Of de menselijke ervaring een basis is om over God te spreken? – Q.1, art. 3

VRAAG 1 Wat is de eigen en passende aard van ons spreken over God?

Artikel 3

Of de menselijke ervaring een basis is om over God te spreken?

Wij gaan aldus voort met betrekking tot het derde artikel:

Tegenwerping 1. Het lijkt erop dat we over God alleen kunnen spreken op grond van algemeen-menselijke ervaring. Ervaring moet nu eenmaal aan elk menselijk spreken voorafgaan, zoals ook Tilleman zegt: “Ervaring zal altijd de basis vormen. Zonder ervaring hebben we immers ook geen behoefte om er over te spreken! We kunnen God dus ervaren, voelen.” (T, p. 13) Daarom is de menselijke ervaring in al haar verscheidenheid de basis van ons spreken over God.

Tegenwerping 2. Voorts, moeten we zelfs nog sterker zeggen, dat “God” zodanig ons verstand te boven gaat, dat hij in principe ook alleen maar een gevoel is. Zoals we lezen: “God is in principe ook altijd een gevoel en nooit meer. Dat komt omdat God zo ongrijpbaar is. Hij gaat ons verstand te boven. We redden het dus niet met concrete en rationele kennis. God kunnen we niet weten. God kunnen we enkel voelen.” (T, p.13) Daarom is de menselijke ervaring in zekere zin ook het voorwerp van ons spreken over God.

Tegenwerping 3. Voorts is het op grond van de ervaring toch ook weer onmogelijk om God onder woorden te brengen. Immers, voor sommigen geldt: “Zij nemen er ook genoegen mee dat God een mysterie blijft dat niet in woorden valt uit te drukken.”(T, p. 13) Ook als we zouden loochenen dat de menselijke ervaring ons een toegang kan geven tot God, is er in ieder geval geen andere kennis mogelijk.

Tegenwerping 4. Voorts, een andere manier om God te ervaren ligt in wat we “spiritualiteit” noemen. Zoals Tilleman zegt: “Spiritualiteit … is telkens een manier die op zoek is naar wegen om in aanraking te komen met God, één te worden met God. Spiritualiteit heeft dus vaak het doel om ons huidige ik te overstijgen en te komen tot een hoger niveau.” (T, p. 15) Een dergelijke ervaring geeft ons het Hogere, ook zonder dat we dat gedwongen “God” moeten noemen.

Tegenwerping 5. Tenslotte, ook de ervaring van God in de muziek is een mogelijke grondslag van ons spreken over God. De mens heeft dus “de ervaring van God in kunst, muziek en de natuur. Want veel mensen ervaren vooral daarin het Hogere.” Daarom is de menselijke ervaring de basis van het spreken over God.

In tegendeel. Er staat geschreven: “Hij Die als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont; Hem heeft geen mens gezien en niemand kan Hem ook zien. Hem zij eer en eeuwige kracht.” (1 Tim. 6:16) Wat een ontoegankelijk licht bewoont, kan echter niet door menselijke ervaring worden gekend, omdat menselijke ervaring berust op “een zeker onmiddellijk tegenwoordig-zijn bij het andere”, een contact dus met het “omgevende.” We ervaren dus wel wat in het licht staat, maar niet het licht zelf. (Peters, Metafysica, Par. 77)

Ik antwoord dat, het woord “ervaring” op vele manieren te verstaan is, maar dat het woord in ieder geval wijst op een ontmoeting met een zaak die op een of andere wijze binnen het menselijk voelen en denken tegenwoordig is. Mits goed begrepen, kan de these dat we God kennen op grond van de ervaring worden beaamd. De mens die een ontmoeting heeft met Gods Woord, heeft  in die zin een ervaring die hem inzicht geeft in het karakter van dat Woord. Vandaar dat Johannes schrijven kan: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens…” (1 Joh. 1:1) Terwijl dezelfde apostel ook schrijft: “Niemand heeft ooit God gezien.” (Joh. 1:18) Kennis van God in de ervaring is dus alleen mogelijk in die ervaring, waarin God een mens tegemoet komt door Zijn Woord tot die mens te spreken.

De ervaring van God is daarentegen niet een afgeleide van onze algemeen-menselijke ervaring, of van ons gevoel of van welke ander menselijk beleven dan ook buiten het geloof om. Wanneer God hetzelfde zou zijn als dat gevoel of in dat gevoel een ononderscheiden één-zijn van de mens met God besloten ligt, is God niet langer de Ander bij uitstek en beschikt Hij bovendien niet over Zijn openbaar-zijn. God wordt dan openbaar binnen maar ook door middel van ons gevoel. In dat geval wordt Hij door ons gevoel “ontdekt” te midden van de andere voorwerpen van ervaring binnen de wereld, wat de definitie van God weerspreekt. Zoals Karl Barth zegt: “De kenbaarheid van God … kan niet worden begrepen als een predicaat van het menselijke zijn.” (Kirchliche Dogmatik, II, 1, p. 162)

Op grond van de ervaring van Gods Woord kunnen, mogen en moeten wij dus zelfs over God spreken. Het is immers Gods openbaring van Zichzelf in Christus die ons geloof wekt, en ons daarmee inzicht geeft in Zijn wezen. Wanneer deze openbaring van God als een predicaat wordt gezien van de menselijke ervaring zelf, als een ervaring van het “Hogere”, worden oorzaak en gevolg met elkaar verwisseld.

In deze zin van het woord “ervaring” is het waar, dat de menselijke ervaring ons inzicht kan geven in Gods wezen, namelijk wanneer we dan inzien, dat het alleen de werkelijke Mens Jezus Christus is, die onmiddellijk in verstand, gevoel en handelen, in volkomen eenheid met God de Vader geleefd heeft en leeft. Het is Zijn menselijke ervaring waarop we dan doelen. Het is echter een werk van de heilige Geest wanneer gelovigen vervolgens deel krijgen aan deze intieme Godskennis die alleen de Zoon hebben kan. Zoals we lezen bij Johannes: “Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij gezonden hebt.” (Joh. 17:25) Jezus Christus kent de Vader, en in de erkenning (geloof) van Jezus als degene die God gezonden heeft, ligt de mogelijkheid van een ervaring van God.

De gedachte dat de ervaring de grondslag moet zijn van ons spreken over God – een begrip ervaring dat dan breed uitwaaiert over gevoel, spiritualiteit en de beleving van het sublieme in kunst en muziek – negeert Gods eigen spreken. Ze berust op een religieuze eigenzinnigheid van de mens die ten diepste een vorm van vijandschap tegen God is. Door het geloof in Christus op die manier in te schalen in de religieuze uitingen van de mensheid, wordt een verburgerlijking van het evangelie bereikt, want de bedoelde ervaringen zijn “leunstoelervaringen” waaraan de eigenlijke ernst van de ontmoeting met God ontbreekt.

In de ontmoeting met Gods Woord immers, ligt ook de uitdrukking van het volstrekte Anders-zijn van God besloten in het oordeel over onze eigenwillige zonde, onze verlorenheid aan de dood, en de wanhopige eigen wil die zich staande wil houden in de diepte van de menselijke ellende maar geen houvast vinden kan. Als hoogste uitdrukking van de menselijke ervaring, die streeft naar het rechtstreekse contact met het goddelijke, kan tenslotte alleen nog dit woord van Paulus gelden: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?” (Rom. 7:24) Maar in de werkelijke ervaring van Gods Woord kan dan ook gebeuren  – en als ervaring is het in Christus mogelijk – “Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.”

Antwoord op 1. De bewering dat ervaring altijd “de basis” zal vormen, mede omdat zij ook de behoefte oproept om over God te spreken, is een losse bewering. Zolang niet verhelderd is wat we hier onder ervaring moeten verstaan. De suggestie wordt gewekt, dat al principieel is beslist, dat we in het menselijke kennen te onderscheiden hebben het verstandelijke en rationele enerzijds en daar tegenover het gevoelsmatige en intuïtieve anderzijds.  En vervolgens, dat we al kunnen weten dat alleen het niet-rationele voldoende toegang geeft tot Gods bestaan. Dergelijke vooroordelen van filosofische aard belemmeren een dieper inzicht in de vragen die gesteld  moeten worden.

Antwoord  op 2-5. Deze tegenwerpingen zijn al in het antwoord weerlegd.

Johannes (0) – Kiezen….

Er is geen evangelie dat zijn lezers zo direct en absoluut voor een keuze plaatst als het evangelie naar Johannes. Dat zit hem al in de proloog, waarin allerlei zaken over de persoon van Jezus worden meegedeeld.  Hij is de Zoon van God, dat wil zeggen in alles aan God gelijk. Hij is het Woord van God, zodat de Heer alles wat Hij wilde openbaren in Hem zichtbaar en hoorbaar heeft gemaakt.

Dat is een bewering. En dan komt er het moment van de keuze. Je gelooft het, of je gelooft het niet. Er is bij Johannes geen nuancering denkbaar, geen grijstint. We kunnen niet zeggen dat het interessant is wat ene meneer Johannes over zijn vriend en leraar te melden heeft. We kunnen niet zeggen dat we de boodschap moeten gaan vertalen naar het heden, zonder Johannes wezenlijk tegen te spreken.

Jezus IS de zoon van God of het hele evangelie van Johannes – de genezingen, het wonderteken in Kana, de oproep in Hem te geloven, de belofte van het eeuwige leven, de opdracht om elkaar lief te hebben, de vergeving van zonden door de kruisdood van het “Lam van God dat de zonden van de wereld draagt” – dat alles is dan zonder betekenis. Het evangelie is dan een leugen, of ze nu interessant en inspirerend mag heten of niet. Johannes maakt wel duidelijk dat hij zijn evangelie als zuivere waarheid ziet. “Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is.” Joh. 21:24

Waren er andere ondertekenaars van dit evangelie? Wie zijn deze “wij” anders dan de schare van discipelen rondom Jezus die de waarheid van deze dingen op grond van hun eigen ervaring konden bevestigen?

Johannes ziet zijn evangelie niet alleen als waarheid, maar hij maakt ook duidelijk wat zijn doel is. “Deze [dingen] zijn beschreven , opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn naam.” Joh. 20:31 wie kan hier nog een tussenweg bedenken? Het is erop of eronder. Of je gelooft dat Jezus de Zoon van God is, of je gelooft het niet, en dat maakt dan een wezenlijk verschil in je leven.

Kies! Zegt Johannes. Als het waar is, leef dan volgens deze waarheid. Sta voor deze waarheid. Als het niet waar is, niet helemaal en absoluut waar, leef je leven dan maar op je eigen wijze, maar pretendeer dan niet dat je een discipel bent van Jezus Christus, de Zoon van God.

De passage van aanstaande zondag, de tweede zondag van de Lijdenstijd, gaat nu precies over een ervaring, die alleen maar begrijpelijk is vanuit het geloof in Jezus als de Zoon van God. Waarom krijgen Maria en Martha bij de dood van hun oudere broer Lazarus het harde woord te horen, dat de dood van Lazarus bedoeld was tot verheerlijking van God en opdat allen zouden geloven? Wanneer Jezus hen ziet huilen om de gestorven Lazarus is Zijn geest ontroerd. Waarover? Niet over de gestorven Lazarus. Hij weet wat er zou gaan gebeuren. Maar Jezus is bewogen om het gebrek aan geloof van Maria en Martha!

Zo staan in het evangelie van Johannes wel vaker de mensen tegenover God. Onze ontzetting, verdriet en falen worden door de Zoon van God oneindig overstegen. En weggenomen. En hersteld. En vernieuwd. Dit is het evangelie van de wedergeboorte, Gods radicale transformatie van een mens. Soeverein handelt God als schepper van de nieuwe mens. Het leven overwint de dood, onze sterfelijkheid verdwijnt in de tedere macht van het Leven dat bij God was en in Jezus tot volle ontplooing komt. Jezus handelt soeverein wanneer Hij het lijden en de dood op zich neemt uit liefde voor God Zijn Vader en de mensen.

Met dit alles dringt Johannes aan op een beslissing, een keuze voor of een keuze tegen. Geen uitwegen, geen middenweg, geen compromis.  Maar stel eens dat het de waarheid is, vriend, wie je ook bent? Is het dan in ieder geval niet de hoogste en diepste waarheid die je maar kunt denken? Het is  een magistraal liefdesverhaal, waarbij alle liefde van God uitgaat en in deze Zoon zichtbaar wordt. Liefde voor ons. En het eindresultaat van Gods  interventie in deze wereld is, dat jij en ik een nieuw leven krijgen, het leven van de Zoon van God mogen delen. En dat wij mogen weten dat we voor eeuwig bij God zullen zijn.

Opnieuw Contra Kuitert

Of het christelijk geloof gebaseerd is op de christelijke traditie?

Antwoord: het christelijk geloof is gebaseerd op het apostolisch getuigenis, dat in het Nieuwe Testament zowel Gods openbaring, een te aanvaarden leer als ook “het eenmaal aan de heiligen overgeleverde geloof” genoemd wordt.

Hiertegen pleit het volgende:

Tegenwerping 1. Het lijkt erop dat de christelijke traditie geen rol mag spelen in de ontwikkeling van persoonlijke geloofsvoorstellingen. Wij krijgen nooit direct toegang tot het geloof, maar we komen met het geloof in aanraking uit de tweede hand. Het idee van de traditie is dubbelzinnig omdat het soms een aanbeveling maar ook een afkeuring kan zijn.

Tegenwerping 2. Bovendien is de geloofstraditie een kerkelijke traditie die meestal alleen maar wordt bewaard of verdedigd. Daarom hebben mensen over het algemeen een hekel aan de geloofstraditie die meestal wordt overeind gehouden door angst voor verandering.

Tegenwerping 3. Verder is het zo dat elke tijd zijn eigen traditie definieert. Elke generatie probeert te bepalen wat christenen geloven en proberen dat door te geven aan de volgende generatie. Het heeft dus geen zin om de traditie te funderen in de overtuigingen van de eerste generatie in de kerkgeschiedenis.

Tegenwerping 4. Bovendien zijn de geloofsvoorstellingen in de traditie alleen maar te zien als uitnodigingen of aanbevelingen. We moeten verschil maken tussen de traditie en het theologische systeem. Het woord traditie beschrijft alleen maar dat in kerk en gezin overtuigingen worden doorgegeven, maar ook worden gewijzigd en aangepast. Mensen moeten een persoonlijke beslissing nemen om elementen uit die traditie over te nemen of te verwerpen.

Tegenwerping 5. Wanneer de christelijke traditie – of de christelijke leer – wordt aangezien voor een “totaalvisie”, wordt die traditie verstikkend en gevaarlijk voor het geloof. We mogen de traditie niet uitbouwen tot een totaalvisie omdat we eenvoudig te weinig van God weten om zo’n afgerond bouwwerk te kunnen maken.

Tegenwerping 6. Wanneer de traditie worden uitgebouwd tot een totaalvisie, pretenderen we de mens en de wereld te kunnen beschouwen vanuit het perspectief van God. De ijzeren zekerheid waarmee die visie wordt gepresenteerd, is juist schadelijk voor het religieuze gevoel van mensen.

Tegenwerping 7. Wanneer de traditie wordt uitgebouwd tot een totaalvisie, dan moet de kerk zich gaan opstellen als de instantie die de waarheid in pacht heeft, en al helemaal begrijpt. De weten de kerk daalt af naar het onwetende volk. Maar het geloof is alleen de “neerslag van een cumulatie van ervaringen door de generaties heen.” (Kuitert, ABCG, p. 21)

Daar stellen wij tegenover dat wij door de apostel Judas worden vermaand om te strijden “voor het geloof, dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.” Ook de apostel Paulus noemt een mens opgeblazen en onwetend wanneer hij “een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus, en met de leer, die overeenkomstig de Godzaligheid is (1 Tim. 6:3).” En, zegt hij, dat er mensen zijn die “van de waarheid zijn afgeweken”, door hun eigen geloofsvoorstellingen te volgen, door te zeggen “dat de opstanding al had plaatsgevonden” (2 Tim. 2:18).

Ik antwoord op de vraag door te zeggen, dat het woord traditie in meerdere betekenissen gebruikt kan worden. We kunnen daaronder verstaan de feitelijke manier waarop het christelijke geloof wordt doorgegeven. In die betekenis is de traditie niet normatief voor ons geloof. We kunnen daar ook onder verstaan, het geheel van voorstellingen en principes die in een bepaalde historische ontwikkeling van een kerk als het gemeenschappelijke bezit worden beschouwd, en als zodanig een definitie geven van een bepaalde modaliteit of kerkelijke richting. Zo kan er een lutherse, Gereformeerde, of Hervormde traditie ontstaan. Ook een dergelijke kerkelijke traditie kan niet gezien worden als normatief, hoewel het wel pogingen zijn om de waarheid van het christelijke geloof tot gelding te brengen.

Het woord traditie kan echter ook gebruikt worden om de realiteit aan te duiden van de overlevering waarover de apostel Judas spreekt. Het gaat dan niet om een geheel van overtuigingen, maar om het evangelie zelf, over Gods Openbaring in de Schrift, dat wil zeggen heel de waarheid waarin “de Geest van de waarheid” eerst de apostelen en vervolgens ook ons heeft ingeleid (Joh. 16:13). Naar het woord van de Heer Jezus Zelf, is het de Bijbelse openbaring die voor ons de definitieve en normatieve waarheid is: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid” (Johannes 17:17). En dat deze aan de apostelen geopenbaarde waarheid moet worden doorgegeven zoals zij die hebben ontvangen, wordt duidelijk aan een andere uitspraak van de Heer Jezus wanneer Hij zegt: “Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen” (Johannes 17:20).

Daarom zegt ook Paulus nadrukkelijk, dat er in de kerk zware tijden zullen komen, waarin mensen nieuwsgierig van allerlei zaken kennis zullen nemen, zonder ooit tot een waarachtige kennis van de waarheid te kunnen komen (2 Tim. 3:7). Er zijn mensen die zich tegen de waarheid verzetten en daarom door de apostel worden aangeduid als: “verdorven in hun verstand, verwerpelijk in relatie tot het geloof (vers 8).” Daarom geeft Paulus nadrukkelijk de oproep aan Timotheüs om te blijven “in datgene wat je geleerd hebt, en waarvan je verzekering hebt ontvangen, in het besef van wie je het geleerd hebt”, namelijk van de apostelen. En dat geheel in overeenstemming met de in het volgende vers genoemde “heilige Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid” (vers 15). Tenslotte wijst Paulus er ook nog op, dat deze Schrift moet dienen tot lering, weerlegging, verbetering en onderwijzing. De zware tijden waarheid van spreekt, worden volgens 2 Tim. 4 hierdoor gekenmerkt, dat mensen, ook leden van de kerk, “de gezonde leer niet zullen verdragen, en “hun gehoor van de waarheid zullen afwenden” (4:3, 4).

Wanneer de traditie dus begrepen wordt als de apostolische traditie, gebaseerd op de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, uitgedrukt in de christelijke leer, dan is de traditie juist de neerslag van de kennis van de waarheid – de waarheid die als Gods Woord zowel aan de apostelen als ook aan ons is overgeleverd. Daarom moeten wij juist in deze postmoderne tijd vasthouden aan de overlevering van het geloof, dat wil zeggen aan datgene wat door de kerk in alle eeuwen eenstemmig als het fundament van de waarheid aanvaard is. In deze zin van het woord traditie kunnen we dus bevestigend antwoorden, dat het christelijk geloof in het heden gebaseerd is op de traditie van het evangelie en het apostolisch getuigenis, dat wil zeggen op het feit dat het geloof – met het bepaald lidwoord als het geheel van waarheden die voortvloeien uit de Schrift – aan ons is geopenbaard en overgeleverd om te worden doorgegeven zoals wij het hebben ontvangen uit de hand van de apostelen en daarmee uit de hand van de gevolmachtigden van de Heere zelf.

Antwoord op 1. Hoewel het waar is dat in de praktijk van het leven het geloof wordt doorgegeven door ouders, grootouders, leraren en predikanten, wil dat nog niet zeggen dat wij het uit de tweede hand ontvangen. Het onderwijs dat wij ontvangen moet immers vooral de verwijzing naar het apostolisch getuigenis en de Schriften zelf bevatten. De leer die Timotheüs heeft leren kennen van Paulus en de Schriften die hij heeft leren kennen door zijn ouders, is transparant op de waarheid hoewel hij er niet mee samenvalt.

De veronderstelling dat het geloof bestaat in de ontwikkeling van persoonlijke geloofvoorstellingen is in strijd met de Schrift, zoals ik al duidelijk heb gemaakt met de verwijzing naar de woorden van Paulus in 2 Tim. 2:18.

Antwoord op 2. Het is waar dat soms tradities die historisch gegroeid zijn in kerkelijk verband worden verdedigd en gehandhaafd alsof zij kunnen worden geïdentificeerd met de waarheid. Ook dat is in strijd met het begrip traditie dat ze in het Nieuwe Testament aantreffen. Timotheüs wordt alleen maar opgeroepen om te blijven bij datgene wat hij geleerd heeft, en waarover hij verzekering heeft ontvangen, omdat hij weet dat degene die het hem geleerd heeft werkelijk gezag heeft. In deze uitleg van 2 Tim. 3:14 is de enige normatieve traditie die van het apostolisch getuigenis. Dergelijke kerkelijke tradities moeten steeds weer opnieuw getoetst worden aan het gezag van de Schrift.

Antwoord op 3 en 4. Aangezien deze tegenwerpingen zijn gebaseerd op de definitie van traditie als feitelijke geloofsovertuigingen die men wil koesteren en doorgeven, zonder verband met de normatieve overlevering en het apostolische getuigenis, zijn deze al weersproken in het antwoord op de eerste tegenwerping.

Antwoord op 5. Het lijkt mij niet moeilijk om in te zien, dat een beweringen over ons gebrek aan kennis volledig juist is. Wij weten uit onszelf en vanuit onszelf niets over God. De kwestie is alleen, of onze kennis er wel toereikend om te constateren dat God gesproken heeft en Zich heeft geopenbaard. Is de uitspraak dat God heeft gesproken een uiting van onze kennis, dan deelt ze in dezelfde onzekerheid die alle menselijke kennis aankleeft. Ik denk dat hier een modern kennisbegrip een grote rol speelt, dat als vanzelfsprekend wordt verondersteld. In de moderne benadering heeft kennis en actief element, is het onmiddellijk al zoiets als interpretatie en duiding, heeft het geen echte transparantie tegenover datgene waarvan het kennis wil zijn. Zodra we het licht van het verstand op iets laten schijnen, wordt het object anders – een variant van het Heizenberg principe. In de klassieke opvatting van kennis, is het element van receptief hij tijd veel belangrijker. Karl Barth spreekt daarom terecht over het moment van “erkenning”, dat een cruciale rol speelt in de geloofskennis. Wij ontvangen de openbaring, maar produceren haar niet door iets te duiden. Met andere woorden: “openbaring” is geen predikaat van een kennis die wij tot stand hebben gebracht.

Zolang nog niet is beslist of openbaring mogelijk is, legt deze tegenwerping onvoldoende gewicht in de schaal om ons antwoord te beïnvloeden. Met name omdat wel duidelijk is hoe Paulus daarover denkt. Denk maar eens aan deze passage uit 1 Kor. 2. In de eerste plaats hebben wij niet ontvangen de geest van de wereld – de natuurlijke wijze van kennen en begrijpen – maar de Geest die uit God is. Er is een bijzondere kennis mogelijk zegt Paulus, zodat wij “zouden weten de dingen, die ons van God geschonken – en geopenbaard – zijn. Daarom krijgt ook de uitdrukking van deze bijzondere kennis een bijzonder karakter, zoals Paulus zegt: “(de dingen die ons geschonken zijn) daarover spreken wij ook, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke woorden samenvoegend.” Tussen de natuurlijke kennis door middel van de geest van de wereld, en de kennis in de kracht van de Heilige Geest in haar eigen manier van uitdrukken kent, bestaat een enorme kloof. “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn het dwaasheid, maar hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.” Het gaat het dus in het geheel niet om of wij wel voldoende kennis van God zouden hebben, want de Schrift zegt nadrukkelijk dat dat ook niet het geval is. Maar ons geloof berust dan ook niet “in de wijsheid van de mensen, maar in de kracht van God” (1 Kor. 2:5, 12, -14).

Antwoord op 6. Die “ijzeren zekerheid” kan alleen maar schadelijk of ongepast zijn voor mensen, als wij niets anders kunnen dan proberen een aanbeveling te doen voor een persoonlijke zingeving aan het leven die min of meer historische christelijke patronen volgt. De verkondiging van het evangelie heeft echter niks te maken met onschuldige aanpassingen van onze wereldbeschouwing. Hoe zou dat te rijmen zijn met de notie van de bekering? Die totale ommekeer van denken en leven waarin iemand tot de belijdenis komt dat Jezus Christus de Heere is, die gekruisigd is voor onze zonden, met wie wij één zijn geworden zodat Zijn Geest ons nu tot een kind van God gemaakt heeft? Als de boodschap van het evangelie niet gaat over de bekering van een zondaar door het geloof in Jezus Christus, dan heeft het evangelie al zijn waarde, inhoud en kracht verloren. Als dat niet met ijzeren zekerheid kan worden verkondigd, dan blijven het ijdele praatjes.

Antwoord op 7. Het verwijt aan de kerk, dat zij met te grote zekerheid en met een te absolute totaalvisie spreekt, is onterecht. Zij is alleen gemachtigd door te geven wat zij heeft horen spreken door Christus en Zijn apostelen en daarom wordt de “gemeente van de levende God”, door Paulus “een pilaar en fundament van de waarheid” genoemd. De waarheid van het geloof, de goede leer, de praktijk van het lezen van de Schrift, de heiliging door het Woord van God (en het gebed) maken de Gemeente tot die unieke plaats waar de kennis van de waarheid van het evangelie wordt bewaard, uitgediept, verspreid, en begrijpelijk gemaakt. En als het goed is, ook in de praktijk wordt gebracht.

6 stappen van geloof naar ongeloof

We spreken over de ondergang van de kerk in Nederland en Europa. We betreuren de lege kerkbanken op de zondagmorgen en we zijn er nog maar nauwelijks aan gewend dat kerk en evangelie niet langer een belangrijke rol in de samenleving spelen. We kunnen met Klaagliederen de vraag stellen: “hoe komt het dat die stad, die eens vol volk was, zo eenzaam is geworden?” (Kl. 1:1)

“6 stappen van geloof naar ongeloof” verder lezen

KOINONIA LIVE! #12 – de vijf “fundamentals”- 18 April 2017

De “Five Fundamentals” markeren het verschil tussen Bijbelgetrouw Christendom en het modernisme. In deze aflevering bespreek ik die “Fundamentals” vanuit de Gereformeerde Traditie tegenover het modernisme van Harry Kuitert.

De Fundamentals zijn:
1. De volkomenheid van de Schrift
2. De godheid van Jezus (of: de maagdeijke geboorte)
3. Christus’ plaatsvervangend sterven
4. Christus’ lichamelijke opstanding
5. De echtheid van Christus’ wonderen