De vernedering van Jezus

Tussen Markus 15:22 en 16:1 vinden we de beschrijving van de kruisiging, het sterven en de begrafenis van Jezus. Een tweetal kleinere scènes in 15:16-21 gaat daaraan vooraf. Deze hebben tot doel te laten zien op welke manier de soldaten (die Rome vertegenwoordigen) het koningschap van Jezus behandelen. Het is uiteraard de vooronderstelling van de evangelist dat Jezus daadwerkelijk de messiaanse koning is. Dat staat buiten alle discussie. De soldaten trekken hem nu een purperen kleed aan en laten hem een doornenkroon dragen. Hun spottende uitroep: “Wees gegroet, gij koning der joden” is een parodie van de erkenning die Jezus eigenlijk verdiend had. Eveneens de hulde die ze hem bewijzen door voor hem op de knieën te vallen. Dat spottende gebaar heeft een dubbele bodem. Paulus voorziet dat alle mensen hun knieën zullen buigen voor deze koning in oprechte erkenning en aanbidding. Wat de soldaten nu op spottende wijze doen, is volgens Paulus iets wat ze onvermijdelijk in de toekomst in ernst zullen doen.

Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer, ‘tot eer van God, de Vader. (Fil 2:9-11)

De tweede scene vormt met de bespotting één geheel. Een ter dood veroordeelde moest vanuit de gevangenis de dwarsbalk van het kruis op zijn rug meedragen, een gewicht van ongeveer 45 kilo. Op zich was dat niet te zwaar. Een volwassen man, zelfs na een zware geseling, zou dat moeten kunnen. Maar als deze Jezus dan de koning van de joden is, dan zal een van zijn onderdanen dat voor hem moeten doen. Zo wordt het een optocht naar de plaats van executie die opnieuw op spottende wijze het koningschap van Jezus laat zien.

De inschakeling van Simon van Cyrene (Noord-Afrika) is dus een onderdeel van de parodie. Hier loopt de koning van de joden met een enkele onderdaan en deze draagt het middel van de executie achter hem aan. Zo heeft Jezus inderdaad “volgelingen” die hem plechtig uit de stad begeleiden. Op een ironische manier wordt hier een woord van Jezus geïllustreerd:

Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. (Mk 8:34)

Het is denkbaar de soldaten deze uitdrukking gekend hebben en juist daarom deze optocht zo georganiseerd hebben.

De soldaten marcheren nu met Jezus rechtstreeks naar de plaats van executie, Schedelplaats of Golgota geheten. Het is net zo’n aanduiding als “knekelveld” (Van Bruggen). Het gaat er niet om dat de heuvel een schelachtige vorm zou hebben en het is ook maar de vraag of het wel een heuvel is. De tekst geeft daarvoor geen aanwijzing. De plaats waar executies werden voltrokken heette gewoon: schedel of doodshoofd.

Op die plaats aangekomen wordt Jezus gekruisigd. De beker wijn die hem nu wordt aangereikt – speciaal aan hem, niet als vast onderdeel van een executie – is niet bestemd om het lijden te verlichten. Het is ook geen middel om de pijn te verdoven, maar een onderdeel van de bespotting. Wanneer de koning op reis op zijn bestemming aankomt, reikt men hem een beker met gemengde wijn aan. Het hoort tot de parodie van het koningschap die de soldaten zo uitgebreid willen opvoeren. De wijn die hem wordt aangereikt is bitter gemaakt door toevoeging van de mirre. Mirre heeft geen verdovend effect. Jezus neemt daarom de wijn ook niet aan. Hij draagt niet bij aan de parodie die met hem gespeeld wordt.

Na het quasi-eerbiedige gebaar, volgt weer een vernedering. Men verdeelt Jezus’ kleren waar hij nog bij is. Het is alsof men zich stort op de buit van een overwonnen koning (Van Bruggen).

Vervolgens wordt melding gemaakt van het bord, dat de soldaten al in Mk 15:24 op het kruis bevestigd moeten hebben. Dat was tijdens het derde uur, dat wil zeggen om negen uur ’s morgens. Veel uitstel werd dus niet gegeven. De soldaten hebben onmiddellijk in de ochtend het bevel van Pilatus uitgevoerd. Tijdens de verdeling van de kleren was Jezus dus al gekruisigd. Bovenop zijn kruis hadden zij een bord bevestigd met de woorden: de koning der joden.

Markus noemt deze woorden een aanklacht. Dat is niet verwonderlijk. De Romeinen hadden het koningschap aan Judea ontnomen. Elke claim om koning te zijn, kon alleen worden opgevat als een directe uitdaging aan het adres van het gezag van de bezetter. Dat was niet alles. De term koning van de joden, bevat nog een andere vernedering. Voor Pilatus bestaat er geen Israël. Er zijn alleen joden in een land dat deel uitmaakt van het Romeinse rijk. Het is geen serieuze aanduiding van schuld of misdrijf. Het is eerder een spot drijven met de joodse Messiasverwachting. Zij verwachten een koning uit het huis van David. Welaan, hier hangt deze koning dan aan een Romeins kruis. Het is niet zo dat Pilatus werkelijk gedacht heeft dat Jezus deze koning was. Naast Jezus worden twee rovers gekruisigd. Dat geeft aan wat Pialtus werkelijk dacht. Jezus is een misdadiger, een bedreiging van de openbare orde.

In een tussenzinnetje geeft Markus nu aan, dat al deze spot en mishandeling een keerzijde heeft.

En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.

<p>(Mk 15:28NBG51; de NBV laat het vers weg omdat sommigen menen dat dit vers een latere toevoeging is.) </p> </blockquote>

Jezus is machteloos onder de spot van de soldaten en wordt samen met rovers gekruisigd. (Volgens sommigen – C. den Heijer b.v. – zijn deze ‘rovers” eigenlijk verzetsstrijders, Zeloten geweest.) Dieper kan men niet zinken in het leven! Dan wordt het juist van groot belang om te kunnen zeggen dat dit alles een vervulling is van een Schriftwoord. In het Lukasevangelie lezen we:

Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ (Lk 22:37)

Dat is een citaat uit Jesaja:

Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen

<p>en zal hij met machtigen delen in de buit, </p>    <p>omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood </p>    <p><i>en zich tot de zondaars liet rekenen</i>. </p>    <p>Hij droeg echter de schuld van velen </p>    <p>en nam het voor zondaars op. (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Jes+53%3A12" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Jes 53:12</a>) </p> </blockquote>

Wanneer deze gebeurtenissen kunnen worden gezien als een vervulling van de profetie, ga je er anders naar kijken. De machteloosheid van Jezus is een gebeuren dat hij toelaat en aanvaardt. Hij geeft zijn leven prijs. De soldaten zetten hem op één lijn met rovers, maar de profetie zegt: “hij liet zich tot de zondaars rekenen.” En door dat alles krijgt Jezus’ dood een bijzondere betekenis: “hij droeg de schuld van velen.” Die uitdrukking zal in de eerste plaats betekenen dat de omstandigheden waarin de executie van Jezus mogelijk was, te danken was aan de politieke en religieuze ontwikkelingen van Israël. Het is de toestand van het volk onder Romeins gezag die een dergelijke gewelddadige context hebben mogelijk gemaakt. Daarmee “draagt” hij de schuld. Maar je moet dan tevens denken aan het “wegdragen” van de zonde door de zondebok en het “lam Gods” van Johannes.

Tenslotte zijn er nog de bespottingen van de voorbijgangers in 15:29-32. De soldaten hebben Jezus bespot vanwege de waan dat hij de koning van de joden zou zijn. De voorbijgangers bespotten hem, vanwege het woord dat in het Sanhedrin tegen Jezus gebruikt was. Ze geven hem het advies om nu maar snel zijn woorden waar te maken en zichzelf te gaan redden. Als Jezus dan zoveel goddelijke macht heeft, is dit het moment om er gebruik van te maken. De spot is erop gericht om Jezus’ claim op het koningschap belachelijk te maken omdat hij die niet met gewel
d en overmacht kan doorzetten. Ook de overpriesters en schriftgeleerden redeneren bij Markus zo. Als Jezus de Christus is, de koning van Israël, dan moet dat worden aangetoond door een groot vertoon van macht. “Laat hij nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven” zeggen ze tegen elkaar. Door Jezus aan de Romeinen over te leveren en te laten executeren is het bewijs geleverd dat hij niet de ware messias kan zijn. Daarmee kan de menigte tot rust worden gebracht die met Palmpasen nog hun geloof op Jezus stelde. Natuurlijk verwachtten zij geen ogenblik dat Jezus werkelijk van het kruis af zou komen.

Door te vermelden dat ook de beide rovers hem beschimpen maakt Markus duidelijk dat de spot voor Jezus algemeen is. Zelfs zijn lotgenoten in het lijden distantiëren zich van hem. Jezus blijft dus werkelijk alleen achter.

Het verhoor van Jezus

Het verhoor dat nu plaatsvindt bij de Hogepriester is geen officiële zitting van het hoogste religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Het Sanhedrin kwam overdag bijeen in een openbare zitting. Als het al kan gelden als een vergadering van het Sanhedrin was het een uitzonderlijke: een besloten en informele zitting die als voorbereiding had kunnen gelden voor een formele zitting in de ochtend. De leden van het Sanhedrin komen nu bijeen in het huis van de hogepriester Kajafas om hem te verhoren. Alle religieuze groeperingen komen daar bijeen met als enige doel Jezus te veroordelen en een grondslag te vinden om hem aan de Romeinse bezetter over te dragen.

Het eigenlijke verhoor is niets anders dan een show-proces. De genoemde getuigen zijn leden van het Sanhedrin zelf. Er is immers niet door buitenstaanders een aanklacht tegen Jezus ingediend die nu door de aanklagers voor een onafhankelijk rechtscollege moeten worden onderbouwd. Het Sanhedrin is zelf de instantie die Jezus probeert te veroordelen. Het vermijden van een opstand onder het volk is blijkbaar de belangrijkste en begrijpelijke motivatie.

De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. Ze zeiden bij zichzelf: Tijdens het feest kan dat niet, want dan komt het volk in opstand. (Mk 14:2)

Men wil in deze zitting alleen een rechtsgrond formuleren om Jezus te kunnen uitleveren. De motivatie daarvan zou kunnen zijn, dat men achteraf de beslissing wil kunnen rechtvaardigen tegenover de andere, in deze nacht niet beschikbare leden van het Sanhedrin. Vandaar dat Markus in 14:2 een groepering aanspreekt die onderdeel is van het Sanhedrin. Het gaat om de elite onder de priesters (hogepriesters) en “schriftgeleerden” waarmee nooit alle leden van deze beroepsgroep bedoeld kunnen zijn. Interessant genoeg ontbreken hier de farizeeën. Blijkbaar zijn deze niet in voldoende mate vertegenwoordigd om als medeplichtig te kunnen worden aangewezen.

Men zoekt dus nu geen “getuigen”, maar een “getuigenis” onder de leden van het rechtscollege. Die tactiek faalt op zo’n beschamende wijze, dat de beoogde legitimatie van de uitlevering niet kan worden gevonden:

De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden iemand een getuigenverklaring tegen Jezus te laten afleggen op grond waarvan ze hem ter dood konden veroordelen, maar dat lukte hun niet; want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet eensluidend. (Mk 14:55)

Nu zal op het woord van twee of drie getuigen de zaak vaststaan, maar wanneer de getuigenissen elkaar tegenspreken kan er geen formele rechtsgrond voor een veroordeling zijn. Bovendien wil men hier een rechtsgrond leggen voor een executie door de Romeinen. Dat betekent dat de aanklacht niets minder kan zijn dan godslastering of afgoderij met het gevolg dat een stad of een gemeenschap ook tot afgoderij wordt bewogen. Zo werd de zaak in Leviticus voorgeschreven.

Wie zijn God vervloekt, zal de gevolgen van zijn zonde dragen. Wie de naam van de HEER lastert moet ter dood gebracht worden, die moet door de voltallige gemeenschap worden gestenigd. Of het nu een vreemdeling is of een geboren Israëliet, wie mijn naam lastert moet ter dood gebracht worden. (Lev 24:14, 15)

Is de pretentie dat Jezus de messias is, een geval van godslastering? Het begrip godslastering werd ruimer begrepen dan de letterlijke tekst uit de Torah laat vermoeden. De godslasteraar is iemand die zich in zekere zin aan God zelf vergrijpt. Hij zorgt er voor dat erkenning en eer aan God worden onttrokken. Zo wordt het verwijt ook aan Jezus gericht wanneer hij zonden vergeeft:

Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.’ Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal! (Mt 9:2, 3)

Uiteindelijk treden enkele leden van het Sanhedrin naar voren die hetzelfde weten te vertellen.

Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring: ‘We hebben hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ Maar ook op dit punt waren de getuigenverklaringen niet afdoende. (Mk 14:57-59)

Dat ze niet afdoende waren moet kan betekenen dat ze onderling niet eenstemmig waren. Hebben ze die uitspraak letterlijk genomen? Het verwijt was enigszins belachelijk. Hoe kon Jezus claimen dat hij de Tempel zou afbreken? Zelfs de Romeinen zouden daar een zeer grote inzet van het leger voor nodig hebben gehad. Wat kan het betekenen dat hij de Tempel in drie dagen opnieuw zou opbouwen, als men daarbij aan de werkelijke tempel van steen moesten denken? Dat zou dan de uitspraak van een fantast zijn geweest die door niemand serieus kon worden genomen. Stel nu eens dat men die woorden figuurlijk had begrepen? Dan zou het betekend hebben dat Jezus voor zichzelf de functie claimde de plaats te zijn waar God woonde. Dan zou hij claimen dat hij de vervanging van de tempeldienst was. Misschien omdat men vanuit priesterlijk perspectief de Tempel niet alleen als de woonplaats van God op aarde, maar in zekere zin als God zelf beleefde, was elke uitspraak tegen de tempel een godslastering. Zeker als men aannam dat een dergelijke prediking succes kon hebben. De triomfantelijke intocht in Jeruzalem met Palmpasen was daarbij zeker in hun gedachten gebleven als een aanwijzing dat Jezus juist in Jeruzalem – met het Romeinse garnizoen in alarmfase één – voor een enorme onrust had kunnen zorgen. Daar kwam nog bij dat tenminste in sommige kringen het idee leefde dat de messias de luister van de tempel en Jeruzalem zou verhogen. Toch was die uitspraak niet voldoende omdat het twijfelachtig was of Jezus het letterlijk of figuurlijk bedoelde.

Nu staat de voorzittende hogepriester zelf op om het woord te nemen. Hij gaat naar het midden en staat tussen Jezus en zijn rechters in “om de schijn van onpartijdigheid op te houden.” (Van Bruggen) Hij wil van Jezus weten waarom hij geen antwoord geeft op de door de rechters zelf ingebrachte beschuldigingen. Je zou een spontaan protest verwachten bij de beschuldiging van godslastering die hier wordt uitgesproken. Onder het mom van een informatieve vraag, versterkt de hogepriester hiermee de beschuldiging. Is dat geen teken van schuld dat Jezus zwijgt?

Maar het zwijgen van Jezus heeft een andere, ontmaskerende functie. Als het duidelijk is, dat de aanklacht geen grond heeft omdat ze ofwel op valse getuigenissen ofwel op absurde gronden berusten, moet dan niet de voorzitter van het Sanhedrin zelf ingrijpen? Waarom zou Jezus zich tegen een dergelijke aanklacht moeten verweren? Op dit moment had de voorzitter moeten besluiten dat Jezus had moeten worden vrijgelaten. Jezus’ zwijgen is dus ontmaskerend. Het toont aan dat wat nu volgt, berust op politieke en niet op religieuze of juridische afweging. De eigenlijke intentie achter deze zitting wordt nu duidelijk. Kajafas, die zich tegen de valse getuigen had moeten richten, probeert nu Jezus te manipuleren zodat deze zichzelf zal aanklagen, omdat de formele rechtszitting zijn doel niet bereikt. Vandaar de vraag:

Toen vroeg de hogepriester hem: ‘Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?’ Jezus zei: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’ De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende. (Mk 14:61-64)

Wat zit daar nu achter? De hogepriester weet dat de messias de zoon van G
od zal zijn. Maar wat hij niet wil accepteren is dat de messias tegelijkertijd de zoon des mensen d.w.z. een gewoon mens zal zijn. Een messias die met overmacht komt, vergt geen geloof. De messias die zich vernedert om daardoor de zondenlast van het volk te kunnen dragen is in strijd met Kajafas’ religieuze overtuigingen. Heeft Jezus zich nu ondubbelzinnig tot de messias verklaart? Denkt Jezus dat hij het werkelijk is?

Het antwoord van Jezus is ondubbelzinnig: Dat ben ik. Ja. Hij identificeert zich ondubbelzinnig met de Zoon des Mensen die van de hemel af komt. Hij is de uiteindelijke verlosser van Israël. Ook al zal men hem kunnen doden, men zal hem ook terugzien als de zoon des mensen die van de hemel komt om Gods regering te vestigen. Omdat het voor Kajafas echter vaststaat dat Jezus die messias niet zijn kan, is deze uitspraak van Jezus een godslastering. Het plan om Jezus ter dood te brengen kan dus doorgaan. Jezus’ woorden houden eigenlijk in dat het er niet toe doet wat Kajafas en de Romeinen zullen doen. Als Jezus inderdaad de Messias is, dan zal zijn gewelddadige dood in de handen van mensen God niet hinderen om zijn doel te bereiken.

“De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende. (Mk 14:63, 64)

Nu had het Sanhedrin, zelfs als het wel in een formele zitting bijeengekomen was, onder de jurisdictie van de Romeinse bezetter geen bevoegdheid om een doodstraf te laten uitvoeren. Dat kon alleen als de bezetter een reden zag om het oordeel van de joodse rechtbank te bekrachtigen. Dat was alleen het geval wanneer de Romeinen een politiek voordeel konden zien in die bekrachtiging. Het groepje leden van het Sanhedrin werd daarom gedwongen om Jezus nu met de door hen geformuleerde aanklacht naar Pontius Pilatus te sturen en hem te vragen een doodsvonnis uit te spreken en ook uit te voeren. De religieuze aanklacht van godslastering moest dus op een of andere manier begrepen kunnen worden als politiek verzet tegen de Romeinse bezetting of als verstoring van de openbare orde.

De arrestatie van Jezus

De leerlingen vallen intussen in slaap. Zij zijn niet bij machte dit moment met Jezus te delen. Jezus is hier door mensen al verlaten, terwijl hem nog het uur wacht dat hij door God verlaten zal zijn. Uiteindelijk is de diepe worsteling van Jezus voorbij. Na een derde periode van gebed, heeft hij zijn bestemming aanvaard.

Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. (Mk 14:41)

Het is zover! Nu is de periode voorbij dat er nog gewaakt en gebeden moet worden. Nu is het “uur” aangebroken waarop alles gericht is geweest in deze laatste week. De beker gaat dus niet voorbij en Gods wil blijft onveranderd. Geen ontzetting en radeloosheid is bij Jezus te bespeuren. Nu wordt de Zoon van de Mensen overgeleverd in de handen van zondige mensen. Dat wil niet zeggen dat God de Vader de dood van zijn zoon wil en ook niet dat hij het geweld van de mensen dat nu volgt feitelijk stuurt. God weet dat zonder zijn ingrijpen zijn zoon niet veilig is in de handen van de mensen. Door het niet te verhinderen wordt duidelijk gemaakt wat de toestand is van Israël en de wereld. De machten in deze wereld worden door de dood van Jezus – die ze als HEER hadden moeten aanvaarden – ontmaskerd en in hun feitelijke gedaante tentoongesteld.

Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd. (Kol 2:15)

In de volgende gedeelten worden verschillende groepen en personen beschreven die bij de historische handeling betrokken zijn. Maar de manier waarop ze in het evangelie worden getekend heeft ook een exemplarische betekenis. We kunnen steeds denken aan een bepaalde algemene houding of toestand die deze mensen kenmerkt. Op die manier worden ze “tentoongesteld.”

Arrestatie 14:43-52

De arrestatie van Jezus was een verwarrende gebeurtenis. Uit de vier evangeliën doemt het volgende beeld op. Terwijl Jezus naar de uitgang van Getsemane loopt, komt Judas hem tegemoet en valt hem om de hals. Jezus spreekt over het uitleveren door een kus en meteen daarna duikt een groep gewapende mannen op. Hij vraagt om de vrije aftocht van zijn leerlingen en grijpen Jezus beet. Op dat moment verzet Petrus zich heftig en slaat met zijn zwaard het oor van de knecht Malchus af. (Markus noemt deze naam niet.) Jezus bedwingt dit opkomende geweld en zegt opnieuw dat dit alles noodzakelijk is opdat de Schriften worden vervuld.

Het is opvallend hoe sterk de evangeliën benadrukken dat de komende gebeurtenissen niet zonder Gods regie verlopen. Jezus heeft net gesproken over zijn uitlevering wanneer Judas op het toneel verschijnt. Judas verrast Jezus niet. De groep bewapende mannen die nu opduiken kunnen deel uitmaken van de joodse tempelpolitie. Het is in ieder geval duidelijk dat zij gestuurd worden door de “overpriesters en wetgeleerden en oudsten.” Met die uitdrukking wordt het hele religieuze establishment aangeduid. Daardoor krijgt de arrestatie ook een officieel karakter. De diepe afkeer die Jezus’ optreden bij de religieuze leiders van Israël had opgeroepen – niet allen, maar op dat moment blijkbaar degenen die macht hadden – en die al eerder tot een samenzwering tegen zijn leven had geleid, voltooit zich nu in de arrestatie van Jezus.

Dat het om gewapende mannen gaat bewijst dat men zich voorstelde dat Jezus zich met geweld zou verdedigen. Wellicht dat hier ook de aanwijzing wordt gegeven dat de afkeer werd opgeroepen door de misvatting dat Jezus een poging deed met geweld een ander regime te vestigen. Petrus’ reactie kan in die context ook goed worden geduid. Voor hem, evenals voor Judas, is het niet duidelijk wat Jezus bedoeld heeft met zijn andere Koninkrijk. De les van de Bergrede – de vijand lief te hebben – is door hem niet geleerd. Het geeft in zekere zin de gelegenheid aan de evangelist om nog eens duidelijk te maken dat Jezus de komende gebeurtenissen in gelatenheid ondergaat en elke daad van gewelddadig verzet afwijst. Zo is zijn koninkrijk niet! Het is duidelijk dat de weg van de messias Jezus niet wordt begrepen. Zo hadden ook de Schriften het geformuleerd:

want vijandig en bedrieglijk is de mond

<p>van hen die mij beschuldigen, </p>    <p>hun tong spreekt niets dan leugens,</p>    <p>ze bestoken mij met woorden van haat, </p>    <p>zonder reden bestrijden ze mij. </p>    <p>Ik bid voor hen, </p>    <p>maar mijn liefde roept vijandschap op,</p>    <p>ze vergelden goed met kwaad, </p>    <p>woorden van haat zijn de dank voor mijn liefde (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Ps+109%3A2-5" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Ps 109:2-5</a>)</p> </blockquote>

Zo krijgt de geweldloze leraar de behandeling van een terrorist. Jezus spreekt niet tegen. Hij laat zich “tot de zondaars rekenen” om op die manier te kunnen ontmaskeren dat niet hij, maar zijn tegenstanders het systeem van de dwang en het geweld representeren.

De Schriften moeten worden vervuld – zegt Jezus in het evangelie van Markus. Ongetwijfeld heeft de evangelist dan teksten in gedachten gehad die al eerder in het evangelie een achtergrond gevormd hebben:

 

<p>Om onze zonden werd hij doorboord, </p>    <p>om onze wandaden gebroken. </p>    <p>Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, </p>    <p>zijn striemen brachten ons genezing. </p>    <p>…</p>    <p>Hij offerde zijn leven voor hun schuld, </p>    <p>om zijn nageslacht te zien en lang te leven. </p>    <p>En <i>door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.</i></p>    <p>…</p>    <p>omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood </p>    <p>en zich tot de zondaars liet rekenen. </p>    <p>Hij droeg echter de schuld van velen </p>    <p>en nam het voor zondaars op (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Jes+53%3A5" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Jes 53:5, 10, 12</a>)</p> </blockquote>

Het is deze bereidheid van Jezus om gearresteerd te worden die nu de discipelen grote angst inboezemt. Een messias voor wie ze hadden kunnen vechten, om dan hopeloos ten onder te gaan als waarachtige martelaren voor de goede zaak, zou nog wel in hun denken gepast hebben. Wat hen tot de vlucht aanzet is de volstrekte onderwerping van Jezus aan de macht van de overheden. “Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg.” (Mk 14:50)

Markus kent nog een merkwaardige passage (14:51,52) over een jonge man die bijna zelf ook gearresteerd werd, maar wist te ontkomen met achterlating van zijn bovenkleed. Anders dan de leerlingen probeert deze verder ongenoemde man de groep gewapende mannen met Jezus te volgen. Men heeft in de traditie deze jonge man nog wel eens met Markus geïdentificeerd. Het lijkt eerder een middel van Markus om het verhaal van de arrestatie en de vlucht enige dramatische glans mee te geven. (Van Bruggen)

In de hof van Getsemane

Na de Pesachmaaltijd komen de leerlingen bij een stuk akkerland of wellicht olijfboomgaard om daar de nacht door te brengen. Jezus geeft aan zijn leerlingen de opdracht om wakker te blijven tijdens zijn gebed. Na het gebed zal de voorbereiding van het koninkrijk waarschijnlijk verder gaan. Petrus, Jakobus en Johannes worden meegenomen om dichterbij te zijn dan de anderen. Zij zijn de getuigen van wat dan gebeurt:

Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’ Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. (Mk 14:33-35)

Onrustig en angstig is misschien nog te zwak vertaald. Jezus “raakte ontsteld en buiten zichzelf” zit er dichterbij. Jezus is vol angst en huiver voor wat hem nu wacht. Markus geeft ook de inhoud van dit gebed aan. Jezus bidt of er een andere weg zal zijn om het Koninkrijk te vestigen dan door zijn dood heen. De kernwoorden van Jezus’ gebed vinden we echter enkele verzen later:

Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ (Mk 14:35, 36)

Het drinken van de beker staat voor het ondergaan van oordeel en woede. Zo is de beker al betiteld in een ander vers:

Maar Jezus zei tegen hen: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of de doop ondergaan die ik moet ondergaan?’ (Mk. 10:38)

Wat er nu komt is niet alleen het tragische einde van Jezus’ leven, maar heeft verregaande consequentie voor de hele wereld. Wanneer Jezus plaatsvervangend sterft voor alle mensen, is hij niet alleen een slachtoffer van menselijk geweld, maar zal hij ook de afkeer voelen die God heeft tegenover de zonde. Het lam wordt immers “beladen” met de zonde, het ‘draagt” deze weg. Het is vooral de bitterheid van dit verlaten worden door God, die hier als een diepe huiver over jezus komt. Wanneer hij het paaslam is, zal hij door God verlaten worden. Jezus wordt om die reden door Zijn vader overgeleverd. Er is geen andere weg: hij moet sterven. Gods vermogen is uiteraard onbeperkt. Hij kan elke weg kiezen die hij maar wil. Maar Jezus is er van overtuigd dat God daadwerkelijk deze weg gekozen heeft. Jezus onderwerpt zich dan ook aan deze bijzondere wil van zijn Vader. “Laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.”

HSV – NBV, een kleine vergelijking

Nog maar eens een keer een kleine vergelijking NBV – HSV. Nu niet zozeer vanuit de vraag wat de grondtekst precies te bieden heeft, maar vanuit de vraag hoe ‘rijk’ de tekst is en welke suggesties ze doet. Overigens: de HSV is hier veel dichterbij het origineel.

Rom. 1: 19 – 23 – de NBV vergeleken met de HSV

19 Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt.

19   omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard.

Kenbaar gemaakt tegenover geopenbaard. Met het woord ‘openbaring’ wordt duidelijk dat het niet gaat om natuurlijk kennis, die in de schepping besloten ligt, maar om een daad van God.

20 Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn,

20   Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.

Het idee van ‘eigenschappen’ staat niet in de grondtekst en voegt een wijsgerige houding aan het geheel toe. De ‘dingen’ is opzettelijk vager dan dat. Gekend en doorzien is nu verdeeld over: met het verstand waarneembaar   en ‘zichtbaar’ in zijn werken. Het gaat niet over zichtbaarheid, maar over wat doorzien kan worden, en het gaat niet over wat het verstand waarnemen kan (wat niet kan, het verstand neemt niet waar, maar redeneert),. Het ‘zodat’ is essentieel, het gevolg van deze kenbaarheid wordt bedoeld. In de NBV lijkt het nu een aparte stelling die geen verband houdt met het vorige.

21 want hoewel ze God kennen, hebben ze hem niet de eer en de dank gebracht die hem toekomen. Hun overpeinzingen zijn volkomen zinloos en hun onverstandig hart is verduisterd.

21 Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt,  maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.

‘Als God’ verheerlijken en danken wordt nu uitgelegd als iets wat Hem ‘toekomt’ – maar de kracht van ‘als’ God gaat verder, omdat daarin ook het idee zit van de erkenning van God. God is God. Met wie Hij is hebben we volkomen ernstig om te gaan.

22 Terwijl ze beweren wijs te zijn, zijn ze dwaas

22 Terwijl zij zich uitgaven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden,

Het gaat niet alleen om de statische tegenstelling wijs – dwaas, maar vooral over het feit dat de dwaasheid gekomen is juist vanwege de pretentie wijs te zijn. geworden hoort er dus bij.

23 en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren.

23   en hebben zij de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door een beeld dat lijkt op een vergankelijk mens, op vogels en op viervoetige en kruipende dieren.

Het gaat niet alleen om beelden, maar nog erger, op een beeld van een gelijkenis van een schepsel. Met andere woorden, met deze verdubbeling geeft Paulus aan hoe ver dit ‘godsbeeld’ verwijderd is van het origineel. Het beeld lijkt op een gelijkenis van een schepsel. In de NBV valt dit weg.

De Christus moest veel lijden…

In de week tussen Palmpasen en Paasochtend gaat het om het lijden en de dood van een man die meer dan 2000 jaar geleden is geboren. Je kunt je afvragen waarom dat voor ons nog relevant kan zijn. Het verhaal is op zich ontroerend. Een joodse man komt op voor zijn idealen maar wordt door een wrede bezetter gedood. Zijn dood is een publiek spektakel. Dat lot ondergingen vele joden in zijn tijd, maar geen van hen is zo wereldberoemd geworden. We kunnen met onze historische blik nog wel zien, dat de onschuld van deze man in scherp contrast staat tot zijn levenseinde. Het hele verhaal vormt een contrast met onze morele idealen en het is een monument van de wreedheid van een regime die we niet meer accepteren in onze tijd. Het scherpt onze blik voor het lijden van enkelingen onder totalitaire regimes in onze geschiedenis: in Nazi Duitsland, in het voormalige Oost-blok, in Zuid-Amerikaanse landen. Het komt nog steeds voor.

Zo kan zelfs voor niet-christenen het verhaal van Jezus’ lijden (zijn passio in het latijn) een symbolische waarde krijgen. De persoon van Jezus is zelf omstreden. Wat christenen geloven over Jezus Christus is niet zo duidelijk meer. Ook christenen zijn verdeeld geraakt. Juist ook in Nederland. Het gaat vooral over de vraag welke betekenis het lijden en sterven van Christus voor mensen van nu kan hebben. En dat staat weer in nauw verband met de vraag wie Jezus Christus eigenlijk is.

De lijdensgeschiedenis

De lijdensgeschiedenis is vermoedelijk een zelfstandig verhaal geweest dat door de evangelisten uit één of meerdere bronnen is overgenomen. Het heeft een typische structuur:

Voorbereiding met de discipelen

  1. Het avondmaal met de discipelen
  2. Het verblijf in Getsemane; Jezus bidt om redding

Het optreden van de joodse overheden

  1. De gevangenneming van Jezus
  2. Het verhoor door de Raad; de uitlevering
  3. De verloochening door Petrus

Het optreden van Rome

  1. De voorgeleiding bij Pilatus
  2. De bespotting door de soldaten

Jezus’ dood en opstanding

  1. De kruisiging, het sterven en de begrafenis van Jezus
  2. De opstanding

Het verhaal begint dus in de intieme kring van de leerlingen van Jezus. Dan wordt de kring wijder wanneer we Jezus tegenover de joodse religieuze autoriteiten zien staan. Tenslotte representeert Rome de politieke macht van de wereld. Jezus staat met zijn koninkrijk – dat geheel anders is dan dat van de keizer – tegenover Pilatus. Twee vertegenwoordigers van twee geheel verschillende machtssystemen staan tegenover elkaar.

De vernedering en geseling van Jezus in de handen van de soldaten is de opmaat tot het verhaal van de kruisiging zelf. Jezus is dan geheel en al alleen. De discipelen hebben hem niet kunnen bijstaan en Petrus heeft hem zelfs geloochend. De religieuze autoriteiten hebben hem veroordeeld hoewel ze eigenlijk geen goede rechtsgrond voor een veroordeling kunnen vinden. De juridische macht van Rome spreekt weliswaar Jezus vrij, maar is om politieke redenen gedwongen hem te laten kruisigen. Uitgebreid wordt de nederlaag van Jezus in beeld gebracht: de kruisdood in verlatenheid en de begrafenis zijn het einde van de geschiedenis van de mens Jezus van Nazaret.

Paulus, de antifilosoof

Ik dacht dat ik na het lezen van Karl Barths commentaar op de Romeinenbrief, in zijn twee edities, niet makkelijk meer geschokt zou kunnen worden. Het kritische potentieel van Paulus’ brief werd door Barths speelse en actuele commentaar naar een grote hoogte opgevoerd. Maar er gebeurde mij onlangs nog iets anders, namelijk door de lectuur van Alain Badiou. Dit ene werk heeft diepe indruk op mij gemaakt: Saint Paul, La fondation de l’universalisme. Het is een boek om je adem bij in te houden.

Is het mogelijk om aan de teksten van de theoloog Paulus recht te doen, en dat als filosoof, wanneer je hem ziet als de antifilosoof bij uitstek en wanneer je de kern van zijn verkondiging, de realiteit van de opstanding van Christus, als een sprookje moet beschouwen? Waarom willen wijsgeren eigenlijk Paulus lezen? Verkondiging is een subjectief gebaar, zegt Badiou, dat niets te maken heeft met het wijsgerig streven naar rationeel inzicht. Maar volgens Badiou is er een verbindende lijn tussen Paulus en onze tijd. Kunnen we bij hem niet de poging zien om het verband te begrijpen tussen een menselijk subject zonder (etnische, sociale) identiteit en een wet zonder grondslag, een lege thora? Er zou een hedendaagse noodzaak kunnen bestaan om na te denken over de betekenis van het subjectieve gebaar van Paulus’ verkondiging en de macht waarmee het uiteindelijk de etnische, sociale en politieke identiteit van Rome buiten spel wist te zetten.

Maar kan dat alles besproken worden zonder de realiteit van de opstanding daarbij te betrekken? Er ontstaat bij Badiou een interessante en symmetrische tegenstelling tot Paulus. Je kunt Paulus’ theologie karakteriseren door te zeggen dat hij zich de vraag stelt hoe de hele werkelijkheid en de geschiedenis van de mensheid er uitziet als de opstanding van Jezus een waarachtig feit is. En zo vraagt Badiou zich af wat de betekenis en strekking is van Paulus’ theologie wanneer de opstanding ondanks de verkondiging van de apostel toch slechts een sprookje is.

Dat de verkondiging van Paulus uiteindelijk zonder realiteit blijft, en alleen een subjectief gebaar is, raakt wel haar formele karakter, in dezelfde mate als waarin ze strijdig is met de oorspronkelijke intentie. Paulus weet dat de opstanding alleen maar kan worden verkondigd, maar het is geen mythisch restant dat hij tevens van de waarheid ervan overtuigd is.

Badiou betoogt dat de universele claim van die waarheid berust op de antifilosofie: de interpretatie van Paulus’ individuele ervaring onderweg naar Damascus, zijn visionaire ontmoeting met de “opgestane Heer”, zou door hem zonder omwegen tot universele waarheid zijn geproclameerd.

Die vraag raakt uiteindelijk de mogelijkheid en onmogelijkheid van de theologie zelf. Als zou blijken dat de bevestiging van de realiteit van de opstanding er inderdaad weinig toe doet, als de antifilosofie toelaat dat ze als een bijdrage in het wijsgerig discours opgenomen, dan heeft de theologie afgedaan. Dan is het zelfs noodzakelijk dat zij wordt opgeheven in een wijsgerig discours, omdat zij het, zij het op dialectische wijze en ondanks haar oppositie, zij het als subjectieve filosofie van de persoonlijke ervaring, wezenlijk altijd al was.

Of zal de filosofie moeten wijken voor het machteloze geweld van de proclamatie?

De Naam van de HEERE is een sterke toren

De Naam van de HEERE is een sterke toren

(Spr. 18:10; HSV)

Te geloven in de Naam “HEERE”, te geloven in een God die zich heeft geopenbaard, het behoort tot de vreemdste dingen van het leven. Het is makkelijker om te zeggen dat er een Iets is, een verborgen Levenskracht, een Energie die door het heelal heengaat – of te geloven in Onszelf, in ons eigen rotsvaste vertrouwen dat het allemaal goed zal komen. Dat is dan een  poging om onze geest met een hoofdletter te schrijven als Geest.

Wie de Naam van God belijdt, die aanvaardt een geschenk dat van buitenaf tot hem komt. De HEERE treedt op ons toe, zoekt ons op, schenkt ons Zijn genade, rechtvaardigt en heiligt ons, stelt ons in Zijn heilige ruimte.

Wie dan over “god’ blijft spreken doet Hem eigenlijk al tekort. Alsof je je meest dierbare vriendin met ‘mens’  aanspreekt, wat zij dan ongetwijfeld wel is, maar zo spreek je niet met elkaar. De vriendschap is persoonlijk en berust op nabijheid. Zo nabij wil deze God komen, dat Hij zich met Zijn Naam bekend maakt. “ADONAJ” zeggen de joden, aan wie de Schriften zijn toevertrouwd,  en “HEERE” zeggen wij dan in ons hart en hardop in de eredienst.

De zondag van de Drievuldigheid 19 juni gaat heel lieflijk over Gods Naam, die drievoudig is en ons zó tegemoet komt. Zo belijdt de Kerk het: God is de HEERE, d.w.z. Vader, Zoon en heilige Geest. Één Naam voor één God, die zich als Schepper, Verzoener en Verlosser aan ons openbaart.

Deze zondag is de samenvatting van alle grote feesten: Kerstmis is het feest van de Schepper die intreedt in Zijn schepping. Pasen is het feest van de Zoon die de Verzoener wil zijn en Pinksteren is het feest van de Heilige Geest die de gemeenschap bijeenbrengt rondom Gods grote Naam. De zondag van de Drievuldigheid vat het samen en zegt dat het in al deze feesten om de éne God met Zijn unieke Naam gaat.

Die unieke Naam is een sterke toren, waarin je schuilt voor gevaar, van waaruit je de wereld kunt overzien, waar je even de zorgen van het dagelijkse leven beneden ontstijgen kunt.  In de beweging van deze Naam moet je jezelf laten meenemen, hier moet je ontvankelijk worden en leren horen. Want Zijn drievuldige Naam is een sterke toren en de macht waarop het uiteindelijk allemaal aankomt.

HEERE, onze Heer, hoe machtig is uw Naam op de hele aarde. (Psalm 8:2)

Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid…

…mijn hart zal zich verheugen op uw heil (Psalm 13:6a)

Op de eerste zondag na Trinitatis wordt in veel gemeenten Psalm 13 gezongen. Vooral het zesde vers is dan natuurlijk van groot gewicht. Het is een uiting van Godsvertrouwen en van hoop op de uiteindelijke redding.

In de kerk hebben we de neiging om deze verzen – en dat geldt eigenlijk voor alle psalmen – sterk toe te passen op onze persoonlijke levensomstandigheden. Wat we dan te verstaan hebben onder de ‘vijand’ en de ‘tegenstanders’ die we in vers 5 tegenkomen is niet geheel duidelijk. De rabbijnen hebben altijd wel goed begrepen dat het in de Psalmen altijd om een collectief gaat dat wordt gerepresenteerd door een unieke figuur: de koning. Waar David dus schijnbaar vanuit zijn eigen ervaring spreekt, wordt in hem altijd mede het lot van het gehele volk zichtbaar gemaakt. Van dat inzicht werd op een curieuze manier gebruik gemaakt door Augustinus in zijn Psalmcommentaar, omdat hij wel het collectieve zag, maar in zijn toepassing gaat het nu over de Kerk en niet over Israel als zelfstandige grootheid. Het wespennest van theologische problemen dat daarin ligt zal ik nu maar even behoedzaam passeren.

1 Een psalm van David, voor de koorleider.

Het woord lammenatseeach (voor de koorleider) wordt door Hirsch vertaald met “aan Hem die de overwinning schenkt.” De psalm is bestemd voor God zelf!

2 Hoelang nog, HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?

Hoelang zult U Uw aangezicht nog voor mij verbergen?

Hoelang nog kan ook vertaald worden als: “tot waar?” in de betekenis van: tot welke diepte van ellende. Het gaat om het gebed van Israel vanuit het lijden van dat volk in de ballingschap. Wanneer we dat kerkelijk zingen, moeten we ons ervan bewust zijn dat we doorgaans aan die situatie niet denken. De kerk is niet in ballingschap, menen we. We vergeten dan voor het gemak dat het hele Nieuwe Testament de gemeente van Christus ziet als een gemeenschap van ‘vreemdelingen en bijwoners.’ De oproep uit de brief aan de Hebreeën klinkt ons wat geforceerd in de oren: ‘Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.’ (Hebr. 13:13) Dit buiten de wereld gaan staan – wat niet betekent haar te verlaten – heeft als positieve zijde dat we gericht moeten zijn op de hemelse dingen. (Kol. 3:1 – 3)

3 Hoelang zal ik nog plannen maken in mijn ziel,

verdriet hebben in mijn hart, dag na dag?

Hoelang zal mijn vijand zich nog boven mij verheffen?

“Plannen maken in mijn ziel” slaat op het bedenken van wegen en manieren om aan onheil te ontsnappen. David en daarmee het volk, is aan zichzelf overgelaten. De plannen worden gemaakt ‘in de ziel’. Het betekent dus hetzelfde als de tweede regel: hoe lang zal ik verdriet hebben.

4 Zie mij aan, verhoor mij, HEERE, mijn God!

Verlicht mijn ogen, anders ontslaap ik in de dood,

De verbinding tussen de eerste twee uitdrukkingen is sterk. ‘Verhoor mij door dat U mij aanziet’ wordt dus gezegd. De tweede uitdrukking sluit aan bij de eerste: wanneer mijn ogen verlicht zijn, dan weet ik dat de Heere mij aanziet. Het verlichten van de ogen betekent dat er licht op de ogen valt, letterlijk dus zoiets als: laat mij een spoortje van licht zien.

5 anders zegt mijn vijand: Ik heb hem overwonnen,

en verheugen mijn tegenstanders zich, wanneer ik wankel.

De vijand is in het geval van David wellicht te identificeren als de Filistijnen. Wanneer het over Israel gaat kunnen we in de loop van de geschiedenis vele kandidaten aanwijzen. De Bijbel zelf identificeert de aartsvijand met Esau, Edom, Amalek. Ook Babyloniërs en Assyriërs worden uiteraard als vijand van Israël neergezet. In de rabbijnse literatuur worden deze namen dan opnieuw gebruikt voor Rome en het triomferende Christendom.

Augustinus die schrijft in de tijd van de triomferende kerk van Constantijn kan niet verwijzen naar een menselijke vijand maar spreekt in zijn Psalmcommentaar over de duivel. De vijand is nu geheel en al verinnerlijkt en geestelijk geworden als hij meent dat de duivel eventueel ook de ‘vleselijke begeerte’ kan zijn.

Als we de duivel echter juist moeten leren zien als de drijvende kracht achter alle politieke chaosmachten in de wereld (Walter Wink) dan hebben we hier dus te doen met de werkelijke (politieke) tegenstander van Christus en zijn kerk in deze wereld. Dan moeten we spreken over de staat zelf (Van Duin) of de chaosmacht (Barth).

6 Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid,

mijn hart zal zich verheugen in Uw heil,

ik zal voor de HEERE zingen,

omdat Hij goed voor mij geweest is.

En dan tenslotte de wending naar het volkomen godsvertrouwen. De herinnering aan Gods goedheid in het verleden motiveert het vertrouwen in Zijn redding in de toekomst.

De Nieuwe Manier van Bijbel Lezen (2)

 

Tussen fundamentalisme en historisch-kritische methode is er een andere weg. Een nieuwe manier van Bijbel lezen is nog onvoldoende doorgedrongen tot ons kerkelijke leven. Het is de manier waarop de Amsterdamse School van Rochus Zuurmond en Karel Deurloo en het zogenaamde Bijbels Realisme van John Howard Yoder te werk gaan.

Wat betekent het, de ‘Bijbel te lezen?’ Niet onbelangrijk als je beseft dat de Bijbel voornamelijk bestaat uit teksten die werden voorgedragen en dus werden gehoord. In de moderne tijd zien we daarom steeds weer nieuwe vertalingen ontstaan: er is een generatie die de Bijbel niet meer kan verstaan in haar oudere vertaling SV en NBG en door anders te vertalen moet het begrip weer mogelijk worden. Dat wordt dus geleid door het idee dat het lezen van Bijbel vergelijkbaar is met het lezen van teksten waarin je snel op zoek gaat naar relevante informatie ofwel wordt vermaakt door een verhaal, want dat is onze moderne leescultuur.

In deze podcast een omschrijving van de historisch-kritische methode en de gevolgen van die methode voor het begrip van de Bijbel en het begrip ‘lezen.’

[Uopdate: die podcast was op Posterous dat lang geleden al ter ziele ging…]