Het karakter van het evangelie naar Johannes

Het karakter van het evangelie naar Johannes wordt sterk bepaald door zijn intentie: geloof te wekken in Jezus, als de Christus, de Zoon van God, opdat de lezer door het geloof in Hem ook eeuwig leven zou ontvangen.

Dit geeft aan het boek het karakter van het getuigenis: Jezus’ woorden en werken, de getuigenissen van Johannes de Doper als laatste profeet in Israël en de mensen die Hem gezien hebben.

Het geloof doorziet de aardse werkelijkheid tot op haar wezen. Enerzijds is dit geloof geschonken in de wedergeboorte (Joh. 3) anderzijds steunt het op het getuigenis van de apostelen en de Schrift, op het grote getuigenis over Jezus. (Het is geen blinde sprong.)

Over de opstanding – Lukas 24 en de twijfels over de feitelijkheid

https://www.podbean.com/media/share/pb-jy888-9a3252
Veel mensen zijn van mening dat de opstanding van Jezus een fabel is, die wel enige emotionele waarde heeft, maar niet op feiten berust. Anderen zien in, dat zonder de opstanding het Christelijk geloof geen betekenis heeft, omdat het evangelie op een geschiedenis en niet op een mythe gebaseerd is. Daaruit kan men concluderen dat men gelooft in de opstanding, of juist tot het tegendeel komen en het evangelie om die reden verwerpen.

In deze bijdrage ga ik in op de geloofwaardigheid van de getuigen van de opstanding en de noodzaak om de opstanding te zien als een historisch feit, dat niet in strijd is met de redelijkheid, hoewel het botst met de rationele (maar eigenlijk emotionele) verwerping zelfs van de mogelijkheid van dit gebeuren bij post-moderne mensen.

 

Over de opstanding – Lukas 24 en de betrouwbaarheid van de getuigen

Veel mensen zijn van mening dat de opstanding van Jezus een fabel is, die wel enige emotionele waarde heeft, maar niet op feiten berust. Anderen zien in, dat zonder de opstanding het Christelijk geloof geen betekenis heeft, omdat het evangelie op een geschiedenis en niet op een mythe gebaseerd is. Daaruit kan men concluderen dat men gelooft in de opstanding, of juist tot het tegendeel komen en het evangelie om die reden verwerpen.

In deze bijdrage ga ik in op de geloofwaardigheid van de getuigen van de opstanding en de noodzaak om de opstanding te zien als een historisch feit, dat niet in strijd is met de redelijkheid, hoewel het botst met de rationele (maar eigenlijk emotionele) verwerping zelfs van de mogelijkheid van dit gebeuren bij post-moderne mensen.

 

Tien manieren om het gezag van de Schrift te ondermijnen

“Allen die de waarheid hebben leren kennen, om der waarheid wil, die in ons blijft en met ons zijn zal tot in eeuwigheid” (2 Johannes 1, 2).

“Een ieder die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet. Wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon” (2 Johannes 9).

Don Carson, de Canadese nieuwtestamenticus, gaf een aantal jaren geleden een lezing onder de titel: “Subtiele manieren om het gezag van de Schrift te verwerpen.” Hieronder een samenvatting van de 10 belangrijkste punten uit die lezing.

1) selectief zwijgen

Bij het bespreken van Bijbelse teksten komt het vaak voor, dat we bepaalde passages stelselmatig overslaan. Teksten over het lijden van christenen, als een logisch gevolg van de vijandschap van de wereld tegenover Christus, willen we niet graag aan de orde stellen. Dat geldt zeker voor teksten die haaks staan op moderne vanzelfsprekendheden. Zo negeren we meestal de Bijbelse teksten over homoseksualiteit en vrouwen in het ambt vanwege onze moderne opvattingen over de gelijkheid van man en vrouw en het opheffen van elke sekse-discriminatie. Dat laatste is onderdeel van de politieke agenda van onze tijd, en dat leidt dan tot een blindheid tegenover bepaalde passages in de Schrift.

We vermijden deze passages omdat we geen boze reacties willen uitlokken van mensen die de politieke correctheid van deze tijd verdedigen. Vooral christenen die deelnemen aan het openbare debat willen tot elke prijs vermijden dat ze met verouderde en mensvijandige opvattingen worden geassocieerd.

Ook binnen de kerk kan het tot een dergelijke vorm van selectief zwijgen komen, omdat we koste wat kost willen vermijden om de kerk te verdelen. De eenheid van de kerk zien we als een hogere waarde dan de Bijbelse waarheid.

De remedie tegen dit selectief zwijgen lijkt te liggen in de exegetische of expositorische prediking. Maar ook dan is het mogelijk de moeilijkheden te vermijden door bepaalde accenten te leggen of juist weg te laten. Ook in een exegetische prediking kan men bijvoorbeeld spreken over de kerstgeschiedenis in Mattheus, zonder waarde toe te kennen aan de vermelding van dromen of engelen.

Een handig hulpmiddel daarbij is de voorkeur voor generieke termen. In plaats van te zeggen dat de engel tot Maria spreekt bijvoorbeeld, zeggen we dat God een boodschap voor haar heeft. Daarmee vermijden we de aanstootgevende verwijzing naar engelen. (Daarentegen zou je in de context van het gesprek met de Islam deze dromen en engelen juist weer moeten benadrukken, omdat de moderne scepsis over deze bijzondere vormen van openbaring daar niet bestaat.)

2) gene tegenover de tekst

Wat ook vaak gebeurt, is dat de voorgangers zich permitteert een emotionele kanttekening bij de Bijbelse tekst te plaatsen. Daarmee wil hij aangeven dat hij aan de kant staat van moderne mensen, die sommige passages in de bijbel niet erg aangenaam vinden. Wanneer bijvoorbeeld in Lukas 16 over de hel wordt gesproken, is het denkbaar dat de voorganger zegt: “ik houd er niet van, maar de Bijbel zegt het nu eenmaal.” Op dezelfde manier worden de teksten die over de uitverkiezing handelen voorgesteld als onaangename onderdelen van Gods Woord, waardoor ze wel worden erkend als deel van de openbaring maar tegelijkertijd emotioneel worden afgewezen.

Maar is deze koppeling van een persoonlijke emotionele afwijzing aan de uitleg van de intentie van een tekst, niet precies wat Paulus bedoelt in 2 Kor. 4, waar hij spreekt over een schandelijke praktijk, een sluwe omgang, dat wil zeggen een vervalsing van Gods Woord? Elke prediking moet de waarheid aan het licht brengen. Wie die waarheid niet verdraagt, omdat hij op menselijk niveau onverteerbaar lijkt te zijn, heeft toch niet het recht die waarheid te veranderen of te negeren. Het evangelie, zegt Paulus, is bedekt bij hen, die verloren gaan, bij ongelovigen.

3) subtiele manieren om te bevestigen wat de Bijbel veroordeelt

Door selectie van passages, waarbij de ene passage als het hoofdbeginsel geldt en dan wordt uitgespeeld tegen wat secundair en cultureel en historisch beperkt lijkt te zijn, kan men conclusies trekken die rechtstreeks tegen de Schrift ingaan. Kan er Bijbels gezien een manier zijn om het homohuwelijk te bevestigen? De strategie hier zou kunnen zijn het gebod van de liefde tot het allesbeheersende beginsel te maken, en op grond daarvan de schijnbaar liefdeloze teksten die homoseksualiteit verbieden buiten gelding te plaatsen. Wanneer de Bijbel waarachtig Gods Woord is, dan betekent dit niets minder, dan dat men de pretentie heeft liefdevoller te zijn dan God zelf.

Hetzelfde geldt voor de toelating van vrouwen in het ambt van leraar. De rechtstreekse afwijzing daarvan wordt gezien als een cultureel en historisch bepaald verschijnsel, op grond bijvoorbeeld van de tekst die zegt dat in Christus noch man noch vrouw is. Die tekst krijgt dan het gewicht van een alles beheersend principe, waardoor andere teksten buitenspel worden gezet. Deze beide kwesties zijn intussen geworden tot een testcase. Het is te vergelijken met de kwestie van de aflaten aan het begin van de Reformatie. Staan we onder het gezag van de Schrift? Of zijn wij vrij om buiten de Schrift om onze eigen religieuze waarheden te ontwikkelen?

4) de kunst van hooghartige onwetendheid

Dit is de benadering die kortweg zegt, dat in het geval van gedeeltelijke onzekerheid of onwetendheid, de conclusie gerechtvaardigd is dat wij niets kunnen weten. En die dan vervolgens uit dit “niets kunnen weten” concludeert dat een bepaalde visie, schijnbaar uitgesloten, toch aanvaardbaar is.

Het is in de postmoderne tijd bijna tot beginsel verheven, namelijk de overtuiging dat een debat met twee tegengestelde visies automatisch voor de buitenstaander tot de geldige conclusie kan leiden, dat we de waarheid niet weten. Elke tegenspraak is een bewijs van onwetendheid. (Dit is dezelfde strategie als bij mensen die claimen dat de Bijbel niet betrouwbaar kan zijn, omdat “elke ketter zijn letter heeft.”) Daarmee wordt bij voorbaat uitgesloten dat de tegenstelling tussen de visies neerkomt op de tegenspraak tussen de waarheid en de leugen.

Een dergelijke strategie komt vaak voor bijvoorbeeld in het debat over homoseksualiteit. Het is waar dat er veel vragen zijn over de redenen van de verwerping van homoseksualiteit in de Bijbel. Vele details van dit verbod zijn onduidelijk of onderwerp van een controverse. Toch kan iedereen zien dat er niet een enkele tekst in de Bijbel staat die homoseksualiteit als zodanig aanvaardt. Dat feit wordt niet ongedaan gemaakt door een gebrek aan kennis over de principes en de details achter dat verbod.

Men kan zich nu gaan terugtrekken in die onwetendheid om op die wijze een vermeende onzekerheid te gebruiken als argument voor de aanvaarding van, in dit geval, homoseksuele verhoudingen. Onze relatieve onwetendheid wordt dan opgeblazen tot een absolute onzekerheid wat dan weer leidt tot subjectieve willekeur: iedereen kan de positie innemen die hij maar wil.

5) het negeren van het evenwicht in de Schrift

De openbaring in Gods Woord heeft heel vaak de vorm dat twee tegengestelde beginselen alleen samen de waarheid openbaren. Wat voor ons dan als een tegenspraak optreedt, is dat ongetwijfeld in Gods gedachten niet. Zo zien wij in een hetzelfde hoofdstuk in het evangelie naar Johannes zowel het beginsel van de wedergeboorte als dat van de bekering als tegengestelde beginselen. Logisch genomen is dat ook zo! Voor ons is een dergelijke contradictie onoplosbaar. Menselijke logica kan dan bijna niet anders dan een keuze maken en een van beide beginselen als het belangrijkste of als de enige waarheid voorstellen. Het evenwicht wordt dan verstoord. Wie de bekering benadrukt, maakt de mens tot oorzaak van zijn eigen verlossing. Wie de wedergeboorte benadrukt, maakt de mens passief in de ontvangst van het heil. (En maakt de oproep tot bekering onbegrijpelijk.)

Het evenwicht in de Schrift kan alleen worden gehandhaafd wanneer we beide beginselen in hun tegenspraak handhaven. Het ene beginsel is dan altijd de aanvulling voor het andere. Zo vinden we ook bij Paulus deze vorm van denken, waar hij in Romeinen 8 nadrukkelijk over de uitverkiezing spreekt en twee hoofdstukken verder laat zien hoe het geloof uit het gehoor voortkomt. Het is van belang dan niet het ene hoofdstuk tegen het andere uit te spelen en voor een van beide beginselen te kiezen.

6) gebrek aan context

Een van de belangrijkste oorzaken van de afwijzing van het gezag van de Schrift, is, simpel gezegd, onze luiheid. We lezen te weinig. Daarom kennen we de culturele en historische context niet van de Bijbelse teksten. Nog afgezien van het feit, dat we te weinig de Bijbel zelf lezen, is het dus ook van belang om commentaren en boeken over de geschiedenis van Israël en de gemeente, kerkgeschiedenis en thematische boeken over het geloofsleven te lezen. Met name de Puriteinen kenden een zeer sterke nadruk op het lezen van theologische literatuur in algemene zin. Meditaties, prekenbundels, pamfletten over kerkelijke kwesties et cetera, dat alles was de wijze waarop zij ook een context ontwikkelden voor een intensieve en dagelijkse praktijk van Bijbel lezen.

7) de afwijzing van het formele en materiële beginsel van de Reformatie

Ik had ook kunnen zeggen, de afwijzing van de “gezonde leer.” Het is niet voldoende als mensen zeggen dat ze alleen maar de Bijbel prediken, of dat ze bij hun exegese zich nauwkeurig houden aan de tekst van een bepaald Bijbelboek. Zeker, nauwkeurige exegese maakt zichtbaar wat er bedoeld wordt. Maar het evangelie maakt het mogelijk om te zien wat er geschreven staat.

Het formele beginsel van de Reformatie is, dat de Bijbel als Gods Woord de gezaghebbende openbaring is die God over zichzelf heeft gegeven. Er is een enorme veelheid van manieren om dit formele beginsel te bevestigen, en toch de strekking van de Schrift volledig te missen. De Reformatie heeft daarom ook het materiële beginsel naar voren gebracht, dat wil zeggen het evangelie, de leer van Christus, als de hermeneutische richtlijn voor de exegese vastgelegd.

Er is een psychologische en moralistische prediking mogelijk die het formele beginsel van de schrift hoog houdt. De prijs die daarvoor wordt betaald is, dat het evangelie, Christus als het ware centrum van de Schrift, over het hoofd wordt gezien.

8) geen plezier in het zuiver technische

Dit is een valkuil met name voor predikanten. Er kan een tegenstelling ontstaan tussen het devotionele lezen van de schrift en de technische vaardigheid in de omgang met de oorspronkelijke Griekse en Hebreeuwse Bijbel. Dat wordt zeker ook bevorderd door de historisch kritische methode die in sterke mate een technisch karakter heeft. Ze is eerder een vorm van literatuurtheorie.

Maar het is zeker niet onmogelijk om die kloof tussen de intellectuele en technische benadering van de Schrift enerzijds, en het lezen van de Schrift als een onderdeel van het geloof leven anderzijds, te overbruggen. Het vergt enige oefening, maar wij kunnen de Bijbel ook in het Hebreeuws en Grieks leren lezen met devotie. (De zogenaamde Reader’s Bibles, waarin men het moeizame naslaan van woorden in het woordenboek heeft opgevangen door een lijst met woordverklaringen onderaan de pagina te plaatsen, is daarbij een belangrijk nieuw hulpmiddel.)

Daarnaast zien we echter nog iets anders. Het onvermogen van predikanten op op een behoorlijk niveau de Hebreeuwse en Griekse tekst te lezen en te interpreteren, leidt ook tot een afhankelijkheid van trends en modes in de Bijbeluitleg, en vasthouden aan fantasierijke vertalingen die toegankelijkheid boven nauwkeurigheid stellen. Als Luther kon aanbevelen dat eigenlijk elke christen Grieks zou moeten leren lezen, dan geldt het zeker voor een predikant, die zich het taaleigen en de wijze van denken van de oorspronkelijke tekst zou moeten eigen maken.

9) gebrek aan interesse in de hedendaagse filosofische agenda

Het is ook nodig om de cultuur te begrijpen waarin het evangelie wordt gepredikt. Niet om dat evangelie aan die cultuur aan te passen, maar om te leren tegen die cultuur in te denken. Predikanten komen er nauwelijks nog toe om filosofische teksten te lezen, of theologische analyses van de moderne cultuur te leren kennen. Wat dat betreft zijn we allemaal in de greep geraakt van een nieuw pragmatisme, dat zijn wortels heeft in de minachting voor intellectuele waarheid van de postmoderne tijd.

10) we moeten weer een “bevende eerbied” voor Gods Woord ontwikkelen

Zonder die eerbied wordt de Schrift tot een bak legostenen, die we gebruiken om onze eigen ontwerpen op te bouwen. We lezen in Jesaja 66:

“Op zulken sla ik acht: op de ellendige, de verslagen van geest en wie voor Mijn Woord beeft” (Jesaja 66:2).

Deze houding van nederigheid tegenover God Woord is cruciaal. Onze eredienst wordt anders tot een parodie: “wie wierook ten gedenkoffer ontsteekt, prijst een afgod” (vers 3). Het leidt tot een perversie van de ethiek: “hun ziel in hun gruwelen behagen schept”, en tot het verbreken van alle geestelijke gemeenschap met God, “omdat niemand geantwoord heeft, toen Ik riep” (vers 4).

Het is arrogant te denken dat onze gaven en inzichten boven de Bijbel staan. Het volgen van Gods Woord is geen confessionele optie, maar een levenskeuze. Laat het niet van ons gezegd moeten worden wat Jeremia schrijft: “de profeten profeteren vals en de priesters verschaffen zich gewin nevens hen, en mijn volk heeft het gaarne zo” (Jer. 5:31).

Titels van Jezus: #1 het Brood des levens

Koinonia live Dinsdag: bijzondere Bijbelstudie.

Een serie uitzendingen van Koinonia Live! gewijd aan de bijzondere titels van Jezus in het evangelie naar Johannes. Elke dinsdag live om 20.00 (tot 20.45).

De zogenaamde IK BEN-uitspraken komen in 7 delen aan de orde. Vandaag de inleiding en Jezus’ uitspraak in Johannes 6: Ik ben het Brood des levens.

Het huwelijk in de Bijbel

Studie over het huwelijk in de Bijbel. De oorsprong en instelling van het huwelijk in Genesis 1 en 2, de vloek over het huwelijk in Genesis 3, en de opheffing van de vloek in het door de Geest geleide huwelijk van wederkerige onderschikking in Efeze 5:21 e.v. en 1 Petrus 3:1-10.

Johannes (8) – Filippus en Nathanaël – De roeping van de eerste twee discipelen in Joh. 1:44-52

Het doel van het evangelie van Johannes is te bewijzen dat Jezus de Zoon van God is. Elk mogelijk getuigenis moet daarvoor worden verzameld. Om die reden is Johannes niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de manier waarop de eerste discipelen door Jezus zijn geroepen. Daarom vertelt hij over de ontmoeting met Andreas en Simon Petrus op de manier die we net gelezen hebben. Andreas en Johannes zijn in een gesprek met Jezus overtuigd geraakt van de waarheid van de prediking van Johannes de Doper. Dat maakt hen tot getuigen. Simon Petrus in het bijzonder is onder de indruk van het feit, dat Jezus al weet hoe hij heet voordat zijn naam door Andreas genoemd is. Op dezelfde manier en vanuit hetzelfde motief wordt nu in het gedeelte vanaf vers 44 verteld over Filippus en Nathanaël. De evangelist is geïnteresseerd in het getuigenis: “Wij hebben Hem gevonden…” – Vers 46. En dan in het wonder: “Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u.” – Vers 49. En vervolgens in het getuigenis van Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.” – Vers 50. Het gedeelte eindigt met een getuigenis van Jezus over zichzelf in vers 52.

We lezen vanaf vers 44. Hier komen we de tweede groep tegen, op de “volgende dag.” Dat is dan de vierde dag. Jezus is onderweg naar Galilea, een wandeling van ongeveer 25 km. Als je vroeg genoeg vertrekt kun je na vijf of zes uur lopen daar aankomen. Het ligt voor de hand om te denken dat Simon Petrus, Andreas en Johannes met Jezus waren meegegaan. Het doel van de reis zal wel geweest zijn om hun vrienden aan Jezus voor te stellen. En de eerste die ze tegenkomen was Filippus, uit het dorpje Bethsaïda, waar ook Andreas en Petrus geboren waren. Het is een klein vissersdorp aan de noord-oostelijke hoek van het Meer van Galilea. Later horen we dat Petrus in Kapernaüm woonde, zoals in Markus 1:21-29. Petrus was dus geboren in Bethsaïda, maar heeft gewoond in Kapernaüm. Zo was Jezus geboren in Bethlehem, groeide Hij op in Nazareth, en woonde in Kapernaüm toen Zijn zending eenmaal begonnen was.

We lezen dat Jezus Zelf Filippus vond. Hoewel Andreas en Simon goede bekenden van hem geweest moeten zijn, is het Jezus Zelf die hem ziet. In vers 45 zegt deze, dat hij en de anderen – dat moeten dan Andreas, Petrus en Johannes zijn geweest – dat “wij” dus, Hem hebben gevonden, “over Wie Mozes in de wet geschreven heeft.” En Filippus kent Hem ook nog als “Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” Er moet dus een lange conversatie zijn geweest tussen Jezus en Filippus waar we verder niets over horen; een soortgelijk gesprek had Jezus al met Andreas, Johannes en Petrus gevoerd. Er zit een mooie spanning in deze tekst. Filippus lijkt iemand te zijn geweest, sterker dan bij de eerste drie discipelen, die bezig was met het Oude Testament. Hij zegt dat hij de Messias gevonden heeft van wie Mozes en de profeten hebben getuigd. Dat moet hem zijn uitgelegd, en daar heeft hij vermoedelijk vragen over gesteld. Intussen weet hij heel goed wie Jezus is, dat wil zeggen hij kent de aardse werkelijkheid: “zoon van Jozef”, zegt hij, “uit Nazareth”, voegt hij eraan toe. Dat is dan ook het wonderbare getuigenis van Filippus tegenover Nathanaël. Het is alsof hij zegt: “Hier zie je een mens zoals wij, die is opgegroeid in Nazareth – Bethlehem wordt hier niet vermeld – en het is een mens zoals wij, want hij heeft een vader die Jozef heet. Jozef zal in deze dorpjes ook wel bekend zijn geweest als timmerman. Maar tegelijkertijd is deze “gewone” mens de profeet en de koning en het Lam van God over wie het Oude Testament getuigd heeft.

Nathanael merkt deze spanning op en reageert meteen: “kan uit Nazareth iets goeds komen?” Dat is begrijpelijk, als we beseffen dat Nathanael uit een nog kleiner dorpje afkomstig is, namelijk uit Kana. (Johannes 21:2) Die twee dorpjes Nazareth en Kana waren maar 15 km van elkaar verwijderd. Blijkbaar waren er veel familierelaties tussen de dorpjes, want we horen iets later dat ook de discipelen en de familie van Jezus waren uitgenodigd voor een bruiloft in Kana. Maar er moet ook rivaliteit tussen die dorpen zijn geweest, vandaar de opmerking: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” Het is spottend bedoeld, maar niet haatdragend.

Dan horen we in vers 47 hetzelfde als wat we al gehoord hebben in vers 39: “Kom en zie!” Vraag het Hem zelf maar, betekent dat. Ontdek het maar voor jezelf, hoe ongelooflijk het ook in je oren geklonken zal hebben, dat de Messias zomaar iemand uit onze eigen omgeving is, dat we Zijn vader kennen en dat er niets bijzonders aan Zijn familie is. Jezus ziet Nathanaël naar Hem toe komen. En nu geeft Jezus een getuigenis over Nathanaël. “Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is!” Een waarachtige gelovige in de ware God, een berouwvolle gelovige die door de prediking van Johannes de Doper is geraakt. Geen hypocrisie, geen dubbelzinnigheid, geen aanstellerij. Hij zegt niet het ene en denkt het andere. Nathanaël is een uitzondering in een volk vol afvalligen en hypocrieten. Mensen die ervoor gekozen hebben om hun eigen gerechtigheid op te richten, van wie de leiders in Jeruzalem met argwaan en angst naar de prediking van Johannes de Doper hebben geïnformeerd, en die er alleen maar op uit zijn om de rust te bewaren en hun eigen status te verzekeren. De Zoon van God kan hier zeggen dat er een waarachtige joodse gelovige voor Hem staat, en dan gebruikt de evangelist het woord “Israëliet”. (“Jood” reserveert hij voor de tegenstanders van Jezus uit het volk, die gewoonlijk uit Juda kwamen; vijandige Judeeërs dus=Joden.) Nathanael is een waarachtige zoon van Abraham, Isaak en Jakob. Iemand die de Schriften gelooft, en de Messias verwacht en de wil van God probeert te doen, niet alleen maar in de uiterlijke dingen, maar ook in de gezindheid van het hart. Jezus ziet aan deze mens de geestelijke gezindheid die alleen maar innerlijk te zien is. Hij zegt dus tegen Nathanael dat Hij zijn hart gezien heeft. Daarom vraagt Nathanael: “Hoe kent U mij dan?” Dit is de strekking van zijn vraag: “Hoe kun je ook maar iets over mij weten? Zit je mij te vleien, zonder reden? Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?” En dan komt het antwoord van Jezus, waar het de evangelist Johannes ook om te doen is. Nu komt het wonder: “Ik zag jou al toen je nog onder de vijgenboom zat.” Voordat Filippus naar Nathanael toe stapte, zat die misschien al onder een vijgenboom. Dat kon Jezus als mens niet geweten hebben. Maar de Zoon van God kon dat weten, omdat Hij met God de eigenschap deelt van alwetendheid. Net zo goed als Jezus kon weten waar Nathanael fysiek geweest is, zo kan Hij weten wat de innerlijke gesteldheid van het hart van Nathanael was. Dat maakt dit getuigenis voor Johannes de evangelist zo bijzonder.

Op grond van de aanwijzing van Filippus, en het wonderlijke spreken van Jezus als Zoon van God, komt Nathanael dan tot een belijdenis. Drie elementen heeft dat: “Rabbi” zegt hij. Jezus is voor hem de waarachtige leraar, de opvolger van Mozes zelf. “U bent de Zoon van God” – hij herkende in Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, God Zelf. Dan het tweede: “Zoon van God” betekent hier precies, wat het in de proloog betekende. “De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem (God) ons verklaard.” (1:18) Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, belijdt dat Jezus Christus “in het vlees gekomen is”, dat Hij het “vleesgeworden Woord” is. En dan het derde: “U bent de Koning van Israël.” Een drievoudige belijdenis dus. Eerst de relatie – Rabbi –, dan de Persoon – Zoon van God – en dan de functie of titel – Koning van Israël. En dat zegt deze Nathanaël over Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth. Hij heeft gedaan wat Filippus hem vroeg: “Kom en zie!” Nathanaël is gekomen en heeft gezien en heeft gehoord en is tot een belijdenis gekomen, heeft getuigenis afgelegd van Wie hij gevonden heeft.

Jezus maakt daarna meteen duidelijk, dat de motivatie achter het geloof van Nathanael niet genoeg is. Nathanael geloofde dat Jezus de Messias was, omdat Hij in staat bleek om hem al te kennen voordat ze elkaar ontmoet hadden. Hij gelooft op grond van het wonder van Jezus’ alwetendheid. Daarom zegt Jezus dat er nog grotere dingen zullen zijn, de discipelen zullen wonder na wonder na wonder meemaken. Maar het grootste wonder en de kern van alle wonderen wordt door Jezus aan het eind van de passage uitgelegd.

Vers 52 geeft ons nu de kern, het waarachtige teken of wonder dat de discipelen zouden meemaken. En het is dat wonder dat de waarachtige grondslag van hun geloof is. Niet de wonderlijke tekenen van genezing en alwetendheid en almacht. Het waarachtige teken vinden we in vers 52, ingeleid met de woorden “Voorwaar, voorwaar”. Met deze woorden wordt altijd een nieuwe openbaring ingeleid. “Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.” Dat is een verwijzing naar Genesis 28. Jacob krijgt daar te horen dat God Zijn beloften aan hem en zijn familie en nageslacht zou gaan vervullen. De belofte die ooit aan Abraham gegeven was. Ik zal jou tot een natie maken, ik zal jouw volk zegenen, ik zal verlossing brengen aan jouw volk, ik zal de hemel openen en de engelen heen en weer laten gaan om jou te beschermen en voor jou te zorgen tot dat de belofte vervuld zal zijn. Wat Jezus hier zegt is eenvoudig dat de macht van de hemel in Zijn bediening, in Zijn verkondiging zichtbaar zou worden. Jezus zegt hiermee tegen Nathanael: je zult zien in de wonderen die Ik doe, dat God met Mij is, en dat Hij Zijn beloften in Mij zal waarmaken. De wonderen zijn er niet voor zichzelf. Ze worden ook niet gedaan alleen maar om mensen te helpen – anders zou Jezus wel een bovennatuurlijk hospitaal hebben geopend om tot in eeuwigheid zieken te genezen. De wonderen zijn er om getuigenis af te leggen van het feit dat God waarachtig en volledig in Jezus van Nazareth present was. En dat op die manier, in de vernedering van de Zoon van God als mens, in wie tevens Gods genade en waarheid openbaar zijn geworden, God de belofte van Daniel 7 waar maakt. Want de Zoon van God is ook de waarachtige Zoon des mensen. In Daniël vinden we de titel “Zoon des Mensen” – “Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:14) Dat is wat Jezus hier zegt. Niet alleen dat ene bijzondere vermogen van alwetendheid, dat werd gedemonstreerd aan Nathanael, maar het voortdurende en krachtige getuigenis, dat de macht van de hemel aanwezig is bij en in Hem, die de beloofde Zoon des mensen is.

Wat betekent dan die verwijzing naar engelen die opklimmen en neerdalen? Het hele leven van Jezus is omringd door engelen, door bijzondere manifestaties van Gods macht. De engelen spraken tot Zacharias en zeiden dat de voorloper, Johannes de Doper geboren zou worden. Engelen spraken tot Maria, de moeder van Jezus. Een engel waarschuwde Jozef in de droom. Een koor van engelen kondigde de geboorte van Christus aan, tegenover de herders in het veld. De engelen kwamen aan het eind van de periode van 40 dagen in de woestijn, om Hem te dienen. Er zijn engelen bij het graf, er zijn engelen die Hem bij zijn Hemelvaart omringen. Hij had voortdurend de macht om een legioen van engelen op te roepen om Zijn wil te doen, zo getuigt Jezus tegenover Pilatus. Daarom is de verwijzing naar Genesis 28 zo fraai. Engelen die opklimmen en neerdalen tussen hemel en aarde. Een levende, sterke verbinding tussen hemel en aarde in het leven van Jezus.

Heel schematisch kun je in dit gedeelte zien hoe een mens behouden wordt. In de eerste plaats moet er een zoekende ziel zijn. Dat zagen we al in het vorige gedeelte, in vers 38. Jezus draait zich om en hij ziet Andreas en Johannes achter Hem aanlopen. Hij vraagt: “Wat zoeken jullie?” Ze zoeken het Lam Gods over Wie Johannes de Doper heeft gesproken, Die zou dopenb met de heilige Geest en Die de verlossing van zonde en schuld zou brengen. En dan zegt eerst Andreas tegen Simon, dat hij de Messias heeft gevonden. En zo zegt Filippus tegen Nathanaël, dat hij de Messias heeft gevonden. Je kunt Hem alleen vinden als je Hem zoekt. “Zoekt en u zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden.” Maar het motief achter dit zoeken is niet eenvoudige nieuwsgierigheid of een verlangen naar geluk. Het moet zijn uitgelokt door berouw, en een geloof in de Schrift. De verkondiging van Johannes de Doper was gericht op bekering, een afzien van de oude en kwaadaardige wegen, een ommekeer – en dus een totale morele vernieuwing – in de richting van God. De belijdenis van de zonden die Johannes de Doper gevraagd heeft voorafgaande aan de doop, was en is een reëel onderdeel van dit zoeken naar de verlossing. Maar hij gaf ook onderwijs in de Bijbel, leerde zijn discipelen wat er in de profeten en bij Mozes over deze Messias gezegd was. Die twee zaken dus: berouw en geloof in de Schriften.

En dan het tweede. Dat zoeken heeft geen enkele zin behalve wanneer de Verlosser ook zoekt. Daarom zegt Jezus tegen Filippus: “Volg Mij.” Het is Jezus die Zijn volgelingen zoekt en vindt.

En dan het derde. Er is ook altijd iemand die getuigenis aflegt. Hoe zullen mensen het evangelie geloven, als dat evangelie hun niet wordt verkondigd? Het is weliswaar niet de verkondiging die mensen tot geloof brengt, want dat is het werk van de heilige Geest. Maar het geloof, innerlijk gewekt door de heilige Geest, wordt uiterlijk mogelijk gemaakt door het horen, het horen van de verkondiging van het evangelie.

En die verkondiging van het evangelie is altijd hetzelfde: “kom en zie!” Eerst komen. Daarin zit de gedachte dat je je oude manier van denken moet loslaten, dat je jezelf moreel moet oordelen in het licht van Gods Woord. Het is ook een komen in de zin van de schrift leren kennen, de Bijbel lezen, de verkondiging in de kerk horen. Dat alles is een komen. En dan ook nog het zien. Je ogen en je hart en je oren openstellen voor de Persoon over Wie de verkondiging gaat, over Wie de Schriften spreken. Zien met het innerlijk oog, inzien en tot je laten doordringen. Het heeft geen enkele zin om met verstandelijke redenaties te proberen de overgang te maken van ongeloof naar geloof. Dat wil niet zeggen dat bekering een onredelijke en blinde sprong in het geloof is. Maar het sluit wel uit dat we met het verstand, zonder de betrokkenheid van ons hart en geweten de keuze voor Christus kunnen maken. De heilige Geest overtuigt ons van de zonde in ons hart, van de noodzaak van verlossing, en wijst op Hem die onze Verlosser wilde zijn.

En wij? Wij hebben alleen maar als taak – dat heet de bediening van de verzoening – om mensen ertoe op te roepen zich te laten verzoenen met God. Kom en zie! – zeggen wij. Om aan onze naasten en buren en familie te zeggen, wat Filippus tegen Nathanael zegt. Wat zegt hij dan? God wil verlossing schenken. De Zoon van God is gekomen en wilde die verlosser zijn. En als jij jezelf aan die verlosser toevertrouwt, zul je de genade en de waarheid van God leren kennen. Dan zul je vergeving ontvangen van je zonden en bevrijding van je schuld en zul je in de kracht van de heilige Geest nieuw leven ontvangen. Het leven namelijk zoals God het bedoeld heeft.