De Reformatie aan het begin van de 20e eeuw – de strijd tussen Fundamentalisten en Vrijzinnigen

Aan het begin van de 20e eeuw staan het fundamentalisme en het modernisme scherp tegenover elkaar, zoals zal blijken ook in Nederland. De grote kwestie wordt: kunnen bijbelgetrouwe Christenen blijven in de grote kerken die langzamerhand liberaal worden, of moeten zij zich afzonderen en hoe ver moet deze afzondering dan eigenlijk gaan? Bij ons is dat voortdurend ook de vraag geweest voor de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging – kunnen we nog blijven? En moeten we de modernisten doen wijken of met hen samenwerken? Het is een strijd vooral om Sola Scriptura.

Based on two lectures by prof Nathan Busenitz of TMS, this is my summary in Dutch for the students in Gorssel on the topic of fundamentalism and liberalism.

I have used screenshots of some of his slides to present my version of that history.

I recommend for English speaking Christians these lectures by Nathan Busenitz at TMS, to be found here:

www . youtube.com/channel/UC-deZ7ubmEzKxch1zqAwN6g

Ongeloof tegenover het Brood des Levens – over Johannes 6 – voorbereiding van de prediking

Ongetwijfeld is het ongeloof waarmee Jezus werd geconfronteerd ook een deel van Zijn lijden geweest. We lezen immers dat Hij “zo’n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen” (Heb. 12:3). Hij kwam om het verlorene te redden; Hij kwam tot het Zijne, tot Zijn volk en Zijn stad, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij kwam als de erfgenaam naar de wijngaard, maar de landbouwers grepen Hem en wierpen Hem buiten de wijngaard en doodden Hem. (Mat. 21:39)

In Johannes 6 lezen we over de reactie van de toehoorders, wanneer Jezus spreekt over het Brood van het Leven. De prediking van Jezus kende drie verschillende reacties. Er was de reactie van spot en verwerping, vooral bij de Schriftgeleerden en de Farizeeën. Het dieptepunt daarvan vinden we in Mattheus 12:24, waar ze over Jezus zeggen: “Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de aanvoerder van de demonen.” Aan de duivel toeschrijven wat de Heilige Geest doet, is de enige onvergeeflijke zonde. En dan zijn er de mensen die reageren met een tijdelijk of oppervlakkig geloof. Bijvoorbeeld in vers 2 van dit hoofdstuk: “een grote menigte volgde Hem, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken.” Diezelfde menigte reageert ook op een verkeerde manier op het teken van de broodvermenigvuldiging. Zij zeiden: “Hij is werkelijk de Profeet, die in de wereld komen zou” (6:14). Ze waren zelfs van plan om Hem met geweld koning te maken. Dat zijn de mensen over wie Jezus zegt dat zij Hem zoeken, “niet omdat u tekenen gezien hebt” – en begrepen wat die tekenen zeggen over de Persoon van Jezus – “maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent” (6:26).

In het vorige gedeelte hebben we gezien dat in de eerste plaats alleen degenen die door de Vader getrokken worden, tot Christus kunnen komen. Wie de Persoon van Jezus aanneemt, moet dat inzicht van de Vader hebben ontvangen. Vervolgens hebben we gehoord, dat alleen wie in Hem geloven, eeuwig leven hebben. Dat is het “werk van God: dat u gelooft in Hem die Hij gezonden heeft” (6:29). Maar ook dat is nog niet voldoende. Tot Jezus komen en in Hem geloven is precies wat vele volgelingen van Jezus gedaan hebben. Maar hebben ze Hem werkelijk gekend? Hebben ze werkelijk begrepen wie Hij is? Er zijn ongetwijfeld vele mensen geweest, die in Hem geloofden. Soms is er zelfs een grote menigte, zoals ook bij Palmpasen. Later lezen we: “Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen” (Joh. 8:31). Er is nog iets anders nodig dan weten wie Hij is en zelfs meer dan in Hem “geloven”. Het criterium van het waarachtige geloof is het blijven in Zijn Woord; het eten van Zijn vlees en het drinken van Zijn bloed. Het gaat bij Johannes om deze innige vereniging met Jezus. Het leven met Hem, en in Hem, en door Hem. (Vgl. Joh. 6:56, 57).

Het geloof in een gekruisigde Christus, die met Zijn leven het bloedige offer wordt dat de verzoening met God bewerkstelligt, en het gehoorzamen van Jezus als de waarachtige Zoon van de levende God, de innige vereniging met Zijn leven zodat ik met Hem sterf en in Hem mag opstaan tot een nieuw leven – dat alles omschrijft het waarachtige en persoonlijke en verlossende geloof. Een ware discipel van Jezus komt in alle nederigheid tot Hem, is berouwvol over de zonde, en hongert en dorst naar de gerechtigheid die alleen Christus geven kan. De ware discipel neemt zijn kruis op en volgt Hem. Onwaarachtige discipelen van Jezus volgen Hem niet vanwege wie Hij is, maar vanwege wat ze van Hem willen verkrijgen. De baby in de kribbe, de sociale hervormer, de boodschapper van naastenliefde, de ideale mens, of de bron van gezondheid, rijkdom en wereldlijke gelukzaligheid, zo wil de wereld Jezus ook wel aanvaarden. Maar een Jezus die moet sterven vanwege de zonde, en met Wie ik mij moet identificeren zodat ik Zijn leven en sterven in mij opneem, dat gaat de wereld te ver.

Zijn vlees eten – verkondiging van 26 maart

Verkondiging in IJmuiden-west van 26 maart 2017.
Johannes 6:54-55.

Het herstel van het “goede leven”werkt volgens Johannes 6 als volgt:

  1. De Vader “trekt” iemand tot Jezus. Het komt tot een ontmoeting, een kennisnemen van.
  2. Wij komen tot geloof en stellen ons vertrouwen op Hem.
  3. In dit werk van de Vader en ons antwoord daarop is het geloofsleven nog niet volkomen. Dan moeten we ons de gekruisigde Jezus nog “eigen” maken in het lezen van het Woord en het gebed.
    Want door Zijn Woord leren we Hem kennen, en in het gebed oefenen we de omgang met Hem.
    De rechte weg is eenvoudig wat de middelen betreft: lezen en studeren in Zijn Woord en aanhoudend bidden. Daaruit volgt ook het “doen” van Christus’ geboden.

KOINONIA LIVE! #9 – Van Schleiermacher tot Rilke: de ondergang van de Bijbelse God in Europa – 24 maart 2017 –

In deze aflevering gaat het om de ervaring van de Dood van God, die onze cultuur ten diepste bepaalt.

Over Schleiermacher, Goethe, Rilke en Hendrik Marsman: de cultuur tussen 1801 en 1939 verwerpt de God van de Bijbel, en zoekt naar het “goddelijke”, het “Eeuwige” in zichzelf. Sterfelijkheid, en smart moet de mens in zichzelf verwerken en kan daar hooguit een kunstzinnige uitdrukking aan geven. Van een “nabije” God, die als “buurman fluistert in de nacht”, kan geen troost verwacht worden. De kunst wordt tot een nieuwe afgod – evenals de mens, de techniek of de politiek. Daar tegenover staat de verwerping van afgoderij in Jesaja 46, Psalm 53 en de lofzang op de goddelijke dwaasheid van het evangelie in 1 Kor. 1.

“Vader, vergeef het hun…”- Preek voor de lijdenstijd #2

Wanneer Petrus in zijn eerste brief terugkijkt op de gebeurtenissen bij de kruisiging, schrijft hij over het voorbeeld dat Christus ons heeft nagelaten in Zijn lijden. De volgelingen van Jezus moeten hun lijden en hun onrecht met geduld verdragen. Want zo deed ook de Heer Jezus, “die, toen Hij uitgescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt” (1 Pe. 2:23).

DE VERNEDERING

Petrus heeft hiermee maar een enkel detail naar voren gehaald. Toen Jezus werd uitgescholden gaf Hij daarop geen passend antwoord. Lukas 23 spreekt over het “beschimpen” door het volk en zijn leiders, en over het “bespotten” door de soldaten en over het “lasteren” door de moordenaar aan het kruis naast Hem. De kruisiging van Jezus wordt zo geënsceneerd, dat het een wrede parodie wordt van een kroning. Al eerder hebben de soldaten Hem een doornenkroon op het hoofd gezet. Ze hebben Hem over de wonden van de geseling op zijn rug een wollen kleed aangetrokken. Ze hebben hem een rietstok als scepter gegeven en Hem ermee op het hoofd geslagen. Het is een wrede parodie op het koningschap van Jezus. Bij de kruisiging wordt dat voortgezet. Daarom plaatsen ze Zijn kruis in het midden, alsof het een koninklijke troon is, met aan weerskanten de twee belangrijkste ambtenaren aan het hof. Naakt hangt deze verachtelijke “Koning der Joden” nu aan het kruis. Een enkele grote spijker door zijn beide voeten. De knieën gebogen, zodat Hij enigszins rechtop kan gaan staan om adem te halen. Bij elke ademteug gaat er een heftige pijn door Zijn voeten. Met een spijker door elke polsgewricht en met touwen aan het dwarshout gebonden, hangt Hij daar. Beroofd van Zijn vrijheid, verraden door Judas, verlaten door Zijn vrienden, ontdaan van Zijn kleding, open wonden op zijn rug en hoofd, zonder eer en waardigheid: zo wilden joden en Romeinen bewijzen dat Hij niet de Messias kon zijn. De kruisiging moet de kroning weerleggen.

HET VOLK

Rondom het kruis staat, zegt Lukas, het volk bijeen. Dat is hetzelfde volk dat vijf dagen eerder gezongen heeft: “Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heere. De koning van Israël!” Dit is het volk dat nu al drie jaar lang Zijn prediking gehoord heeft en Zijn wonderen en genezingen heeft meegemaakt. Ze staan er bij en net als hun leiders bespotten zij Hem. Misschien komt dat omdat hun eigen verwachtingen niet zijn uitgekomen. Zoals Paulus later schreef, was het idee van een gekruisigde Messias voor de joden een struikelblok en voor de Grieken een dwaasheid. (1 Kor. 1:23) Misschien ook om zich in het openbaar van Jezus te distantiëren, uit schaamte of uit angst.

DE LEIDERS

De leiders van het volk hitsen het volk nog verder op door te zeggen: “Anderen heeft Hij verlost, laat Hij nu Zichzelf verlossen als Hij de Christus is, de Uitverkorene van God” (vers 35). Zonder het te weten vervullen ze daarmee de profetie van Psalm 22: “Maar ik ben … een smaad van mensen en veracht door het volk. Allen die mij zien, bespotten mij … Zij schudden het hoofd en zeggen: Hij heeft zijn zaak aan de Heere toevertrouwd – laat Die hem bevrijden!” (Psalm 22:7-9). Hun redenering daarbij leek ook correct te zijn. Als iemand de doodstraf onderging en aan een paal werd gehangen, dan zei de Wet: “Een gehangene is namelijk door God vervloekt” (Deut. 21:23). Zo iemand moest je toch wel zien als een “geplaagde, door God geslagen en verdrukt” (Jesaja 53:4). Maar wat ze niet gezien hebben, is dat Jezus een vloek geworden is om ons vrij te kopen van de vloek van de wet. (Gal. 3:10) Wat ze niet hebben gezien is, dat “Hij om onze overtredingen verwond [is], om onze ongerechtigheden verbrijzeld” (Jes. 53:5).

DE SOLDATEN

De soldaten zette de wrede komedie van de kroning nu voort door Hem wijn aan te reiken. Zoals een koning de beste wijn krijgt van Zijn dienaren, zo serveren de soldaten nu de zure wijn. Opnieuw met woorden van spot: “als je de Koning van de Joden bent, red dan jezelf!” Zij waren het ook die aan het dobbelen waren om het bezit van het kleed dat Jezus gedragen had. Zonder het te weten – want deze Romeinse soldaten hadden geen enkel besef van de joodse religie – brengen zij opnieuw een profetie in vervulling: “Zij verdelen mijn kleding onder elkaar en werpen het lot om mijn gewaad” (Psalm 22:19).

PILATUS’ INSCRIPTIE

Spottend is ook de inscriptie die op last van Pilatus op het kruis was aangebracht. “Dit is Jezus van Nazareth, de Koning van de Joden.” Ondanks het verzet van de joodse leiders tegen deze bewoordingen, want zij hadden liever gezien dat Pilatus had laten opschrijven dat Jezus alleen gepretendeerd had deze koning te zijn. Het is een curieus bewijs van de politieke intrige achter de kruisiging, van die onvoorstelbare en unieke samenwerking tussen Romeinse machthebbers en de joodse religieuze leiders, die mede tot de dood van Jezus geleid had.

DE MOORDENAARS

En dan tenslotte de spot van de moordenaars aan het kruis. Volgens Mattheus en Markus hebben zij beiden aanvankelijk Jezus bespot. Lukas vertelt ons in hoofdstuk 23 echter, dat een van hen uiteindelijk tot bekering komt. De formulering van die spot is curieus. “Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons!” (vers 39). Dat is immers precies waar het om gaat! Juist omdat Jezus Zichzelf niet heeft willen verlossen maar de dood aan het kruis heeft ondergaan, is Hij de verlosser geworden. Dat geldt ook voor de spottende woorden van de joodse leiders. Jezus wordt tot een vloek en verlost Zichzelf niet, juist omdat Hij de Christus is, de Uitverkorene van God. Hij is immers uitverkoren om het Lam Gods te zijn, dat de zonden en de schuld draagt van het volk en haar leiders, van de soldaten en van de twee moordenaars.

DE VERNEDERDE HEERE

Vijf maal hebben we nu de spot gezien. Van het volk. Van de leiders van het volk. Van de soldaten. Van Pilatus. En tenslotte van een van de misdadigers die daar hingen. Al deze spot wordt voorafgegaan door het woord, door het gebed, dat Jezus gesproken heeft in vers 34. “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Geen van de betrokkenen heeft werkelijk geweten wat zij deden. Zoals Paulus schrijft: “Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben” (1 Kor. 2:8). Die onwetendheid is geen verontschuldiging. Het motief voor de moord op Jezus is immers haat tegenover Zijn openbaring van Zichzelf als de Messias. Hij deed de tekenen van een Messias. Zijn woorden en daden waren de vervulling van de profetieën van het Oude Testament. Ook de laatste profeet van het Oude Verbond, Johannes de Doper, wees naar Hem.

Hier zien we het karakter van de Heere Jezus. In plaats van woorden van veroordeling te spreken over deze godslasterlijke moordenaars, bidt Hij om vergeving. Zoals Hij in de drie uren van duisternis “de zonden van velen gedragen heeft”, zo heeft Hij meteen al bij het begin van de kruisiging “voor de overtreders gebeden” – Jes. 53:12. Hij schold niet terug, toen Hij werd uitgescholden. In alles wat Hem overkwam, heeft Hij Zichzelf toevertrouwd aan Hem die rechtvaardig oordeelt, zoals Petrus zegt. “Hij deed Zijn mond niet open” zegt Jesaja al (53:7).

De aanblik van deze gekruisigde moet vreselijk geweest zijn. Een oorzaak van ontzetting. Daarom kon Jesaja profeteren “Zoals velen zich over U ontzet hebben, zo geschonden was Zijn gezicht, meer dan van iemand anders, en Zijn gestalte, meer dan van andere mensenkinderen” (Jes. 52:14). Deze vernedering van de Zoon van God is gebeurd om ons te verhogen. Zijn wonden waren het gevolg van onze overtredingen. Zijn verbrijzeling het gevolg van onze ongerechtigheden. De straf die Hij droeg, bracht vrede tussen God en ons. De striemen in Zijn rug brachten ons de genezing. Deze Jezus Christus is in onze plaats gekruisigd, als een schuldoffer dat de ongerechtigheden van velen heeft weggedaan. Zijn heerlijke karakter wordt zichtbaar in de gelatenheid waarmee Hij het lijden onderging “en voor de overtreders gebeden heeft.”

[responsivevoice_button voice="Dutch Female"]

Verkondiging over Psalm 118 – IJmuiden-west 19 maart 2017

Psalm 118 is de laatste psalm die de Heere Jezus heeft gezongen voorafgaande aan Zijn arrestatie en kruisiging. Het bevat een verwijzing naar de gevangenschap, de omsingeling door afgodische machten en de ziekte van de ziel die Hij met ons gedeeld heeft om ons daarvan te bevrijden. Het is het lied dat wordt ingezet door de Hogepriester bij de nadering van de Tempel, om de bevrijding te vieren – het hoort daarom bij Pesach en bij Pasen, de feesten van de bevrijding in Israël en de Gemeente. Het bevat een verwijzing naar de verwerping van de Heere in vers 22: “de steen die door de bouwers verworpen is, is de hoeksteen geworden.” Het refrein is het laatste woord dat gesproken moet worden – door dood en lijden héén – “Looft de Heere, want Hij is goed, want Zijn barmhartigheid kent geen einde.”
De dienst als geheel – elders te beluisteren via Kerkdienst Gemist – werd opgeluisterd door het koor “Caritas” uit Aalsmeer. Zo werd het een gedenkwaardige avonddienst.

Looft de Heere, want Hij is goed – verkondiging over Psalm 118

Psalm 118 is de laatste psalm die de Heere Jezus heeft gezongen voorafgaande aan Zijn arrestatie en kruisiging.

Het bevat een verwijzing naar de gevangenschap (ballingschap), de omsingeling door afgodische machten en de ziekte van de ziel die Hij met ons gedeeld heeft om ons daarvan te bevrijden. Het is het lied dat wordt ingezet door de Hogepriester bij de nadering van de Tempel door een groep pelgrims, om de bevrijding te vieren – het hoort daarom bij Pesach en bij Pasen, de feesten van de bevrijding in Israël en de Gemeente. Het bevat een verwijzing naar de verwerping van de Heere in vers 22: “de steen die door de bouwers verworpen is, is de hoeksteen geworden.” Het refrein is het laatste woord dat gesproken moet worden – door dood en lijden héén – “Looft de Heere, want Hij is goed, want Zijn barmhartigheid kent geen einde.”
De dienst als geheel – elders te beluisteren via Kerkdienst Gemist – werd opgeluisterd door het koor “Caritas” uit Aalsmeer. Zo werd het een gedenkwaardige avonddienst.

Over Schleiermacher en het begin van het Modernisme – bespreking in de studiegroep Gorssel

Vijfde deel van de serie besprekingen in de Studiekring Gorssel over de Reformatie.

Op 17 maart 2017 hebben we Friedrich Schleiermacher besproken. De grote kerkvader van de 19e eeuw en de oorsprong van het Modernisme in de theologie.
Geloof wordt in deze eeuw het dominante thema, maar dan in de versie van de Romantiek: het diepe gevoel van “absolute afhankelijkheid”, dat kan worden begrepen als de “ontvankelijkheid” voor de Totaliteit, de Kosmos, d.w.z. het Goddelijke.
Alle religies en zelfs atheïsten kennen dit diep menselijke gevoel, en daarop zijn alle religies gebaseerd. Uiteindelijk berust hierop ook het “waardenbewustzijn” van de samenleving. Om goed in het leven te staan moet een mens zijn eigen religieuze overtuigingen opbouwen met dit gevoel als bron en als kriterium. Een consequentie daarvan is de achterstelling van het Woord, de Openbaring door de heilige Geest en de exclusiviteit van het Evangelie. Individualisme vervangt het opperste gezag van Christus in de kerk.
Kritiek op Schleiermacher was er genoeg: van de kant van Hegel, van de kant van orthodoxe theologen, maar ook van de beweging van het Réveil, dat óók het gevoel een plaats gaf in het geloof, maar hier bleef het Woord, het Evangelie en de Heilige Geest dominant.
Schleiermacher is het beste te begrijpen als een “seculiere Piëtist”.