Wie Gods wil doen wil, kan het begrijpen – voorbereiding van de verkondiging op 14 mei 2017

Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat is er nodig om het evangelie te begrijpen? Het lijkt vaak een heel eenvoudige boodschap. Maar ik heb in mijn leven veel te maken gehad met mensen die het evangelie maar al te simpel vonden. Voor hun was de grote hindernis om Jezus Christus als hun Verlosser aan te nemen juist hun verstand.

Kennis is niet genoeg
Wat is er nodig om het evangelie te begrijpen? Om het op jezelf toe te passen, om het aan te nemen? Natuurlijk moet je daar iets van weten. Je moet het gehoord hebben in de kerk, geleerd hebben in de catechisatie, gelezen hebben in de bijbel. Je moet er kennis van genomen hebben. Maar kennis alleen is niet genoeg. Er was meer dan genoeg kennis van de bijbel bij de mensen in de tempel op het Loofhuttenfeest. Jezus gaat in de voorhof staan en begint te spreken. Al gauw zal er een grote groep mensen om hem heen zijn gaan staan. Zo deden de rabbijnen dat. Elke dag gingen ze daar staan om onderwijs te geven, de bijbel voor te lezen en uit te leggen. Zowel aan joden als aan heidenen. Jezus gaat ook op die plaats staan. En Hij heeft ongetwijfeld de groep mensen om zich heen gehad die de Heilige Schrift al behoorlijk gekend hebben. Ze zullen ook wel goed doorkneed zijn geweest in de rabbijnse leer. Is het voor hun dan makkelijk om Jezus te begrijpen?
Wat zou het mooi zijn als we daarbij hadden kunnen staan. Natuurlijk weten we veel over het onderwijs van Jezus door de evangeliën te lezen. Maar het is net alsof je dan de samenvatting leest. Zelfs in het evangelie van Johannes met zijn lange redevoeringen, krijgen we echt niet alles te horen wat Jezus gezegd heeft. Of wanneer we de tekst hadden van de preek die Jezus heeft gehouden in de synagoge van Kapernaüm, over die prachtige tekst uit Jesaja met de grote bevrijding voor armen, blinden, doven enzovoorts. Maar op die manier zijn de woorden van Jezus niet bewaard gebleven.

Jezus is geheel anders
Het valt de mensen op dat Zijn manier van lesgeven heel anders is dan die van hun leermeesters, de rabbijnen. Het gezag van de rabbijnen berustte niet alleen op hun kennis van de bijbel, maar ook op de kennis van de traditie. Rabbijnen spraken niet in eigen naam. Ze zeiden niet: “dit is wat ik hier lees.” Ze noemden altijd de naam van hun leraar erbij, bijvoorbeeld: rabbi Jozef zei in de naam van rabbi Gamaliël… Etcetera. Jezus moet anders gesproken hebben. Waarschijnlijk zoiets als: eerst een citaat van de Schrift, en dan woorden zoals: “dit Schriftwoord is in vervulling gegaan”, of misschien wel: “tot de voorvaderen is gezegd, maar Ik zeg u…” Of met die plechtige formule: voorwaar, voorwaar Ik zeg u. Het spreken van Jezus leek meer op dat van een profeet dan dat van een leraar. Maar Hij heeft ook nooit gezegd: “zo spreekt de Here”, dus ook daar konden zij Hem niet mee vergelijken. Jezus was ook niet zomaar een profeet. Het leek alsof Jezus op eigen gezag sprak, alsof God Zelf rechtstreeks tot hen sprak. En dat was verbazingwekkend. Hij was niet gekleed zoals de farizeeën en schriftgeleerden, en Hij sprak waarschijnlijk met een lichte Galilese tongval. Hij was anders. Rabbijnen kwamen uit Judea, en ze droegen geen ruwe witte wol, maar fijn geweven zwarte kleding. En hun gezag was gebaseerd op dat van de traditie, op de grootste leermeesters voor hen. In Jezus echter was God zelf als leraar in hun midden. Meer dan Mozes, en meer dan Elia was Hij.

Vanwaar de kennis van Jezus?
Maar de mensen in de tempel hebben daar geen idee van. Ze zien hun Galilea op een wonderlijke wijze spreken en een enorme kennis van de schrift tentoonspreiden. Hoe is het mogelijk dat Hij, Jezus, de Schriften zo goed kent? De vertaling van het NBG zegt: “Hoe is deze zo geleerd”, maar een betere vertaling is:” Hoe weet Deze de Schriften” – zoals de Statenvertaling het zegt. Jezus heeft overduidelijk geen onderricht van de rabbijnen ontvangen. Hij spreekt niet zoals zij. Toch kende Hij ongetwijfeld alle boeken van het Oude Testament uit Zijn hoofd en was Hij in staat om die perfect duidelijk te maken. En Hij wist feilloos die woorden toe te passen op het persoonlijke leven. En Hij sprak met grote zekerheid over zaken van vergeving en gerechtigheid en vrede en over de toekomst van Israël en de wereld. Dat alles paste in het geheel niet in de geleerdheid van de joodse leiders van dat moment.
Jezus breekt ook met gangbare opvattingen. Hij negeert de gewoonten en de bijbeluitleg van de rabbijnen. In vers 21 en 23 wordt dat duidelijk. Zes maanden daarvoor was Hij ook in Jeruzalem. Toen genas hij een mens die 38 jaar lang verlamd geweest was. En in plaats van Hem te prijzen omdat Hij deze goddelijke gave van genezing gebruikte, waren ze boos op Hem omdat Hij het deed op de sabbat. En omdat Hij toeliet dat de man die genezen werd zijn ligbed opnam en rond liep, ook op de sabbat. Joodse gewoonten, vaststaande rituelen, overtuigingen over de sabbat – Jezus’ onderricht bouwt daar niet op voort maar breekt er mee.

Tegen de gewoonte in
Hoe zou iemand dan, die in die tijd is opgegroeid, de leer van Jezus kunnen begrijpen? Als je hele leven bepaald wordt door het onderwijs van vroeger en de gewoonten van vandaag, dan is er geen ruimte voor iets nieuws. Dan denk je niet eens na over wat er gezegd wordt. Je hebt je oordeel al kant-en-klaar. Zo doen wij het nu eenmaal! Zo denken wij nu eenmaal! Zo hebben we het altijd al gehoord! Zo hebben de andere rabbijnen het ons gezegd! Het zijn allemaal obstakels voor de joodse menigte en voor de leiders om het evangelie dat Jezus komt brengen te verstaan en te begrijpen.

De voorwaarde van ons begrip
Maar dan spreekt Jezus over de enige voorwaarde die vervuld moet worden om Zijn leer te kunnen begrijpen. Hij zegt ook nog wel andere dingen, bijvoorbeeld dat Hij niet uit Zichzelf spreekt, maar een openbaring van God de Vader doorgeeft. “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft.” Maar dat op zich is nog niet overtuigend. Dat is eerder aanstootgevend. Want dat betekent dat Hij geen onderwijs geeft in naam van Zijn menselijke leermeesters. En dat zijn zij allemaal nou juist gewend. Zo werkt de traditie. De joden in de dagen van Jezus hadden zelfs de overtuiging, dat God niet een enkele thora, maar twee thora’s gegeven had. De ene was schriftelijk vastgelegd door Mozes, en de andere was een grote verzameling van de rabbijnse uitspraken die samen ook thora, dat wil zeggen goddelijke onderwijzing waren.
Maar dan komt de voorwaarde aan bod, dan komt dit belangrijke zinnetje van Jezus in vers 17: “Indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit mijzelf spreek.” De Bijbel in gewone taal heeft hier: luister naar God en doe wat hij wil! Dan zul je ontdekken dat ik zijn boodschap vertel, en dat ik niet namens mijzelf spreek.” Ik weet niet of het duidelijk genoeg wordt in die vertaling dat het om een voorwaarde gaat! Je moet eerst iets willen, en dan zul je iets begrijpen. De beste vertaling is toch: “als iemand zijn wil doen wil, zal hij van deze leer erkennen of zij uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.”

#1 Gods wil doen
Drie dingen vinden we hier dus. In de eerste plaats de voorwaarde. Als je het evangelie van Jezus gehoord hebt en wilt begrijpen, dan moet het uitgangspunt zijn dat je de wil van God wil doen. Het is het zoeken naar Gods wil en naar Gods stem waardoor je oren geopend zijn, en je hart bereidwillig is om te ontvangen wat wordt gezegd. Als je de bijbel leest met het vaste voornemen dat je niets nieuws wilt leren, dat je niet gehoorzaam wilt zijn aan wat je leest, of dat het niet de stem van God zelf is die je daarin hoort, zal geen woord uit de bijbel tot je kunnen doordringen. Maar als je op zoek bent naar Gods wil met de intentie om daaraan ook gehoorzaam te zijn, dan gaat het Woord ook werkelijk tot je spreken. Dan zul je erkennen dat dat Christus zegt in Zijn Woord, waarachtig uit God is en tot jou gericht is.

#2 Gods waarheid erkennen
Het tweede punt is: dan zul je deze leer erkennen. Het is niet toevallig dat het woord “leer” gebruikt wordt. De woorden van de schrift zijn wel gericht aan het hart, maar het is de bedoeling dat we God ook dienen met ons verstand. En het is Gods woord dat ons verstand moet vormen en vervullen. Waarachtige wijsheid berust niet op menselijke inzicht, maar op het vermogen om het woord van God in te drinken, te verstaan, te begrijpen en dan ook toe te passen. Het Woord van God heeft dus ook wat we noemen een leerstellige inhoud, het wil ook onderwijzen. Het Bijbelse onderwijs is dan weliswaar geen theoretische kennis, maar praktische wijsheid – maar dat betekent niet dat het ons niets zegt over de wereld, over onszelf, over de gemeente en Christus, wat we met het verstand moeten proberen te begrijpen.

#3 Jezus’ woorden zijn Gods woorden
En dan het derde punt. Wat zullen we dan erkennen als we met deze houding het woord van Jezus benaderen? Zullen erkennen dat de leer van Jezus uit God is. Bij God vandaan komt. Gods eigen stem en Woord is. De joden van Zijn tijd wisten dat de rabbijnen onderling over allerlei zaken van mening verschilden. Binnen de ruime grenzen van het jodendom waren er verschillende benaderingen mogelijk. Er waren niet alleen farizeeën die zo aandrongen op de letterlijke en gedetailleerde toepassing van de wet op het dagelijks leven. Er waren ook sadduceeën die vooral bezig waren met de politieke situatie van Israël, zowel de binnenlandse veiligheid als de relatie met de Romeinen waren hun belangrijke zorg. Er waren priesters die alleen maar bezig waren met de nauwkeurige regels rondom de offers in de tempel. En over al deze zaken verschilden de rabbijnen van mening. En dan staat hier Jezus in hun midden en Hij zegt niet, als een ruimhartige gelovige van onze tijd, dat iedereen maar zijn eigen leer moet volgen, zijn eigen interpretatie mag geven, zolang het maar binnen de ruime grenzen van het jodendom – of bij ons het Christendom –  blijft. Hier komt Jezus een leer brengen waarvan Hij claimt dat deze uit God is – wat betekent dat al het andere dat in die dagen werd onderwezen en alles wat heden ten dage wordt onderwezen dat niet in overeenstemming met Zijn leer is, ook niet uit God is.

Valse leraren zoeken eigen roem
Je kunt het zien, zegt Jezus. Als iemand een leer brengt die tot doel heeft om zijn eigen roem en status te verhogen. Als hij wil laten zien dat hij de grootste wijsheid heeft; als hij wil laten zien dat hij slimmer is dan de andere rabbijnen. Als hij wil laten zien dat hij de woorden van de schrift zo kan bijbuigen, zulke slimme interpretaties kan uitvoeren, dat de bijbel precies gaat zeggen wat hij zelf denkt. Dat is mooi! De bijbel zo uitleggen dat God jou gelijk geeft. Kijk maar! Dit is wat ik denk, en God zelf geeft mij gelijk! Zo iemand is toch niet echt bezig met het zoeken naar Gods wil? Zo iemand verheerlijkt toch niet God met deze leer? Dat is het verschil tussen Jezus en de rabbijnen. Hij is er niet op uit om zijn eigen roem en status te bevorderen. Het gaat Hem om de grootsheid en de waarheid van God.
Daarom heeft Jezus de man in Bethesda genezen. De genezing van deze man was de wil van God. En daarom deed Hij het gewoon op de sabbat, omdat deze dag bestemd was voor de heerlijkheid van God en voor de rust van de mens. Wie een mens geneest verheerlijkt God; wie God wil verheerlijken moet het welzijn van zijn naaste zoeken. Dat was de leer van Christus. Maar zij hebben het niet begrepen, omdat ze verstrikt waren in menselijke opvattingen en gewoonten en er in hun hart geen plaats meer was voor de bereidheid om alleen God te erkennen; alleen Gods waarheid, alleen de waarheid van de schrift en niet de leringen van mensen.
De belangrijkste van deze drie voor dit moment, als het gaat om de toepassing, is natuurlijk het eerste punt. Het is de voorwaarde van onze ontmoeting met Jezus en het leren kennen van Zijn Woord. Als je bereid bent om de wil te doen van God de Vader, dan zul je de woorden van Jezus als het laatste en eerste woord  erkennen Wat Jezus zegt, zegt Hij vanuit God zelf. In Jezus spreekt God tot ons; de woorden van Jezus zijn Gods openbaring voor ons.

Jezus’ woorden in jezelf toelaten
Het is belangrijk dat wij nooit zullen toelaten, dat tussen ons en de woorden van Jezus onze eigen gewoonten en menselijke redeneringen een muur oprichten. Dat we Gods woord vervalsen en verzwakken met onze eigen redenaties. Ons hart is listig. Zegt Jezus dat we onze naasten moeten liefhebben? Dan zeggen wij over iemand dat hij onze naaste niet echt is. Zeggen de apostelen in de naam van Jezus dat hij de broeders en zusters in de gemeente moet liefhebben? Dan zeggen wij dat dat niet altijd kan, omdat sommigen nu eenmaal meer broeder en zuster zijn dan anderen. Zo proberen wij steeds onder het woord van God uit te komen. Net als de joden die in de tempel de woorden van Jezus hebben gehoord. Ze komen wel onder de indruk van  Zijn kennis, maar ze zijn niet bereid om het als Gods woord aan te nemen. Maar dan is het nodig dat we ons bezinnen op onszelf: willen wij werkelijk Gods wil en Gods wil alleen doen? Want dan zullen wij weten en erkennen en begrijpen dat het woord van Jezus het woord van God zelf is.

En dat woord hebben wij zo bitter nodig:

Lied 314

Ons gevoel en ons verstand
zijn, o Heer, zo zonder klaarheid,
als uw Geest de nacht niet bant,
ons niet stelt in het licht der waarheid.
Het Goede denken, doen en dichten
moet Gij zelf in ons verrichten.

AMEN

Het gezag van de Schrift in de prediking

“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)

Het overkomt vaak studenten uit een christelijk gezin, die op de middelbare school of op de universiteit geconfronteerd worden met harde kritiek op de Bijbel. Ze beginnen te twijfelen. De antwoorden van vader en moeder zijn niet langer voldoende, en meestal weet de predikant er ook geen raad mee. Bovendien is het gezag van de gemeente gering in vergelijking met het gezag van de leraren waarmee een jonge student geconfronteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel jonge mensen afhaken, aan de Bijbel hooguit de status van interessante verhalen toekennen, en op die wijze het vertrouwen verliezen in de Bijbel als Gods Woord.

Dat is echter niet mijn onderwerp. Waar ik vandaag over schrijven wil, is over het verschijnsel dat volwassen christenen, die nog kerkelijk actief zijn, net als vele predikanten, subtiele manieren hebben gevonden om aan het gezag van de Bijbel te ontkomen. Ze belijden de waarheid van de Schrift nog wel, maar in de praktijk speelt dat gezag geen rol. Veel predikanten zijn in hun opleiding bedolven onder een stortvloed van argumenten voor de liberale Schriftkritiek. Dat begint bij twijfels aan het auteurschap en de ouderdom van sommige teksten. Bijvoorbeeld: is er een profeet geweest die het boek Jesaja heeft geschreven? Ook als het antwoord is dat het boek van deze profeet in meerdere fasen van de geschiedenis tot stand is gekomen, kun je het gezag van die tekst nog wel handhaven. Het ligt moeilijker wanneer we bijvoorbeeld moeten nadenken over het auteurschap van het evangelie naar Johannes. Als het is geschreven door de apostel voor het einde van de eerste eeuw, dan berust het zeker ook op het geheugen van de apostel die getuige was van deze gebeurtenissen. Als het echter geschreven zou zijn door zijn leerlingen meer dan 30 jaar na de dood van de apostel, die hun geschrift op naam van Johannes hebben gesteld, dan moeten we het gaan rekenen tot de kerkgeschiedenis en niet tot de schriftelijke openbaring. Maar het gaat nog verder wanneer ze in de opleiding leren dat het Nieuwe Testament vol zit met culturele veronderstellingen, met een verouderd wereldbeeld dat niet meer te handhaven is, en dat alles in de Bijbel van haar mythische vorm moet worden beroofd. Wat we dan overhouden is een kern die ons in ons persoonlijk leven nog als troost en bemoediging en oproep tot “authenticiteit” kan aanspreken.

Natuurlijk, predikanten komen in hun opleiding ook de gedachte tegen, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God zou zijn. Maar de universiteit is doordrongen van de liberale Schriftkritiek, dat wil zeggen dat een dergelijke opvatting als een rariteit uit het verleden wordt bijgezet in het museum. Alleen nog geschikt om mee bezig te zijn vanwege naïeve gelovigen in de gemeente.

Als predikanten dus geleerd hebben om het gezag van de Bijbel te negeren of zelfs in een poging om eerlijk te zijn tegen te spreken, wat moet de gemeente dan nog denken? Bij het lezen van de Bijbel kunnen gemeenteleden allerlei twijfels hebben. Vooral de passages uit het Oude Testament zijn ons welbekend, die steeds tot diepgaande zorgen aanleiding geven. Hoe zit het dan met de intocht in Kanaän. Met de overduidelijke genocide die daar gepleegd wordt. Gelukkig is dat dan het Oude Testament dat wij als christenen toch naast ons neer kunnen leggen – met uitzondering van de psalmen en het boek Genesis. Maar die vragen kunnen zich ook gaan uitbreiden in de richting van het Nieuwe Testament. Is het verhaal van de opstanding van Jezus een uiting van geloof zonder realiteit? Of is het een betrouwbaar ooggetuigenverslag – juist vanwege de inconsistenties tussen de evangelisten – dat ons een betrouwbare en historische grondslag geeft voor ons geloof?

Het gaat mij dus om mensen – gemeenteleden en predikanten – die de hele kwestie van het gezag van de Bijbel uit de weg willen gaan. Het gaat mij om christenen die eigenlijk niet langer het reformatorische beginsel van Sola Scriptura – alleen de Schrift – hanteren. Laat staan de toespitsing daarvan op het afgeleide beginsel van Tota Scriptura – heel de Schrift. Nog niet zolang geleden was in onze Hervormde Kerk het vanzelfsprekend dat de Bijbel gezag had omdat het de schriftelijke vorm was van Gods Woord. Respect voor Jezus als de hoogste autoriteit in de kerk was ondenkbaar zonder respect voor de Bijbel die Jezus als gezaghebbend citeerde en in Johannes 17 gelijkstelde aan de waarheid. Zonder de Schrift die door de Geest van Christus geïnspireerd was, hadden we ook geen enkel besef van wie Jezus was en is. Zo was het ook ondenkbaar om te tornen aan het idee, dat de Bijbel gezaghebbend was in alles wat zij leerde. Niet alleen maar inzake van geloof en leven, maar ook in haar weergave van historische realiteiten – hoewel het zeker noodzakelijk was om goed te letten op het genre zodat we de Bijbel niet gingen lezen als een handboek voor kosmologie of biologie.

Aan het gezag van de Bijbel was ons dus ooit veel gelegen. Daarom waren wij een kerk van de Reformatie. Wij hebben in onze traditie daarom altijd ook de noodzakelijkheid van de Schrift bevestigd. Al is het bij ons nooit zover gekomen dat wij ons letterlijk het beginsel van Calvijn hebben eigen gemaakt, dat de Schrift ook de enige norm en bron moest zijn van de inrichting van de eredienst. De grote waaier van rooms-katholieke invloeden op de inrichting van onze eredienst in de huidige tijd is daarvan het duidelijke bewijs. Maar toch, het was ons fundament. Zonder de schrift kon je Christus niet kennen. Als je Hem niet kende, kon je Hem niet eren. Waar zou de kerk echter toe dienen als zij haar Heer en Heiland niet zou kunnen eren?

Wat zijn nu “subtiele manieren” om je aan het gezag van de Bijbel te onttrekken?

1. Selectief zwijgen
Predikanten hebben zo hun lievelingspassages. Daarover kun je steeds weer opnieuw preken zodat de gemeente steeds een positieve en bemoedigende preek te horen krijgt. Het is zelden dat gepreekt wordt over een tekst die lijden en pijn als thema heeft. Het is zelden dat gepreekt wordt over Gods gerechtigheid, vooral als die in de vorm van oordeel en macht naar voren komt zoals vaak in het Oude Testament. Begrippen als straf en tucht zijn niet langer in de mode en daarom worden ook passages vermeden waarin dat naar voren komt. Wie van de predikanten durft nog te preken over de hel? Dat is een begrip dat zowel door Jezus als door de apostelen uitvoerig gebruikt wordt en vanzelfsprekend bij hun gedachtewereld hoort. Maar in onze preken wordt het zorgvuldig verwijderd om niet het predikaat “donder- en bliksempreek” op te roepen. Daarom wordt er ook niet gepreekt over zonde in het algemeen, over overspel, of over het homohuwelijk. Daarom wordt er ook niet gepreekt over de rolverdeling van mannen en vrouwen, of de rol van de vrouw in het ambt van predikant. Dat zijn zaken waar de gemeente immers verdeeld over is en omdat je niet wilt dat de ene helft van de gemeente wegloopt terwijl de andere applaudisseert, vermijd je dat soort onderwerpen maar.

In dit selectieve zwijgen is het duidelijk, dat de Bijbel haar gezag verliest omdat alleen die teksten nog aan de orde kunnen komen, die jouw eigen standpunt ondersteunen. (Of het algemeen gevoel van de gemeente ondersteunen.) Wanneer er passages in de Bijbel staan waarover wij niet kunnen preken, impliceert dat dat die passages niet Gods Woord zijn. Wanneer er passages zijn in de Bijbel waarover de gemeente alleen maar een negatief oordeel wil horen, zo in de trant van: wat jammer dat dat erin staat, of: ik begrijp dat u daar moeite mee hebt en ik ook, wordt zelfs nadrukkelijk het gezag van Gods Woord ondermijnd.

Ik heb het nu nog uitsluitend over de preken gehad, maar dit zet zich voort ook in andere verbale uitingen zoals in de catechese of de Bijbelkring. Wij dienen als predikanten ook te zwijgen over de waarde van het Nieuwe Liedboek om maar een ander pijnpunt te noemen – de toorn van kerkenraad, gemeente en organisten komt over je heen. We mogen als predikanten alleen maar zwijgen wanneer gastpredikanten het evangelie vervalsen, ook al is dat voor ieder mens die er aandacht aan geeft volstrekt helder te maken. Selectief zwijgen is een noodzakelijke overlevingsstrategie geworden voor een predikant die beseft, dat zijn baanzekerheid mede afhangt van het goede gevoel van de gemeente over zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid. De gemeente is niet geneigd om te begrijpen dat het Gods Woord is die een bepaalde prediking noodzakelijk maakt, en niet de vrije keuze van de predikant. Wanneer het Woord als negatief wordt beoordeeld, moet de schuld wel liggen bij de predikant die de verkeerde selectie maakte. Want waarom zou je de gemeente iets voorleggen, dat die gemeente onaangenaam in de oren moet klinken? Waarom zou je geen tekst kiezen voor de prediking, die het gehoor streelt? Of aansluit bij verwachtingen? Dat moet dan aan de recalcitrantie van de predikant liggen.

Onderbelichten en overbelichten

Een mooi voorbeeld van dit zwijgen is ook het verschijnsel van het onderbelichten van een passage of term. Ik geef als voorbeeld de prediking in de kersttijd over het evangelie naar Mattheus. Stel dat we voor kerstavond gekozen hebben voor een lezing uit Mattheus 1. De kerkenraad heeft al uitdrukkelijk gevraagd om de prediking op die avond toegankelijk te maken voor die buitenstaanders die maar één keer per jaar naar de kerk komen. Bij de uitleg van het geboorteverhaal komen we aan vers 20. “Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom.” En even later: “wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest.” Wat moeten moderne mensen met deze “engel”, met deze “droom”, en met de “ontvangenis uit de Heilige Geest”? De gebruikelijke tactiek is het onderbelichten van dergelijke bewoordingen. We zeggen: “Jozef kwam vanuit zijn geloof en trouw, en vanuit zijn liefde tot Maria tot een beslissing haar niet te verstoten”. We zeggen: “omdat Jezus een bijzonder mens was, hebben de eerste christenen geloofd dat ook zijn geboorte bijzonder moest zijn, net als bij de keizer.”

Ziet u wat hier gebeurt? Door het op een andere manier te willen zeggen, verminderen we de realiteit waarnaar de tekst verwijst. Gods ingrijpen in het leven van Jozef, wordt een persoonlijke beslissing. De bovennatuurlijke geboorte van Jezus – het Woord dat vlees is geworden! – wordt een onderdeel van de mythe waarin uitsluitend de eerste christenen geloofd hebben. Zodat wij moderne mensen kunnen menen daar ver boven verheven te zijn, want wij hebben dergelijke sprookjes niet meer nodig.

Selectief zwijgen over de passages uit de Bijbel die aanstoot kunnen geven voor het moderne levensgevoel; selectief spreken over wat het moderne levensgevoel ondersteunt en het gehoor streelt; en het onderbelichten van alles in de Bijbel waar we van aannemen dat moderne mensen er toch niet meer in kunnen geloven, en ook niet meer in hoeven te geloven. Omdat tegelijkertijd de tekst van de Bijbel toch wordt naverteld lijkt het net alsof alles in orde is. Een gemiddeld kerklid hoeft het niet eens in de gaten te hebben dat er van dit zwijgen en selecteren en onderbelichten sprake is. Maar in werkelijkheid, voor iedereen die een dergelijke preek rustig nog eens naleest en vergelijkt met de strekking van de gebruikte passage uit de Bijbel, kan er geen twijfel zijn dat op subtiele wijze het gezag van de Schrift is omzeild.

2. Schaamte tegenover de tekst
Veel predikanten lezen een tekst, met name uit het Oude Testament, waarvoor ze in de preek verontschuldigingen aanreiken. Soms gebeurt dat rechtstreeks, door het nare gevoel te verwoorden dat iedereen in eerste instantie wel zal hebben, maar om het daar bij dan ook te laten. Soms gebeurt het indirect, door een Oudtestamentische tekst te contrasteren met een tekst uit het Nieuwe Testament.

We lezen bijvoorbeeld uit 2 Koningen 1 de geschiedenis van Elia. Dan komen we bij vers 10: “Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.” God neemt het hier tegenover de gezalfdekoning van Israël Ahazia, op voor Zijn eigen eer. De koning heeft een afgod geraadpleegd vanwege zijn ziekte. Als de profeet hem het oordeel van de Heere aankondigt, stuurt de koning soldaten naar Elia om Hem daarvoor te straffen. Het wordt een strijd om de soevereiniteit. Wie is de waarachtige koning in Israël? De afgodendienaar Ahazia of de Heere God die spreekt door Zijn profeet?

Stel nu eens dat in de uitleg van deze passage de inzet van de strijd niet wordt vermeld. Er wordt alleen maar gezegd dat de koning ziek is, zoekt naar een genezing, en dan een woord van de profeet te horen krijgt, en dat die profeet met bovenmatige geweld onschuldige soldaten neerslaat met vuur uit de hemel. Opnieuw dus een voorbeeld van de onderbelichting van de strekking van een tekst. Daardoor wordt het heel makkelijk om de tekst te contrasteren met wat we lezen in Lukas 9. Wanneer de Samaritanen Jezus niet in hun dorp willen ontvangen, vragen Jacobus en Johannes: “Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?” De discipelen maken dus een connectie met het verhaal van Elia, niet Jezus. Maar na de uitleg van het verhaal van Elia kan de predikant op een bijzondere wijze voortredeneren. Dat leidt tot deze schijnbaar fraaie conclusie. Jezus keurt hier af wat Elia gedaan heeft. Immers, “de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden.” De implicatie in de preek waarin deze beide passages met elkaar verbonden worden, is duidelijk. Elia heeft de zielen van mensen te gronde willen richten, maar Jezus daarentegen wil ze behouden. De Oudtestamentische tekst wordt dus alleen maar gebruikt om de houding van Jezus in scherp contrast te plaatsen. En de gemeente heeft het goed begrepen: het Oude Testament, het heilige boek van de Joden, staat vol met geweld, maar Jezus kwam die nare visie corrigeren. Hij zou hebben gewild dat de soldaten in leven waren gebleven.

Niets is echter verder van de waarheid. Dat is wat het selectieve zwijgen dan bewerkstelligt. Voor het gemak wordt vergeten, dat deze Jezus ook kon zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” Zeker, Jezus is gekomen om zielen te behouden, maar dat impliceert dat sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf” (Mat. 25:46). En Hij kon zeggen: “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36).

Ziet u wat er gebeurt? Door de Oudtestamentische tekst te onderbelichten, en te contrasteren met een Nieuwtestamentische tekst, ontstaat er een overbelichting van de laatste. De reden van de strijd met de soldaten van de koning wordt weggelaten, en er wordt gesuggereerd dat Jezus’ weigering om vuur van de hemel te laten neerdalen, een bewijs is van Zijn allesomvattende vriendelijkheid. (Is het dan niet van belang dat beide teksten een geheel andere context hebben?) Maar in de eerste plaats zou Jezus het getuigenis van het Oude Testament nooit op die wijze verworpen hebben. In de tweede plaats is ook in het Nieuwe Testament de realiteit van Gods oordeel een belangrijke waarheid. In de derde plaats breng je, door die teksten op deze wijze met elkaar in verband te brengen, in feite alleen je eigen theologische mening naar voren. Terwijl de gemeente denkt dat de predikant bevestigt dat ze zich onrustig mag voelen door de teksten over Elia, en dat de predikant toch nauwkeurig de Bijbel heeft uitgelegd die duidelijk maakt dat Jezus een en al vriendelijkheid en liefde is. Ik noem dat een vervalsing van de Schrift in de preek. De schaamte over de tekst regeert en het inzicht in de diepte ervan ontbreekt. Wat overblijft is een tendentieuze prediking waarin de predikant meer zichzelf dan de waarheid heeft verkondigd.

Besluit
“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)
Wat zijn nu deze “schandelijke, verborgen praktijken”? In ieder geval is het de praktijk van het onderbelichten van een tekst, een eigen geheime agenda te hebben bij de uitleg van die tekst. Paulus verwijst met deze woorden het gedrag van een koopman op de markt. Een te hoge prijs rekenen, bijvoorbeeld voor wijn die je verkoopt als onvermengd maar intussen ruimschoots met water het aangelengd. Dat is een schandelijke praktijk.

Het onderbelichten van een tekst is als het aanlengen van de wijn met water, terwijl je doet alsof je het Woord van God zuiver uitlegt. Daarom is het bedrog. 

Wat is dan dit “vervalsen van het Woord van God”? Is het niet dit, dat we een tekst uitleggen volgens onze eigen intentie, en niet volgens de intentie van de schrijver zoals die blijkt uit de tekst? Het is om die reden dat de apostel Petrus zo nadrukkelijk stelt, dat “geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” Eigenmachtig wil zeggen dat we de tekst laten buikspreken om de boodschap te ondersteunen die wij zelf bedacht hebben.

In vers 5 vinden we de kern van de zaak. Het onderwerp van de prediking is niet wat wij zelf denken, ook niet onze eigen theologie, ook niet onze eigen hoogverheven of diepzinnige gedachten. Prediking is alleen maar het openbaar maken van de waarheid. En omdat die waarheid schriftelijk is vastgelegd in de Bijbel, is prediking niets anders wat Paulus aan Timotheüs schrijft: “predik het Woord.”

De 15 voordelen van tekstuitleggende prediking

Expository preaching oftewel “tekstuitleggende”, of “tekstvolgende” prediking, is een manier van prediken waarin de betekenis van een passage of tekst van de Schrift centraal staat, die ook bepaalt hoe de prediking verloopt. Dus niet alleen het onderwerp wordt vastgelegd door de tekstkeuze, maar ook de inhoud, wat erover gezegd wordt, en ook de verschillende stappen van de preek. De opbouw van de preek volgt de opbouw van de tekst.

Daarbij komt ook nog dat we de tekstkeuze zoveel mogelijk laten bepalen door het boek dat we voor een langere periode kiezen, d.w.z. we proberen zoveel mogelijk te verhinderen dat we (te) selectief tewerk gaan en alleen maar aan de orde stellen wat ons uitkomt. Niet steeds weer de Bergrede of de goede herder of de barmhartige Samaritaan! Ook niet als die selectie door een commissie van onze kerk is uitgevoerd en we volgens een leesrooster zouden willen preken – ook dat is een keuze die door theologische en oecumenische overwegingen bepaald is.

Wat zijn de voordelen hiervan?

1. Het bevestigt de autoriteit van God

God moet spreken wanneer ik preek. Zo simpel is dat! De predikant heeft geen enkele autoriteit, zijn kennis en kunde hebben geen enkele autoriteit over de gemeente. Alleen een valse leraar zou gezag claimen over zijn gemeente of de schijn wekken dat zijn inzichten belangrijker zijn dan Gods Woord. En zelfs wanneer de predikant bescheiden alleen zijn mening aanbiedt, is hij een wolf die de schapen niet voedt en weidt, maar in het moeras van de onwetendheid stuurt. God heeft gesproken! Wij als predikant mogen dat Woord vertolken – niet vertalen, niet aanpassen, niet geschikt maken voor consumptie, maar alleen: uitleggen en verhelderen. Expositie dus, een tentoonstelling maken van het Woord, zodat Gods gezag over de gemeente wordt bevestigd.

2. Het bevestigt de regering van Christus over Zijn kerk

Alleen Christus heeft het recht om met gezag tot Zijn gemeente te spreken. Een predikant kan niet zijn eigen advies en opinie geven. Er is ook geen “stem van God” te horen buiten de Schrift om en de predikant moet demonstreren dat dat zo is. Wanneer wij zeggen dat “het is immers de gemeente van Christus” dan moet ook blijken aan de prediking, aan het beleid, aan de keuzes die de gemeente maakt.

3. Het geeft de ruimte aan de heilige Geest

Alle redding en alles wat goed is voor de ziel komt uit Gods Woord. Geloof is uit het gehoor, en het gehoor door de prediking van Gods Woord. (Vgl. Rom. 10:17) Petrus spreekt over de wedergeboorte “tot een levende hoop” als een gevolg van de opstanding (1 Pe. 1:3), en stelt daarmee het Woord gelijk: “U, die opnieuw geboren bent…door het levende en eeuwig blijvende Woord van God” – 1 Pe. 1:23. De predikant geeft de uitleg, de heilige Geest doet de toepassing op het hart.

4. Het demonstreert de onderwerping aan de Schriften

In de prediking gaat het niet over de meningen van mensen. Het gezag van de Schrift gaat boven elke menselijke opinie uit omdat de Schrift Gods Woord is. En dat moet aan de gemeente ook steeds weer getoond worden. De predikant moet de eerste zijn die dit gezag van de Schrift voelt en doorgeeft, en ook verdedigt tegenover twijfelaars en critici van het Woord. De herder van de gemeente moet een stok dragen om de wolven buiten te houden. En wanneer we zeggen dat allen Jezus de Goede Herder is, dan is de predikant soms een herdershond die de schapen moet weghouden van de gevaren van dwaalleer. David versloeg een beer en een wolf om de schapen te redden, moet ook een predikant niet soms een beer en een wolf verslaan? Dat alles op grond van de aanname dat ons geloof en de inhoud ervan “het” geloof ertoe doen, belangrijk zijn! Als dat er niet toe zou doen, waarom al die moeite? Maar het Woord van God is betrouwbaar en nuttig voor vermaning en weerlegging, voor troost en bemoediging, want het oordeelt ons – en niet:  wij beoordelen het Woord.

5. Het vermindert de eigenwijsheid van de predikant

Wat de predikant doet in de prediking is een voorbeeld voor de gemeente. Daarom hoort de gemeente: “Denk aan uw voorgangers”  – niet zomaar in het algemeen, maar – “die het Woord van God tot u gesproken hebben.” Want de gemeente wordt immers opgeroepen: “Volg hun geloof na” (Hebr. 13:7). Maar dan moet de predikant ook werkelijk geloven in het Woord dat hij predikt. En dan moet hij dat Woord kennen zodat zijn eigen meningen er niet toe doen – die eigen mening mag dan niet de aanvulling zijn op zijn eigen beperkte begrip van het Woord. Eis van je predikant dat hij het Woord van God bestudeert, de arbeid verricht die daarvoor nodig is. Zeg niet dat de tijd die voor studie is gereserveerd ook wel minder kan zijn, omdat hij al “voldoende” weet – dat zegt alleen maar iets over de gemeente die nog minder weet. het allerergste: een predikant die de Bijbel niet kent, maar toch vol is van zijn eigen theologie of filosofie en beseft dat hem dat een voorsprong op de gemeente geeft. En dan daarin berust! Voortdurende, ingespannen studie, worstelen met het Woord, zodat het in je doordringt en je eigen denken en leven bepaalt en bewaart. Dat is de harde arbeid van het predikantschap waaruit alle andere vormen van zijn dienst voortvloeien: in de eerste plaats de gezamenlijke bijbelstudie, en de catechese van jongeren en volwassenen in de fundamenten van het geloof, maar dan ook: leiding geven aan het pastoraat, het evangelie ook verkondigen bij mensen thuis, anderen voorgaan in gebed ook in de omstandigheden van hun leven. Al die functies horen voort te vloeien uit de kerntaak van de predikant en dat is de studie en de verkondiging van Gods Woord.

6. Het bevordert de diepgang en het begrip in onze eredienst

Oppervlakkig begrip van de Bijbelse boodschap bevordert ook een oppervlakkige aanbidding of vroomheid. Er is een sfeer van kinderlijkheid in de gemeente geslopen, alsof we alleen maar met sprookjes bezig zijn. We zingen steeds minder ook liederen die de geest en de woorden van de Schrift ademen. Soms maak ik echter mee, dat de woorden van het lied dat we zingen een grotere diepgang hebben dan de woorden die we horen van de kansel. Of dat de liederen theologisch tegenspreken wat de voorganger beweert. Als we dan onoplettend zijn, laten we een dergelijke verwarring ook nog eens toe in onze geest.

7. Het bevordert een begrip van Christus

Christus, de Heer, willen we leren kennen.Ik ga ervan uit dat dat een axioma is voor alle gelovigen en dat het er niet alleen om gaat om iets te horen dat voor ons aangenaam en versterkend is. Het is niet van belang dat we onze cultuur kennen, de filosofie of de wijsheid van de wereld. Of een muzikale smaak ontwikkelen of politiek op de hoogte zijn. Om de goede keuzes te maken in het leven moet je Gods Woord kennen! Dan heb je de “zin” van Christus, zoals we lezen in 1 Kor. 2:16. Daarmee beoordelen we alle dingen. En we hebben de “zalving van de Heilige”- 1 Joh. 2:20 – en “deze zalving onderwijst u met betrekking tot alle dingen” 1 Joh. 2:27.

8. Het bevordert Bijbelstudie in de gemeente

We leven van elk woord dat uit de mond van de Heer uitgaat! Zo was het voor de Heer Jezus en zo is het bij ons. In deze manier van preken laten we zien hoe we een conclusie hebben bereikt, hoe we geredeneerd hebben op grond van de Schrift. Zo laat je ook zien hoe je met de Bijbel omgaat zodat de gemeente dat ook thuis doen kan. Het alternatief is een soort “soundbyte”,  waarmee je opnieuw niets anders geeft dan conclusies zonder te laten zien hoe je die bereikt hebt. Daar leert de gemeente wél wat jij denkt, maar niet hoe de Schrift denkt – en daar gaat het nu net om!

9. Het laat Gods stem horen in de actuele kwesties van de tijd

Zoveel vragen leven er bij mensen op grond van het bombardement van informatie op televisie. Waarom laat God al dit kwaad toe? Wat is de dreiging die uitgaat van de Islam? Van ISIS? Wat moeten we als volk doen met de vluchtelingenstroom? Je kunt daar een politieke opinie over hebben, maar wat zegt Gods Woord over dergelijke zaken?

10. Het bevordert een gemeente die gevoelig is voor Gods eer

Wanneer de eerbied voor Gods Woord vermindert, vermindert ook de eerbied voor God Zelf. Hij wordt een vage grootheid op de achtergrond, in plaats van een heldere presentie die met een duidelijke stem spreekt. Veel van het verval en de onhelderheid van het geloof in onze tijd is een gevolg van het loslaten van het beginsel dat God gesproken heeft: helder, duidelijk en met gezag. Er is geen “mysterie” dat we te ontraadselen hebben, er is waarheid die we uit de verpakking moeten halen! Het mysterie ontstaat door ons slechte luisteren en eigenwijze spreken!

11. Het reikt de Schrift aan als enige werkelijke bron van ondersteuning

Wanneer de prediking niet laat zien dat de Schrift het antwoord geeft op de diepe levensvragen zullen mensen naar andere bronnen van troost gaan verlangen. Ze zullen zich willen laven aan de praatjes van sterrenwichelaars en de vrome praatjes indrinken van Oosterse goeroes. Zo werken menselijke behoeftes nu eenmaal. Wanneer de prediking de troost niet biedt die daarin ligt, zullen mensen ook niet verlangen naar het Woord. En de troost die het Woord geven kan heeft een belangrijk voordeel boven andere troostpraatje: zij is waarachtig.

12. Het laat het aan God over om het leven van mensen te veranderen

Mensen vragen om actuele prediking, die midden in het leven staat en ze bedoelen dat de prediking hen ook de toepassing van het Woord moet aanreiken. Ze moeten er iets mee “kunnen”, terwijl het gaat om de vraag wat het Woord kan. Welnu, dat Woord kan doordringen tot in de diepste regionen van het menselijk leven en is daar een tweesnijdend zwaard dat chirurgisch tot heling leidt, maar ook bestraffend tot kennis van de zonde kan leiden. Maar het is niet de predikant die dat doen moet, het gaat niet om zijn zwaard. Het Woord moet de kans krijgen om op te bloeien in hart en geweten van de hoorders. De heilige Geest moet de toepassing op het hart zijn, de na-prediker zijn. Maar al te vaak verzandt de prediking in een doorgeven van goedbedoelde levensadviezen vanuit de ervaring en positie van de predikant, en niet vanuit het Woord.  De predikant moet het Woord verhelderen en hij is verantwoordelijk voor de boodschap. Maar hij is niet verantwoordelijk voor de reactie op de boodschap. Dat is tussen de gelovige en de heilige Geest.

13. Het verhindert dat de Schrift gaat klinken als de zoveelste opinie

We leven in een post-moderne tijd, dat wil zeggen dat we er allemaal van doordrongen zijn dat er alleen maar opinies zijn – behalve in de harde wetenschappen – en dat niemand gelijk heeft. Niemand heeft de waarheid? Als de predikant h4et woord van de Schrift laat klinken als de zoveelste opinie tussen alle andere, dan zal de hoorder dat ook gaan denken. Het woord van Jesaja of dat van Jezus komt dan naast de woorden van anderen te staan en niet boven die andere woorden. Maar het Bijbelse Woord is geen perspectief naast andere, geen mening naast andere! Het is Gods Woord en dus de eeuwige waarheid die ons heiligt. “Heilige hen door Uw waarheid”- waar is die waarheid dan? Of is dat ook maar een opinie? “Uw Woord is de waarheid”- is een uitspraak van Jezus zelf.

Mensen zeggen dat we pretenderen de waarheid in “pacht” te hebben, dat we doen alsof het ons eigendom is. Een tekstgetrouwe prediking komt op die mensen over als arrogant. Maar een ander komt met de schijn van wijsheid en met bedrieglijke woorden en spreekt met veel bescheidenheid, en ze zullen de leugen volgen die op die manier zoet verpakt is. Een arts kan een medicijn voorschrijven dat bitter smaakt. En een patiënt volgt het advies van de arts omdat die het weten kan. Is dat arrogantie aan de kant van de arts? Of is dat levensreddend inzicht, verworven in vele jaren studie, voortbouwend op inzicht en ervaring van generaties voor hen?

Wij hebben de waarheid niet “in pacht” of anderszins, alsof die uit ons zou zijn voortgekomen. Maar “wij prediken niet onszelf”, en niet onze eigen opinies en we doen niet aan bedrog en misleiding en vervalsen het Woord van God niet (1 Kor. 4:2)  en bedrijven ook geen handel ermee, door aan te prijzen wat ons uitkomt en te verzwijgen wat ons geen voordeel geeft ( 1 Kor. 2:17). We maken dat Woord, dat de Waarheid is, openbaar! En dat is onze aanbeveling aan het geweten van mensen, niet onze superieure wijsheid. “Wij prediken Christus als de Heere” ( 2 Kor. 4:5) – want alleen Hij heeft gezag. En dat kan alleen als we het Woord prediken, zoals Paulus aan Timotheus opdraagt: “Predik het Woord” (2 Tim. 4:2). De Bijbelse tekst, het apostolische en profetische Woord dat de heilige Geest uit het “Zijne”, uit Christus Jezus, genomen heeft; de woorden die de Geest bij de Vader gehoord heeft (vgl. Joh. 16), die prediken wij “gelegen of ongelegen”, of het de hoorder nu past en hem zint of niet. Want de Geest van de waarheid geeft ons niet de waarheid in pacht, maar “zal ons de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet uit Zichzelf spreken”,  – dus geen openbaring naast en buiten de Bijbel – “maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken. De toekomstige dingen” – die op dat moment nog toekomstig waren: kruisiging, opstanding, hemelvaart, Pinksteren – “zal Hij”, de Geest, “u”, de apostelen “verkondigen”. En wij hebben het Nieuwe Testament ontvangen zodat we die verkondiging ook kennen en begrijpen.

14. Het bevordert de liefde tot God

Veel prediking toont de eigenliefde van de prediker die vol is van zichzelf en zijn waardevolle ideeën. Je hoort te vaak: ik dacht deze week… Wat je zou moeten horen is: open eens uw bijbel bij… Of: laten we nog dit vers erbij lezen. Als de predikant werkelijk de Bijbel liefheeft demonstreert hij daarmee dat hij God werkelijk liefheeft. Je kunt moeilijk volhouden dat je iemand liefhebt als je geen of nauwelijks interesse toont voor wat hij gesproken heeft.

15.Het laat de onverbrekelijke band zien tussen leer en leven

Je leven is wat je gelooft! Theologie is natuurlijk óók een theoretisch kennen van de waarheid, waar we niet per se allemaal een gave voor hebben ontvangen. Maar theologie is ook de overtuiging, het geloof in de waarheid die het dagelijks leven bepaalt, aandrijft, stuurt, kracht geeft. Gods Woord is de motor, het stuur, de Tom-Tom, van ons dagelijks leven. De benzine is de heilige Geest, de hand aan het stuur is ons geloof. Waarmee houden wij ons stuur recht? Als wij het houden naar Gods Woord – vgl. Psalm 119:9. Maar theologie, kennis van God, is ook liefde! Je moet de waarheid, die niets anders is dan het karakter van Christus Zelf – Hij IS de waarheid en het leven, Hij IS het licht van de wereld – ook leren liefhebben. Als Johannes schrijft aan “jonge mannen” in het geloof, die nog de kracht hebben en ook soms de opdracht om te strijden voor het geloof, dan horen we de heilige Geest door Johannes zeggen: “Ik heb u geschreven, jonge mannen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft – en wat is daarvan dan het gevolg, van dit blijven in Gods Woord?: en u de boze hebt overwonnen. Een leven in geestelijke overwinning, dat is het resultaat van het blijven in Gods Woord, dat leven geeft in overvloed.

De Beker van Gods Toorn

Prediking op Witte Donderdag

Over Markus 14:11 – 72

De profeet Jesaja noemde de komende Messias een “Man van Smarten, bekend met lijden.” Jezus heeft geheel en al onze menselijke natuur gedeeld. En daarom was Hij ook bekend met alle menselijke vormen van lijden: honger en dorst, pijn en teleurstelling, medeleven met het lijden van anderen, waardoor wij dat lijden ook meedragen. In het hoofdstuk uit Markus dat wij vandaag voor het grootste deel gelezen hebben, komt het lijden van Jezus boven het menselijke lijden uit. Dan bedoel ik niet het lijden van het kruis van Golgotha. Dan bedoel ik niet het lichamelijke en geestelijke lijden van de kruisiging. In het volgende hoofdstuk zullen we lezen over de geseling en de ondraaglijke pijn van het kruis.

In dit hoofdstuk kwamen we al het verraad tegen van Judas. Hoeveel teleurstelling moet Jezus niet hebben ervaren dat iemand die drie jaren lang zo dicht bij Hem geleefd had, niet tot bekering kwam maar zijn Heere voor 30 zilverlingen zou overleveren aan de priesters. Omdat hij in het verborgene alleen maar met zichzelf bezig was en de God Mammon volgde. Ik bedoel ook niet de verloochening van Jezus door Petrus. Met hoeveel bitterheid zal de Heere dat verraad door zijn belangrijkste discipel niet hebben aangekondigd. En dan is er ook nog de vernedering van Zijn arrestatie, precies door de mensen voor wie Hij Zijn leven zou geven. Tot op zekere hoogte kunnen we ons dit lijden – hoewel wij het nooit in die mate zullen ervaren – nog wel voorstellen. Verraad en verloochening, bittere teleurstelling, vernedering en de pijn van een geseling. Daarmee valt Jezus om zo te zeggen nog binnen de grenzen van het menselijk voorstelbare. Dit is nog een lijden waarvoor parallellen bestaan in onze menselijke ervaringen.

Het dieptepunt echter van het lijden in dit hoofdstuk, is de worsteling van Jezus met de verleiding om het kruis te kunnen vermijden. Het is de laatste verzoeking en het is meteen ook de grootste. Zou het niet mogelijk zijn geweest voor God om op een andere wijze de zonde en de schuld te verzoenen; op een andere wijze de schepping te verlossen van de vloek, dan door de kruisdood van Jezus? Let wel, dan gaat het niet over het lichamelijke lijden aan het kruis, hoe diep, hoe onvoorstelbaar dat ook geweest moet zijn. Het gaat hier om een lijden dat bovenmenselijk is. Wat Jezus hier in Gethsemane voor zich ziet, is het lijden van de drie uren van duisternis. We lezen dat Hij aangedaan is, beter nog te vertalen als verbijsterd en ontzet. Het is alsof Hij zich hier pas werkelijk realiseert, nu er niets anders meer te doen is, wat het lijden aan het kruis voor Hem betekenen zal. Vanwege dat vooruitzicht wordt Hij zeer angstig, letterlijk gaat Hij ten onder in het verdriet dat Hem omringt, en er geen enkele gedachte van troost meer te vinden is. Lukas vertelt ons dat Jezus zozeer door angst en verdriet wordt aangegrepen, dat Hij, de schepper van hemel en aarde, door een engel moet worden bijgestaan om niet te gronde te gaan aan deze angst. Lukas vertelt ook dat de angst Hem lichamelijk zozeer aangrijpt, dat kleine haarvaten onder de huid barsten en het bloed door de zweetklieren naar buiten wordt gedrukt. Een aandoening die we kennen als hematodrosis. Zijn zweetdruppels zijn rood gekleurd door het bloed. Hij is zeer bedroefd tot de dood aan toe. Door de angst en verdriet sterft Hij bijna.

Jezus nam Petrus, de leider van de discipelen, en Jacobus en Johannes met Zich mee. De acht andere discipelen bleven achter bij de ingang van de ommuurde tuin, maar deze drie mochten met Hem mee. Aan hen gaf Hij de opdracht om te waken, en dat hield zeker ook in te bidden. Hijzelf ging nog wat dieper de tuin in en strekte zich uit op de grond. Uren lang moet Hij gebeden hebben. De samenvatting van dat gebed vinden we in vers 36: “Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U.” Jazeker, God is de Almachtige. Het gebed van Jezus is er niet op gericht dat God Zijn beloften verbreekt, of Zijn eeuwig voornemen wijzigt. Jezus vraagt hier of er binnen Gods heilsplan niet een andere weg te vinden is, dan de weg door het Kruis heen.

Al eerder is die gedachte door Hem heengegaan, bij de intocht in Jeruzalem aan het begin van de Lijdensweek. We lezen dat Hij toen gezegd heeft: “Nu is Mijn ziel in beroering en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur?! Maar dat heeft Hij niet gezegd. Zelf gaf Hij het antwoord: “Maar hiertoe ben Ik in dit uur gekomen!”

Toch was het in Gethsemane Zijn gebed: “neem deze drinkbeker van Mij weg.” Dat is niet het lichamelijke lijden, dat is niet de pijn of de vernedering, dat is niet het lijden dat wij ons als mensen nog kunnen voorstellen. Het lijden dat wordt aangeduid met het woord “drinkbeker”, is het ondergaan van de toorn van God. Het is het feit dat Hij de straf zou dragen voor elke zonde van elk mens in de hele geschiedenis. Miljoenen eeuwigheden van straf en toorn. God heeft de zonden van de mensen bestraft en vergolden aan Zijn Zoon. Jezus bidt of de drie uren van duisternis van Hem kunnen worden weggenomen. Of de scheiding tussen Hem en God de Vader kon worden vermeden. Het gaat in dit gebed om het onvoorstelbare en bovenmenselijke en geestelijke lijden dat uniek is in de geschiedenis. Alleen Jezus heeft de volle omvang van de hele woede en toorn van God over de zonde gedragen. Hij dronk de beker “met de wijn van de grimmigheid”, zoals Jeremia het noemt (25:17).

Keer op keer zal Hij dat gebeden hebben. Uitgestrekt op de grond, met bloed gevulde zweetdruppels van angst over wat komen zal, de voorsmaak van de diepe pijn, en het verschrikkelijke vooruitzicht van God te worden gescheiden. Maar we lezen ook hoe Hij in de worsteling van dat gebed heeft overwonnen door Zich te onderwerpen. Uiteindelijk kon Hij dat gebed besluiten met de woorden: “maar niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.”

Wat is er intussen met de discipelen aan de hand? Ze zijn in slaap gevallen. Als je de discipelen had gevraagd om te vechten, ze zouden het gedaan hebben. Om te vluchten, ze zouden zich hebben ingespannen. Als je de discipelen van nu vraagt om het kerkgebouw te onderhouden, om de preek te schrijven, om de collecte te tellen, om de liturgie te kopiëren, om een orgel te repareren, als je discipelen van nu zou vragen om iets te doen – ze zouden het doen. Maar de grote les voor Petrus en Jacobus en Johannes, het grote onderwijs voor hen en voor ons, is dat de Heer aan ons vraagt om te waken en te bidden. Om te strijden in het gebed tegen de verleiding die ons nog zwaarder aangrijpt en ons zwakker aantreft dan Hem. Wij worden immers verleid door de begeerten van de ogen en de hoogmoed van het leven en het gemak dat de wereld ons voorspiegelt. Wij worden verleid door de zonde die nog steeds een plaats in ons leven heeft en ons wil weghouden van onze Heer en onze gedachten wegtrekt van Zijn lijden en sterven en opstanding. Te waken en te bidden. Had Petrus niet moeten bidden om kracht te ontvangen zodat hij de Heer niet zou verloochenen? Hadden Jacobus en Johannes niet moet bidden, om het koppige en ambitieuze verlangen naar eer en roem uit hun hart te verwijderen? Bidden is strijden om je eigen koppige en weerbarstige en rebellerende wil te onderwerpen aan Gods wil.

Jezus gaat hier in gebed de strijd aan met een macht in de wereld die de kruisiging wilde verhinderen. Zonder kruisiging geen verzoening, geen hemel, alleen maar zonde en straf. Al eerder had de Duivel Jezus verzocht: maak brood van deze stenen, toon jezelf de Messias door je van het tempeldak te werpen en ongeschonden weer op te staan, en tussen haakjes je bent voorbestemd om de koning van de wereld te worden, en dat alles zal ik je geven als je mij aanbidt. Dat was de verleiding voor Jezus om zonder enige moeite Zijn Koninklijke eer op te eisen. Dit keer maakte de Duivel gebruik van de heiligheid van Jezus. Spoorde hij Hem aan om die heiligheid niet op te geven in het uur dat Hij tot zonde zou worden gemaakt. Dit keer maakte de Duivel gebruik van de liefde tussen God de Vader en de Zoon. Spoorde hij Hem aan om niet toe te laten dat de eeuwige en volmaakte band van liefde zou worden verbroken. Maar Jezus overwon. Niet Zijn wil om het kruis te vermijden, maar Gods wil om langs de weg van Zijn offer een eeuwige verzoening tot stand te brengen en Jezus de Naam te kunnen geven die boven alle naam is, die wil zou worden gedaan. God zij geprezen!

Ik zie God zelf, in eeuwigheid geprezen, tot in de dood als mens gehoorzaam wezen, in onze plaats gemarteld en geslagen, de zonden dragen

Omdat Gij u voor mij hebt in de dood gegeven, hoe zou ik dan naar eigen wil nog leven? Zou ik u, o Heer, die voor mijn schuld wou lijden, mijn hart niet wijden?

Zou ik mijn kruis in kommervolle tijden, De zwaarste smart dan niet geduldig lijden, omdat Gij uit liefde zo vele zware plagen, voor ons wou dragen!

Och, als ik, Heer, om mijn zonden beve, dat dan uw kruis mij weder ruste geven: dat kruis zij dan mijn vrede en vreugde tevens, O God mijns levens

Ongeloof tegenover het Brood des Levens – over Johannes 6 – voorbereiding van de prediking

Ongetwijfeld is het ongeloof waarmee Jezus werd geconfronteerd ook een deel van Zijn lijden geweest. We lezen immers dat Hij “zo’n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen” (Heb. 12:3). Hij kwam om het verlorene te redden; Hij kwam tot het Zijne, tot Zijn volk en Zijn stad, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij kwam als de erfgenaam naar de wijngaard, maar de landbouwers grepen Hem en wierpen Hem buiten de wijngaard en doodden Hem. (Mat. 21:39)

In Johannes 6 lezen we over de reactie van de toehoorders, wanneer Jezus spreekt over het Brood van het Leven. De prediking van Jezus kende drie verschillende reacties. Er was de reactie van spot en verwerping, vooral bij de Schriftgeleerden en de Farizeeën. Het dieptepunt daarvan vinden we in Mattheus 12:24, waar ze over Jezus zeggen: “Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de aanvoerder van de demonen.” Aan de duivel toeschrijven wat de Heilige Geest doet, is de enige onvergeeflijke zonde. En dan zijn er de mensen die reageren met een tijdelijk of oppervlakkig geloof. Bijvoorbeeld in vers 2 van dit hoofdstuk: “een grote menigte volgde Hem, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken.” Diezelfde menigte reageert ook op een verkeerde manier op het teken van de broodvermenigvuldiging. Zij zeiden: “Hij is werkelijk de Profeet, die in de wereld komen zou” (6:14). Ze waren zelfs van plan om Hem met geweld koning te maken. Dat zijn de mensen over wie Jezus zegt dat zij Hem zoeken, “niet omdat u tekenen gezien hebt” – en begrepen wat die tekenen zeggen over de Persoon van Jezus – “maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent” (6:26).

In het vorige gedeelte hebben we gezien dat in de eerste plaats alleen degenen die door de Vader getrokken worden, tot Christus kunnen komen. Wie de Persoon van Jezus aanneemt, moet dat inzicht van de Vader hebben ontvangen. Vervolgens hebben we gehoord, dat alleen wie in Hem geloven, eeuwig leven hebben. Dat is het “werk van God: dat u gelooft in Hem die Hij gezonden heeft” (6:29). Maar ook dat is nog niet voldoende. Tot Jezus komen en in Hem geloven is precies wat vele volgelingen van Jezus gedaan hebben. Maar hebben ze Hem werkelijk gekend? Hebben ze werkelijk begrepen wie Hij is? Er zijn ongetwijfeld vele mensen geweest, die in Hem geloofden. Soms is er zelfs een grote menigte, zoals ook bij Palmpasen. Later lezen we: “Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen” (Joh. 8:31). Er is nog iets anders nodig dan weten wie Hij is en zelfs meer dan in Hem “geloven”. Het criterium van het waarachtige geloof is het blijven in Zijn Woord; het eten van Zijn vlees en het drinken van Zijn bloed. Het gaat bij Johannes om deze innige vereniging met Jezus. Het leven met Hem, en in Hem, en door Hem. (Vgl. Joh. 6:56, 57).

Het geloof in een gekruisigde Christus, die met Zijn leven het bloedige offer wordt dat de verzoening met God bewerkstelligt, en het gehoorzamen van Jezus als de waarachtige Zoon van de levende God, de innige vereniging met Zijn leven zodat ik met Hem sterf en in Hem mag opstaan tot een nieuw leven – dat alles omschrijft het waarachtige en persoonlijke en verlossende geloof. Een ware discipel van Jezus komt in alle nederigheid tot Hem, is berouwvol over de zonde, en hongert en dorst naar de gerechtigheid die alleen Christus geven kan. De ware discipel neemt zijn kruis op en volgt Hem. Onwaarachtige discipelen van Jezus volgen Hem niet vanwege wie Hij is, maar vanwege wat ze van Hem willen verkrijgen. De baby in de kribbe, de sociale hervormer, de boodschapper van naastenliefde, de ideale mens, of de bron van gezondheid, rijkdom en wereldlijke gelukzaligheid, zo wil de wereld Jezus ook wel aanvaarden. Maar een Jezus die moet sterven vanwege de zonde, en met Wie ik mij moet identificeren zodat ik Zijn leven en sterven in mij opneem, dat gaat de wereld te ver.

Waarom God de Vader Jezus verlaten heeft aan het Kruis – preek voor de Lijdenstijd #1

Ongeveer op het negende uur riep Jezus met luide stem: Eli, eli, lama sabachtani?

Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

(Mattheus 27:46)

Voor een buitenstaander is de dood van Christus een aanleiding om te spreken over onschuldig lijden. Dan gaat het bijvoorbeeld over mensen in de Verenigde Staten die werden veroordeeld tot de doodstraf voor een misdaad die ze niet hadden begaan. We kunnen ook spreken over “wereldlijke martelaren”, mensen die werden gedood bij een poging om sociale rechtvaardigheid tot stand te brengen, zoals de vele slachtoffers onder de zwarte activisten in de tijd van dominee Martin Luther-King. In dat perspectief ligt ook de jaarlijkse uitvoering van de Passion, die maar heel weinig met het echte evangelie te maken heeft.

Buitenstaanders over Jezus’ lijden en sterven

Dergelijke vergelijkingen tussen het lijden van Christus en het lijden van sociale helden berusten maar op een enkele overeenkomst. Namelijk dat zowel bij Jezus als bij deze sociale martelaren het menselijk systeem van gerechtigheid volledig uit de hand liep. Gerechtelijke dwalingen toen en gerechtelijke dwalingen nu. Maar de verschillen zijn te groot om de vergelijking waarachtig te kunnen maken. De betekenis van het sterven van Jezus is niet te vatten zonder de opstanding. Achter het lijden van Jezus zit een goddelijke bedoeling, God handelt door Zijn Zoon over te geven in de handen van zondaars. En op het kruis is Jezus niet alleen het zoveelste slachtoffer van het geweld van de Romeinen, maar in de eerste plaats het offer voor de zonden en de schuld.

In de tijd van Christus hadden de Romeinen al meer dan 30.000 mannen gekruisigd, alleen al in het joodse land. De meesten van hen zullen ongetwijfeld ook onschuldig zijn geweest van de aanklacht die tegen hen was ingebracht. De meesten van hen werden geëxecuteerd vanwege rebellie tegen het Romeinse gezag. De meerderheid was ongetwijfeld betrokken bij een poging om het volk te bevrijden van de Romeinse onderdrukking. Dat is een nobel doel, waarvoor zij hun leven gegeven hebben. Maar van al deze mensen herinneren wij ons alleen maar de naam van Jezus Christus. Waarom is dat zo?

Drie uren van duisternis

Alleen het lijden van de Heere Jezus Christus was het lijden van een onschuldige. In zijn mond was geen bedrog, heel zijn leven was Hij God gehoorzaam geweest. Hij kon met het volste recht de Rechtvaardige genoemd worden. Maar deze onschuldige en volmaakte mens werd gekruisigd vanwege onze overtredingen en verbrijzeld vanwege onze ongerechtigheden zegt de profeet Jesaja. (Jesaja 53) Hij stierf als het Lam van God dat de zonden van de wereld draagt. Hij werd aan het kruis tot een vloek gemaakt, ter wille van ons die het verdiend hadden om te worden vervloekt.

Vandaag wil ik de aandacht vestigen op de woorden die Jezus sprak aan het kruis. Het is aan het einde van de drie uren van duisternis. Het is 3 uur in de middag. Jezus schreeuwt het uit met de woorden van Psalm 22. “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” Het zijn bekende woorden voor iedereen die daar gestaan heeft. Dat waren geen vriendelijke omstanders. Ze hadden Hem al staan bespotten. “Hij heeft op God vertrouwd; laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is, want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon” (vers 43). De omstanders uit vers 47 die zeggen “Hij roept Elia” zeggen dat ook uit spot. Het is onwaarschijnlijk dat zij de bekende woorden van deze psalm niet hebben verstaan.

Scheiding van God vanwege de zonde

Jezus roept het uit vanwege de scheiding die Hij nu heeft ervaren – een scheiding van Zijn hemelse Vader voor de eerste en de enige keer in de eeuwigheid. Het is de enige keer dat Jezus God niet aanspreekt als Vader. De Zoon heeft de zonde op Zichzelf genomen, en de Vader heeft Zich van Hem afgekeerd. Dit is het grootste mysterie uit de geschiedenis. Het is een geheim dat alleen God begrijpen kan, en alleen goddelijke almacht kon volbrengen. De Zoon van God was 3 uur lang volkomen gescheiden van God. In de drie uren van duisternis was de brandende toorn van de Vader uitgestort over de zondeloze Zoon. En deze Zoon werd door een onbegrijpelijke macht van genade tot zonde gemaakt voor degenen die in Hem geloven.

De profeet Habakuk had al gezegd: “U bent te rein van de ogen om het kwade aan te zien, zonde kunt u niet aanschouwen” (Hab. 1:13; de HSV vertaalt ten onrechte “moeite”). God kon de zonde niet zien; ook niet toen de zonde rustte op Zijn eigen Zoon. God de Vader had inderdaad de Zoon verlaten. Zo is het duidelijk dat Jezus niet gestorven is als een martelaar voor de rechtvaardige zaak, of als een onschuldige die ten onrechte werd veroordeeld. Jezus stierf niet alleen, maar vóór Zijn dood werd Hij ook nog verlaten door God. Hij stierf als iemand die door de zonde volledig buiten het leven van God gesloten was.

Zoals de zon verdween in de uren van duisternis, zo verdween Gods licht in de ziel van Jezus. Johannes had gezegd dat de duisternis het [Licht] niet gegrepen had. Maar in deze drie uren leek de duisternis te overwinnen. Hij die geen zonde gedaan had noch gekend had, werd tot zonde gemaakt ter wille van ons. Hij werd een vloek in onze plaats. Hij droeg onze zonden in Zijn lichaam aan het kruis. Eens en voor altijd is Hij gestorven voor de zonden, de rechtvaardige in plaats van de onrechtvaardigen. Zo werd Jezus de verzoening voor onze zonden.

Jezus verlaten door de Vader

Daarom werd Jezus verlaten door God de Vader. Dat betekende niet dat Hij niet langer God de Zoon was. Het betekende wel dat Jezus een tijdlang de intieme gemeenschap met Zijn hemelse Vader moest missen. Door Zijn menswording had Jezus al een scheiding ervaren van Zijn eigen goddelijke heerlijkheid. Daarom bidt Jezus in de tegenwoordigheid van Zijn discipelen: “En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij U Zelf, met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was” (Joh. 17:5). Maar aan het kruis werd deze scheiding van de Vader oneindig scherper en zwaarder dan het vernederende leven als een mens in de 33 jaren van Zijn aardse leven.

Het mysterie van deze scheiding is te diep om volledig te kunnen vatten. Maar de fundamentele waarheid ervan kunnen wij aanvaarden en begrijpen tot op zekere hoogte. Nergens in de Schrift kunnen wij de werkelijkheid van de dood van Jezus en de diepte van Zijn lijden vanwege de scheiding van Zijn Vader duidelijker zien dan in het lijden aan het kruis vanwege de zonde. Jezus werd overspoeld door de zonden en de schuld van alle mensen van alle tijden. De pijn die Hij voelde kwam niet alleen van de zweepslagen op Zijn rug, of de doornenkroon die nog steeds Zijn hoofd doorboorde, of de spijkers die Hem vasthielden aan het kruis. Maar de werkelijk ondragelijke pijn werd veroorzaakt door het verlies van de innige gemeenschap met Zijn hemelse Vader

Het betekende echter niet dat Jezus niet langer door de Vader geliefd was. Zijn Vader heeft Hem altijd liefgehad juist “omdat Ik Mijn leven geef voor Mijn schapen” (Joh. 10:11). Het betekende ook niet dat Jezus Zijn geloof verloor – dat Hij als mens in God gesteld had. Anders had Hij niet kunnen zeggen “Mijn God”. Het betekende ook niet dat de eeuwige en volmaakte eenheid tussen Hem en God nu verbroken werd. Die eenheid kon niet worden gebroken. Hij was de unieke Zoon die in de schoot van de Vader is. Al evenmin kwam er nu een scheiding tussen Zijn goddelijke en Zijn menselijke natuur, zoals sommigen beweren – namelijk dat Christus (de Christus-geest” zeggen sommigen) ook de mens Jezus had verlaten om Hem als mens nu te laten ondergaan in het oordeel en de dood. Zijn goddelijke natuur ondersteunde Zijn menselijke natuur om de last van onze zonden te dragen. Een mens moest lijden voor andere mensen; alleen een mens kon werkelijk tot zonde gemaakt worden en de schuld dragen. Maar alleen de Zoon van God die vlees werd en ons menselijk bestaan had aangenomen, was daartoe in staat.

De overwinning na het lijden

Als de toehoorders goed hadden geluisterd dan hadden ze begrepen dat de Heere Jezus Psalm 22 niet alleen maar geciteerd heeft vanwege de uitdrukking van het lijden. Zeker, Psalm 22 spreekt over de verlating door God, en noemt de reden: “Maar U bent heilig, U troont op de lofzangen van Israël” (vers 4). De spotters worden daar genoemd in het zevende tot en met het negende vers, die daar roepen: “Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is” (vers 9). En dat is precies wat sommige omstanders hebben geroepen in Mattheus 27:43. In zoverre paste de Psalm precies op de omstandigheden van dat moment. 

Maar als ze goed gehoord hadden, dan zouden ze ook zich hebben herinnerd, wat Psalm 22 zegt in vers 23: “Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders vertellen, in het midden van de gemeente zal ik U loven”. Of in vers 28, voor de oren van de Romeinse soldaten: “Alle einden der aarde zullen eraan denken en zich tot de Heere bekeren.” Want door het offer van de Heer Jezus Christus, kan ook in Psalm 22 worden verkondigd: “het koningschap is van de Heere, Hij heerst over de heidenvolken.” Psalm 22 noemt het diepe lijden van de Messias. Maar het bezingt ook Zijn overwinning. Door de diepte van het lijden heen, heeft Jezus allen gered die in Hem geloven. “Er zal een volk geboren worden” (vers 32), want “Hij heeft het gedaan” – Wat dan? De Vader heeft de Zoon in de dood overgegeven, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven heeft. Vandaag hebben we gehoord welke prijs de Heere voor ons betaald heeft. 

[responsivevoice_button voice="Dutch Female"]

Solus Christus – preekvoorbereiding voor zondag 26 februari

Solus Christus is de wortel, de bron van de grote strijdkreten van de Reformatie. Wie heeft het gezag in de Kerk? was de vraag waarmee de Reformatie ontbrandde. Als het antwoord was: alleen Christus, dan volgde daaruit dat alleen Zijn Woord gezag had. Maar dan was ook alleen door genade de redding te verkrijgen. Sola Gratia – door genade alleen – was het gevolg – voor Luther van wezenlijk belang. En dat die genade werd ontvangen in geloof en niet verworven door een innerlijke houding of goede werken. Calvijn voegde daaraan – of dat letterlijk zo was weet ik niet – nog de leuze “Soli Deo Gloria” aan toe. Maar uiteindelijk draait alles om Christus.
In deze voorbereidende video illustreer ik dat aan Joh. 3:16 en Fil. 2:5-9.