gevolg van deze “bestemming.” Gods genade is dan de effectieve oorzaak van ons geloof.]

In vers 23-25 maakt Paulus duidelijk dat dit niet uniek is voor Abraham. Ondanks het feit dat de inhoud van ons geloof het evangelie is van Jezus de Heere, de Opgestane uit de doden. Al eerder heeft Paulus gezegd dat Abraham van de betekenis van dit evangelie al doordrongen is geweest, zonder het in detail al te kennen. (Zoals Genesis 26 duidelijk maakt, dat Abraham al weet had van de concrete eisen van de gehoorzaamheid aan God, nog voordat de wet aan Mozes gegeven werd.) Ook ons geloof wordt gerekend tot gerechtigheid. En dat niet alleen, maar de inhoud van ons geloof – namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, en opgestaan vanwege onze rechtvaardiging – was ook de grondslag van de toerekening van gerechtigheid aan Abraham. Wij mogen helder weten, wat Abraham alleen kon vermoeden. Want ” Abraham verheugde zich om Mijn dag te zien et cetera.”

Geloof is een noodzakelijke voorwaarde voor de behoudenis. Maar dat geloof is vooral een geloof in God Zelf. Dat maakt vers 24 duidelijk. Wij, “die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,” hebben hetzelfde geloof als Abraham, die geloofde dat de Heere Isaac uit de doden kon opwekken.

Anders dan Abraham kennen wij het middel op grond waarvan ons geloof tot gerechtigheid gerekend wordt. Wij geloven dat God de Vader Jezus uit de doden heeft opgewekt. Wij geloven dat Jezus werd overgeleverd aan de dood vanwege onze overtredingen, en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Jezus Christus werd overgeleverd om het doodvonnis te ondergaan dat de passende straf was voor onze overtredingen. Jezus is opgestaan uit de doden om ons de rechtvaardiging (vrijspraak) te geven tegenover God die wij nooit hadden kunnen bereiken op eigen kracht of op grond van onze eigen verdiensten.

Johannes 1:1-6 – Grieks, met een nawoord van Augustinus.

Christenen hebben, anders dan joden en moslims, weinig of geen toegang tot de oerteksten van hun geloof.

Bijna niemand neemt de moeite om de Bijbel te lezen – te bestuderen – in een vertaling, laat staan met de nodige commentaren en in het Hebreeuws en Grieks. Er is nóg een gebrek: dat wij de tradities niet kennen, de gedachten van de Bijbellezers vóór ons die al over de Bijbel nagedacht hebben.

Zo iemand is Augustinus, die we uiteraard niet volgen in zijn hele theologie, maar die ons bij het lezen van zijn teksten wel dwingt om opnieuw na te denken over de Bijelse tekst. Soms geeft dat verrassend nieuwe inzichten.

Deze video wil laten zien hoe belangrijk kennis van het Grieks en de grammatika is om een tekst als Johannes 1:1-6 werkelijk te verstaan. En daarnaast wil het aan een enkele passage van Augustinus laten zien hoe belangrijk de kennis van de oude tradities is.

In de joodse benadering van de Schriften hebben we een goed voorbeeld van een andere en betere manier van lezen. De tekst in het Hebreeuws blijft het uitgangspunt; kennis van de grondtaal en de grammatika is cuciaal voor het correcte begrip en dus ook de gehoorzaamheid aan Gods woord. De traditie spreekt mee in de Talmoed, de Midrasj en in de joodse exegese door de eeuwen heen. Volgens mij is dat voorbeeldig!

Maar niet alleen dat wij moeten en mogen leren van de Rabbijnen, zoals ik elders uitvoerig betoogd heb, maar we moeten en mogen ook leren van onze eigen “Talmoed” de rijke traditie van de Apostolische Vaders en van de patristieke literatuur, waarvan Augustinus een uitstekend voorbeeld is.

Een wet in voorbeelden

De Wet in het Oude Testament heeft een bijzondere vorm die we “paradigmatisch” noemen. Een paradigma is een model, een voorbeeld van hoe iets zou moeten gaan. Dat kennen we wel van de lagere school, toen we het rijtje leerden: “ik loop, jij loopt, hij loopt, wij lopen, jullie lopen, zij lopen.” Dat rijtje is een voorbeeld van hoe een werkwoord in de tegenwoordige tijd wordt verbogen. Het is dus een paradigma van de tegenwoordige tijd. Kopen, en trouwen, en handelen gaan dus precies zo. Het voorbeeld bevat een algemene regel, een taalwet. Op dezelfde manier vinden we dat terug in de geboden en verboden van het Oude Testament. Doorgaan met het lezen van “Een wet in voorbeelden”

De Brief aan de Romeinen – VTTBB

De brief aan de Romeinen in vijf eenvoudige stappen

Stap 1 Veroordeelt
God veroordeelt in Zijn gerechtigheid, de ongerechtigheid van alle mensen –1:18 – 3:20

Stap 2 Toegerekend
Gods gerechtigheid wordt echter geschonken en toegerekend aan allen die geloven – 3:21 – 5:21

Stap 3 Toebedeeld
Goddelijke gerechtigheid wordt ook in de praktijk toebedeeld aan hen die leven in de Geest – 6:1 – 8: 39

Stap 4 Bewezen
Gods soevereine gerechtigheid wordt bewezen in de geschiedenis van Israël – 9:1 – 11:36

Stap 5 Beoefend
De geschonken gerechtigheid wordt beoefend in de gemeente, tegenover de wereld – 12:1-15:13