De arrestatie van Jezus

De leerlingen vallen intussen in slaap. Zij zijn niet bij machte dit moment met Jezus te delen. Jezus is hier door mensen al verlaten, terwijl hem nog het uur wacht dat hij door God verlaten zal zijn. Uiteindelijk is de diepe worsteling van Jezus voorbij. Na een derde periode van gebed, heeft hij zijn bestemming aanvaard.

Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. (Mk 14:41)

Het is zover! Nu is de periode voorbij dat er nog gewaakt en gebeden moet worden. Nu is het “uur” aangebroken waarop alles gericht is geweest in deze laatste week. De beker gaat dus niet voorbij en Gods wil blijft onveranderd. Geen ontzetting en radeloosheid is bij Jezus te bespeuren. Nu wordt de Zoon van de Mensen overgeleverd in de handen van zondige mensen. Dat wil niet zeggen dat God de Vader de dood van zijn zoon wil en ook niet dat hij het geweld van de mensen dat nu volgt feitelijk stuurt. God weet dat zonder zijn ingrijpen zijn zoon niet veilig is in de handen van de mensen. Door het niet te verhinderen wordt duidelijk gemaakt wat de toestand is van Israël en de wereld. De machten in deze wereld worden door de dood van Jezus – die ze als HEER hadden moeten aanvaarden – ontmaskerd en in hun feitelijke gedaante tentoongesteld.

Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd. (Kol 2:15)

In de volgende gedeelten worden verschillende groepen en personen beschreven die bij de historische handeling betrokken zijn. Maar de manier waarop ze in het evangelie worden getekend heeft ook een exemplarische betekenis. We kunnen steeds denken aan een bepaalde algemene houding of toestand die deze mensen kenmerkt. Op die manier worden ze “tentoongesteld.”

Arrestatie 14:43-52

De arrestatie van Jezus was een verwarrende gebeurtenis. Uit de vier evangeliën doemt het volgende beeld op. Terwijl Jezus naar de uitgang van Getsemane loopt, komt Judas hem tegemoet en valt hem om de hals. Jezus spreekt over het uitleveren door een kus en meteen daarna duikt een groep gewapende mannen op. Hij vraagt om de vrije aftocht van zijn leerlingen en grijpen Jezus beet. Op dat moment verzet Petrus zich heftig en slaat met zijn zwaard het oor van de knecht Malchus af. (Markus noemt deze naam niet.) Jezus bedwingt dit opkomende geweld en zegt opnieuw dat dit alles noodzakelijk is opdat de Schriften worden vervuld.

Het is opvallend hoe sterk de evangeliën benadrukken dat de komende gebeurtenissen niet zonder Gods regie verlopen. Jezus heeft net gesproken over zijn uitlevering wanneer Judas op het toneel verschijnt. Judas verrast Jezus niet. De groep bewapende mannen die nu opduiken kunnen deel uitmaken van de joodse tempelpolitie. Het is in ieder geval duidelijk dat zij gestuurd worden door de “overpriesters en wetgeleerden en oudsten.” Met die uitdrukking wordt het hele religieuze establishment aangeduid. Daardoor krijgt de arrestatie ook een officieel karakter. De diepe afkeer die Jezus’ optreden bij de religieuze leiders van Israël had opgeroepen – niet allen, maar op dat moment blijkbaar degenen die macht hadden – en die al eerder tot een samenzwering tegen zijn leven had geleid, voltooit zich nu in de arrestatie van Jezus.

Dat het om gewapende mannen gaat bewijst dat men zich voorstelde dat Jezus zich met geweld zou verdedigen. Wellicht dat hier ook de aanwijzing wordt gegeven dat de afkeer werd opgeroepen door de misvatting dat Jezus een poging deed met geweld een ander regime te vestigen. Petrus’ reactie kan in die context ook goed worden geduid. Voor hem, evenals voor Judas, is het niet duidelijk wat Jezus bedoeld heeft met zijn andere Koninkrijk. De les van de Bergrede – de vijand lief te hebben – is door hem niet geleerd. Het geeft in zekere zin de gelegenheid aan de evangelist om nog eens duidelijk te maken dat Jezus de komende gebeurtenissen in gelatenheid ondergaat en elke daad van gewelddadig verzet afwijst. Zo is zijn koninkrijk niet! Het is duidelijk dat de weg van de messias Jezus niet wordt begrepen. Zo hadden ook de Schriften het geformuleerd:

want vijandig en bedrieglijk is de mond

<p>van hen die mij beschuldigen, </p>    <p>hun tong spreekt niets dan leugens,</p>    <p>ze bestoken mij met woorden van haat, </p>    <p>zonder reden bestrijden ze mij. </p>    <p>Ik bid voor hen, </p>    <p>maar mijn liefde roept vijandschap op,</p>    <p>ze vergelden goed met kwaad, </p>    <p>woorden van haat zijn de dank voor mijn liefde (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Ps+109%3A2-5" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Ps 109:2-5</a>)</p> </blockquote>

Zo krijgt de geweldloze leraar de behandeling van een terrorist. Jezus spreekt niet tegen. Hij laat zich “tot de zondaars rekenen” om op die manier te kunnen ontmaskeren dat niet hij, maar zijn tegenstanders het systeem van de dwang en het geweld representeren.

De Schriften moeten worden vervuld – zegt Jezus in het evangelie van Markus. Ongetwijfeld heeft de evangelist dan teksten in gedachten gehad die al eerder in het evangelie een achtergrond gevormd hebben:

 

<p>Om onze zonden werd hij doorboord, </p>    <p>om onze wandaden gebroken. </p>    <p>Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, </p>    <p>zijn striemen brachten ons genezing. </p>    <p>…</p>    <p>Hij offerde zijn leven voor hun schuld, </p>    <p>om zijn nageslacht te zien en lang te leven. </p>    <p>En <i>door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.</i></p>    <p>…</p>    <p>omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood </p>    <p>en zich tot de zondaars liet rekenen. </p>    <p>Hij droeg echter de schuld van velen </p>    <p>en nam het voor zondaars op (<a class="bijbelteksten"  href="https://www.debijbel.nl/bijbel/zoeken/HSV/Jes+53%3A5" title="Bijbeltekst lezen via debijbel.nl">Jes 53:5, 10, 12</a>)</p> </blockquote>

Het is deze bereidheid van Jezus om gearresteerd te worden die nu de discipelen grote angst inboezemt. Een messias voor wie ze hadden kunnen vechten, om dan hopeloos ten onder te gaan als waarachtige martelaren voor de goede zaak, zou nog wel in hun denken gepast hebben. Wat hen tot de vlucht aanzet is de volstrekte onderwerping van Jezus aan de macht van de overheden. “Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg.” (Mk 14:50)

Markus kent nog een merkwaardige passage (14:51,52) over een jonge man die bijna zelf ook gearresteerd werd, maar wist te ontkomen met achterlating van zijn bovenkleed. Anders dan de leerlingen probeert deze verder ongenoemde man de groep gewapende mannen met Jezus te volgen. Men heeft in de traditie deze jonge man nog wel eens met Markus geïdentificeerd. Het lijkt eerder een middel van Markus om het verhaal van de arrestatie en de vlucht enige dramatische glans mee te geven. (Van Bruggen)

In de hof van Getsemane

Na de Pesachmaaltijd komen de leerlingen bij een stuk akkerland of wellicht olijfboomgaard om daar de nacht door te brengen. Jezus geeft aan zijn leerlingen de opdracht om wakker te blijven tijdens zijn gebed. Na het gebed zal de voorbereiding van het koninkrijk waarschijnlijk verder gaan. Petrus, Jakobus en Johannes worden meegenomen om dichterbij te zijn dan de anderen. Zij zijn de getuigen van wat dan gebeurt:

Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’ Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. (Mk 14:33-35)

Onrustig en angstig is misschien nog te zwak vertaald. Jezus “raakte ontsteld en buiten zichzelf” zit er dichterbij. Jezus is vol angst en huiver voor wat hem nu wacht. Markus geeft ook de inhoud van dit gebed aan. Jezus bidt of er een andere weg zal zijn om het Koninkrijk te vestigen dan door zijn dood heen. De kernwoorden van Jezus’ gebed vinden we echter enkele verzen later:

Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ (Mk 14:35, 36)

Het drinken van de beker staat voor het ondergaan van oordeel en woede. Zo is de beker al betiteld in een ander vers:

Maar Jezus zei tegen hen: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of de doop ondergaan die ik moet ondergaan?’ (Mk. 10:38)

Wat er nu komt is niet alleen het tragische einde van Jezus’ leven, maar heeft verregaande consequentie voor de hele wereld. Wanneer Jezus plaatsvervangend sterft voor alle mensen, is hij niet alleen een slachtoffer van menselijk geweld, maar zal hij ook de afkeer voelen die God heeft tegenover de zonde. Het lam wordt immers “beladen” met de zonde, het ‘draagt” deze weg. Het is vooral de bitterheid van dit verlaten worden door God, die hier als een diepe huiver over jezus komt. Wanneer hij het paaslam is, zal hij door God verlaten worden. Jezus wordt om die reden door Zijn vader overgeleverd. Er is geen andere weg: hij moet sterven. Gods vermogen is uiteraard onbeperkt. Hij kan elke weg kiezen die hij maar wil. Maar Jezus is er van overtuigd dat God daadwerkelijk deze weg gekozen heeft. Jezus onderwerpt zich dan ook aan deze bijzondere wil van zijn Vader. “Laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.”

HSV – NBV, een kleine vergelijking

Nog maar eens een keer een kleine vergelijking NBV – HSV. Nu niet zozeer vanuit de vraag wat de grondtekst precies te bieden heeft, maar vanuit de vraag hoe ‘rijk’ de tekst is en welke suggesties ze doet. Overigens: de HSV is hier veel dichterbij het origineel.

Rom. 1: 19 – 23 – de NBV vergeleken met de HSV

19 Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt.

19   omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard.

Kenbaar gemaakt tegenover geopenbaard. Met het woord ‘openbaring’ wordt duidelijk dat het niet gaat om natuurlijk kennis, die in de schepping besloten ligt, maar om een daad van God.

20 Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn,

20   Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.

Het idee van ‘eigenschappen’ staat niet in de grondtekst en voegt een wijsgerige houding aan het geheel toe. De ‘dingen’ is opzettelijk vager dan dat. Gekend en doorzien is nu verdeeld over: met het verstand waarneembaar   en ‘zichtbaar’ in zijn werken. Het gaat niet over zichtbaarheid, maar over wat doorzien kan worden, en het gaat niet over wat het verstand waarnemen kan (wat niet kan, het verstand neemt niet waar, maar redeneert),. Het ‘zodat’ is essentieel, het gevolg van deze kenbaarheid wordt bedoeld. In de NBV lijkt het nu een aparte stelling die geen verband houdt met het vorige.

21 want hoewel ze God kennen, hebben ze hem niet de eer en de dank gebracht die hem toekomen. Hun overpeinzingen zijn volkomen zinloos en hun onverstandig hart is verduisterd.

21 Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt,  maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.

‘Als God’ verheerlijken en danken wordt nu uitgelegd als iets wat Hem ‘toekomt’ – maar de kracht van ‘als’ God gaat verder, omdat daarin ook het idee zit van de erkenning van God. God is God. Met wie Hij is hebben we volkomen ernstig om te gaan.

22 Terwijl ze beweren wijs te zijn, zijn ze dwaas

22 Terwijl zij zich uitgaven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden,

Het gaat niet alleen om de statische tegenstelling wijs – dwaas, maar vooral over het feit dat de dwaasheid gekomen is juist vanwege de pretentie wijs te zijn. geworden hoort er dus bij.

23 en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren.

23   en hebben zij de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door een beeld dat lijkt op een vergankelijk mens, op vogels en op viervoetige en kruipende dieren.

Het gaat niet alleen om beelden, maar nog erger, op een beeld van een gelijkenis van een schepsel. Met andere woorden, met deze verdubbeling geeft Paulus aan hoe ver dit ‘godsbeeld’ verwijderd is van het origineel. Het beeld lijkt op een gelijkenis van een schepsel. In de NBV valt dit weg.

De Christus moest veel lijden…

In de week tussen Palmpasen en Paasochtend gaat het om het lijden en de dood van een man die meer dan 2000 jaar geleden is geboren. Je kunt je afvragen waarom dat voor ons nog relevant kan zijn. Het verhaal is op zich ontroerend. Een joodse man komt op voor zijn idealen maar wordt door een wrede bezetter gedood. Zijn dood is een publiek spektakel. Dat lot ondergingen vele joden in zijn tijd, maar geen van hen is zo wereldberoemd geworden. We kunnen met onze historische blik nog wel zien, dat de onschuld van deze man in scherp contrast staat tot zijn levenseinde. Het hele verhaal vormt een contrast met onze morele idealen en het is een monument van de wreedheid van een regime die we niet meer accepteren in onze tijd. Het scherpt onze blik voor het lijden van enkelingen onder totalitaire regimes in onze geschiedenis: in Nazi Duitsland, in het voormalige Oost-blok, in Zuid-Amerikaanse landen. Het komt nog steeds voor.

Zo kan zelfs voor niet-christenen het verhaal van Jezus’ lijden (zijn passio in het latijn) een symbolische waarde krijgen. De persoon van Jezus is zelf omstreden. Wat christenen geloven over Jezus Christus is niet zo duidelijk meer. Ook christenen zijn verdeeld geraakt. Juist ook in Nederland. Het gaat vooral over de vraag welke betekenis het lijden en sterven van Christus voor mensen van nu kan hebben. En dat staat weer in nauw verband met de vraag wie Jezus Christus eigenlijk is.

De lijdensgeschiedenis

De lijdensgeschiedenis is vermoedelijk een zelfstandig verhaal geweest dat door de evangelisten uit één of meerdere bronnen is overgenomen. Het heeft een typische structuur:

Voorbereiding met de discipelen

  1. Het avondmaal met de discipelen
  2. Het verblijf in Getsemane; Jezus bidt om redding

Het optreden van de joodse overheden

  1. De gevangenneming van Jezus
  2. Het verhoor door de Raad; de uitlevering
  3. De verloochening door Petrus

Het optreden van Rome

  1. De voorgeleiding bij Pilatus
  2. De bespotting door de soldaten

Jezus’ dood en opstanding

  1. De kruisiging, het sterven en de begrafenis van Jezus
  2. De opstanding

Het verhaal begint dus in de intieme kring van de leerlingen van Jezus. Dan wordt de kring wijder wanneer we Jezus tegenover de joodse religieuze autoriteiten zien staan. Tenslotte representeert Rome de politieke macht van de wereld. Jezus staat met zijn koninkrijk – dat geheel anders is dan dat van de keizer – tegenover Pilatus. Twee vertegenwoordigers van twee geheel verschillende machtssystemen staan tegenover elkaar.

De vernedering en geseling van Jezus in de handen van de soldaten is de opmaat tot het verhaal van de kruisiging zelf. Jezus is dan geheel en al alleen. De discipelen hebben hem niet kunnen bijstaan en Petrus heeft hem zelfs geloochend. De religieuze autoriteiten hebben hem veroordeeld hoewel ze eigenlijk geen goede rechtsgrond voor een veroordeling kunnen vinden. De juridische macht van Rome spreekt weliswaar Jezus vrij, maar is om politieke redenen gedwongen hem te laten kruisigen. Uitgebreid wordt de nederlaag van Jezus in beeld gebracht: de kruisdood in verlatenheid en de begrafenis zijn het einde van de geschiedenis van de mens Jezus van Nazaret.

Paulus, de antifilosoof

Ik dacht dat ik na het lezen van Karl Barths commentaar op de Romeinenbrief, in zijn twee edities, niet makkelijk meer geschokt zou kunnen worden. Het kritische potentieel van Paulus’ brief werd door Barths speelse en actuele commentaar naar een grote hoogte opgevoerd. Maar er gebeurde mij onlangs nog iets anders, namelijk door de lectuur van Alain Badiou. Dit ene werk heeft diepe indruk op mij gemaakt: Saint Paul, La fondation de l’universalisme. Het is een boek om je adem bij in te houden.

Is het mogelijk om aan de teksten van de theoloog Paulus recht te doen, en dat als filosoof, wanneer je hem ziet als de antifilosoof bij uitstek en wanneer je de kern van zijn verkondiging, de realiteit van de opstanding van Christus, als een sprookje moet beschouwen? Waarom willen wijsgeren eigenlijk Paulus lezen? Verkondiging is een subjectief gebaar, zegt Badiou, dat niets te maken heeft met het wijsgerig streven naar rationeel inzicht. Maar volgens Badiou is er een verbindende lijn tussen Paulus en onze tijd. Kunnen we bij hem niet de poging zien om het verband te begrijpen tussen een menselijk subject zonder (etnische, sociale) identiteit en een wet zonder grondslag, een lege thora? Er zou een hedendaagse noodzaak kunnen bestaan om na te denken over de betekenis van het subjectieve gebaar van Paulus’ verkondiging en de macht waarmee het uiteindelijk de etnische, sociale en politieke identiteit van Rome buiten spel wist te zetten.

Maar kan dat alles besproken worden zonder de realiteit van de opstanding daarbij te betrekken? Er ontstaat bij Badiou een interessante en symmetrische tegenstelling tot Paulus. Je kunt Paulus’ theologie karakteriseren door te zeggen dat hij zich de vraag stelt hoe de hele werkelijkheid en de geschiedenis van de mensheid er uitziet als de opstanding van Jezus een waarachtig feit is. En zo vraagt Badiou zich af wat de betekenis en strekking is van Paulus’ theologie wanneer de opstanding ondanks de verkondiging van de apostel toch slechts een sprookje is.

Dat de verkondiging van Paulus uiteindelijk zonder realiteit blijft, en alleen een subjectief gebaar is, raakt wel haar formele karakter, in dezelfde mate als waarin ze strijdig is met de oorspronkelijke intentie. Paulus weet dat de opstanding alleen maar kan worden verkondigd, maar het is geen mythisch restant dat hij tevens van de waarheid ervan overtuigd is.

Badiou betoogt dat de universele claim van die waarheid berust op de antifilosofie: de interpretatie van Paulus’ individuele ervaring onderweg naar Damascus, zijn visionaire ontmoeting met de “opgestane Heer”, zou door hem zonder omwegen tot universele waarheid zijn geproclameerd.

Die vraag raakt uiteindelijk de mogelijkheid en onmogelijkheid van de theologie zelf. Als zou blijken dat de bevestiging van de realiteit van de opstanding er inderdaad weinig toe doet, als de antifilosofie toelaat dat ze als een bijdrage in het wijsgerig discours opgenomen, dan heeft de theologie afgedaan. Dan is het zelfs noodzakelijk dat zij wordt opgeheven in een wijsgerig discours, omdat zij het, zij het op dialectische wijze en ondanks haar oppositie, zij het als subjectieve filosofie van de persoonlijke ervaring, wezenlijk altijd al was.

Of zal de filosofie moeten wijken voor het machteloze geweld van de proclamatie?

De Naam van de HEERE is een sterke toren

De Naam van de HEERE is een sterke toren

(Spr. 18:10; HSV)

Te geloven in de Naam “HEERE”, te geloven in een God die zich heeft geopenbaard, het behoort tot de vreemdste dingen van het leven. Het is makkelijker om te zeggen dat er een Iets is, een verborgen Levenskracht, een Energie die door het heelal heengaat – of te geloven in Onszelf, in ons eigen rotsvaste vertrouwen dat het allemaal goed zal komen. Dat is dan een  poging om onze geest met een hoofdletter te schrijven als Geest.

Wie de Naam van God belijdt, die aanvaardt een geschenk dat van buitenaf tot hem komt. De HEERE treedt op ons toe, zoekt ons op, schenkt ons Zijn genade, rechtvaardigt en heiligt ons, stelt ons in Zijn heilige ruimte.

Wie dan over “god’ blijft spreken doet Hem eigenlijk al tekort. Alsof je je meest dierbare vriendin met ‘mens’  aanspreekt, wat zij dan ongetwijfeld wel is, maar zo spreek je niet met elkaar. De vriendschap is persoonlijk en berust op nabijheid. Zo nabij wil deze God komen, dat Hij zich met Zijn Naam bekend maakt. “ADONAJ” zeggen de joden, aan wie de Schriften zijn toevertrouwd,  en “HEERE” zeggen wij dan in ons hart en hardop in de eredienst.

De zondag van de Drievuldigheid 19 juni gaat heel lieflijk over Gods Naam, die drievoudig is en ons zó tegemoet komt. Zo belijdt de Kerk het: God is de HEERE, d.w.z. Vader, Zoon en heilige Geest. Één Naam voor één God, die zich als Schepper, Verzoener en Verlosser aan ons openbaart.

Deze zondag is de samenvatting van alle grote feesten: Kerstmis is het feest van de Schepper die intreedt in Zijn schepping. Pasen is het feest van de Zoon die de Verzoener wil zijn en Pinksteren is het feest van de Heilige Geest die de gemeenschap bijeenbrengt rondom Gods grote Naam. De zondag van de Drievuldigheid vat het samen en zegt dat het in al deze feesten om de éne God met Zijn unieke Naam gaat.

Die unieke Naam is een sterke toren, waarin je schuilt voor gevaar, van waaruit je de wereld kunt overzien, waar je even de zorgen van het dagelijkse leven beneden ontstijgen kunt.  In de beweging van deze Naam moet je jezelf laten meenemen, hier moet je ontvankelijk worden en leren horen. Want Zijn drievuldige Naam is een sterke toren en de macht waarop het uiteindelijk allemaal aankomt.

HEERE, onze Heer, hoe machtig is uw Naam op de hele aarde. (Psalm 8:2)

Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid…

…mijn hart zal zich verheugen op uw heil (Psalm 13:6a)

Op de eerste zondag na Trinitatis wordt in veel gemeenten Psalm 13 gezongen. Vooral het zesde vers is dan natuurlijk van groot gewicht. Het is een uiting van Godsvertrouwen en van hoop op de uiteindelijke redding.

In de kerk hebben we de neiging om deze verzen – en dat geldt eigenlijk voor alle psalmen – sterk toe te passen op onze persoonlijke levensomstandigheden. Wat we dan te verstaan hebben onder de ‘vijand’ en de ‘tegenstanders’ die we in vers 5 tegenkomen is niet geheel duidelijk. De rabbijnen hebben altijd wel goed begrepen dat het in de Psalmen altijd om een collectief gaat dat wordt gerepresenteerd door een unieke figuur: de koning. Waar David dus schijnbaar vanuit zijn eigen ervaring spreekt, wordt in hem altijd mede het lot van het gehele volk zichtbaar gemaakt. Van dat inzicht werd op een curieuze manier gebruik gemaakt door Augustinus in zijn Psalmcommentaar, omdat hij wel het collectieve zag, maar in zijn toepassing gaat het nu over de Kerk en niet over Israel als zelfstandige grootheid. Het wespennest van theologische problemen dat daarin ligt zal ik nu maar even behoedzaam passeren.

1 Een psalm van David, voor de koorleider.

Het woord lammenatseeach (voor de koorleider) wordt door Hirsch vertaald met “aan Hem die de overwinning schenkt.” De psalm is bestemd voor God zelf!

2 Hoelang nog, HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?

Hoelang zult U Uw aangezicht nog voor mij verbergen?

Hoelang nog kan ook vertaald worden als: “tot waar?” in de betekenis van: tot welke diepte van ellende. Het gaat om het gebed van Israel vanuit het lijden van dat volk in de ballingschap. Wanneer we dat kerkelijk zingen, moeten we ons ervan bewust zijn dat we doorgaans aan die situatie niet denken. De kerk is niet in ballingschap, menen we. We vergeten dan voor het gemak dat het hele Nieuwe Testament de gemeente van Christus ziet als een gemeenschap van ‘vreemdelingen en bijwoners.’ De oproep uit de brief aan de Hebreeën klinkt ons wat geforceerd in de oren: ‘Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.’ (Hebr. 13:13) Dit buiten de wereld gaan staan – wat niet betekent haar te verlaten – heeft als positieve zijde dat we gericht moeten zijn op de hemelse dingen. (Kol. 3:1 – 3)

3 Hoelang zal ik nog plannen maken in mijn ziel,

verdriet hebben in mijn hart, dag na dag?

Hoelang zal mijn vijand zich nog boven mij verheffen?

“Plannen maken in mijn ziel” slaat op het bedenken van wegen en manieren om aan onheil te ontsnappen. David en daarmee het volk, is aan zichzelf overgelaten. De plannen worden gemaakt ‘in de ziel’. Het betekent dus hetzelfde als de tweede regel: hoe lang zal ik verdriet hebben.

4 Zie mij aan, verhoor mij, HEERE, mijn God!

Verlicht mijn ogen, anders ontslaap ik in de dood,

De verbinding tussen de eerste twee uitdrukkingen is sterk. ‘Verhoor mij door dat U mij aanziet’ wordt dus gezegd. De tweede uitdrukking sluit aan bij de eerste: wanneer mijn ogen verlicht zijn, dan weet ik dat de Heere mij aanziet. Het verlichten van de ogen betekent dat er licht op de ogen valt, letterlijk dus zoiets als: laat mij een spoortje van licht zien.

5 anders zegt mijn vijand: Ik heb hem overwonnen,

en verheugen mijn tegenstanders zich, wanneer ik wankel.

De vijand is in het geval van David wellicht te identificeren als de Filistijnen. Wanneer het over Israel gaat kunnen we in de loop van de geschiedenis vele kandidaten aanwijzen. De Bijbel zelf identificeert de aartsvijand met Esau, Edom, Amalek. Ook Babyloniërs en Assyriërs worden uiteraard als vijand van Israël neergezet. In de rabbijnse literatuur worden deze namen dan opnieuw gebruikt voor Rome en het triomferende Christendom.

Augustinus die schrijft in de tijd van de triomferende kerk van Constantijn kan niet verwijzen naar een menselijke vijand maar spreekt in zijn Psalmcommentaar over de duivel. De vijand is nu geheel en al verinnerlijkt en geestelijk geworden als hij meent dat de duivel eventueel ook de ‘vleselijke begeerte’ kan zijn.

Als we de duivel echter juist moeten leren zien als de drijvende kracht achter alle politieke chaosmachten in de wereld (Walter Wink) dan hebben we hier dus te doen met de werkelijke (politieke) tegenstander van Christus en zijn kerk in deze wereld. Dan moeten we spreken over de staat zelf (Van Duin) of de chaosmacht (Barth).

6 Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid,

mijn hart zal zich verheugen in Uw heil,

ik zal voor de HEERE zingen,

omdat Hij goed voor mij geweest is.

En dan tenslotte de wending naar het volkomen godsvertrouwen. De herinnering aan Gods goedheid in het verleden motiveert het vertrouwen in Zijn redding in de toekomst.

De Nieuwe Manier van Bijbel Lezen (2)

 

Tussen fundamentalisme en historisch-kritische methode is er een andere weg. Een nieuwe manier van Bijbel lezen is nog onvoldoende doorgedrongen tot ons kerkelijke leven. Het is de manier waarop de Amsterdamse School van Rochus Zuurmond en Karel Deurloo en het zogenaamde Bijbels Realisme van John Howard Yoder te werk gaan.

Wat betekent het, de ‘Bijbel te lezen?’ Niet onbelangrijk als je beseft dat de Bijbel voornamelijk bestaat uit teksten die werden voorgedragen en dus werden gehoord. In de moderne tijd zien we daarom steeds weer nieuwe vertalingen ontstaan: er is een generatie die de Bijbel niet meer kan verstaan in haar oudere vertaling SV en NBG en door anders te vertalen moet het begrip weer mogelijk worden. Dat wordt dus geleid door het idee dat het lezen van Bijbel vergelijkbaar is met het lezen van teksten waarin je snel op zoek gaat naar relevante informatie ofwel wordt vermaakt door een verhaal, want dat is onze moderne leescultuur.

In deze podcast een omschrijving van de historisch-kritische methode en de gevolgen van die methode voor het begrip van de Bijbel en het begrip ‘lezen.’

[Uopdate: die podcast was op Posterous dat lang geleden al ter ziele ging…]

 

Een aantal opmerkingen bij Romeinen 1:1

Naar aanleiding van de opmerkingen van de video van Robbert over dit vers.

εἰσ εὐαγγζλιον θεοῦ (eis evangelion theou= tot het evangelie van God)

Het lidwoord ontbreekt (ook bij God, de eerste regels van Romeinen laten zien dat Paulus dit vaker doet). Het kan zijn dat de bepaaldheid van ‘het evangelie’ wordt aangegeven door de toevoeging ‘van God’. In het Hebreeuws is dit één van de regels voor bepaaldheid. Ik zoek het nog uit voor het Grieks.

δοῦλοσ (doulos = slaaf)

Louw, J. P., & Nida, E. A. (1996, c1989). Greek-English lexicon of the New Testament : Based on semantic domains (electronic ed. of the 2nd edition.) (1:740). New York: United Bible societies:
87.76 δοῦλοσ, ου m: one who is a slave in the sense of becoming the property of an owner (though in ancient times it was frequently possible for a slave to earn his freedom)—‘slave, bondservant.’ λζγω … τῷ δοφλῳ μου, Ποίηςον τοῦτο, καὶ ποιεῖ ‘I say … to my slave, Do this, and he does it’ Mt 8.9.
When Paul speaks of himself as a slave of Jesus Christ or of God in Ro 1.1, Ga 1.10, and Tt 1.1, the term δοῦλοσ focuses attention primarily upon his belonging to Christ or to God. There are probably also important positive overtones, since in some languages of the ancient Middle East a phrase meaning ‘slave of the king’ or ‘servant of the king’ had become the title of an important person in the government. For a discussion of certain further implications of the term δοῦλοσ, see the discussion at 87.81.
87.81 ςφνδουλοσ, ου m: one who is a fellow slave or a slave alongside another slave—‘fellow slave.’ ἐξελθὼν δὲ ὁ δοῦλοσ ἐκεῖνοσ εὗρεν ἕνα τῶν ςυνδοφλων αὐτοῦ ‘that slave went out and met one of his fellow slaves’ Mt 18.28.
In some languages there is a very strong negative connotation in any word meaning ‘slave,’ for it may suggest ‘vile person’ or even ‘foreigner,’ since in a number of areas only foreigners were made slaves. It may therefore be necessary to use a term for slave which is more or less equivalent to ‘servant,’ ‘one who works without pay,’ ‘one who must work without pay,’ or ‘bondservant.’

Ik vraag me af of hier ook de terminologie van ‘de knecht’ een rol speelt (uit Jesaja). Paulus gebruikt deze terminologie vaker om zijn werk aan te duiden (bijv. 2 Kor. 6:2-10). Dit zou ook enig licht kunnen werpen op het afgezonderd zijn. De knecht staat ook apart van de mensen, men wil hem niet aanzien, vindt hem verwerpelijk. Misschien zoek ik hier te veel achter, mijn excuus is dat ik ruim 2 maanden met deze tekst heb geleefd.

Een link naar Barth:

Barth zegt in zijn voorwoord bij de eerste editie van De brief aan de Romeinen (Ned. vertaling Mark Wildschut)

‘Paulus heeft als kind van zijn tijd tot zijn tijdgenoten gesproken. Maar veel belangrijker dan deze waarheid is die andere, dat hij als profeet en apostel van het koninkrijk Gods tot alle mensen van alle tijden heeft gesproken. De verschillen tussen toen en nu, tussen daar en hier vragen om aandacht. Maar die aandacht dient enkel bij te dragen tot het inzicht dat deze verschillen in de kern niets te betekenen hebben. De historisch-kritische methode van het Bijbelonderzoek heeft haar goed recht: zij biedt een voorbereiding tot begrip die geenszins overbodig is. Maar als ik zou moeten kiezen tussen deze methode en de oude inspiratieleer, zou ik resoluut naar die laatste grijpen: haar komt het grotere, diepere, belangrijkere recht toe, omdat ze op het werk van het begrijpen zelf wijst, en als je dat mist blijft alle voorbereiding zonder waarde. Ik ben blij dat ik niet tussen beide hoef te kiezen. Maar mijn hele aandacht was erop gericht door het historische heen te kijken naar de geest van de Bijbel, die de eeuwige Geest is. Wat ooit een serieuze zaak is geweest, is dat ook vandaag de dag nog, en wat vandaag de dag een serieuze zaak is en niet louter toeval en ril, hangt ook direct samen met wat ooit een serieuze zaak is geweest. Onze vragen zijn, als we onszelf maar goed begrijpen, de vragen van Paulus, en de antwoorden van Paulus moeten, als hun licht ons opgaat, ook onze antwoorden zijn.’

Ik ben benieuwd hoe men wil lezen: de brief als brief aan de Romeinen, in die tijd, in die situatie; als eeuwige waarheid; of in de versmelting met onze horizon. Of we echt iets te kiezen hebben weet ik niet, want we ontkomen er niet aan dat wij mensen zijn van onze tijd.