Johannes (5) – De eerste getuige, de eerste dag (Joh. 1:19-28)

Het evangelie van Johannes is een boek vol getuigenissen. De apostel Johannes zegt tegen ons dat hij een getuige is van Jezus Christus, dat Hij de Zoon van God is. En hij heeft net in de proloog uitvoerig uitgelegd wat dat betekent: Jezus is het vleesgeworden Woord, de schepper, die genade en waarheid brengt in de wereld, die het licht en het leven van de mensen is. Dat is het getuigenis van de evangelist. Net als in een gerechtshof worden nu andere getuigen ten tonele gevoerd. Er moet meer dan een getuige zijn. En de eerste getuige die Johannes oproept, is zijn naamgenoot Johannes de Doper.

In het gedeelte dat nu voor ons ligt, horen wij Johannes de Doper op drie verschillende dagen tegenover drie verschillende groepen mensen drie verschillende dingen over Christus zeggen. Johannes de Doper was de eerste profeet in Israël na 400 jaar en bij zijn prediking liepen de mensen hem vol enthousiasme na. Zijn optreden was dynamisch en krachtig. Het gebied van zijn missie was bij de rivier de Jordaan, in de vallei, en iedereen ging daar naar toe om hem te horen. Vermoedelijk was hij een goede bekende van de Jeruzalemmers, omdat hij de zoon was van een priester, Zacharias. Maar hij treedt niet op in Jeruzalem. Eigenlijk verlaat hij de normale samenleving en identificeert zich met de armen. En de armen die droegen kleren van kameelhaar en leren gordels, en dat is de reden dat ook Johannes de Doper dat droeg. En arme mensen die ver buiten de steden en dorpen woonden in hun kleine nederzettingen, die aten sprinkhaan en wilde honing, en dat is dus ook wat hij gegeten heeft. Op die manier identificeerde hij zich met de mensen aan wie hij getuigde. Er was dus niets bijzonders aan zijn optreden. Zijn dieet en kleding waren de standaard voor de arme mensen die in de wildernis woonden.

Zijn optreden wekte de belangstelling van mensen in Jeruzalem. Heel het land Judea ging uit om Johannes te zien. En iedereen dacht bij zichzelf, stel je eens voor dat dit de Messias was, misschien is dit wel degene op wie wij gewacht hebben. Kortom, Johannes de Doper was een buitengewoon populaire man. De tekst vertelt ons nu over het getuigenis van Johannes in een plaats aan de overkant van de Jordaan, aan de oostelijke kant dus, waar Johannes de Doper de doop van de bekering tot vergeving van zonden toediende. In vers 28 van het eerste hoofdstuk, wordt in de meeste vertalingen die plaats aangeduid als Bethabara. Maar wij kennen die plaats eigenlijk gewoon als Bethanië. Er waren namelijk twee plaatsen met die naam, de ene net ten zuiden van Jeruzalem waar Martha en Maria en Lazarus woonden, en de andere aan de overkant van de Jordaan. Met die laatste hebben wij hier te maken.

Op die plaats hoorden de mensen de verkondiging van Johannes. En de kern van zijn boodschap was, “maak jezelf gereed, de Messias komt eraan.” En de mensen maakten zich gereed, en ze hadden berouw over hun zonden en ze bekeerden zich en wilden werkelijk een geestelijke reiniging in hun leven om klaar te zijn voor de komst van de Messias. En de doop van Johannes was niets anders dan een symbool van die geestelijke reiniging. Dat was het karakter van de doop van Johannes.

Nu moeten we de chronologie van deze gebeurtenissen eens goed bekijken. Johannes de Doper begon in het zuidelijke deel van de Jordaanvlakte en ging beetje bij beetje naar het noorden toe. In dat zuidelijke gedeelte was Jezus al naar Johannes toegegaan en was door hem gedoopt in de Jordaan. Na de doop van Jezus lezen we dat de Geest Hem de woestijn in dreef om daar 40 dagen door de duivel te worden verzocht. Terwijl hij in die zuidelijke woestijn verkeerde, reisde Johannes door de Jordaanvallei stap voor stap naar het noorden. En na de verzoeking in de woestijn gaat Jezus ook naar het noorden en vindt dan Johannes de Doper in Bethanië, aan de oostkant van de rivier. En dat is dan de gebeurtenis waarover wij het bericht lezen in vers 29. Maar terug naar het getuigenis van Johannes.

De eerste dag getuigt hij aan de eerste groep en spreekt de eerste verkondiging uit. We beperken ons hier tot deze eerste dag. Vers 19: “En dit is het getuigenis van Johannes.” Er komen enkele Levieten en priesters uit Jeruzalem naar Johannes toe. (Gewoon “Johannes” heeft nu betrekking op Johannes de Doper, zoals altijd in dit evangelie. De schrijver vermeldt zichzelf niet.) En deze mensen zijn op een missie gestuurd, en moeten hem deze vraag stellen: “wie ben jij?” Ze zijn gestuurd door “de joden”, en dat is geen ander woord voor iedereen die tot Israël behoort, maar een ander woord voor de tegenstanders van Jezus. Zo gebruikt Johannes dat woord, het staat ongeveer voor de Judeërs die Hem verworpen hadden in tegenstelling tot de Galileërs van wie velen in Hem geloofden. En nu komt de oppositie tegenover Johannes aan de orde. Wat is de reden van hun vijandigheid? Waarschijnlijk zitten zij in Jeruzalem en zeggen bij zichzelf, we weten niet wie deze vreemde figuur is die daar in de wildernis zoveel belangstelling naar zich toe trekt, maar we moeten er iets aan doen, want hij bedreigt de religieuze rust in het land. Ze zijn bezig om Israël te beschermen tegen een valse Messias, en ze gaan daarin zover dat ze Israël ook verre houden van de ware Messias. Dus deze mensen komen naar Johannes toe en vragen “wie ben je?” En omdat sommige mensen hadden gedacht dat Johannes de Messias was, betekent hun vraag eigenlijk: “Ben jij de Messias?” En daarachter zit de gedachte: “als jij dan de Messias bent, waarom draag je dan deze belachelijke arme kleding en loop je rond in de woestijn? Waarom kom je dan niet in Jeruzalem om jezelf aan de priesters te vertonen?” Hoe weet ik dat ze dat dachten? Vanwege het antwoord dat Johannes hier geeft. Hij zegt niet dat hij Johannes heet en dat hij doopt enzovoorts of dat hij de zoon van Zacharias is, maar hij zegt meteen – er staat dat hij het belijdt, belijden in de betekenis van ervoor uitkomen wie je bent – dat hij de Messias niet is.

OK, jij bent dan niet de Messias, vragen zij verder, maar ben je dan Elia? Er staat immers geschreven in Maleachi 4:5, “Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de Here komt, die grote en ontzagwekkende dag.” Ze vragen Johannes of hij de voorloper is van de Messias wanneer die komen zal om te oordelen. Maar Johannes weet dat Christus niet gekomen is om te oordelen en dat hij dus niet de Elia van Maleachi 4 is. We lezen wel in het evangelie naar Lucas over Johannes: “Hij zal voor Hen uitgaan in de geest en de kracht van Elia…” Dus zijn optreden heeft iets gemeenschappelijks met het optreden van Elia, beide profeten vertonen een grote kracht en zijn vol van de Geest. Niet Elia is echter gekomen, maar een laatste profeet die op Elia lijkt in de wijze van zijn bediening.

“Ben je dan de profeet?” We weten niet precies waar dat op slaat. Mozes had aangekondigd dat hij een opvolger zou krijgen in een profeet, en dat is letterlijk vervuld met de komst van Jozua. Een tweede vervulling vinden we in het optreden van Jezus zelf. Hij is de profeet die na Mozes zou komen. Misschien waren er mensen die verschil maakten tussen de profeet die de opvolger van Mozes zou zijn en de Messias. In ieder geval is het antwoord van Johannes opnieuw duidelijk: “nee, ik ben de profeet niet.” “Wie ben je dan wel?” Het antwoord van Johannes is zo prachtig. Hij geeft het in vers 23. “Ik ben niet belangrijk,” zegt hij. “Ik ben maar een stem van iemand die roept in de woestijn. Ik ben alleen een stem die wijst op het Woord van God. Ik ben iemand die oproept om voorbereid te zijn op de komst van dit Woord.” Ligt daar niet precies de grootheid van Johannes de Doper? In zijn nederigheid? Hij wil alleen maar verwijzen naar het vleesgeworden Woord, naar de Messias die komen zou. Maar in het vijfde hoofdstuk van het evangelie, horen we Jezus getuigen over Johannes de Doper. Deze Johannes heeft “van de waarheid getuigd.” (Johannes 5:33) “Hij was de brandende en lichtgevende lamp, en u hebt u voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen.” (Vers 35.)

Is dit ook niet een prachtige tekst over de kerntaak van een predikant of evangelist? Ik ben niet belangrijk, ik ben maar een stem die spreekt over het vleesgeworden Woord. Hij moet groot worden, en ik moet zo klein mogelijk zijn om de boodschap niet in de weg te zitten met mijn eigen persoonlijkheid. Dit is de kerntaak van een predikant: naar Jezus Christus te verwijzen. Ook het pastoraat is daarvan afgeleid: mensen in hun bijzondere omstandigheden te wijzen op Jezus Christus. Meer niet, minder ook niet. Predikanten zijn geen raadgevers, psychologische raadslieden, emotionele coaches, ziekenbegeleiders etc. Dat zijn allemaal beroepen en roepingen (op zijn best dan) die met het werk van de predikant niets te maken hebben. Konden alle predikanten dat maar zeggen: “ik ben alleen een stem die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heere, want het gaat om Hém!”

Zo heeft Johannes al hun vragen beantwoord. Hij is niet de Messias, en hij is niet Elia en hij is niet de profeet. Dus is de volgende vraag: “waarom doopt u dan?” Maar waarom vragen ze dat? Ze kennen de profetie van Ezechiël. Daar lazen ze in hoofdstuk 36 dat God Zijn grote Naam zou heiligen, maar voor het volk betekende dat de noodzaak van reiniging. Vers 25: “Ik zal rein water op uw sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” En daarna vers 27: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Et cetera.” En dan ook in Zacharia 13:1, daar lezen we een verwijzing naar een reiniging: “Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.” Wanneer de Messias zou komen zou er een reiniging zijn op een of andere manier. Dat wisten zij in Jeruzalem ook wel. Maar als Johannes de Doper niet de Messias was en ook niet Elia, waarom doopt hij dan? Is zijn doop toch een vervulling van de profetie in Ezechiël? Het antwoord van Johannes lijkt de betekenis van deze doop te minimaliseren. Zijn doop is alleen maar een doop met water, zijn doop is alleen maar een doop van voorbereiding. De doop van Johannes was een symbool van de bekering en de reiniging, dat is alles. Maar zijn doop had daarom geen rechtstreeks verband met de doop die Christus zou geven, de doop met de heilige Geest.

En dan komt het getuigenis van Johannes op het hoogtepunt. “Te midden van jullie staat iemand die jullie nog niet kennen. Hij is al aanwezig in deze tijd en in dit volk. En Hij zal jullie dopen met de heilige Geest.” Elke gelovige die Jezus Christus aanneemt, wordt gedoopt met de heilige Geest, eens voor altijd. Het wordt nooit herhaald. Er wordt nooit een prestatie voor vereist. Het is zoals we lezen in 1 Kor. 12:13, “want door één Geest zijn wij allen gedoopt in één lichaam.” Op het moment dat je Christus gaat vertrouwen en je leven aan Hem toevertrouwt, op het moment dat je tot geloof in Christus komt, wordt je gedoopt door de heilige Geest die jou reinigt en aanvaardbaar maakt voor God. Eens en voor altijd. Mensen die spreken over de doop met de heilige Geest en dat in verband brengen met het spreken in tongen hebben het niet begrepen. De doop met de heilige Geest wordt op geen enkele manier in verband gebracht met bijzondere gaven van de Geest. De doop met de heilige Geest vindt plaats op het moment dat wij Christus aannemen in onze harten. Daarnaar verwijst Johannes de Doper. De Messias komt! De Zoon van God komt, en zal ons dopen in de heilige Geest om ons te reinigen. De doop van Johannes is dus maar een symbool, maar Christus geeft ons de werkelijkheid.

Dat is dus het getuigenis van Johannes op de eerste dag. De officiële delegatie van de joden uit Jeruzalem is gekomen en heeft gevraagd “wie ben jij?” En Johannes heeft geantwoord dat hij niet is wat zij denken, niet de Christus en niet Elia. Johannes de Doper is alleen maar een stem die spreekt over de Messias die komen zal. En die Messias is al in ons midden, en Hij zal binnenkort zichtbaar worden en Hij brengt de werkelijkheid van het Koninkrijk: de doop met de heilige Geest.

Het leven van Sara (1)

Het leven van Sara (1)

 

Verslag van de bijbelbespreking van maandag 30 januari 2017

 

Robbert Veen © 2017

De schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft een prachtig getuigenis over Sara. Zo lezen we in hoofdstuk 11:11, “Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden en een kind te baren, ondanks haar hoge ouderdom, omdat zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.” De geschiedenis van Sara draait dus om deze zwangerschap op hoge leeftijd, en om haar geloof in de trouw van God en Zijn belofte.

 

Wie was Sarai?

We komen Sara voor het eerst tegen in Genesis 11, waar ze nog Sarai heet. In vers 29 lezen we eenvoudig, “de naam van Abram’s vrouw was Sarai.” Namen in de bijbel zeggen ons veel over het karakter en het leven van de personen. Een van de belangrijkste naamswijzigingen is de verandering Jacob (bedrieger) tot Israël (hij die met God gevochten heeft). En steeds werkt het zo: de eerste naam zegt iets over het karakter van de persoon of de hoop die de ouders hebben gekoesterd; de tweede naam zegt iets over de belofte van God in iemands leven. Beloften van God doen iets in ons leven en vormen ons karakter. Jacob wordt gevormd door de ervaringen in zijn leven zodat zijn nieuwe naam naar de belofte van God verwijst maar ook een aanduiding is van een verandering in zijn karakter.

Zo werkt het ook bij Abraham en Sara. Abram is de naam die Terach gegeven heeft aan zijn oudste zoon. Daarbij heeft hij aan zichzelf gedacht, en wilde dat zijn karakter zou overgaan in zijn zoon. Abram (Av = vader; ram = sterk) betekent dus sterke vader. Maar een zoon die in de voetsporen treedt van zijn vader, die zo graag een sterke en roemrijke vader wilde zijn, kan door God niet worden gebruikt. Daarom lezen we in Genesis 17:5, dat God Zelf een andere weg inslaat: “U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn, (Av = vader; raham = menigte dus:) want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.” Dan gaat het nu om Gods belofte van een nageslacht voor Abraham, en niet over de fantasieën van Terach over zijn zoon. Maar dan zien we ook het karakter van Abraham wordt gevormd door de vele ervaringen in zijn leven.

Datzelfde gebeurt met Sarai (sara=prinses; ie = mijn, dus: mijn prinsesje). Eerst is zij het lievelingetje van haar vader, en krijgt ze een koosnaampje dat door haar man wordt overgenomen. Abraham is trouwens negen jaar ouder dan zijn vrouw. Maar wanneer Gods aankondigt dat zij aan Abraham een kind zal baren, verandert ook haar naam: “Verder zei God tegen Abraham: U moet uw vrouw Sarai niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.” Het koosnaampje wordt tot een echte naam. Zij is nu de Prinses uit wie “koningen van volkeren” zullen voortkomen. Daar moet Abraham nogal om lachen, omdat Sara intussen 90 jaar oud is (Gen. 17:17).

Verder was Sara een halfzuster van Abraham. Zij hadden dezelfde vader, namelijk Terach, maar een andere moeder. Dat zegt Abraham dan ook tegen de koning van Gerar, Abimelech, in Genesis 20: “zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden (vers 12). Een huwelijk met een halfzuster was in deze tijd blijkbaar nog mogelijk.

Tenslotte horen we in deze geschiedenis steeds weer dat Sarai – dus voordat ze 90 jaar is en Sara gaat heten – een mooie vrouw geweest moest zijn. Abraham zegt het tegen haar als ze naar Egypte trekken: “Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent die knap is om te zien” (12:11). De Egyptenaren die haar zien, leggen er nog een schepje bovenop: “en het gebeurde… dat de Egyptenaren de vrouw zagen dat ze bijzonder knap was” (vers 14).

Sarai is dus de halfzuster van Abram, en ze is bijzonder knap en het lievelingetje eerst van haar vader en dan van haar man die negen jaar ouder is.

 

De belofte van het nageslacht

In het leven van Sara draait alles de om de vraag hoe God de belofte van nageslacht zal waar maken. Al meteen in Genesis 11 lezen we: “Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kind” (vers 30). Toch heeft God een belofte gegeven van nageslacht. Al meteen in hoofdstuk 12: “Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken et cetera. Daarom kan Abram  niet anders dan klagen tegen God wanneer vele jaren later Sarai nog steeds kinderloos is. In Genesis 15 spreekt God tegen Abram : “Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot” (vers 1). Abram antwoord op een nogal verstorende toon: “Heere Heere, wat zult U mij dan geven, aangezien hij kinderloos heenga?” – “Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven” (vers ). En dan spreekt God opnieuw een belofte uit namelijk: “iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn” (15:4).

 

Op dat moment zegt God nogniet, dat de moeder van dat kind Sarai zal zijn. Nu heeft Abram deze woorden ongetwijfeld aan zijn vrouw doorgegeven. Hoe heeft zij die woorden begrepen? En daarmee stappen we hoofdstuk 16 binnen. Daar zullen we wat nauwkeuriger naar kijken.

Net voordat hoofdstuk 16 begint, hebben we opnieuw kunnen lezen over de belofte van God aan Abraham en over het verbond dat Hij met hen gesloten heeft. Nu is het de belofte van het land: “Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven.” Een wonderlijke belofte omdat in de eerste plaats het land gevuld is met 10 verschillende volkeren, en in de tweede plaats omdat Sarai nog steeds onvruchtbaar is. Maar nu zien we een bijzonder karaktertrekje van Sarai naar voren komen. Zij heeft heel lang geduld gehad en ongetwijfeld gehoopt dat de Heere haar spoedig een kind zou schenken. Abram zal er ook steeds op hebben aangedrongen om rustig af te wachten. Zijn vertrouwen in God was nog steeds heel groot, zoals we ook lezen in hoofdstuk 15:6 na de herhaling van de belofte van een nakomeling, “En hij geloofde in de Heere, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.”

Bij zijn vrouw is echter het geduld op. Sarai neem nu het initiatief. In de eerste plaats doet zij een uitspraak waaruit blijkt dat zij er geen vertrouwen meer in heeft: “Zie toch, de Heere heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen.” Tussen haakjes, in de bijbel beschikt God over drie sleutels: de sleutel van het dodenrijk, de sleutel van de hemel – Hij beschikt over de regen – en de sleutel van de baarmoeder. Met deze uitspraak sluit Sarai de tijd van het geloof in Gods belofte eigenlijk af. Maar nu had de Heere ook alleen maar gezegd tegen Abram dat hij een nakomeling zou krijgen. Over Sarai was toen niet gesproken. Hier zien we dus hoe Sarai die woorden geïnterpreteerd heeft. Niet als een aanwijzing om nog langer geduld te hebben, maar als een aanwijzing om zelf een andere weg te bedenken.

Sarai kan nu gebruik gaan maken van de instituties van het huwelijk die in deze tijd van kracht waren. Een man, en zeker een stamvader zoals Abraham, heerste over een groep mensen met verschillende status. Hij zelf en zijn eerste vrouw stonden bovenaan, dan waren er de bijvrouwen en hun slavinnen; dan ook de slaven en de vrijwillige knechten die zich soms ook met hun gezinnen bij de stamoudste hadden aangesloten. Een dergelijke groep nomaden beschikte dan ook nog over kudden kamelen, ezels, schapen en soms ook runderen. Daarmee trokken ze van weideplaats naar weideplaats.

In Egypte was er een levendige handel in slaven, waarbij je niet moet denken aan de Amerikaanse negerslaaf. De slaven stonden weliswaar onder gezag, maar werden niet geketend en werden goed behandeld. Wanneer ze getrouwd waren en zelf een gezin hadden, mochten ze vaak met een deel van de kudde vertrekken en dan waren ze geheel en al vrij. Het polygame huwelijk van Abraham – die uiteindelijk meerdere vrouwen zou hebben – was in die tijd ook een vorm van bescherming. De vrouw stond eerst onder de hoede van haar vader, en daarna onder de hoede van een man. Dat betekende lang niet altijd dat er ook een seksuele relatie bij te pas kwam.

Tussen haakjes, hoeveel zonen had Abraham? Ik heb lange tijd gedacht dat dat liedje, over vader Abraham met de zeven zonen, niet klopte met de bijbel. Tot ik las in Genesis 25, dat Abraham nog weer getrouwd was met een vrouw die Ketura heette, dat was het tweede huwelijk van Abraham. En dan in het tweede vers vinden we zes kinderen: Zimra, Joksan, Medan, Midian, Jisbak zijn dan de vijf zonen, en Suah is dan de dochter. Izaak en Ishmaël erbij opgeteld en dan kom je op zeven. Overigens zegt vers 6 van datzelfde hoofdstuk, dat Abraham ook nog andere bijvrouwen had die hij wegstuurde met geschenken. Uiteindelijk weten we dus niet precies hoeveel kinderen en hoeveel (bij)vrouwen Abraham gehad heeft.

Sarai nu heeft een Egyptische slavin. We lezen in hoofdstuk 12:16 dat hij deze cadeau heeft gekregen van de Farao: “Omwille van haar deed hij goed aan Abram, zodat hij kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen kreeg.” Een van deze slavinnen was Hagar. De uitdrukking “zij had een Egyptische slavin” suggereert dat deze slavin de persoonlijke zorg voor Sarai als taak had. In vers 2 spreekt Sarai ook van “mijn slavin.” Sarai wil nu deze slavin de status van bijvrouw geven. Als Hagar daarmee zou instemmen betekende dat voor haar een grote verhoging van status, en een blijvende plaats in het gezin van Abram. Maar het betekende ook dat een eventueel kind van haar en Abram zou gelden als een kind van de hoofdvrouw, dus een kind van Sarai zou zijn. Wanneer Hagar bij deze gemeenschap zou blijven, zou ze echter in volle zin ook de moeder van haar kind kunnen zijn. Dat kind had dan twee moeders.

Dat is de achtergrond van het verzoek van Sarai aan haar man. “Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen.” Hiermee zegt ze nog alleen maar, dat Abram bij een slavin een kind kan verwekken. Dat zou echter betekenen dat de zoon of dochter die dan geboren wordt, zelf ook een slaaf of slavin is. Misschien heeft Sarai dat zelf overwogen en is dat de reden van wat we lezen aan het einde van vers 3. Daar lezen we immers dat Sarai haar slavin – opnieuw “haar” wat een bijzondere plaats suggereert – aan haar man geeft, als vrouw voor hem. Zij geeft haar dus niet als slavin, maar als vrouw, zodat Hagar de status van een bijvrouw krijgt. Vandaar ook de uitdrukking in vers 4, dat Abram “kwam bij Hagar”, wat alleen maar voorstelbaar is als Hagar een eigen tent heeft, waarop zij als vrouw nu recht heeft gekregen. (Ik denk dat je Genesis 18:6 dus zo moet begrijpen, dat Abraham naar de tent van Sara holt. En dat hij in vers één van hoofdstuk 18 dus bij de ingang van zijn eigen tent zit.)

Hoe zit het nu met Abram? We vinden dan dat mooie zinnetje aan het einde van vers 2. “En Abram luisterde naar de stem van Sarai.” De sterke vader luistert naar de stem van het prinsesje. Waarom staat er nu niet dat hij luisterde naar de woorden van zijn vrouw? Of gewoon eenvoudig, dat hij luisterde naar Sarai? Een lezer van Genesis heeft intussen begrepen, dat de uitdrukking “luisteren naar de stem”, en “luisteren naar de woorden” niet helemaal hetzelfde betekenen.

Waar kwamen we deze uitdrukking toch eerder tegen? In de eerste plaats lezen we die uitdrukking bij Adam en Eva. In Genesis 3:8 staat te lezen: “En zij hoorden de stem van de Here God… Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich…” Hier hebben Adam en Eva dus geen woorden verstaan, maar een stem gehoord. Die stem betekende de presentie van de Heere, ook zonder dat Zijn woorden begrepen konden worden. Het was genoeg voor Adam en zijn vrouw om zich te verbergen. Maar dan lezen we diezelfde uitdrukking ook in de woorden van God tegen Adam in vers 17 van dat hoofdstuk. “En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw et cetera.” Adam en Eva horen de stem van God zonder woorden te verstaan; Adam luistert naar de stem van zijn vrouw, dat wil zeggen hij is zich vooral bewust geweest van degene die spreekt, en wat zij voor hem betekent. De spreker is belangrijker dan de woorden, wanneer we luisteren naar de stem.

Abram heeft zich in Genesis 16 niet goed afgevraagd wat de gevolgen zouden zijn van de wens van Sarai. Hij heeft die woorden niet overwogen en zijn verantwoordelijkheid niet genomen. Evenmin als Adam. Hij had moeten zeggen dat het nodig was om geduld te oefenen. Hij had haar nog eens moeten vertellen over de sluiting van het verbond – beschreven in hoofdstuk 15 – en hij had moeten proberen om zijn eigen krachtige vertrouwen op zijn vrouw over te brengen. Zodat ook zij kon geloven in de Heere, zodat de Heere God ook haar dat tot gerechtigheid kon rekenen. Maar Abram kan blijkbaar niet tegen haar op. Hij is zijn leven lang gewend om zijn prinsesje alles te gunnen wat maar mogelijk is, en wellicht voelt hij zich nog schuldig over die moeizame episode in Egypte hoe het ook zij, hij luistert naar de stem. Dat wil zeggen hij luistert naar het dringende pleidooi, en de stevige zekerheid waarmee Sarai haar verzoek heeft ingekleed. Haar woorden zijn: kom toch. Dat is een verzoek, met het beleefde woordje “toch” erbij. Maar Abram let op de klank van haar stem, de toon van haar verzoek en op de lichaamstaal van haar gelaat. Hij weet dat hij geen keuze heeft dan zijn vrouw te gehoorzamen. (Tenzij hij in een felle strijd gewikkeld wil zijn.)

 

De gevolgen van de keuze van Sarai

Hagar wordt zwanger. En nu ziet de bijvrouw van Abram haar status nog verder stijgen. Als bijvrouw staat ze lager dan Sarai; maar als de moeder van de kinderen van Abram staat ze hoger dan de onvruchtbare hoofdvrouw. De uitdrukking “verachtelijk” betekent dat Hagar nu minachting voelt voor haar “meesteres” in plaats van respect, en dat blijkbaar ook toont. Het is Sarai in ieder geval niet ontgaan.

Sarai vertoont nu een heftige reactie. In de eerste plaats legt ze de verantwoordelijkheid van dit alles bij Abram. “Het onrecht aan mij (ligt) bij jou.” Zij is blijkbaar van mening dat Abram Hagar niet als slavin heeft behandeld, en teveel als bijvrouw heeft gezien. Maar is dit de schuld van Abram wel?  In de woorden van Sarai legt zij opnieuw de nadruk op de oorspronkelijke status van Hagar. “Ik heb jou zelf mijn slavin in je schoot gegeven” (vers 5). Ik heb gegeven – en uitsluitend in je schoot, dus om nageslacht te verwekken – en het is mijn slavin. Maar dat is geen correcte weergave van de feiten. In de eerste plaats, heeft ze inderdaad gegeven, maar als bijvrouw. Dat wil zeggen dat de verantwoordelijkheid voor Hagar nu geheel en al bij Abram berust. Tussen haar en Abram was nu een andere relatie ontstaan. Hagar is niet langer een slavin waarover Sarai kan beschikken en dat is ze ook voor Abram niet. In de tweede plaats is het wel het motief van Sarai geweest, om “uit haar nageslacht te krijgen”, maar dat bepaalt niet de status van Hagar. Sarai had daarbij een zelfzuchtig doel, namelijk te verhinderen dat de erfgenaam als een kind van een slavin kon worden gezien. Zij kan dus niet volhouden dat ze Hagar alleen maar “in de schoot van Abram” heeft gegeven. De derde fout is dus simpelweg deze, dat zij Hagar nog steeds als slavin wil zien en behandelen.

Opnieuw luistert Abram niet zozeer naar de woorden, maar naar de stem van Sarai. Hij begrijpt heel goed hoe zwaar de vernedering voor Sarai geldt, en de felle uitspraak aan het eind van vers 5 laat hem blijkbaar niet onberoerd. “Laat de Heere oordelen tussen mij en jou.” De vernedering van de slavin wordt gezien als de zonde van Abram tegen zijn vrouw. Abram volgt nu opnieuw de manier van denken van Sarai. “Zie, jouw slavin (!), is in jouw macht.” Hij had moeten zeggen: “zie, zij is mijn bijvrouw en dus in mijn macht.” Vervolgens zegt hij: “Doe met haar wat goed is in jouw ogen.” Hij had moeten zeggen: “ik zal met haar spreken om dit recht te zetten.” In ieder geval had hij moeten doen wat goed was in zijn ogen. En dan de oplossing van Sarai: “Toen vernederde Sarai haar, zodat zij bij haar wegvluchtte.” Zij neemt wraak. Dat wil zeggen, Hagar wordt opnieuw behandeld als slavin en blijkbaar in het openbaar, en de trotse Hagar – die terecht meende dat zij nu als een bijvrouw moest worden behandeld – weet geen andere oplossing meer dan weg te vluchten. Overigens, die vlucht was niet het doel van Sarai, maar een onverwacht gevolg. We hebben de gevolgen van onze daden lang niet altijd in de hand, meestal niet.

Als Abram en Sarai – of wij in ons leven – op een dergelijke chaotische manier omgaan met Gods belofte, als wij in ons leven allerlei schijnbaar verstandige beslissingen hebben genomen buiten God om, en als wij dan moeten vaststellen dat alles anders is afgelopen dan bedoeld, wat dan? Ga maar na. Sarai wil Gods belofte laten uitkomen door zelf nageslacht te regelen bij haar slavin. Dat berust op haar eigenzinnige interpretatie van die belofte en op haar eigen ongeduld. Dat berust op haar idee dat zij immers toch onvruchtbaar is een God daar niets aan doen zal. Dus neemt ze het heft in eigen hand. Maar ze heeft geen rekening gehouden met het karakter van die slavin, noch met de gevolgen van de status die deze slavin als bijvrouw heeft gekregen, noch met haar eigen gekrenkte trots waardoor ze zo boos werd op Abram en wraakzuchtig werd, waardoor ze haar slavin zo diep moest vernederen dat deze moest vluchten. Opnieuw een misrekening. Ze kent God niet, ze kent haar slavin niet en ze beheerst de omstandigheden niet en tenslotte: ze kent ook zichzelf niet. Blijkbaar kunnen wij mensen maar een heel klein beetje van de gevolgen van onze daden overzien. Vooral als er andere mensen met andere gevoelens en voornemens bij betrokken zijn. En we hebben een zeer beperkte kennis van andere mensen en onszelf.

Wat dan? Dat is nu de vraag. En het antwoord is het optreden van de Engel van de Heere. Dat is de Engel van het Verbond. Het is nu de bedoeling om via Hagar een oplossing tot stand te brengen. Hagar krijgt de opdracht om terug te keren en zich aan het gezag van haar meesteres te onderwerpen. Letterlijk staat er: “verneder u onder haar handen.” Dat is eigenlijk onrechtvaardig. Maar de Heere rekent er hier blijkbaar mee, dat deze meesteres niet op andere gedachten kan worden gebracht, en zeker niet door Abram nog kan worden beïnvloed. Hagar is dus de sleutel om deze chaos weer opnieuw te onderwerpen aan Gods bedoelingen en belofte. Dat is wel bijzonder, dat je soms in het leven niet rechtvaardig wordt behandeld maar dat God het toelaat omdat dat Zijn doel dient. En dat van jou gevraagd wordt om je in dat onrecht te schikken. Zo gaat dat hier met Hagar.

Dan geeft de Engel van de Heere aan Hagar de nauwkeurige belofte van het karakter van haar zoon Ismaël. Zijn naam betekent: God hoort. Maar het karakter van deze Ismaël, de stamvader van de Arabieren, is niet erg prettig. Hij is een wilde ezel, zijn hand is tegen allen, en hij zal wonen tegenover al zijn broeders – dus in voortdurende vijandschap. Kan deze wilde ezel worden beteugeld door hem bij zijn vader Abram te laten opgroeien?  Kan hij de nakomeling zijn die God aan Abram beloofd heeft? Dat wordt natuurlijk doorkruist met de geboorte van Izaak. Maar er gaat nog iets mis, want de poging om hem nu bij de familie van Abram te laten blijven, zal later mislukken en dan is het God Zelf die opdracht geeft om Hagar en Ismaël weg te sturen. (Je ziet dat trouwens heel mooi in het verschil tussen het optreden van de Engel van de Heere in Genesis 16 en dan bij het wegsturen van  Ismaël in Genesis 21 lezen we over de Engel van God – in vers 17. De Engel van de Heere is de Engel van het Verbond; de Engel van God is de Engel die beschikt over de hele mensheid ook buiten het Verbond. Over die verdrijving van Ismaël en de rol van Sarah daarbij spreken we de volgende keer.

 

Tot besluit

Het geloof van Sarai in de belofte van God, is gaan wankelen. Zij doet, wat velen van ons ook wel eens doen, namelijk op eigen kracht en met een eigen visie op de toekomst, voor onszelf te leven. Alsof wij voor onszelf moeten leven en van onszelf zijn. Maar wij zijn toch het eigendom van de Heere Jezus? Hij mag toch beschikken over ons bestaan? Zelfs als dat betekent dat een eindeloos geduld van ons gevraagd wordt?

De pogingen van Sarai om met natuurlijke middelen af te dwingen, wat God in Zijn beloften vrijelijk geven kan – omdat je meer acht slaat op wat je zelf denkt dat onmogelijk is – leiden dan ook altijd tot een chaos. Als het nageslacht van Abram uit Hagar had moeten voortkomen, dan had Sarai vanwege haar eigen trots dat al meteen weer onmogelijk gemaakt.

Wat voor karakter heeft nu deze vrouw? Het is zeker een sterke vrouw te noemen, vooral in de omgang met haar man. Zij laat hem goed weten wat zij denkt. En Abram luistert naar haar stem, naar de stem van deze krachtige persoonlijkheid. Maar tegelijkertijd heeft zij een kwetsbare plek, en dat is haar trots. Haar gekrenkte trots is op een bepaald moment belangrijker dan het bereiken van haar doel. De houding van Hagar is voor haar zo onverdraaglijk, dat ze het risico neemt dat haar slavin wegvlucht en de toekomst dus ook voor haar, dat is Sarai, wordt afgesneden.

Misschien is het wel zo, dat elke keer wanneer wij met een halfslachtige geloof berekeningen maken over wat goed is in onze ogen, de Heere een Engel moet sturen om de geschiedenis weer recht te zetten.

De volgende keer zullen wij spreken over de aankondiging van de geboorte van Izaak vanaf hoofdstuk 17:15.