De Wet van Mozes – afgeschaft door het liefdesgebod?

Voor veel christenen is de zaak beslist. Jezus leerde ons het gebod van de liefde, voor God en de naaste, en Paulus maakte duidelijk dat wij niet langer onder de Wet zijn. De Wet kan alleen maar veroordelen en ons doen inzien hoe diep onze zonde is. Jezus kwam om de Wet te vervullen, dat wil zeggen af te schaffen, en Paulus leert ons dat Christus “het einde van de Wet [is] tot gerechtigheid voor ieder die gelooft” (Rom. 10:4). “De Wet van Mozes – afgeschaft door het liefdesgebod?” verder lezen

De Brief aan de Romeinen – VTTBB

De brief aan de Romeinen in vijf eenvoudige stappen

Stap 1 Veroordeelt
God veroordeelt in Zijn gerechtigheid, de ongerechtigheid van alle mensen –1:18 – 3:20

Stap 2 Toegerekend
Gods gerechtigheid wordt echter geschonken en toegerekend aan allen die geloven – 3:21 – 5:21

Stap 3 Toebedeeld
Goddelijke gerechtigheid wordt ook in de praktijk toebedeeld aan hen die leven in de Geest – 6:1 – 8: 39

Stap 4 Bewezen
Gods soevereine gerechtigheid wordt bewezen in de geschiedenis van Israël – 9:1 – 11:36

Stap 5 Beoefend
De geschonken gerechtigheid wordt beoefend in de gemeente, tegenover de wereld – 12:1-15:13

Leren van de rabbijnen – dagelijks leven #5 – naastenliefde vóór het gebed

Heb je naaste lief als jezelf

We bespreken vandaag niet de volledige betekenis van dit gebod, we zien er bijvoorbeeld vanaf de relatie tussen de naastenliefde en de liefde voor de broeders en zusters (1 Joh. 2:10, 3:10, 14, 16) aan de orde te stellen.

Er is wel een reden om twee hardnekkige misverstanden over dit gebod hier aan de orde te stellen. In de eerste plaats het misverstand dat we in het christendom te maken hebben met een volstrekt universele intentie van dit gebod – de “naaste” is de hele mensheid volgens Bultmann. Liefde voor de mensheid is een volstrekt abstracte opdracht die door niemand concreet kan worden vervuld.

De eerste (joodse) christenen zullen dit gebod van de Heer Jezus hebben begrepen als een herhaling van Leviticus 19:18. De term “naaste” is het Hebreeuwse woord re’a, wat vriend of broeder betekent. Het gaat dus in de eerste plaats – ongeacht de strekking van de parabel van de Barmhartige Samaritaan – om de liefde voor de “broeder en zuster” in Israël – anders dan de familieleden.

Het tweede grote en hardnekkige misverstand is, dat het Jodendom de betekenis van dit gebod heeft beperkt tot de naaste in Israël – maar zowel de tekst uit Leviticus als de joodse traditie maken duidelijk dat dat geenszins het geval is; de “beperkte” betekenis is de primaire betekenis! – en bovendien dit gebod niet gezien heeft als een van de zware geboden in de Thora.

Ik concentreer mij nu op een enkel interessant verschijnsel. En dat is wat we vinden in de Kitzoer Sjoelchan Aroech hfst. 12.2 (nog steeds in de sectie van de geboden voor het opstaan ’s morgens).

“Het is goed om weldadigheid te geven voorafgaande aan het gebed, zoals geschreven staat ik verschijn voor uw aangezicht met weldadigheid (tsedakah); ook moet men voorafgaande aan elk gebed het gebod op zich nemen: “en hebt uw naaste lief als uzelf” en daarbij de aandacht richten op het liefhebben van iedereen in Israël als zijn eigen ziel. Want als, God verhoede, er een scheiding van de harten is van Israël hier beneden dan zijn zij ook hierboven niet verenigd. De lichamelijke eenheid op de aarde brengt eendracht en eenheid van de zielen in de hemel tot stand; en daardoor zijn zij ook in hun gebeden met elkaar verbonden; en dan, als hun gebeden worden samengevoegd, zijn ze ook welgevallig voor Hem, geprezen zij Zijn Naam!” (1)

Voorafgaande aan het gebed moet men zich realiseren dat we de broeders en zusters in de gemeente moeten liefhebben. Dat geeft eenheid aan onze gebeden en daarmee zijn onze gebeden krachtig voor het aangezicht van onze God. Dat zal dan ook de richtlijn voor ons gebed (kunnen) zijn.

(1) De hebreeuwse tekst luidt:

טוֹב לִתֵּן צְדָקָה קֹדֶם הַתְּפִלָּה, שֶׁנֶּאֱמַר אֲנִי בְּצֶדֶק אֶחֱזֶה פָנֶיךָ. גַּם יְקַבֵּל עָלָיו קֹדֶם כָּל תְּפִלָּה מִצְוַת וְאָהַבְתָּ לְרֵעֲךָ כָּמוֹךָ, וִיכַוֵּן לֶאֱהֹב אֶת כָּל אֶחָד מִיִשְֹרָאֵל כְּנַפְשׁוֹ, כִּי אִם חַס וְשָׁלוֹם יֵשׁ פֵּרוּד לְבָבוֹת יִשְֹרָאֵל לְמַטָּה אֲזַי גַּם לְמַעְלָה אֵין הִתְאַחֲדוּת אֲבָל הִתְאַחֲדוּת בְּגוּפֵיהֶם שֶׁלְּמַטָּה גּוֹרֵם הִתְאַחֲדוּת וּדְבֵקוּת נַפְשׁוֹתֵיהֶם לְמַעְלָה, וְעַל יְדֵי זֶה גַּם תְּפִלּוֹתֵיהֶם מִתְאַחֲדוֹת. וְאָז בִּהְיוֹת תְּפִלּוֹתֵיהֶם כְּלוּלוֹת יַחַד, הִיא רְצוּיָה לְפָנָיו יִתְבָּרַךְ שְׁמוֹ (סִימָן צ”ב ובסידור).

Leren van de Rabbijnen – afdeling 1 – het dagelijkse leven. (3)

Leviticus 20:23 zegt: “U mag niet wandelen overeenkomstig de verordeningen van het volk dat Ik voor u uitga verdrijven.” Dat geldt ook voor de gebruiken van het land Egypte die Israël niet mag navolgen. “U mag niet in hun verordeningen gaan” (Lev. 18:3). Dat geldt vooral voor de zaken die verbonden zijn met de afgodendienst van de volkeren in het land dat Israël nu in bezit neemt- Deut. 12:2. “Leren van de Rabbijnen – afdeling 1 – het dagelijkse leven. (3)” verder lezen

Leren van de Rabbijnen – afdeling 1 – het gebedsleven. (2)

Psalm 26:6 zegt, “Ik was mijn handen in onschuld.”

In de tijd van de Tempel was het opgedragen aan de priesters om elke morgen de handen te wassen voorafgaande aan hun dienst. Dat werd verbonden met Psalm 26 vanwege het tweede deel van vers 6: ” Ik ga rondom Uw altaar, Here.”

Het wassen van de handen is een extern symbool van de reiniging die nodig is om priesterlijke dienst voor het aangezicht van de Here te verrichten. Twee overwegingen zijn hier van belang. “Leren van de Rabbijnen – afdeling 1 – het gebedsleven. (2)” verder lezen