6 stappen van geloof naar ongeloof

We spreken over de ondergang van de kerk in Nederland en Europa. We betreuren de lege kerkbanken op de zondagmorgen en we zijn er nog maar nauwelijks aan gewend dat kerk en evangelie niet langer een belangrijke rol in de samenleving spelen. We kunnen met Klaagliederen de vraag stellen: “hoe komt het dat die stad, die eens vol volk was, zo eenzaam is geworden?” (Kl. 1:1)

Het antwoord dat de Heere God Zelf geeft op die vraag in het Oude Testament geeft misschien een aanwijzing aan ons om te begrijpen wat er met de Kerk gebeurd is. Daarom zegt Paulus dat de geschiedenis van het volk ons tot “voorbeeld” mag strekken, en dat ze nu “zijn geschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen gekomen zijn” (1 Kor. 10:11).


Wat zegt de Schrift?

“Maar indien jullie Mij niet zullen horen, en al deze geboden niet zullen doen; en als jullie Mijn inzettingen met minachting zullen verwerpen, en als jullie ziel een afkeer zal krijgen van dat waarop Ik recht heb, namelijk dat jullie niet al Mijn geboden zullen doen, en daarmee Mijn verbond zult teniet doen” (Lev. 26:14, 15)

Zes stappen naar de ontbinding van het Verbond, tussen geloof en ongeloof vinden we hier. Niet horen – geboden niet doen – verwerpen – afkeer krijgen – niet alle geboden doen – het Verbond vernietigen. Met als resultaat het antwoord van de Heere God: “Maar jullie zullen omkomen onder de heidenen en het land van jullie vijanden zal jullie verteren” (Lev. 26:38).


De eerste twee stappen – niet horen en niet doen.

Het horen van Gods Woord gaat vooraf aan de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Het gaat hier eenvoudig om Bijbelstudie. Wie zich niet intensief bezig houdt met Gods Woord, met de woorden van de Wet van Christus, is niet in staat om gehoorzaam te zijn. Alleen wie in het Woord van Christus blijft, kan zeggen dat hij waarachtig een discipel van Hem is (Joh. 8:31). Alleen wie de Schriften onderzoekt met het doel om daarin het eeuwige leven te ontdekken, kan Christus leren kennen, omdat de Schrift van Hem getuigt (Joh. 5:39). Het zijn de heilige Schriften die wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus. Dat is de effectiviteit of het nut van de Schrift volgens 2 Tim. 3:16.

Het gebrek aan Bijbelkennis leidt ertoe dat men de Wet van Christus niet langer kent, en daarom ook niet langer gehoorzaamt. De afval van het geloof begint met het verwaarlozen van de studie van de Schrift. Het is een zaadje van verwording dat groeit en groeit, en vaak gezaaid wordt op de middelbare school, wanneer gezin en kerk niet langer de nodige geestelijke voeding geven. Als volwassenen niet langer leven met de waarheid die in de Schrift is neergelegd en hun eerbied en respect voor Gods Woord niet voortdurend aan hun kinderen tonen, zal de jongere generatie het Woord gaan verwaarlozen.

Vooral de fatale gedachte dat het niet nodig is om het Woord te kennen om te weten wat we in het dagelijks leven moeten doen – het begrip “naastenliefde” wordt als voldoende gezien – leidt tot onverschilligheid tegenover de Bijbel. Maar een paar regels uit de catechismus en een handvol teksten die worden begrepen vanuit een persoonlijke uitleg, kunnen de afval van het geloof niet tegenhouden. Zonder grondige kennis en studie van het Woord zal de omliggende cultuur in staat zijn om haar axioma’s, principes en meningen in onze lege harten te leggen. Harten die alleen gevuld hadden mogen zijn met Gods Wet en het Evangelie. Alleen de dagelijkse omgang met Gods Woord kan ons behoeden voor de bedrieglijke en verleidelijke invloed van de heidense cultuur waarin wij leven. Juist omdat de westerse cultuur niet langer doordrongen is van christelijke waarden en het Evangelie een vreemde boodschap geworden is, is Bijbelstudie noodzakelijk om de leugen tegen te houden.

Om maar niet te spreken van de noodzaak van deze Bijbelstudie om bekwaam en geschikt te zijn om te weerleggen en te verbeteren, om “tot alle goed werk volmaakt toegerust” te zijn. Elke mening die zich verheft tegen de kennis van God, moeten we kunnen neerslaan; elke gedachte die rebelleert tegen Christus als Heere moet worden gevangengenomen en onder de gehoorzaamheid aan Christus worden gebracht (2 Kor. 10:5).

Als het Christelijk geloof alleen maar een mening zou zijn temidden van vele andere; als het alleen maar aankomt op goede bedoelingen en waarheid geen rol zou spelen dan zou ook Gods Woord geen belang meer hebben. Zodra we zeggen dat het uiteindelijk alleen maar gaat om persoonlijke religieuze meningen en ervaringen, zijn verschillen in religieuze houding en overtuiging niet meer van belang, en dan is er ook geen geldige reden om te betreuren dat onze kerken leeg zijn. In een lege kerk kan men tenminste nog de eenzaamheid vinden die nodig is om met de eigen mening en ervaring alleen gelaten te worden. Maar het christendom is ook de Wet van Christus. Het is het evangelie van de Heere! Het geloof in Christus hoort zich te manifesteren in de manier waarop wij leven en denken. Gebrek aan kennis van Christus en Zijn Woord toont zich dus meteen al in de volstrekte assimilatie aan de omringende cultuur en haar morele opvattingen. Men zal zonder die kennis ook niet eens kunnen inzien hoe diep de tegenstelling is tussen Gods woord in Christus en het moderne heidendom waarin wij leven.


Het vervolg: verwerpen en afkeer krijgen.

Nu heeft gebrek aan kennis van de Bijbel ook als kenmerk, zeker voor degenen die toch nog enige christelijke opvoeding hebben genoten, dat het niet zomaar genegeerd kan worden. Onkunde leidt tot agressie. Het derde stadium van afvalligheid is kritiek en haat tegenover degenen die Gods Woord wel volledig serieus nemen. Elke modaliteit heeft daarom zijn eigen vijandbeeld. Doopsgezinden die onderweg zijn naar het atheïsme beschuldigen “Gereformeerden” van hypocrisie. Hersteld Hervormden spreken schande van de overdrijvingen van de Vrijgemaakten. Hervormden klagen over het fanatisme van de Baptisten en hun verwerping van de kinderdoop. En wie het niveau van het atheïsme al bereikt heeft, verzet zich heftig en boos tegen gelovigen in het algemeen en reduceert het geloof tot een psychologisch ziektebeeld. De verwerping van Gods Woord mondt altijd uit in woede en spot tegenover het Bijbelgetrouwe christendom. Men beroept zich op de God van de Eeuw, de Tolerantie, en haar goddelijke gemaal: de (verkozen) Onwetendheid.

De nieuwe Tolerantie leert immers, dat het een sociale zonde is om een mening te koesteren die impliceert dat een ander onwaarheid aanhangt, dat een andere mening minder waarde zou hebben dan de eigen mening. Bijbelse tolerantie is de aanvaarding van de waarde van een mens, ondanks het inzicht dat die mens een leugen heeft verkozen boven de waarheid. “Ik respecteer jou, maar niet je mening.” De intolerantie tegenover de leugen is de grondslag van elke waardevolle dialoog waarin waarheid gezocht wordt. Maar de afgod Tolerantie schrijft intolerantie voor tegen elke religieuze overtuiging die meer wil zijn dan een persoonlijke mening. Wie de Bijbel niet als waarheid bestudeert, zal Gods Woord niet gehoorzamen; en uiteindelijk minachten wie dat wel doet.

Deze minachting vraagt ook om een rationele argumentatie. Men komt er toe om met oppervlakkige argumenten de Bijbel als irrelevant neer te zetten. Evolutie leert dat Schepping een sprookje is; de filosofie van de Verlichting leert dat het Bijbelse gebod een primitief systeem van recht is. Men ziet in Bijbelgetrouwe christenen alleen mensen die hun kritisch vermogen hebben opgegeven om zich vast te houden aan fabels. Vele christenen die nog wel een band met de kerk hebben behouden, zoeken naar een gematigde vorm hiervan. De studie van Gods Woord, zeggen ze, is een plicht van de voorgangers alleen. Het is hun taak om de Schriften zo uit te leggen, dat de oppervlakkige meningen en persoonlijke religieuze ervaringen van de gemeente niet worden tegengesproken maar juist worden bevestigd en versterkt.

Maar dat is niet de Wet van Christus die aan elke gelovige de opdracht geeft om te leven in en met Gods Woord. Het leven van gelovigen berust niet alleen op het “bad van het water door het Woord” (Ef. 5:26), maar bestaat juist in het vervuld raken met dat Woord zodat we met elkaar spreken in de vorm van lofzangen, geestelijke liederen en psalmen, die dan ook ons innerlijke leven vervullen (Ef. 5:19). Zo woont het Woord van Christus in heel zijn rijkdom onder ons: in leer en vermaning, in psalm en lofzang en geestelijke liederen (Kol. 3:16).

Wie onderweg is naar het ongeloof, zal dit alles als intolerantie tegenover het atheïsme beschouwen. De afkeer voor Bijbelgetrouwe christenen, ook onder mensen die nog een kerkelijke band hebben, wordt versterkt door de aanval op de Bijbel. Daarbij valt steeds weer op dat de verwerping van Gods Woord in verreweg de meeste gevallen berust op totaal onbegrip. Maar de moderne cultuur levert een groot aantal vaste vormen van deze verwerping aan iedereen die het horen wil: de onmogelijkheid van goddelijke inspiratie, de vele fouten in de Bijbelse geschiedenis, het mythische karakter van Genesis, het symbolische karakter van de opstanding van Jezus, het immorele karakter van de leer van de vergeving op grond van het offer van Christus et cetera. Alleen degene die het Woord werkelijk kent en begrijpt, is bestand tegen deze aanvallen, en in staat te doorzien welke vormen van humanistische overmoed aan die kritiek ten grondslag liggen.


Het vervolg: niet alle geboden doen – het Verbond vernietigen.

Men kan zich in dit stadium nog een christen noemen. Ondanks Bijbelvijandige overtuigingen. De Bijbel is alleen maar het product van primitieve mensen in het verleden, zegt men. De Bijbel is dus niet Gods Woord. Bijbelgetrouwe christenen zijn intolerant. Men hoeft de eigen meningen en religieuze ervaringen niet onder het gezag van Gods Woord te brengen. Ook in de Kerk staat vrijheid van opvatting en belijden  bovenaan. En de cultuur en de moderne wetenschap zijn een betere aanwijzing voor de waarheid dan de Schrift. Toch kan iemand zich christen noemen, door Bijbelse uitspraken uit hun context te rukken en daar betekenissen aan te geven die in overeenstemming zijn met zijn eigen verlangens. Wat verworpen wordt, is wat Paulus de “gezonde leer” noemde. Die is in dit stadium onverdraaglijk geworden. Omdat de waarheid niet langer erkend wordt, wordt ze ook niet langer gehoord. Men wil nog wel morele lessen horen, fabels, en er zijn leraren genoeg te vinden die deze fabels kunnen uitleggen en toepassen op het dagelijks leven. Het respect voor het werk van vroegere generaties om de Bijbelse waarheid te doorgronden en te formuleren, is hier al volledig verdwenen.

Het eerste gevolg daarvan is, dat niet langer die geboden uit de Wet van Christus worden gevolgd, die in strijd zijn met de eigen verlangens. De toepassing van het gebod op de naastenliefde krijgt bijvoorbeeld als beperking, dat de verkondiging van het evangelie aan buitenstaanders daarmee in strijd zou zijn. Je mag een ander immers niet het gevoel geven dat zijn mening niet belangrijk genoeg zou zijn. Je mag ook zelf bepalen wie en wat deze naaste is. Zo kan het komen dat de status van asielzoekers als “naaste” op zeer verschillende manieren worden uitgelegd. Er is geen concrete manier om het gebod te gehoorzamen dat we God moeten liefhebben. De geboden die de relatie tussen God en de gelovigen bepalen, zoals de opdracht om voortdurend te bidden, en begeerten niet eenvoudigweg na te jagen, maar “door bidden en smeken, met dankzegging bekend (te laten) worden bij God” (Fil. 4:6), vallen dan ook geheel en al weg. Alleen het gebed uit nood of het kerkelijke formuliergebed wordt nog gerespecteerd. De opdracht om God lief te hebben boven alles, wordt zo uitgelegd dat zij wordt vervuld door de liefde tot de naaste die nu als het hogere gebod geldt – het enige dat praktisch zinvol is.

Daarin wordt niet gezien dat ook het gebod tot naastenliefde slachtoffer wordt van de oppervlakkigheid en willekeur waarmee zij wordt uitgelegd. Hoeveel haat is er niet jegens bepaalde voorgangers? Hoeveel onvrede tussen broeders en zusters in dezelfde gemeente? Hoe weinig erkenning en liefde voor degenen die als extreem en fanatiek worden afgeschilderd? Heel paradoxaal is het, dat veel kerkelijke gelovigen in het heden nog uitsluitend de nadruk leggen op het gebod van de naastenliefde, en zo volledig onwetend zijn over de ware betekenis daarvan.

Het is een onwetendheid die berust op onwil. Dat wij de Heere moeten dienen en niet de mensen, zou axiomatisch moeten zijn. Dat we vader en moeder moeten eren – wie weet nog wat dat betekent? – krijgt nog maar weinig aandacht. Of de opdracht aan vaders om hun kinderen op te voeden “in de leer en vermaning van de Heere” ( Ef. 6:4). Dat zijn allemaal geboden die de liefde voor de naaste concreet maken. Maar in deze fase van afvalligheid worden deze geboden niet meer gehoord en niet meer begrepen of zelfs gezien als een verouderde moraal.

Voor mensen met een kerkelijke achtergrond komt daar nog bij, dat in dit stadium van de afvalligheid het verbond in het geding is dat met de doop aan hen is bevestigd, dat velen zelf in hun belijdenis op zich hebben genomen en in de viering van het Heilig Avondmaal hebben geproclameerd. Ondanks de vermaning dat de doop niet uit gewoonte of bijgelovigheid kan worden gebruikt, blijkt dat maar al te vaak het geval te zijn. In de doopgelofte zegt men immers dat men de leer van het Oude en Nieuwe Testament en de 12 artikelen van de Apostolische Belijdenis opvat als de “waarachtige en volkomen leer der zaligheid.” En dat ouders dus beloven dat zij naar vermogen hun kinderen zullen onderwijzen in deze leer. In de liturgie voor het afleggen van belijdenis wordt zo ook gesproken over “het volharden in het gebed en in het lezen van de heilige Schrift.” En dan is het ook zo dat bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen nadrukkelijk wordt gevraagd: “Erkent gij de heilige Schrift als de bron der prediking en als enige regel des geloofs en verwerpt gij elke leer, die daartegen strijdt?” Welke ouderling voelt zich daar nog aan gebonden?

De doop, de belijdenis en het deelnemen aan het Avondmaal, evenals de aanstelling tot het ambt van ouderling en diaken, vergen dus de erkenning van de heilige Schrift en de (gezonde) leer en maken daarvan een noodzakelijk onderdeel van het verbond. Daaruit volgt dat de verwerping van de heilige Schrift en de leer ook een verwerping is van dat verbond. Het is een simpele conclusie: wie het Woord niet bestudeert en dus ook niet doet, en afkeer krijgt van degenen die het wel doen en in plaats daarvan een eigen weg probeert te zoeken buiten de Schrift om, handelt in strijd met de doop, de belijdenis en de voorwaarden van het Avondmaal.


Conclusie

Deze logica kan niemand loochenen: als de Bijbel Gods Woord is en geen menselijk verzinsel, dan moet ook de Wet van Christus – Zijn woorden die een opdracht inhouden aan ons – vandaag voor ons verplichtend zijn. Als God niet gesproken heeft tot de profeten, en uiteindelijk Zichzelf niet volledig geopenbaard heeft in Zijn Zoon, dan is er ruimte voor menselijke gedachten, meningen en ervaringen. Maar als God wel gesproken heeft in Christus, dan is het aan ons om Zijn Woord te geloven en te gehoorzamen. De laatste fase van deze ontwikkeling is het volstrekte ongeloof waarmee iemand zichzelf buiten de Kerk plaatst. De ontkenning dat het Woord van God werkelijk door God is geopenbaard, leidt er uiteindelijk toe dat men het bestaan van God Zelf moet ontkennen. Zo iemand zal dan met een zucht van verlichting de Kerk ook daadwerkelijk verlaten. Dat probeert men tegen te houden door wat meer over moraal en wat minder over God te spreken. Het blijkt niet te werken in de praktijk, maar het is ook vals. In strijd met de roeping van de kerk. Als het in de prediking van de Kerk niet uiteindelijk gaat om het spreken van God Zelf, wat is die kerk dan nog? Daarom raken de kerken leeg, of zijn ze gedeeltelijk gevuld met mensen die bezig zijn hun geloof te verliezen of achter zich te laten. Koude harten in een bijna lege kerk – dat is de omschrijving van de kerk van nu.

“Hoe komt het dat die stad, die eens vol volk was, zo eenzaam is geworden?” Het antwoord staat een paar verzen verderop: “Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij een afgezonderde geworden.” De zonde van Jeruzalem was niet een verkeerde of verouderde liturgie, was niet in de eerste plaats haar sociaal onrecht, was niet eens in de eerste plaats het toelaten van de afgoderij. De kern van alles dat tot al deze andere zonden geleid heeft, was de verwaarlozing van de studie van Gods Woord. Onkunde over Gods werk en Zijn wil, onbegrip over de daden van God in de geschiedenis en de woorden (opdrachten) die God aan Zijn volk heeft opgelegd, waren de kern van het verval van Jeruzalem. Geest en hart – de bronnen van ons denken en handelen – werden niet langer geraakt door het licht en de kracht van het goddelijke Woord. Vergissing en illusie namen de plaats in van Gods Waarheid. Daarom mogen we zeggen met een variatie op het woord van de profeet:

Waarom raakte de Kerk in verval?

“Omdat zij Mijn Onderwijs hebben verwaarloosd!” zegt God. (Jer. 9:11-12)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *