Opnieuw Contra Kuitert

Of het christelijk geloof gebaseerd is op de christelijke traditie?

Antwoord: het christelijk geloof is gebaseerd op het apostolisch getuigenis, dat in het Nieuwe Testament zowel Gods openbaring, een te aanvaarden leer als ook “het eenmaal aan de heiligen overgeleverde geloof” genoemd wordt.

Hiertegen pleit het volgende:

Tegenwerping 1. Het lijkt erop dat de christelijke traditie geen rol mag spelen in de ontwikkeling van persoonlijke geloofsvoorstellingen. Wij krijgen nooit direct toegang tot het geloof, maar we komen met het geloof in aanraking uit de tweede hand. Het idee van de traditie is dubbelzinnig omdat het soms een aanbeveling maar ook een afkeuring kan zijn.

Tegenwerping 2. Bovendien is de geloofstraditie een kerkelijke traditie die meestal alleen maar wordt bewaard of verdedigd. Daarom hebben mensen over het algemeen een hekel aan de geloofstraditie die meestal wordt overeind gehouden door angst voor verandering.

Tegenwerping 3. Verder is het zo dat elke tijd zijn eigen traditie definieert. Elke generatie probeert te bepalen wat christenen geloven en proberen dat door te geven aan de volgende generatie. Het heeft dus geen zin om de traditie te funderen in de overtuigingen van de eerste generatie in de kerkgeschiedenis.

Tegenwerping 4. Bovendien zijn de geloofsvoorstellingen in de traditie alleen maar te zien als uitnodigingen of aanbevelingen. We moeten verschil maken tussen de traditie en het theologische systeem. Het woord traditie beschrijft alleen maar dat in kerk en gezin overtuigingen worden doorgegeven, maar ook worden gewijzigd en aangepast. Mensen moeten een persoonlijke beslissing nemen om elementen uit die traditie over te nemen of te verwerpen.

Tegenwerping 5. Wanneer de christelijke traditie – of de christelijke leer – wordt aangezien voor een “totaalvisie”, wordt die traditie verstikkend en gevaarlijk voor het geloof. We mogen de traditie niet uitbouwen tot een totaalvisie omdat we eenvoudig te weinig van God weten om zo’n afgerond bouwwerk te kunnen maken.

Tegenwerping 6. Wanneer de traditie worden uitgebouwd tot een totaalvisie, pretenderen we de mens en de wereld te kunnen beschouwen vanuit het perspectief van God. De ijzeren zekerheid waarmee die visie wordt gepresenteerd, is juist schadelijk voor het religieuze gevoel van mensen.

Tegenwerping 7. Wanneer de traditie wordt uitgebouwd tot een totaalvisie, dan moet de kerk zich gaan opstellen als de instantie die de waarheid in pacht heeft, en al helemaal begrijpt. De weten de kerk daalt af naar het onwetende volk. Maar het geloof is alleen de “neerslag van een cumulatie van ervaringen door de generaties heen.” (Kuitert, ABCG, p. 21)

Daar stellen wij tegenover dat wij door de apostel Judas worden vermaand om te strijden “voor het geloof, dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.” Ook de apostel Paulus noemt een mens opgeblazen en onwetend wanneer hij “een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus, en met de leer, die overeenkomstig de Godzaligheid is (1 Tim. 6:3).” En, zegt hij, dat er mensen zijn die “van de waarheid zijn afgeweken”, door hun eigen geloofsvoorstellingen te volgen, door te zeggen “dat de opstanding al had plaatsgevonden” (2 Tim. 2:18).

Ik antwoord op de vraag door te zeggen, dat het woord traditie in meerdere betekenissen gebruikt kan worden. We kunnen daaronder verstaan de feitelijke manier waarop het christelijke geloof wordt doorgegeven. In die betekenis is de traditie niet normatief voor ons geloof. We kunnen daar ook onder verstaan, het geheel van voorstellingen en principes die in een bepaalde historische ontwikkeling van een kerk als het gemeenschappelijke bezit worden beschouwd, en als zodanig een definitie geven van een bepaalde modaliteit of kerkelijke richting. Zo kan er een lutherse, Gereformeerde, of Hervormde traditie ontstaan. Ook een dergelijke kerkelijke traditie kan niet gezien worden als normatief, hoewel het wel pogingen zijn om de waarheid van het christelijke geloof tot gelding te brengen.

Het woord traditie kan echter ook gebruikt worden om de realiteit aan te duiden van de overlevering waarover de apostel Judas spreekt. Het gaat dan niet om een geheel van overtuigingen, maar om het evangelie zelf, over Gods Openbaring in de Schrift, dat wil zeggen heel de waarheid waarin “de Geest van de waarheid” eerst de apostelen en vervolgens ook ons heeft ingeleid (Joh. 16:13). Naar het woord van de Heer Jezus Zelf, is het de Bijbelse openbaring die voor ons de definitieve en normatieve waarheid is: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid” (Johannes 17:17). En dat deze aan de apostelen geopenbaarde waarheid moet worden doorgegeven zoals zij die hebben ontvangen, wordt duidelijk aan een andere uitspraak van de Heer Jezus wanneer Hij zegt: “Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen” (Johannes 17:20).

Daarom zegt ook Paulus nadrukkelijk, dat er in de kerk zware tijden zullen komen, waarin mensen nieuwsgierig van allerlei zaken kennis zullen nemen, zonder ooit tot een waarachtige kennis van de waarheid te kunnen komen (2 Tim. 3:7). Er zijn mensen die zich tegen de waarheid verzetten en daarom door de apostel worden aangeduid als: “verdorven in hun verstand, verwerpelijk in relatie tot het geloof (vers 8).” Daarom geeft Paulus nadrukkelijk de oproep aan Timotheüs om te blijven “in datgene wat je geleerd hebt, en waarvan je verzekering hebt ontvangen, in het besef van wie je het geleerd hebt”, namelijk van de apostelen. En dat geheel in overeenstemming met de in het volgende vers genoemde “heilige Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid” (vers 15). Tenslotte wijst Paulus er ook nog op, dat deze Schrift moet dienen tot lering, weerlegging, verbetering en onderwijzing. De zware tijden waarheid van spreekt, worden volgens 2 Tim. 4 hierdoor gekenmerkt, dat mensen, ook leden van de kerk, “de gezonde leer niet zullen verdragen, en “hun gehoor van de waarheid zullen afwenden” (4:3, 4).

Wanneer de traditie dus begrepen wordt als de apostolische traditie, gebaseerd op de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, uitgedrukt in de christelijke leer, dan is de traditie juist de neerslag van de kennis van de waarheid – de waarheid die als Gods Woord zowel aan de apostelen als ook aan ons is overgeleverd. Daarom moeten wij juist in deze postmoderne tijd vasthouden aan de overlevering van het geloof, dat wil zeggen aan datgene wat door de kerk in alle eeuwen eenstemmig als het fundament van de waarheid aanvaard is. In deze zin van het woord traditie kunnen we dus bevestigend antwoorden, dat het christelijk geloof in het heden gebaseerd is op de traditie van het evangelie en het apostolisch getuigenis, dat wil zeggen op het feit dat het geloof – met het bepaald lidwoord als het geheel van waarheden die voortvloeien uit de Schrift – aan ons is geopenbaard en overgeleverd om te worden doorgegeven zoals wij het hebben ontvangen uit de hand van de apostelen en daarmee uit de hand van de gevolmachtigden van de Heere zelf.

Antwoord op 1. Hoewel het waar is dat in de praktijk van het leven het geloof wordt doorgegeven door ouders, grootouders, leraren en predikanten, wil dat nog niet zeggen dat wij het uit de tweede hand ontvangen. Het onderwijs dat wij ontvangen moet immers vooral de verwijzing naar het apostolisch getuigenis en de Schriften zelf bevatten. De leer die Timotheüs heeft leren kennen van Paulus en de Schriften die hij heeft leren kennen door zijn ouders, is transparant op de waarheid hoewel hij er niet mee samenvalt.

De veronderstelling dat het geloof bestaat in de ontwikkeling van persoonlijke geloofvoorstellingen is in strijd met de Schrift, zoals ik al duidelijk heb gemaakt met de verwijzing naar de woorden van Paulus in 2 Tim. 2:18.

Antwoord op 2. Het is waar dat soms tradities die historisch gegroeid zijn in kerkelijk verband worden verdedigd en gehandhaafd alsof zij kunnen worden geïdentificeerd met de waarheid. Ook dat is in strijd met het begrip traditie dat ze in het Nieuwe Testament aantreffen. Timotheüs wordt alleen maar opgeroepen om te blijven bij datgene wat hij geleerd heeft, en waarover hij verzekering heeft ontvangen, omdat hij weet dat degene die het hem geleerd heeft werkelijk gezag heeft. In deze uitleg van 2 Tim. 3:14 is de enige normatieve traditie die van het apostolisch getuigenis. Dergelijke kerkelijke tradities moeten steeds weer opnieuw getoetst worden aan het gezag van de Schrift.

Antwoord op 3 en 4. Aangezien deze tegenwerpingen zijn gebaseerd op de definitie van traditie als feitelijke geloofsovertuigingen die men wil koesteren en doorgeven, zonder verband met de normatieve overlevering en het apostolische getuigenis, zijn deze al weersproken in het antwoord op de eerste tegenwerping.

Antwoord op 5. Het lijkt mij niet moeilijk om in te zien, dat een beweringen over ons gebrek aan kennis volledig juist is. Wij weten uit onszelf en vanuit onszelf niets over God. De kwestie is alleen, of onze kennis er wel toereikend om te constateren dat God gesproken heeft en Zich heeft geopenbaard. Is de uitspraak dat God heeft gesproken een uiting van onze kennis, dan deelt ze in dezelfde onzekerheid die alle menselijke kennis aankleeft. Ik denk dat hier een modern kennisbegrip een grote rol speelt, dat als vanzelfsprekend wordt verondersteld. In de moderne benadering heeft kennis en actief element, is het onmiddellijk al zoiets als interpretatie en duiding, heeft het geen echte transparantie tegenover datgene waarvan het kennis wil zijn. Zodra we het licht van het verstand op iets laten schijnen, wordt het object anders – een variant van het Heizenberg principe. In de klassieke opvatting van kennis, is het element van receptief hij tijd veel belangrijker. Karl Barth spreekt daarom terecht over het moment van “erkenning”, dat een cruciale rol speelt in de geloofskennis. Wij ontvangen de openbaring, maar produceren haar niet door iets te duiden. Met andere woorden: “openbaring” is geen predikaat van een kennis die wij tot stand hebben gebracht.

Zolang nog niet is beslist of openbaring mogelijk is, legt deze tegenwerping onvoldoende gewicht in de schaal om ons antwoord te beïnvloeden. Met name omdat wel duidelijk is hoe Paulus daarover denkt. Denk maar eens aan deze passage uit 1 Kor. 2. In de eerste plaats hebben wij niet ontvangen de geest van de wereld – de natuurlijke wijze van kennen en begrijpen – maar de Geest die uit God is. Er is een bijzondere kennis mogelijk zegt Paulus, zodat wij “zouden weten de dingen, die ons van God geschonken – en geopenbaard – zijn. Daarom krijgt ook de uitdrukking van deze bijzondere kennis een bijzonder karakter, zoals Paulus zegt: “(de dingen die ons geschonken zijn) daarover spreken wij ook, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke woorden samenvoegend.” Tussen de natuurlijke kennis door middel van de geest van de wereld, en de kennis in de kracht van de Heilige Geest in haar eigen manier van uitdrukken kent, bestaat een enorme kloof. “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn het dwaasheid, maar hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.” Het gaat het dus in het geheel niet om of wij wel voldoende kennis van God zouden hebben, want de Schrift zegt nadrukkelijk dat dat ook niet het geval is. Maar ons geloof berust dan ook niet “in de wijsheid van de mensen, maar in de kracht van God” (1 Kor. 2:5, 12, -14).

Antwoord op 6. Die “ijzeren zekerheid” kan alleen maar schadelijk of ongepast zijn voor mensen, als wij niets anders kunnen dan proberen een aanbeveling te doen voor een persoonlijke zingeving aan het leven die min of meer historische christelijke patronen volgt. De verkondiging van het evangelie heeft echter niks te maken met onschuldige aanpassingen van onze wereldbeschouwing. Hoe zou dat te rijmen zijn met de notie van de bekering? Die totale ommekeer van denken en leven waarin iemand tot de belijdenis komt dat Jezus Christus de Heere is, die gekruisigd is voor onze zonden, met wie wij één zijn geworden zodat Zijn Geest ons nu tot een kind van God gemaakt heeft? Als de boodschap van het evangelie niet gaat over de bekering van een zondaar door het geloof in Jezus Christus, dan heeft het evangelie al zijn waarde, inhoud en kracht verloren. Als dat niet met ijzeren zekerheid kan worden verkondigd, dan blijven het ijdele praatjes.

Antwoord op 7. Het verwijt aan de kerk, dat zij met te grote zekerheid en met een te absolute totaalvisie spreekt, is onterecht. Zij is alleen gemachtigd door te geven wat zij heeft horen spreken door Christus en Zijn apostelen en daarom wordt de “gemeente van de levende God”, door Paulus “een pilaar en fundament van de waarheid” genoemd. De waarheid van het geloof, de goede leer, de praktijk van het lezen van de Schrift, de heiliging door het Woord van God (en het gebed) maken de Gemeente tot die unieke plaats waar de kennis van de waarheid van het evangelie wordt bewaard, uitgediept, verspreid, en begrijpelijk gemaakt. En als het goed is, ook in de praktijk wordt gebracht.

Liked it? Take a second to support Robbert Veen on Patreon!

Eén antwoord op “Opnieuw Contra Kuitert”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *