Johannes (14) – Het natuurlijke en het Geestelijke

Johannes 3:11-15

We zijn nog steeds bezig in het derde hoofdstuk van het evangelie naar Johannes, met het gesprek van Nicodemus en Jezus. Dat is een gesprek over de ingang in het koninkrijk van God, over wat we normaal gesproken zaligheid of behoudenis noemen. In dit evangelie wordt het meestal als “eeuwig leven” aangeduid.

We hebben al gehoord dat je die ingang op twee manieren kunt beschrijven: als wedergeboorte uit water en Geest en als geloof in de Zoon des mensen. Daarin zit een tegenspraak – het is voor ons althans een tegenspraak – maar we hebben beide uitspraken nodig om tot op zekere hoogte te begrijpen wat hier gaande is. Net zoals we ook in dit evangelie moeten begrijpen, dat de Zoon van God tevens het Lam van God is; dat het eeuwige Woord tevens de mens Jezus Christus is. God begrijpt hoe dat alles een perfecte eenheid vormt; wij hebben twee benaderingen, twee manieren van spreken nodig om het te begrijpen. De tegenspraak tussen de twee manieren van spreken is niet toevallig maar wezenlijk. Het komt in ons begrijpen nooit tot een volkomen eenheid. En we moeten eigenlijk ook geen poging doen om de tegenstelling te verzachten en te zeggen “de wedergeboorte is de oorzaak van het geloof”, of “het geloof is de oorzaak van de wedergeboorte.” Ook dat berust op een natuurlijke en verstandelijke manier van redeneren. Maar daarover heb ik de vorige keer al geschreven.

Het gesprek met Nicodemus gaat vanaf vers 13 over in een monoloog van de kant van Jezus. Ik denk dat dat ook tot het gesprek met Nicodemus behoort en dat we het op die manier moeten leren verstaan. Eigenlijk moeten we dan beginnen te lezen in vers 12. Dat is de laatste keer dat Jezus rechtstreeks tegen Nicodemus heeft gesproken. Hij zegt in dat vers: “Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?” Wat zijn die aardse dingen? Welnu, dat is gewoon het beeld van de geboorte, want de geboorte hoort bij de aarde. Jezus heeft daar simpelweg mee bedoeld, dat wij niet beschikken over de toegang tot het koninkrijk, dat het ons overkomt op de manier waarop de geboorte ook een gebeurtenis is waarover wij niet kunnen beschikken. Dat is het aardse perspectief. En dus zegt Jezus tegen Nicodemus: “U gelooft het al niet eens als ik dat tegen u zeg, dat u niet kunt beschikken over de toegang tot het koninkrijk. U gelooft dat u zich die toegang kunt verschaffen door het verrichten van de werken van de wet. Maar dat is een aardse voorstelling, een vals geloof. Zo hebben jullie ook de wonderen verstaan die Ik verricht heb. Vanuit de aarde gezien zijn het alleen maar wonderen, maar je hebt de betekenis ervan – het Geestelijke – niet begrepen.” Nicodemus is niet bij machte om de geestelijke werkelijkheid te begrijpen waar Jezus over spreekt. Een mens die alles vanuit zijn menselijkheid probeert te begrijpen – vanuit zijn ervaring, vanuit de traditie, vanuit zijn verstand, vanuit de erfelijkheid en sterfelijkheid – komt hier tekort. We spreken hier over een geestelijke verblindheid. Paulus spreekt erover:

“Van hen, de ongelovigen, geldt dat de God van deze eeuw hun gedachten heeft verblind, opdat de verlichting met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.” (2 Kor. 4:4)

Paulus zegt het op een andere manier in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe.

“De natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.” (1 Kor. 2:14; vgl ook 1:18, 21, 25; 2:4, 5, 7, 10,12, 15.)

Het natuurlijke verstand zal bijvoorbeeld zeggen, dat je bij theologische uitspraken die een tegenspraak inhouden steeds een keuze moet maken. Het is of het een of het ander. Of Jezus is een ander woord voor God, Hij is schijnbaar mens – en dan doet Zijn menselijkheid en Zijn dood er niet toe. Of Jezus is een mens – en dan is Zijn goddelijkheid alleen maar een fraaie titel voor Zijn waarde voor jou. De natuurlijke mens zal zeggen, het is of het een of het ander. Of je wordt een christen door een mysterieuze ingreep van boven – wedergeboorte – of het is een kwestie van je eigen keuze, dan ben je vrij om te geloven of niet te geloven..

En nog een voorbeeld. Het is of het een of het ander. Of Jezus is de Zoon van God en dan is de dood aan het kruis maar een schijnvertoning; of Jezus is alleen maar mens, maar dan is de opstanding een fabeltje. Of het een of het ander. En daarom zegt Paulus:

“En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door Gods genade geschonken zijn.”

Met je natuurlijke verstand kun je niet vanaf de aarde opklimmen tot in de hemel, uit jezelf kun je niet ontdekken wie God is. Maar het is juist het kenmerk van het natuurlijke verstand, dat het met behulp van redeneren en logica – het is of het een of het ander – probeert alles te begrijpen. Dat is de wijsheid van deze wereld, en dat logische en dat redeneren leidt dan tot “overtuigende woorden van menselijke wijsheid.” Zo kun je op overtuigende wijze de openbaring van God loochenen en teniet doen. Maar wie kan werkelijk weten wat God is en wat God denkt behalve God alleen? Hoe kan het menselijke uit zichzelf in staat zijn het goddelijke te begrijpen? Hoe kan de menselijke kunst van het redeneren en het natuurlijke verstand de diepten van God leren kennen? Daarom zegt Paulus:

“aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.” (1 Kor. 2:10)

Terug naar Johannes. Wanneer Nicodemus probeert te begrijpen en misschien te geloven wanneer Jezus hem de hemelse dingen uitlegt, wat moet hij dan als eerste begrijpen en geloven? Het eerste deel van het antwoord daarop, wordt gegeven in vers 11 en 13. Het is een antwoord op de vraag “hoe” iemand immers kan geloven wanneer hij over hemelse dingen hoort spreken. Dan zal hij het getuigenis van Vader en Zoon (vers 11) moeten aannemen. Naar wie moet Nicodemus dan luisteren om in staat te zijn de hemelse dingen te geloven? Dan moet hij luisteren naar iemand die het weten kan, voor wie de hemel een eigen natuurlijke werkelijkheid is. Je kunt niet vanaf het aardse opvaren naar de hemel, maar je kunt wel luisteren naar Degene die uit de hemel is neergedaald. Zo geeft Jezus het antwoord: “En niemand is opgevaren naar de hemel” – niemand kan dus van het hemelse getuigen – “dan Hij Die uit de hemel neergedaald is” – want Hij is in staat om te openbaren wat in het hart van God is. En Wie is dat dan? “… Namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” (Vers 13) Dat is een nieuwe titel van Jezus in dit evangelie. Het lijkt mij, dat je die titel in ieder geval kunt begrijpen als een samenstelling van Zoon van God, en Lam van God. De Zoon van God die mens wordt, is ook de Zoon des mensen. Dat wordt nog versterkt door de uitdrukking die er meteen op volgt. Het gaat om “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” En als Mens wordt Jezus het Lam van God. Daarnaast kun je ook nog beseffen, dat het in het algemeen teruggaat op de profetie van Daniel 7.

Die tegenwoordige tijd: “Die in de hemel is”, is hier opvallend. Dat betekent volgens mij niet dat Johannes de evangelist hier iets heeft toegevoegd aan de woorden van Jezus, omdat dat bij het schrijven de realiteit was – zodat het slaat op de Hemelvaart. Johannes betreft niet te zeggen, dat de Zoon des mensen op het moment van schrijven in de hemel was. Want dan zou je kunnen denken dat Jezus tijdens zijn leven op aarde niet “in de hemel is.” Het heeft volgens mij dezelfde betekenis als in Johannes 1:18, waar we lezen: “de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is.” De Zoon van God was hier op aarde, en de discipelen hebben Zijn heerlijkheid gezien. Maar tegelijkertijd was Hij (en is Hij nu) in de schoot van de Vader. Hij is Zoon van God en mens op aarde, en tegelijkertijd Zoon van God die eeuwig en ongescheiden bij God is. Op grond van Zijn godheid moet het dus zó gezegd worden: “de Zoon des mensen, Die in de hemel is.” Jezus is nooit – behalve in de drie uren van duisternis aan het kruis – van God gescheiden geweest. De eniggeboren Zoon, de Zoon des mensen, was ook tijdens Jezus leven op aarde, in de hemel, en niet van de hemel gescheiden. Dat maakt een einde aan alle mythen over goddelijke wezens, die hier op aarde alleen maar verschijnen – dus geen vlees geworden – of zolang ze op aarde zijn, dus niet in de hemel zijn. Dat zijn de fantasieën van de oude Griekse godsdiensten, die uit het natuurlijke verstand en de aardse religie van de mensen voortkomen.

Vervolgens geeft Jezus in vers 14 en 15 een antwoord op de vraag die in het hart van Nicodemus geleefd heeft. Deze Zoon des mensen moet het Lam van God worden. Alleen als de Zoon van God wordt overgegeven in de dood, kan Hij verlossing brengen aan een zondige wereld. Hij moet worden “verhoogd” aan het kruis, zoals de koperen slang door Mozes in de woestijn “verhoogd”, in de hoogte gestoken werd. (Vergelijk Numeri 21) Iedereen die naar de koperen slang keek, werd genezen. En wie niet opkeek naar de koperen slang, omdat hij of zij niet in de woorden van Mozes vertrouwde, werd niet genezen.

Dat is dus van de mens uit gezien de voorwaarde van de ontvangst van het eeuwige leven, van de toegang tot het koninkrijk van God. Vers 15 zegt daarom: “opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Om genezen te worden van het slangengif was het nodig om op te kijken naar de koperen slang; om het eeuwige leven te ontvangen – vergeving van zonde en schuld en het nieuwe leven uit God – is het nodig om te geloven in de Zoon des mensen. Het gaat dus niet om goede werken, het gaat niet om onze religieuze plichten en inspanningen, het gaat niet om de moraliteit. Het gaat zelfs niet om de het herhaalde berouw en bekering, zoals in de prediking van Johannes de Doper – als voorbereiding – nog gezegd werd. Alles wat wij moeten doen is opkijken, erkennen, aanvaarden, instemmen met het evangelie van de Zoon van God, die “zichzelf voor mij heeft overgegeven.” (Gal. 2:20) Hoe zou het ook anders kunnen? Als geloven een werk van de mens is, dan is de wedergeboorte uitgesloten. Dan is er geen werk van God nodig en komt alles op onze inspanning van geloven aan. Maar nogmaals: als de wedergeboorte iets is waar ik alleen passief op moet wachten, dan ben ik ongehoorzaam aan de Zoon van God die mij oproept in Hem te geloven.

Johannes (12) – Geboren uit water en Geest

Johannes 3:1-5

We hebben in de bespreking van het vorige hoofdstuk aan het einde gezien, dat velen tijdens het feest geloofden in Zijn Naam. Het was misschien verbazingwekkend dat Jezus zelf geen vertrouwen had in hun vertrouwen op Hem. Hij geloofde niet in hun geloof. En dat de reden van dit gebrek aan vertrouwen lag in het feit dat Hij wist wat hun geloof inhield. Vele mensen zijn naar Jezus toegekomen terwijl Hij Zijn tekenen deed en hebben tegen Hem gezegd: “wij geloven nu in U! Want deze tekenen die u doet kunnen alleen maar worden gedaan door iemand die door God gezonden is!” Is dat niet prachtig? Zouden wij niet onmiddellijk iemand omhelzen die zegt in Jezus’ Naam te geloven op grond van de wonderlijke dingen die Jezus volbracht heeft? Of zouden we dan vragen of iemand werkelijk gelooft dat Jezus de Zoon van God is, die het Lam van God moest worden om de zonden van de wereld weg te dragen? Dat laatste is overduidelijk het kernpunt voor Johannes de evangelist.

Zo is er een logische overgang van hoofdstuk twee naar hoofdstuk 3 .Eén van die mensen die in Zijn Naam geloofden – minstens door Hem in een positieve zin gefascineerd waren – komt nu naar Jezus toe. Het is een belangrijke rabbijn uit de geschiedenis van het Jodendom, en de aanvoerder van een klein groepje Farizeeën die van de tekenen van Jezus gecharmeerd zijn. Ook zijn naam wordt genoemd, en we komen hem nog een paar keer tegen in dit evangelie: Nicodemus. Later blijkt hij tot de discipelen te behoren, al horen we niets over zijn bekering in dit hoofdstuk.  De eerste 21 verzen van dit hoofdstuk zijn makkelijk in te delen. De verzen 1 tot en met 12 geven vooral de dialogen weer tussen Nicodemus en Jezus. De verzen 13 tot en met 21 horen op zich wel bij deze dialoog, maar de antwoorden of reacties van Nicodemus worden niet meer weergegeven. We gaan dus van een dialoog naar een betoog, waarin Jezus uitvoerig uiteenzet wat de betekenis is van de komst van de Zoon des mensen.

Deze man komt ’s nachts naar Jezus toe. Dat wil niet per se zeggen dat hij in het geheim naar Jezus toe ging, en de vermoedelijke reden is veel simpeler. Overdag gaf Jezus Zijn onderwijs en verrichtte genezingen, maar het lijkt logisch te zijn dat de mensen in de avondschemering weer naar huis gingen en Jezus dus alleen ’s nachts benaderd kon worden. Bovendien zal ook Nicodemus overdag wel het nodige te doen hebben gehad. Je zou er ook nog aan kunnen denken dat volgens de rabbijnen het tijdstip waarop je moet studeren bij uitstek ’s nachts is. Natuurlijk blijft het mogelijk dat hij niet gezien wilde worden omdat hij het sanhedrin waartoe hij behoorde niet in verband wilde brengen met Jezus. Goed. In ieder geval begint hij ’s avonds dit gesprek met Jezus.

Wat zegt hij tegen Jezus? Het is onmiddellijk duidelijk dat hij behoort tot de mensen die in hoofdstuk twee aan het eind werden genoemd. En hij gebruikt de eerste persoon meervoud zodat we onmiddellijk zien dat hij een vertegenwoordiger is van deze groep – een groep van “gelovigen” waarin Jezus zelf geen vertrouwen had gesteld. Wat zegt hij?

“Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is.”

Jezus is dus voor deze man niet de Zoon van God en zeker niet het Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Hij beschouwt Jezus als een bijzondere leraar, wiens leergezag wordt bevestigd door de tekenen die Hij verricht. Jezus is voor hem niet de God-met-ons, maar Hij is in zijn ogen een mens, met wie God is. Dat is een groot verschil. Door deze aanspreekvorm maakt Nicodemus meteen duidelijk hoe ver zijn geloof reikt. Leraar, ja! Zoon van God, neen! En daarom zocht hij Jezus op. Hij is bereid nog wel het een en ander van Jezus te leren, als Deze inderdaad een grote leraar is die van God is gekomen. Als Jezus een rabbijn is temidden van de rabbijnen, dan valt er hier voor de Farizeeën nog wel wat te halen.

Het antwoord van Jezus lijkt helemaal niet te passen bij de opmerking van Nicodemus. Die heeft Hem net in zijn eigen ogen een groot compliment gemaakt. En nu zegt Jezus tegen hem:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.”

Jezus weet wat in het hart van Nicodemus leeft. Dat was ook in het hart van de andere Farizeeën. Een oprechte Farizeeër was het te doen om het probleem van de vergeving van de zonden. Als geen ander wisten zij wat de wet van God eiste, en zij bedachten zelfs nog meer regels en voorschriften om zich aan te moeten houden. In hun ogen was dat een uitwerking van de gerechtigheid die God van hen vroeg; in werkelijkheid was het een oprichten van een eigen gerechtigheid in plaats van datgene wat God van hen vroeg. Maar zo waren de Farizeeën voortdurend bezig om allerlei regels te bedenken, om daarmee te voorkomen dat mensen de echte geboden van God zouden overtreden. Dat noemde zij een omheining rondom de Thora. Net zoals een omheining rondom een grasperk mensen verhindert om een appeltje te stelen van de boom in het midden van dat grasveld, zo waren de regels van de rabbijnen een soort omheining rondom de Thora. Je geweten werd al geraakt op het moment dat je een rabbijns voorschrift overschreed, maar dat was nog bijlange niet een overtreding van het gebod van God. Jezus weet dat Nicodemus op die manier met Gods gerechtigheid bezig is. Daar gaat zijn opmerking niet over, maar dat is feitelijk de vraag die in zijn hart leeft. Daarom geeft Jezus dit antwoord. Nicodemus vroeg zich in zijn hart af op welke manier iemand het koninkrijk van God kon binnengaan. En daar geeft Jezus dus het antwoord op.

Jezus zegt tegen Nicodemus dat hij eigenlijk helemaal opnieuw moet beginnen. De enige manier om het koninkrijk van God binnen te gaan is door middel van de wedergeboorte. Dat is een nieuw begin – dat is de eerste betekenis van het Griekse woord anoothen, “opnieuw” – en het komt uit de hemel – de tweede betekenis is “van bovenaf”. Je moet vanuit de hemel een nieuw begin maken. Dus niet vanaf de aarde op dezelfde manier doorgaan. Het lijkt duidelijk dat Nicodemus over dit antwoord in eerste instantie zeer teleurgesteld geweest is. Hij heeft ongetwijfeld gedacht dat Jezus hem misschien kon duidelijk maken dat er nog een kleinigheid aan zijn ijver voor de thora zou ontbreken. Iets wat hij over het hoofd had gezien temidden van de honderden voorschriften waar hij mee bezig was geweest. Maar Jezus zegt in feite dat hij dat alles mag weggooien, en dat hij van voren af aan moet beginnen.

In feite betekent dat, dat Nicodemus zijn hele religie moet weggooien. En dat hij helemaal niet moet doen wat je van religieuze mensen zou mogen verwachten. Namelijk standvastig blijven in de tradities die je zijn overgeleverd, en stug volhouden op de weg die door de leiders van die religie zijn voorgeschreven. Maar het gaat helemaal niet om religie. Religie is een vloek. Kijk maar naar de manier waarop de extremistische islam optreedt, kijk maar naar de manier waarop mensen in de ban kunnen raken van een of andere Goeroe of Amerikaanse televisiedominee, of achter zogenaamde bovennatuurlijke genezers en mediamieke persoonlijkheden kunnen aanlopen. Het geeft aan sommige mensen een enorm gevoel van veiligheid, en er is van alles en nog wat te doen, in de zin van rituelen, maar zelfs ook van goede werken. In de naam van religie wordt zowel goed als kwaad gedaan. Maar ik geloof dat als de duivel bestaat, zijn voornaamste hobby de religie is. En daarom zegt Jezus tegen Nicodemus dat hij dat alles moet schrappen en vergeten kan. Hij moet opnieuw beginnen om het koninkrijk van God te kunnen binnengaan.

Dus Nicodemus moet gedacht hebben: “ik ben een Jood, maar dat helpt me niet. Ik ben een Farizeeër, maar dat brengt me ook niet verder. Ik ben lid van het Sanhedrin, maar dat brengt me ook niet dichterbij het koninkrijk. Ik houd me aan de geboden van de Thora, en zelfs dat brengt me niet het koninkrijk in. De eis die Jezus aan mij gesteld heeft, is onmogelijk. Een mens kan niet opnieuw geboren worden, we zijn nu eenmaal sterfelijk en bepaald door erfelijkheid. We zijn alleen maar mens, en mensen hebben religie nodig als ze dichterbij God willen komen.” Zo ongeveer zal hij gedacht hebben. Het antwoord van Nicodemus is dus niet per se een uiting van zijn onbegrip, maar hij wil daarmee heel nauwkeurig antwoord geven. We zijn sterfelijk – hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? – en we worden erfelijk bepaald – we gaan niet voor de tweede keer de schoot van onze moeder in. We zijn dus geheel en al aards en we zijn vlees en bloed. Het is dus onmogelijk te eisen dat wij geheel en al opnieuw beginnen. We zijn al begonnen. We worden bepaald door het aardse. Dat valt niet te loochenen. Als er zoiets als verlossing is, dan zal die moeten aansluiten bij het feit dat mensen nu eenmaal zijn wat ze zijn. Nicodemus weet heel goed wat Jezus bedoelde, maar zijn tegenvraag is juist bedoeld om het antwoord te geven, om te zeggen: “dat is onmogelijk, vanwege onze menselijke aard.”

Jezus vervolgt dan in zijn antwoord opnieuw met een uitspraak die een nieuwe openbaring behelst, nieuw dan in de woorden van Jezus, vandaar de woorden “voorwaar, voorwaar.” Nu legt Jezus uit wat Nicodemus niet heeft willen aanvaarden, en Hij legt het uit op een manier die Nicodemus, de geleerde kenner van het Oude Testament, zou kunnen aanspreken.

“Als iemand die geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.”

Dat betekent niet dat je eerst geboren moet worden uit water (het water van de doop of het vruchtwater bij de bevalling) en daarna uit de Geest. Er is geen aparte geboorte uit de Geest en er is geen aparte doop met de heilige Geest. Iedereen die tot geloof komt ontvangt de heilige Geest en wordt daardoor ingelijfd in de gemeente van God. Wat Jezus hier bedoeld heeft, moet aan Nicodemus bekend zijn geweest. Het is het water van de reiniging zoals dat gebruikt werd in het Oude Testament. Het is het water dat was opgeslagen in de watervaten in Kana aan het begin van hoofdstuk twee. En die watervaten stonden daar “volgens het reinigingsgebruik van de Joden.”

Maar Nicodemus zal ook begrepen hebben dat deze leraar die van God gezonden is daarmee verwijzen wil naar de profeten van het Oude Testament. Want er stond in Ezechiël 36 te lezen (vers 26):

“Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.”

En dat betekende reiniging van het oude leven, van de onreinheid van de zonde en de afgoderij. En dan in vers 26 het nieuwe leven:

“Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.”

Dat is levensvernieuwing, en die is door de heilige Geest: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven.” En daarmee zal precies het doel bereikt worden, dat Nicodemus en de zijnen zo lang vruchteloos hebben nagestreefd:

“Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.” (vers 27).

En Nicodemus moet ook geweten hebben, dat God de vernieuwing van het verbond zou aanbieden:

“Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in het hart schrijven. Ik zal u tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

En Nicodemus moet ook geweten hebben uit diezelfde passage, dat het middel dat God moet inzetten om deze vernieuwing van het verbond tot stand te brengen de vergeving is – die het Lam Gods brengen zou – zoals we dan lezen:

“Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonden niet meer denken.” (Jeremia 31:33-34.)

Jezus zeg dus hier tegen Nicodemus, dat hij de tekst van het Oude Testament beter had moeten kennen. Er is een wedergeboorte uit het water van de reiniging en de Geest van de vernieuwing die de voorwaarde is van deelname aan het Koninkrijk van God. Zo hebben de profeten Ezechiël en Jeremia het duidelijk gemaakt.

Het water is dus alleen maar een symbool. Het symbool waarvan? Efeze 5 zegt dat Christus Zijn gemeente, voor wie Hij zichzelf heeft overgegeven, wilde heiligen, “door haar te reinigen met het water door het Woord.” De Geest brengt leven op het moment van de bekering. Dan ben je gewassen door het Woord, en heb je een nieuw leven gekregen – dan ben je een nieuwe schepping,. Dan draag je Christus met je mee, je wordt met Hem bekleed (Gal. 3:27) en dan word je verbonden met alle andere kinderen van God in het Lichaam van Christus, dan word je gevoegd bij de gemeente van  Christus. (1 Kor. 12:13)