Johannes (12) – Geboren uit water en Geest

Johannes 3:1-5

We hebben in de bespreking van het vorige hoofdstuk aan het einde gezien, dat velen tijdens het feest geloofden in Zijn Naam. Het was misschien verbazingwekkend dat Jezus zelf geen vertrouwen had in hun vertrouwen op Hem. Hij geloofde niet in hun geloof. En dat de reden van dit gebrek aan vertrouwen lag in het feit dat Hij wist wat hun geloof inhield. Vele mensen zijn naar Jezus toegekomen terwijl Hij Zijn tekenen deed en hebben tegen Hem gezegd: “wij geloven nu in U! Want deze tekenen die u doet kunnen alleen maar worden gedaan door iemand die door God gezonden is!” Is dat niet prachtig? Zouden wij niet onmiddellijk iemand omhelzen die zegt in Jezus’ Naam te geloven op grond van de wonderlijke dingen die Jezus volbracht heeft? Of zouden we dan vragen of iemand werkelijk gelooft dat Jezus de Zoon van God is, die het Lam van God moest worden om de zonden van de wereld weg te dragen? Dat laatste is overduidelijk het kernpunt voor Johannes de evangelist.

Zo is er een logische overgang van hoofdstuk twee naar hoofdstuk 3 .Eén van die mensen die in Zijn Naam geloofden – minstens door Hem in een positieve zin gefascineerd waren – komt nu naar Jezus toe. Het is een belangrijke rabbijn uit de geschiedenis van het Jodendom, en de aanvoerder van een klein groepje Farizeeën die van de tekenen van Jezus gecharmeerd zijn. Ook zijn naam wordt genoemd, en we komen hem nog een paar keer tegen in dit evangelie: Nicodemus. Later blijkt hij tot de discipelen te behoren, al horen we niets over zijn bekering in dit hoofdstuk.  De eerste 21 verzen van dit hoofdstuk zijn makkelijk in te delen. De verzen 1 tot en met 12 geven vooral de dialogen weer tussen Nicodemus en Jezus. De verzen 13 tot en met 21 horen op zich wel bij deze dialoog, maar de antwoorden of reacties van Nicodemus worden niet meer weergegeven. We gaan dus van een dialoog naar een betoog, waarin Jezus uitvoerig uiteenzet wat de betekenis is van de komst van de Zoon des mensen.

Deze man komt ’s nachts naar Jezus toe. Dat wil niet per se zeggen dat hij in het geheim naar Jezus toe ging, en de vermoedelijke reden is veel simpeler. Overdag gaf Jezus Zijn onderwijs en verrichtte genezingen, maar het lijkt logisch te zijn dat de mensen in de avondschemering weer naar huis gingen en Jezus dus alleen ’s nachts benaderd kon worden. Bovendien zal ook Nicodemus overdag wel het nodige te doen hebben gehad. Je zou er ook nog aan kunnen denken dat volgens de rabbijnen het tijdstip waarop je moet studeren bij uitstek ’s nachts is. Natuurlijk blijft het mogelijk dat hij niet gezien wilde worden omdat hij het sanhedrin waartoe hij behoorde niet in verband wilde brengen met Jezus. Goed. In ieder geval begint hij ’s avonds dit gesprek met Jezus.

Wat zegt hij tegen Jezus? Het is onmiddellijk duidelijk dat hij behoort tot de mensen die in hoofdstuk twee aan het eind werden genoemd. En hij gebruikt de eerste persoon meervoud zodat we onmiddellijk zien dat hij een vertegenwoordiger is van deze groep – een groep van “gelovigen” waarin Jezus zelf geen vertrouwen had gesteld. Wat zegt hij?

“Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is.”

Jezus is dus voor deze man niet de Zoon van God en zeker niet het Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Hij beschouwt Jezus als een bijzondere leraar, wiens leergezag wordt bevestigd door de tekenen die Hij verricht. Jezus is voor hem niet de God-met-ons, maar Hij is in zijn ogen een mens, met wie God is. Dat is een groot verschil. Door deze aanspreekvorm maakt Nicodemus meteen duidelijk hoe ver zijn geloof reikt. Leraar, ja! Zoon van God, neen! En daarom zocht hij Jezus op. Hij is bereid nog wel het een en ander van Jezus te leren, als Deze inderdaad een grote leraar is die van God is gekomen. Als Jezus een rabbijn is temidden van de rabbijnen, dan valt er hier voor de Farizeeën nog wel wat te halen.

Het antwoord van Jezus lijkt helemaal niet te passen bij de opmerking van Nicodemus. Die heeft Hem net in zijn eigen ogen een groot compliment gemaakt. En nu zegt Jezus tegen hem:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.”

Jezus weet wat in het hart van Nicodemus leeft. Dat was ook in het hart van de andere Farizeeën. Een oprechte Farizeeër was het te doen om het probleem van de vergeving van de zonden. Als geen ander wisten zij wat de wet van God eiste, en zij bedachten zelfs nog meer regels en voorschriften om zich aan te moeten houden. In hun ogen was dat een uitwerking van de gerechtigheid die God van hen vroeg; in werkelijkheid was het een oprichten van een eigen gerechtigheid in plaats van datgene wat God van hen vroeg. Maar zo waren de Farizeeën voortdurend bezig om allerlei regels te bedenken, om daarmee te voorkomen dat mensen de echte geboden van God zouden overtreden. Dat noemde zij een omheining rondom de Thora. Net zoals een omheining rondom een grasperk mensen verhindert om een appeltje te stelen van de boom in het midden van dat grasveld, zo waren de regels van de rabbijnen een soort omheining rondom de Thora. Je geweten werd al geraakt op het moment dat je een rabbijns voorschrift overschreed, maar dat was nog bijlange niet een overtreding van het gebod van God. Jezus weet dat Nicodemus op die manier met Gods gerechtigheid bezig is. Daar gaat zijn opmerking niet over, maar dat is feitelijk de vraag die in zijn hart leeft. Daarom geeft Jezus dit antwoord. Nicodemus vroeg zich in zijn hart af op welke manier iemand het koninkrijk van God kon binnengaan. En daar geeft Jezus dus het antwoord op.

Jezus zegt tegen Nicodemus dat hij eigenlijk helemaal opnieuw moet beginnen. De enige manier om het koninkrijk van God binnen te gaan is door middel van de wedergeboorte. Dat is een nieuw begin – dat is de eerste betekenis van het Griekse woord anoothen, “opnieuw” – en het komt uit de hemel – de tweede betekenis is “van bovenaf”. Je moet vanuit de hemel een nieuw begin maken. Dus niet vanaf de aarde op dezelfde manier doorgaan. Het lijkt duidelijk dat Nicodemus over dit antwoord in eerste instantie zeer teleurgesteld geweest is. Hij heeft ongetwijfeld gedacht dat Jezus hem misschien kon duidelijk maken dat er nog een kleinigheid aan zijn ijver voor de thora zou ontbreken. Iets wat hij over het hoofd had gezien temidden van de honderden voorschriften waar hij mee bezig was geweest. Maar Jezus zegt in feite dat hij dat alles mag weggooien, en dat hij van voren af aan moet beginnen.

In feite betekent dat, dat Nicodemus zijn hele religie moet weggooien. En dat hij helemaal niet moet doen wat je van religieuze mensen zou mogen verwachten. Namelijk standvastig blijven in de tradities die je zijn overgeleverd, en stug volhouden op de weg die door de leiders van die religie zijn voorgeschreven. Maar het gaat helemaal niet om religie. Religie is een vloek. Kijk maar naar de manier waarop de extremistische islam optreedt, kijk maar naar de manier waarop mensen in de ban kunnen raken van een of andere Goeroe of Amerikaanse televisiedominee, of achter zogenaamde bovennatuurlijke genezers en mediamieke persoonlijkheden kunnen aanlopen. Het geeft aan sommige mensen een enorm gevoel van veiligheid, en er is van alles en nog wat te doen, in de zin van rituelen, maar zelfs ook van goede werken. In de naam van religie wordt zowel goed als kwaad gedaan. Maar ik geloof dat als de duivel bestaat, zijn voornaamste hobby de religie is. En daarom zegt Jezus tegen Nicodemus dat hij dat alles moet schrappen en vergeten kan. Hij moet opnieuw beginnen om het koninkrijk van God te kunnen binnengaan.

Dus Nicodemus moet gedacht hebben: “ik ben een Jood, maar dat helpt me niet. Ik ben een Farizeeër, maar dat brengt me ook niet verder. Ik ben lid van het Sanhedrin, maar dat brengt me ook niet dichterbij het koninkrijk. Ik houd me aan de geboden van de Thora, en zelfs dat brengt me niet het koninkrijk in. De eis die Jezus aan mij gesteld heeft, is onmogelijk. Een mens kan niet opnieuw geboren worden, we zijn nu eenmaal sterfelijk en bepaald door erfelijkheid. We zijn alleen maar mens, en mensen hebben religie nodig als ze dichterbij God willen komen.” Zo ongeveer zal hij gedacht hebben. Het antwoord van Nicodemus is dus niet per se een uiting van zijn onbegrip, maar hij wil daarmee heel nauwkeurig antwoord geven. We zijn sterfelijk – hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? – en we worden erfelijk bepaald – we gaan niet voor de tweede keer de schoot van onze moeder in. We zijn dus geheel en al aards en we zijn vlees en bloed. Het is dus onmogelijk te eisen dat wij geheel en al opnieuw beginnen. We zijn al begonnen. We worden bepaald door het aardse. Dat valt niet te loochenen. Als er zoiets als verlossing is, dan zal die moeten aansluiten bij het feit dat mensen nu eenmaal zijn wat ze zijn. Nicodemus weet heel goed wat Jezus bedoelde, maar zijn tegenvraag is juist bedoeld om het antwoord te geven, om te zeggen: “dat is onmogelijk, vanwege onze menselijke aard.”

Jezus vervolgt dan in zijn antwoord opnieuw met een uitspraak die een nieuwe openbaring behelst, nieuw dan in de woorden van Jezus, vandaar de woorden “voorwaar, voorwaar.” Nu legt Jezus uit wat Nicodemus niet heeft willen aanvaarden, en Hij legt het uit op een manier die Nicodemus, de geleerde kenner van het Oude Testament, zou kunnen aanspreken.

“Als iemand die geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.”

Dat betekent niet dat je eerst geboren moet worden uit water (het water van de doop of het vruchtwater bij de bevalling) en daarna uit de Geest. Er is geen aparte geboorte uit de Geest en er is geen aparte doop met de heilige Geest. Iedereen die tot geloof komt ontvangt de heilige Geest en wordt daardoor ingelijfd in de gemeente van God. Wat Jezus hier bedoeld heeft, moet aan Nicodemus bekend zijn geweest. Het is het water van de reiniging zoals dat gebruikt werd in het Oude Testament. Het is het water dat was opgeslagen in de watervaten in Kana aan het begin van hoofdstuk twee. En die watervaten stonden daar “volgens het reinigingsgebruik van de Joden.”

Maar Nicodemus zal ook begrepen hebben dat deze leraar die van God gezonden is daarmee verwijzen wil naar de profeten van het Oude Testament. Want er stond in Ezechiël 36 te lezen (vers 26):

“Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.”

En dat betekende reiniging van het oude leven, van de onreinheid van de zonde en de afgoderij. En dan in vers 26 het nieuwe leven:

“Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.”

Dat is levensvernieuwing, en die is door de heilige Geest: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven.” En daarmee zal precies het doel bereikt worden, dat Nicodemus en de zijnen zo lang vruchteloos hebben nagestreefd:

“Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.” (vers 27).

En Nicodemus moet ook geweten hebben, dat God de vernieuwing van het verbond zou aanbieden:

“Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in het hart schrijven. Ik zal u tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

En Nicodemus moet ook geweten hebben uit diezelfde passage, dat het middel dat God moet inzetten om deze vernieuwing van het verbond tot stand te brengen de vergeving is – die het Lam Gods brengen zou – zoals we dan lezen:

“Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonden niet meer denken.” (Jeremia 31:33-34.)

Jezus zeg dus hier tegen Nicodemus, dat hij de tekst van het Oude Testament beter had moeten kennen. Er is een wedergeboorte uit het water van de reiniging en de Geest van de vernieuwing die de voorwaarde is van deelname aan het Koninkrijk van God. Zo hebben de profeten Ezechiël en Jeremia het duidelijk gemaakt.

Het water is dus alleen maar een symbool. Het symbool waarvan? Efeze 5 zegt dat Christus Zijn gemeente, voor wie Hij zichzelf heeft overgegeven, wilde heiligen, “door haar te reinigen met het water door het Woord.” De Geest brengt leven op het moment van de bekering. Dan ben je gewassen door het Woord, en heb je een nieuw leven gekregen – dan ben je een nieuwe schepping,. Dan draag je Christus met je mee, je wordt met Hem bekleed (Gal. 3:27) en dan word je verbonden met alle andere kinderen van God in het Lichaam van Christus, dan word je gevoegd bij de gemeente van  Christus. (1 Kor. 12:13)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *