Openbaring – de drie benaderingen

De interpretatie van het boek Openbaring kent eigenlijk maar drie verschillende vormen. In de traditionele, Hervormde benadering is het een troostboek voor de lijdende kerk, zonder dat de gebeurtenissen die in visioenen worden beschreven als uitingen van profetie worden opgevat. In de traditionele visie is er dus geen opname van de gemeente, geen letterlijk duizend-jarig rijk, en is er geen rol weggelegd voor Israël in de toekomst. In sommige varianten van deze visie wordt gezegd dat een groot deel van de profetieën al vervuld zijn en dat het onduidelijk is of andere profetieën letterlijk in de toekomst nog zullen worden vervuld.

Geheel anders gaat het toe in de “maranata” visie op dit boek. De term is afkomstig van de bewerker van het boek over Openbaring dat werd geschreven door H.C. Voorhoeve in de 19e eeuw. Hier wordt Openbaring nadrukkelijk ingedeeld volgens Op. 1:19, waar gesproken wordt over “wat gij gezien hebt” – d.i. Op.1:9-20 – “wat is” – Op. 2 en 3 – “wat hierna gebeuren zal” – Op. 4-22. Samen met de verwachting van de opname van de gemeente leidt dat er bijvoorbeeld toe dat de 24 oudsten worden gezien als de aanwezigheid van de gemeente van Christus in de hemel (in Op.4), die dan in hoofdstuk 19 de hemel verlaat om deel te nemen aan de koninklijke heerschappij van Christus in de wereld. In hoofdstuk 4, 7, 9, 14 en 19 wordt deze hemelse positie van de gemeente getoond of verondersteld.

In deze visie is er wel plaats voor een toekomstig Israël dat dan het middelpunt van Gods handelen in deze wereld zal zijn, als het middel waarmee God al Zijn raadsbesluiten ten opzichte van de wereld ten uitvoer zal brengen. Het in deze tijd verworpen Israël – niet-Mijn-volk – leeft in de toekomst in het land met een hersteld Jeruzalem en een herstelde Tempel.

Een derde benadering van het boek Openbaring leest om te beginnen al de driedeling van Openbaring 1:19 op een andere wijze. Het is niet omstreden dat het boek Openbaring inderdaad zowel over heden, verleden en toekomst van de wereld (en de gemeente van Christus) handelt, maar dat wil niet zeggen dat we dat in een chronologische volgorde vinden. Het boek Openbaring is niet zozeer met een film te vergelijken waarin de volgorde van gebeurtenissen wordt beschreven, maar veeleer als een verzameling dia’s die het model kunnen zijn voor het duiden van gebeurtenissen in heden en verleden.

De tekst kan dan zo worden gelezen: “schrijf dan wat u hebt gezien, namelijk [wat betrekking heeft zowel] op datgene wat nu in het heden gebeurt als op wat na dit heden – hierna, maar dan eerder als consequentie dan als vervolg – staat te gebeuren. Wat Johannes heeft gezien, d.i. het geheel van de openbaring die hij heeft ontvangen staat gelijk aan een visionaire expositie van het heden, van wat is, en is tegelijkertijd een verwijzing naar wat hierna gebeuren zal. Elk visioen heeft dus dit drievoudige karakter: door Johannes gezien, met betrekking tot het heden en de toekomst beide.

Ik noem deze benadering de “hermeneutische” lezing van het boek Openbaring omdat in deze visie het boek eerder inzicht geeft in het algemene karakter van de geschiedenis van Gods volk op aarde – de gemeente en Israël worden dus in hun gemeenschappelijke positie beschouwd – en het eindpunt daarvan in de voltooiing van de tijden die God uiteindelijk tot stand zal brengen. Het boek laat in een duizelingwekkende variatie zien hoe de Heere kosmische krachten inzet om de zonden te oordelen aan de gehele mensheid, en wil nadrukkelijk het feit laten uitkomen dat God de uiteindelijke heer van de geschiedenis is.

Voor de concrete exegese betekent dat, dat bijvoorbeeld de zeven brieven aan de gemeente zowel verwijzen naar de concrete situatie van die gemeenten in klein-Azië, maar ook elk als een model kan worden gezien van een type gemeente, die in de loop van de geschiedenis kan voorkomen, zonder dat de zeven als opeenvolgende perioden van de feitelijke kerkgeschiedenis mogen worden beschouwd.

 Daarmee wordt vermeden dat er over die perioden oordelen worden geveld die vooral de eigen kerkelijke positie ondersteunen. Zo bijvoorbeeld in de visie van Voorhoeve, waar Sardis wordt geïdentificeerd met de “dode orthodoxie” van de Reformatie en Thyatira met de Rooms-Katholieke kerk, om dan vervolgens Filadelfia te identificeren met de “Broederbeweging” van de 19e eeuw. Hoe willekeurig dat alles is, wordt geïllustreerd met de merkwaardige overgang waarmee Laodicea eerst als de vrijzinnigheid werd gezien, maar in meer recente publicaties gezien wordt als typerend voor de charismatische beweging. 

Wanneer Openbaring 4 dan ook begint met de uitspraak “kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren” is dat niet een overgang naar de toekomst, d.i. na de kerkgeschiedenis als geheel, maar een aanduiding van de huidige werkelijkheid van de aanbidding van God in de hemel. De hemelse dienst van aanbidding wordt zo getoond als de eigenlijke bestemming en functie van de gemeente. “Hierna” betekent dus niet in de eerste plaats “toekomstig”, maar is een logische aanduiding. Het Griekse woord kan hier ook een conclusie aanduiden. D.i ik zal tonen wat hierna gebeuren “moet” is iets anders dan gebeuren “zal”. De dienst van de gemeente in de wereld wordt genormeerd door de dienst van de engelen in de hemel. Openbaring 4 is de conclusie van de realiteit van de zeven gemeenten, niet de overgang naar een hemels bestaan.

Zo wordt tevens de geforceerde uitleg vermeden waarmee de 24 oudsten als de gemeente uit Israel en de volkeren wordt geduid. Dat zij hun kronen afleggen voor Gods troon suggereert dat zij die al van aanvang af bezitten en het feit dat zij Johannes toespreken in het visioen maakt hen eerder tot een bepaalde klasse van engelen. In ieder geval is dat meer voor de hand liggend in de context van de apocalyptische literatuur in het algemeen, dan een hemelse status van de gemeente.

Daarmee valt ook het idee weg, dat er van een opname van de gemeente sprake zou zijn. Daarover heb ik elders al eens geschreven. Voor dit moment laat ik buiten beschouwing wat er nog gezegd zou moeten worden de samenhang tussen het boek Openbaring en de profetie van Daniël.

Jesjoea of Jezus? (En waarom niet Yeshua)

Waarom zeggen sommige mensen, met name Messiaanse Joden, “Jesjoea”, en niet “Jezus”?

Veel mensen denken dat dat maar een soort aanstellerij is. Wie opgegroeid is met de naam Jezus ervaart toch een zekere ergernis, als plotseling een Hebreeuwse naam als vervanger gaat optreden. Natuurlijk weten we wel dat “Jezus” uiteindelijk teruggaat op een Hebreeuwse naam, die via het Latijn bij ons is gekomen. Maar er is niks mis met vertalen, zolang we maar weten over wie we het hebben. Uiteindelijk is de Griekse term IHSOUS – uitgesproken als ISOE – ook een vertaling van het Hebreeuwse JeSJoeA.

Wat kan dan de reden zijn om weer terug te gaan naar het Hebreeuwse origineel?
Ik denk dat in de eerste plaats het misbruik van de naam Jezus een grote rol heeft gespeeld. Het is een naam die makkelijk in de mond wordt genomen, zelfs in de vorm van een vloek. (Ik zou dat dan spellen als: “jeeses”, want met een naam heeft het helemaal niks meer te maken. Het is een krachtterm geworden.) Ook het feit dat in de grote gevestigde kerken en in de doorsnee theologie van Europa over Jezus werd en wordt gesproken alsof het over een Griekse godheid gaan, speelt hier een rol. Er zijn theologische redenen om ook in het spraakgebruik te willen aangeven dat de hoofdlijn van het christendom niet gevolgd wordt. Ondanks het feit dat men ook wel weet dat de naam van de Messias, net als in titel, voor de wereld toegankelijk werd gemaakt in haar Griekse vorm: Jezus Christus.

Een tweede, en nog wel belangrijker reden, ligt in het feit dat het heidense christendom – in de ogen van veel Messiaanse Joden – de mens Jezus heeft vergoddelijkt. “Jezus” is de naam van een godheid die door een onzorgvuldig trinitarisch denken te veel is losgemaakt van zijn menselijkheid. Dat wil niet zeggen dat het Messiaanse Jodendom de triniteit verwerpt, maar wel een grotere voorzichtigheid en nauwkeurigheid wil betrachten in de dogmatische uitspraken over de godheid van Jezus. De anglicaanse priester die jaren geleden op de televisie zei: “de naam van mijn God is Jezus”, mag hier als voorbeeld dienen van de onzorgvuldigheid die men vermijden wil.

Wanneer feitelijk, hoewel tegen de intentie van christenen in, de naam Jezus gaat functioneren als de naam voor een godheid, dan wil dat zeggen dat er verwarring kan ontstaan. Het is immers niet meteen duidelijk of men met de naam Jezus een aparte godheid bedoelt, of uitsluitend over een mens spreekt zoals in de vrijzinnigheid, of dat daarmee het ambt en de identiteit van de Messias nauwkeurig wordt aangeduid. Dat heeft uiteindelijk zijn wortels in de thora: “bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!” Dit verbod uit Exodus 23:13 kan dan worden geïnterpreteerd als een verbod om de naam Jezus te gebruiken vanwege de mogelijke verwarring die dat in onze tijd zou geven; in het ergste geval een bevestiging van afgoderij.

Het effect van het gebruik van de naam Jesjoea ligt toch vooral bij het aannemen van een bepaalde identiteit. Laten merken dat je afstand neemt van het doorsnee christendom. Laten merken dat je de Messias Jezus in het kader van de taal en de cultuur van Zijn eigen volk wil beleven. Dat kan echter het misverstand oproepen bij “normale” christenen, dat ze hier te maken hebben met een sektarische theologie, die bijvoorbeeld de door het Nieuwe Testament geleerden identiteit van Jezus met God verloochent of in ieder geval wil marginaliseren.

In deze discussie neem ik een praktische positie in. Wie “Jesjoea” (en niet het engelse Yeshua!) gebruikt in een conversatie met mij, die zal ik zo veel mogelijk antwoorden met dezelfde naam. Een kwestie van duidelijkheid. Maar als de schrijvers van het Nieuwe Testament het geen probleem vonden om de naam van Jesjoea te ver-Grieksen tot ISOE, denk ik dat er geen argument is tegen het gebruik van die naam.
Ik weet niet meer waar het staat, maar ergens in de middeleeuwse joodse literatuur zeggen de rabbijnen, dat als christenen Jezus zeggen maar aan God denken, er toch geen sprake is van afgoderij. Terwijl die afgoderij nu juist wel aanwezig is bij wie God zegt en dan aan Jezus denkt.
Voer tot nadenken!

En waarom niet Yeshua? Omdat we dan ook nog eens een Engelse versie gaan gebruiken. Gewoon Nederlands is Jesjoea.

Waar komt het woord demon eigenlijk vandaan?

“Daimoon”  of demon is in de eerste plaats het Griekse woord voor een geestelijk wezen. Het wordt gebruikt om een godheid aan te duiden maar heeft ook een meer filosofische betekenis – zoals bij Plato de innerlijke stem die oordeelt voorbij het verstandelijke, een personificatie van de intellectuele intuïtie. De meest oorspronkelijke betekenis van het woord is zoiets als verstoring, uit elkaar halen. Langs die lijn wordt een demon iets wat het lichaam verteert.

Demon betekent dus zoiets als “goden.” Een onbekende, onzichtbare en bovenmenselijke oorzaak is aan het werk, en dan noemen we dat een demonische activiteit en daarmee wordt het een woord voor alles wat een mens overweldigt: het toeval, de dood, of een goed of slecht noodlot. Vandaar dat het ook de specifieke betekenis kan hebben van een beschermende godheid. Zo is er zelfs een tekst die spreekt over het ontstaan van een nieuwe demon aan het begin van de huwelijksnacht. Als een beschermende godheid van lagere rang dus.

In de filosofische systemen van de klassieke tijd , wordt steeds meer benadrukt dat de wereld een kosmos, een ordelijk geheel is, waarin onpersoonlijke krachten en onzichtbare machten werkzaam zijn. Maar die gedachte werd niet helemaal doorgevoerd. Het begrip demon krijgt daarom een kleine wending. Geleidelijk aan worden demonen gezien als persoonlijke wezens, die tussen de abstracte kosmische machten en de mensen in werkzaam zijn. Het is met name het volksgeloof dat tot deze nadere definitie van demonen geleid heeft.

Dit idee van demonen als tussenwezens werd na verloop van tijd steeds meer uitgewerkt. Verschillende klassen van demonen werden onderscheiden. De demonen werden gezien als de boodschappers tussen de goden en de mensen. Zo zegt Plato: “al het demonische staat tussen God en de sterveling in. Zij vertalen het menselijke in de richting van de goden en het goddelijke in de richting van de mensen; dat gebeurt in de gebeden en de offers.”

De demonen als goddelijke tussenwezens hebben drie bijzondere kenmerken:

  • Demonen worden vooral gezien in samenhang met magie en bezweringen.
  • Demonen worden gezien als heersers over het menselijk lot, en worden steeds vaker verbonden met noodsituaties en ongeluk.
  • In veel filosofische systemen wordt het populaire geloof opgenomen, dat demonen bezit kunnen nemen van mensen.

Buitengewone verschijnselen in de menselijke geest of in het lichaam worden in het volksgeloof toegeschreven aan inwonende half-goden. Die goden worden dan vaak met de term demon aangeduid. Soms wordt er gezegd dat kwaadaardige demonen de vorm kunnen aannemen van mensen om kwade begeerten op te roepen. De demonen zijn verantwoordelijk voor het ondermijnen van menselijke deugden.

In ieder geval is er een wijdverbreid populair geloof, dat demonen verantwoordelijk zijn voor magische invloeden en allerlei vormen van kwaad. Soms wordt er ook gezegd dat ziekten kunnen worden herleid tot demonen, wanneer er geen uiterlijke oorzaken kunnen worden aangewezen. Zo is er een demon van de slapeloosheid, evenals een demon van de koorts. Let wel, dit alles wordt niet uit de Bijbel afgeleid, maar dit is een onderdeel van het populaire Griekse bijgeloof.

In het Oude Testament zijn er sporen van een vergelijkbare overtuiging. Men kan bijvoorbeeld de doden raadplegen met behulp van hekserij, en die krijgen dan ook de benaming elohiem. Zo ziet Saul in 1 Samuel 28:13 een elohiem opkomen uit de aarde. Jesaja spreekt over het raadplegen van “goden”, waarmee demonen bedoeld worden – Jes. 8:19. Het is belangrijk dat in Israël (Deut.18:10) de Here het verbood om de demonen te raadplegen- zoals het ook elke vorm van magie verbood. Demonen staan daarom alleen maar in de marge van het Oude Testament.

Hoewel ze in de marge staan komen ze dus toch voor, soms met persoonlijke namen zoals Lilith, Azazel en Aloeka. Ook vinden we verwijzingen naar offers die aan de demonen gebracht werden. Dat wil zeggen dat er een verbod wordt gegeven in Leviticus 17:17 om aan de demonen te offeren.

We kunnen twee conclusies trekken:

  1. Het is duidelijk dat het geloof in demonen in het Oude Testament niet geaccepteerd wordt, en niet wordt bevestigd, maar dat het feit dat sommige er in geloven wel een deel uitmaakt van de historische beschrijvingen.
  2. Het Oude Testament kent geen demonen met wie een mens omgang kan hebben met behulp van (goede of slechte) magie, zelfs niet voor het doel deze demonen af te weren.

De krachten die van God uitgaan in de richting van de mensen worden in het Oude Testament aangegeven als boodschappers. Het Hebreeuwse woord “mal’ach” wordt in het Nieuwe Testament weergegeven met angelos, d.i. engel. Het kwade dat in de wereld komt, wordt over het algemeen toegeschreven aan God Zelf. Hij brengt de verwoestende engel in de wereld. De demonen worden door Hem niet gebruikt om Zijn oordeel te brengen. Hij alleen is verantwoordelijk voor een ingreep in de wereld in de vorm van straf. Als het echter gaat om de goede werken die God in de wereld doet, dat wil zeggen Zijn ingrijpen in onze geschiedenis, kan er sprake zijn van engelen.

Het Nieuwe Testament staat in de lijn van de ontwikkeling van het Oude Testament. Verder zien we dat er bijna geen verwijzingen zijn naar demonen, behalve in het geval van de bezetenen. (Waarover ik later nog zal schrijven.) Er is geen spoor te vinden van het (volks-)geloof in demonen als kwade geesten. Wanneer Paulus bijvoorbeeld spreekt over zijn reizen door eenzame plaatsen, spreekt hij niet over de gevaren vanwege de demonen (2 Kor. 11:23). Iets wat wel vaak gebeurt in de teksten van het vroege Jodendom. Wanneer hij wel over een engel van de satan spreekt, is het in verband met een voor hem blijkbaar vreemde fysische handicap ( 2 Kor. 12:7).

De meeste teksten die over demonen lijken te gaan, vertonen een zekere dubbelzinnigheid. Paulus gaat de term “demon” sterk overdrachtelijk of figuurlijk gebruiken. Bezig zijn met demonen staat gelijk aan het bezig zijn met de stomme afgoden – 1 Kor. 12:2. Diezelfde afgoden worden met de term demonen aangeduid in 1 Kor. 10:20. Net als in het Griekse bijgeloof, wordt de term demon dus bij Paulus gebruikt voor de afgoden. (Waarmee aan de niet-bestaande afgoden dus wèl een werking wordt toegeschreven!)

De taal van het Nieuwe Testament lijkt wel op de taal van teksten die existentie aan de demonen toeschrijven zoals ook duidelijk wordt aan de naamgeving van de demonen, en door teksten waarin hun kwalijke werking op de mensen als vanzelfsprekend wordt aangenomen. Als je echter nauwkeurig leest dan zie je dat de demonen niet worden behandeld zoals in het Joodse of Griekse populaire bijgeloof. Een fraai voorbeeld is de uitdrukking in 1 Joh. 4:1, “geloof niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn.” Losgemaakt van de context, zou dit in de wereld van demonologische teksten een bevestiging van het zelfstandig bestaan van demonen kunnen zijn. Maar het vervolg van de tekst luidt: “want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” Dan pas zien we dat het woord “geest” overdrachtelijk gebruikt wordt, als een aanduiding van een leer en een mentaliteit die van de profeten uitgaat – maar die verder reikt dan zij.

De tekst van Efeze 6:12 is hier van groot belang. Eerst lijkt het dat wij te maken hebben met een lijst van namen van demonische machten: [stand houden tegen] de listen van de duivel… [onze strijd is tegen] de overheden, de machten, de wereldbeheersers van deze duisternis.” Maar dan krijgen we deze uitdrukking: “tegen het geestelijke van de boosheid in het hemelse.” Vanuit de aanname dat Paulus volledig het populaire geloof in demonen als zelfstandige en kwaadaardige entiteiten deelt, wordt hier altijd vertaald met een toevoeging van de woorden “machten” en “gewesten.” Door de neutrale term “het geestelijke” aan te vullen met de term “machten” wordt gesuggereerd dat het hier om zelfstandige, individuele wezens gaat. De toevoeging van de term “gewesten” maakt van een bijwoordelijke bepaling “het hemelse” een specifieke plaats – want individuele wezens hebben altijd een bepaalde plaats die ze in de werkelijkheid innemen.

Lezen we de tekst echter correct, zonder deze interpreterende toevoegingen, dan kunnen we het volgende zeggen: onze strijd is niet met mensen als zodanig, niet met vlees en bloed, maar onze strijd is met overheden die boven de menselijke controle uitgaan, onze strijd is tegen alles wat met geweld optreedt in deze wereld, onze strijd is met instituties en systemen die deze wereld beheersen, die zelf in de duisternis zijn gehuld en duisternis veroorzaken, immers dit alles is het boosaardig en geestelijke dat vanuit een dimensie boven ons – het hemelse in de zin van datgene wat van bovenaf, dus zonder zichtbare herkomst, zonder menselijke controle, en met bovenmenselijke kracht werkzaam is – ons aanvalt.

(Wordt vervolgd)

De cherub van Tyrus

Over de koning van Tyrus wordt in Ezechiël 28 onder meer gezegd: “u was in Eden, de hof van God.” Waar precies was dan de koning van Tyrus? Komen we hem dan tegen in Genesis 2 of 3? Vers 13 spreekt over “de dag dat u geschapen bent.” Is dat een uitspraak die naar een troonsbestijging verwijst, zoals in de uitdrukking: “heden heb ik u verwekt”? Of hebben we met een scheppingsdaad te maken? Het volgende vers spreekt over de functie van deze koning: “u was een cherub die zijn vleugels beschermend uitspreidt.” En vers 15 zegt van de koning van Tyrus: “Volmaakt was u in al uw wegen.”

De val van de Satan

Kan dit alles gezegd worden van de menselijke koning van Tyrus? Ja, als we deze taal mogen beschouwen als poëtische verbeeldings-taal. Nee, als we de uitdrukkingen nemen als een beschrijving van een realiteit. (Poetische taal sluit een verwijzing naar de realiteit immers niet uit.) Onder de verwijzing naar de koning zit een symbolische referentie naar een cherub, een engel, die als taak had, “aangesteld was” (vers 14b), op “Gods berg”, om de schepping te beschermen.

De beeldspraak die als bovenlaag de tekst vormt, wordt echter verbroken in vers 16 waar over “de overvloed van uw handel” gesproken wordt. Dit vers is een sleutel voor het begrip van de hele passage. Hieraan wordt duidelijk dat al het andere beeldspraak is met als directe inhoud de gestalte van de duivel. Vers 16 maakt met het woord “handel” echter duidelijk dat de werkelijke koning van Tyrus met de duivel wordt vergeleken. De passage is echter niet aan hem,  maar aan de koning van Tyrus gewijd, zoals het opschrift in vers 12 duidelijk maakt. Zonder vers 12 en vers 16 zou dit een poëtische beschrijving van de duivel alleen zijn. 

Hoe moeten we dan de verhouding zien tussen beide? Twee mogelijkheden bieden zich aan. Moeten we zeggen dat niet de koning van Tyrus wordt aangesproken, maar de engel van Tyrus?  Volgens Willem Ouweneel wordt hier de “engel van Tyrus”  aangesproken. De tekst spreekt echter nadrukkelijk over de MELECH, de koning van Tyrus.  Hoe zit het dan met de referentie aan de Hof van Eden, als de koning van Tyrus zelf bedoeld zou zijn? Maar waarom dan het woord “handel”, als niet de werkelijke koning bedoeld wordt? 

Of moeten we zeggen dat we hier met een dubbele gestalte te maken hebben, d.w.z met een schets van de duivel die als een “overlay” over de koning van Tyrus wordt heengelegd. Waarom? Om zo duidelijk te maken dat de koning van Tyrus de duivel vertegenwoordigt en in feite een manifestatie is van de duivel precies ook in de geschiedenis van zijn val. De poëtische beschrijving van zijn val, is een symbolische referentie naar de zonde van de koning. Zijn troonsbestijging was een “aanstelling” om een beschermende macht, als het ware een “cherub” in de wereld te zijn. De overvloed van handel en de rijkdom – de edelstenen van vers 13 – werd verworven en gehandhaafd door geweld en dat was het begin van de specifieke zonde van de koning. 

God regeert over de koningen. De val van de koning kan herleid worden tot een prototype van de val van de satan die door God in deze wereld een positie van macht heeft gekregen. De bovenmenselijke machten zxijn door God toegelaten om de mens te beschermen. Om in gehoorzaamheid aan de Schepper als een herder te zorgen voor Zijn mensheid. De duivel en de demonen zijn niets anders dan instituties die macht hebben over velen, en die macht nu niet als herder, maar als verscheurend roofdier uitoefenen. Alle machten zijn immers uit en door en tot Christus geschapen.

De kenmerken van het reddende geloof bij Abraham – Rom. 4:13-25

13 – 15 Abraham niet gerechtvaardigd door de wet

13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. 14 Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan. 15 De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

Het geloof van Abraham is hem toegerekend tot gerechtigheid. De eerste gedachte bij Paulus is, dat Abraham dus niet is gerechtvaardigd door de besnijdenis. De besnijdenis is een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Maar dat geloof had Abraham al voordat hij besneden werd. Dat vinden we in vers 10 tot en met 14.

In vers 13 tot en met 15 vinden we dat Abraham ook niet gerechtvaardigd was door het onderhouden van de wet. De wet van Mozes immers werd pas 500 jaar later gegeven. De beloften aan Abraham, in Genesis 12 en 15 zijn dus niet verbonden met de wet van Mozes, maar alleen met de gerechtigheid van het geloof.

De belofte aan Abraham lag besloten in het verbond met Abraham. (Genesis 12,15, 18,22) Het verbond met Abraham had vier elementen. Volgens Genesis 15 geeft God een land aan de nakomelingen van Abraham – vijf eeuwen later onder Jozua is die belofte voorlopig vervuld. Voorlopig – want de omvang van het land dat aan Abraham is beloofd is vele malen groter dan het land dat feitelijk door Israël werd ingenomen.

In de tweede plaats beloofde God dat Abraham de vader van vele volkeren zou worden, en dat zijn nageslacht niet kon worden geteld. (Genesis 13:16, 15:5)

In de derde plaats beloofde God aan Abraham dat hij het middel zou zijn waardoor de hele wereld Gods zegen zou ontvangen.

In de vierde plaats lag in de belofte aan Abraham besloten dat in zijn zaad – en Paulus legt uit in Galaten 3:8 dat we daaronder Jezus moeten verstaan – de verlosser zou komen. God zou immers “voor Zichzelf het lam voor het brandoffer” voorzien.

Hebreeën 11 geeft ons daarvan een mooie samenvatting:

17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.18 Tegen hem was gezegd: Dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.19 En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

Op een of andere wijze heeft Abraham de komst van de Messias kunnen voorzien. En het was door middel van deze Messias dan Abraham tot een zegen voor alle volkeren van de aarde zou zijn. Zo blijkt uit Johannes 8:56, waar Jezus zegt: ” Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.”

Waarom zegt Paulus dat Abraham niet uit de wet is gerechtvaardigd? Hij zegt immers in Romeinen 7 heel duidelijk dat die wet heilig is, en dat het gebod heilig en rechtvaardig en goed is. We moeten echter begrijpen dat de wet van Mozes nooit gegeven is als een middel tot behoudenis. De wet werd niet aan Israël voorgehouden als de perfecte standaard, maar als een liefdevolle gave van Gods wijsheid voor het leven van een verlost volk. Die verlossing was Gods soevereine daad in de uittocht uit Egypte. Die verlossing moest brengen tot vertrouwen en geloof in de God van Israël. De overgave aan deze God in geloof, wat Deuteronomium 30 de besnijdenis van het hart noemt, was de werkelijke basis van de verlossing.

De enige gerechtigheid die God ooit heeft erkend, is de gerechtigheid van het geloof, van de overgave aan God. Uiteindelijk is dus elke gerechtigheid op grond van genade. Hebreeën 12 zegt daarom dat Jezus de “voleinder van het geloof” is. Aan wie gelooft in de persoon en het werk van de Here Jezus, wordt dat geloof toegerekend als de eigen gerechtigheid van Christus. Christus Jezus is voor ons geworden: “wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1:30). “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde (zondoffer) gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21).

Stel nu eens dat iemand in Israël door het houden van de wet de perfecte gerechtigheid voor God uit zichzelf zou hebben verworven? Dan zouden zij erfgenamen zijn op grond van de wet. Maar dan is het geloof van Abraham betekenisloos of “zonder inhoud gemaakt.” Bovendien zou de belofte aan Abraham, een daad van vrije genade van God, ook betekenisloos zijn. Waarom zou God het geloof van Abram tot gerechtigheid rekenen, als Abraham dat al door eigen werken verdiend had? Waarom zou God zijn belofte aan Abraham houden, als uit zijn nageslacht in ieder geval enkelingen in staat waren gebleken om de wil van God perfect te doen? Geloof is de vaardigheid om te ontvangen wat God heeft beloofd. Maar als je ontvangt wat God heeft beloofd op grond van gehoorzaamheid aan de wet, dan is geloof overbodig. Als jij iemand iets belooft met een voorwaarde die mogelijk kan worden vervuld, dan is het feitelijk geen belofte meer.

De wet van Mozes kan als zodanig geen redding brengen. De wet brengt kennis van de zonde, en uiteindelijk Gods toorn. Hoe meer wij proberen onszelf te rechtvaardigen door Gods wet te onderhouden, temeer demonstreren wij ons onvermogen vanwege de zonde die over ons heerst. De wet openbaart dus de gerechtigheid van God, door de zonde van de mens te demonstreren. Dat wil niet zeggen dat de wet van Mozes geen enkele functie heeft, omdat ze niet de verlossing brengt. Wanneer je de wet van Mozes echter gaat zien als een door God aangewezen weg tot redding, een weg die zonder geloof kan worden betreden, dan maak je ook de door God wel degelijk gevraagde gehoorzaamheid onmogelijk. De gehoorzaamheid aan God is gebaseerd op ons geloof in de Redder, en berust daarmee dus ook op onze erkenning van onze zonden. Zonder de belofte en de genade en het geloof is die gehoorzaamheid aan God onmogelijk.

Vers 16 – 17 Abraham is gerechtvaardigd door Gods genade

16 Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, 17 zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn.

Uiteindelijk is het Gods wil geweest dat de redding van zonde en dood, de vrijspraak in Gods oordeel, alleen op grond van genade zou zijn. Omdat het op grond van genade moet zijn, wordt ons geloof gerekend tot gerechtigheid. Ook ons geloof immers kan ons niet redden. Geloof is niet een bepaalde vorm van menselijke werken, of een of andere deugd. De macht van de redding ligt niet in ons geloof, maar in Gods genade waarin wij geloven. Het geloof van Abraham was immers niet op zichzelf genomen gerechtigheid, maar werd hem toegerekend als gerechtigheid. Ons geloof is geen gerechtigheid, maar is de erkenning van Gods genade waarmee Hij ons gerechtigheid schenkt.

Met name in de charismatische gemeenten zie je steeds deze denkfout, dat als de Schrift zegt dat iets “door het geloof”, of “uit het geloof” gebeurt, zij dat opvatten alsof het geloof de effectieve oorzaak ervan is. Zeggen “uw geloof heeft u behouden,” betekent echter hetzelfde als te zeggen: ” u bent behouden uit genade, die u in geloof hebt erkend.” Het geloof is niet de effectieve oorzaak, maar de genade, en het geloof is wat je zou kunnen noemen het zichtbare teken van die oorzaak.

Vers 18 – 25 de behoudenis is door Gods genade, niet door menselijke inspanning

18 En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. 21 Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. 22 Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, 24 maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, 25 Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

In deze verzen eindigt Paulus zijn weergave van Abraham als het voornaamste voorbeeld van een reddend geloof. In de behoudenis zijn zowel de genade van God als het geloof van een mens betrokken, maar dat zijn geen gelijkwaardige componenten, en het geloof is, zoals we gezien hebben, niet de effectieve oorzaak van de verlossing. Efeze 2 zegt het zo: “8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

“Uit genade” is een uitdrukking voor de effectieve oorzaak. De genade bewerkt het. “Door het geloof” is een uitdrukking voor de meewerkende oorzaak. Het geloof maakt de bodem rijp voor de ontvangst van deze genade. Wanneer je een cadeau geeft, dan is de gever de effectieve oorzaak, maar de ontvanger moet het aannemen, om het schenken compleet te maken. De ontvanger is dus de meewerkende oorzaak. En om te benadrukken dat het geloof niet een oorzaak van behoud, en niet een menselijk werk of prestatie is, zegt Paulus hier nadrukkelijk: “niet uit u.” Wij zijn niet zelf de oorzaak van ons geloof, het geloof is dus niet onze prestatie of daad.

We spreken in de evangelische wereld wel eens van een keuze. Je zou kunnen zeggen dat de bekering die vorm wel heeft in ons bewustzijn. Wij lijken te kiezen voor het evangelie, tegen ons natuurlijke leven in de wereld. Hoewel we het zo zouden kunnen ervaren, moeten we serieus nemen wat Paulus meteen daarna zegt: “het is de gave van God.” Maar als God ons geloof schenkt, hoe kan het geloof dan onze keuze, onze daad, onze prestatie zijn? Wanneer jij een geschenk ontvangt van iemand, kun je toch moeilijk zeggen dat jij het jezelf hebt gegeven, of dat jij het cadeau zelf tot stand hebt gebracht, en zelfs niet dat jij dat cadeau gekozen hebt. (Sinterklaaslijstjes van hele jonge kinderen daargelaten.)

Het geloof van Abraham heeft zeven belangrijke kenmerken:

  1. Paulus zegt dat Abraham geloofd heeft “tegen hoop op hoop.” Hoop is het verlangen dat iets gebeuren zal; geloof is het vertrouwen dat iets waar is of gebeuren zal. Abraham heeft erop vertrouwd dat iets zou gebeuren, waar hij van een menselijk gezichtspunt uit gezien geen enkele basis voor had. Er was geen rechtvaardiging voor zijn hoop, behalve zijn vertrouwen dat God zou doen wat Hij gezegd had.
  2. Vervolgens zegt Paulus dat Abraham niet zwak werd in geloof, dat wil zeggen dat hij geen twijfel toeliet die het geloof kon ondermijnen. Hij wist al 40 jaar lang dat zijn God leven geeft aan de doden en tot het bestaan kan roepen wat niet eerder bestond (Rom. 4:17). Dat is heel bijzonder omdat Abraham een dergelijk wonder van opwekking nooit gezien had, en evenmin gezien had dat God iemand tot bestaan bracht. Toch was Abraham ervan overtuigd dat de Heere tot die dingen in staat was. Zo lezen we ook in Hebreeën 11:17-19, dat Abraham, toen zijn geloof werd getest, Isaac geofferd heeft. Waarom? “Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.”
  3. Abrahams geloof heeft als derde kenmerk dat hij niet werd ontmoedigd door zijn eigen natuurlijke zwakheden. Zijn eigen onwetendheid en zwakheden waren geen obstakels voor zijn vertrouwen in God. Toen de belofte kwam dat hij een kind zou krijgen bij Sara, heeft hij niet gekeken naar zijn eigen leeftijd – 100 jaar oud!
  4. Er kwam ook een moment dat Abraham eraan kon twijfelen of de belofte zou worden vervuld, toen de omstandigheden om hem heen die vervulling onmogelijk leken te maken. De hoge leeftijd van Sara b.v. was voor hem geen reden om te twijfelen.
  5. Ten vijfde, met betrekking tot de belofte van God is Abraham niet heen en weer gegaan van geloof naar ongeloof. Veel gelovigen gaan op die wijze onrustig heen en weer. Als naar menselijk gezichtspunt de dingen goed gaan, is het makkelijk om God te vertrouwen. Maar als de omstandigheden zwaar worden, is het eenvoudiger om geen vertrouwen te hebben. Zeker, Sara heeft uiteindelijk het punt bereikt dat ze God vertrouwde. Maar op het moment dat de belofte wordt gegeven begint ze te lachen – Genesis 18:12.
  6. Paulus zegt ten zesde dat het geloof van Abraham gekenmerkt wordt door het feit dat hij alle eer aan God gaf. Het door God vereiste maar ook geschonken geloof verheerlijkt God. Uiteraard, als Hij ook de bron is van dat geloof. Elk geloof dat geen heerlijkheid aan God toekent, komt niet uit Hem voort. Mensen verheerlijken God, door hun geloof, omdat ze daardoor bevestigen dat God het vertrouwen waard is. Elke poging om God te eren of te aanbidden zonder geloof, is waardeloos en zelfzuchtig. Wie niet gelooft, zegt Johannes zelfs, maakt God tot een leugenaar.
  7. Dan ten zevende, tenslotte, heeft Abraham volledig geaccepteerd dat wat God beloofd had, Hij ook in staat was te doen. En daarmee kunnen we zeggen dat het geloof in God van Abraham volledig en zonder reserves is geweest.

Vers 22 geeft het antwoord op Abrahams geloof van Godswege. Abraham was naar het vlees totaal niet bij machte om te handelen volgens de eis van volmaakte gerechtigheid. Over die eis van de goddelijke gerechtigheid, die God als schepper aan de mens mag opleggen en opgelegd heeft, heeft Paulus eerder gesproken. De eisende gerechtigheid van God maakte dit evangelie van geschonken gerechtigheid ook noodzakelijk. Maar de blijde boodschap over God is nu juist, dat de Here het geloof, dat Hij Zelf aan een mens heeft gegeven, (of mogelijk heeft gemaakt?) zal aanrekenen tot goddelijke gerechtigheid van de kant van de zondaar.

[De gedachte dat God het geloof niet simpelweg heeft geschonken maar alleen heeft mogelijk gemaakt, is een poging om de uitverkiezing en de wedergeboorte te verzoenen met de ervaring van de bekering. Je zegt dan dat wij weliswaar kiezen voor het evangelie, maar niet zonder een aanleiding of aanraking door de Heilige Geest. Het begrip uitverkiezing kan dan nog alleen maar betekenen, dat God van tevoren wist dat wij die keuze zouden maken. God heeft dan alleen de omstandigheden geschapen waaronder iemand met ons bijzondere karakter tot die keuze geneigd zou zijn. De genade van God is dan bij de bekering een meewerkende oorzaak.

Vanuit Romeinen 8 lijkt het erop dat we dit anders moeten zeggen. “En hen die Hij tevoren heeft bestemd”  – namelijk om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn – ” heeft Hij ook geroepen.”  Waarbij we dan deze roeping moeten begrijpen als een soevereine daad van Gods genade die ons tot gelovigen heeft gemaakt. Dan schept God niet de omstandigheden waarin wij ertoe gebracht worden om een zelfstandige keuze te maken, maar is ons geloof een gevolg van deze “bestemming.” Gods genade is dan de effectieve oorzaak van ons geloof.]

In vers 23-25 maakt Paulus duidelijk dat dit niet uniek is voor Abraham. Ondanks het feit dat de inhoud van ons geloof het evangelie is van Jezus de Heere, de Opgestane uit de doden. Al eerder heeft Paulus gezegd dat Abraham van de betekenis van dit evangelie al doordrongen is geweest, zonder het in detail al te kennen. (Zoals Genesis 26 duidelijk maakt, dat Abraham al weet had van de concrete eisen van de gehoorzaamheid aan God, nog voordat de wet aan Mozes gegeven werd.) Ook ons geloof wordt gerekend tot gerechtigheid. En dat niet alleen, maar de inhoud van ons geloof – namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, en opgestaan vanwege onze rechtvaardiging – was ook de grondslag van de toerekening van gerechtigheid aan Abraham. Wij mogen helder weten, wat Abraham alleen kon vermoeden. Want ” Abraham verheugde zich om Mijn dag te zien et cetera.”

Geloof is een noodzakelijke voorwaarde voor de behoudenis. Maar dat geloof is vooral een geloof in God Zelf. Dat maakt vers 24 duidelijk. Wij, “die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,” hebben hetzelfde geloof als Abraham, die geloofde dat de Heere Isaac uit de doden kon opwekken.

Anders dan Abraham kennen wij het middel op grond waarvan ons geloof tot gerechtigheid gerekend wordt. Wij geloven dat God de Vader Jezus uit de doden heeft opgewekt. Wij geloven dat Jezus werd overgeleverd aan de dood vanwege onze overtredingen, en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Jezus Christus werd overgeleverd om het doodvonnis te ondergaan dat de passende straf was voor onze overtredingen. Jezus is opgestaan uit de doden om ons de rechtvaardiging (vrijspraak) te geven tegenover God die wij nooit hadden kunnen bereiken op eigen kracht of op grond van onze eigen verdiensten.