De gezindheid van Christus – Filippi 1:25 – 2:11

We hebben de vorige keer gezien hoe Paulus zijn leven samenvat. “Te leven is voor mij Christus en te sterven is winst.” Vanuit die houding kan hij rustig aanvaarden wat God voor hem bestemd heeft. Zo bereidt hij dan ook de conclusie dat zijn werk nog niet gedaan is. “In het vlees te blijven is nodiger ter wille van u.” Hij vertrouwt er zelfs op dat hij zal blijven leven. De gemeente heeft hem nog nodig. Hun vooruitgang in geloof en de groei van zijn blijdschap is voor hem de hoofdzaak.

Doorgaan met het lezen van “De gezindheid van Christus – Filippi 1:25 – 2:11”

De kenmerken van het reddende geloof bij Abraham – Rom. 4:13-25

13 – 15 Abraham niet gerechtvaardigd door de wet

13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. 14 Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan. 15 De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

Het geloof van Abraham is hem toegerekend tot gerechtigheid. De eerste gedachte bij Paulus is, dat Abraham dus niet is gerechtvaardigd door de besnijdenis. De besnijdenis is een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Maar dat geloof had Abraham al voordat hij besneden werd. Dat vinden we in vers 10 tot en met 14.

In vers 13 tot en met 15 vinden we dat Abraham ook niet gerechtvaardigd was door het onderhouden van de wet. De wet van Mozes immers werd pas 500 jaar later gegeven. De beloften aan Abraham, in Genesis 12 en 15 zijn dus niet verbonden met de wet van Mozes, maar alleen met de gerechtigheid van het geloof.

De belofte aan Abraham lag besloten in het verbond met Abraham. (Genesis 12,15, 18,22) Het verbond met Abraham had vier elementen. Volgens Genesis 15 geeft God een land aan de nakomelingen van Abraham – vijf eeuwen later onder Jozua is die belofte voorlopig vervuld. Voorlopig – want de omvang van het land dat aan Abraham is beloofd is vele malen groter dan het land dat feitelijk door Israël werd ingenomen.

In de tweede plaats beloofde God dat Abraham de vader van vele volkeren zou worden, en dat zijn nageslacht niet kon worden geteld. (Genesis 13:16, 15:5)

In de derde plaats beloofde God aan Abraham dat hij het middel zou zijn waardoor de hele wereld Gods zegen zou ontvangen.

In de vierde plaats lag in de belofte aan Abraham besloten dat in zijn zaad – en Paulus legt uit in Galaten 3:8 dat we daaronder Jezus moeten verstaan – de verlosser zou komen. God zou immers “voor Zichzelf het lam voor het brandoffer” voorzien.

Hebreeën 11 geeft ons daarvan een mooie samenvatting:

17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.18 Tegen hem was gezegd: Dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.19 En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

Op een of andere wijze heeft Abraham de komst van de Messias kunnen voorzien. En het was door middel van deze Messias dan Abraham tot een zegen voor alle volkeren van de aarde zou zijn. Zo blijkt uit Johannes 8:56, waar Jezus zegt: ” Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.”

Waarom zegt Paulus dat Abraham niet uit de wet is gerechtvaardigd? Hij zegt immers in Romeinen 7 heel duidelijk dat die wet heilig is, en dat het gebod heilig en rechtvaardig en goed is. We moeten echter begrijpen dat de wet van Mozes nooit gegeven is als een middel tot behoudenis. De wet werd niet aan Israël voorgehouden als de perfecte standaard, maar als een liefdevolle gave van Gods wijsheid voor het leven van een verlost volk. Die verlossing was Gods soevereine daad in de uittocht uit Egypte. Die verlossing moest brengen tot vertrouwen en geloof in de God van Israël. De overgave aan deze God in geloof, wat Deuteronomium 30 de besnijdenis van het hart noemt, was de werkelijke basis van de verlossing.

De enige gerechtigheid die God ooit heeft erkend, is de gerechtigheid van het geloof, van de overgave aan God. Uiteindelijk is dus elke gerechtigheid op grond van genade. Hebreeën 12 zegt daarom dat Jezus de “voleinder van het geloof” is. Aan wie gelooft in de persoon en het werk van de Here Jezus, wordt dat geloof toegerekend als de eigen gerechtigheid van Christus. Christus Jezus is voor ons geworden: “wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1:30). “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde (zondoffer) gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21).

Stel nu eens dat iemand in Israël door het houden van de wet de perfecte gerechtigheid voor God uit zichzelf zou hebben verworven? Dan zouden zij erfgenamen zijn op grond van de wet. Maar dan is het geloof van Abraham betekenisloos of “zonder inhoud gemaakt.” Bovendien zou de belofte aan Abraham, een daad van vrije genade van God, ook betekenisloos zijn. Waarom zou God het geloof van Abram tot gerechtigheid rekenen, als Abraham dat al door eigen werken verdiend had? Waarom zou God zijn belofte aan Abraham houden, als uit zijn nageslacht in ieder geval enkelingen in staat waren gebleken om de wil van God perfect te doen? Geloof is de vaardigheid om te ontvangen wat God heeft beloofd. Maar als je ontvangt wat God heeft beloofd op grond van gehoorzaamheid aan de wet, dan is geloof overbodig. Als jij iemand iets belooft met een voorwaarde die mogelijk kan worden vervuld, dan is het feitelijk geen belofte meer.

De wet van Mozes kan als zodanig geen redding brengen. De wet brengt kennis van de zonde, en uiteindelijk Gods toorn. Hoe meer wij proberen onszelf te rechtvaardigen door Gods wet te onderhouden, temeer demonstreren wij ons onvermogen vanwege de zonde die over ons heerst. De wet openbaart dus de gerechtigheid van God, door de zonde van de mens te demonstreren. Dat wil niet zeggen dat de wet van Mozes geen enkele functie heeft, omdat ze niet de verlossing brengt. Wanneer je de wet van Mozes echter gaat zien als een door God aangewezen weg tot redding, een weg die zonder geloof kan worden betreden, dan maak je ook de door God wel degelijk gevraagde gehoorzaamheid onmogelijk. De gehoorzaamheid aan God is gebaseerd op ons geloof in de Redder, en berust daarmee dus ook op onze erkenning van onze zonden. Zonder de belofte en de genade en het geloof is die gehoorzaamheid aan God onmogelijk.

Vers 16 – 17 Abraham is gerechtvaardigd door Gods genade

16 Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, 17 zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn.

Uiteindelijk is het Gods wil geweest dat de redding van zonde en dood, de vrijspraak in Gods oordeel, alleen op grond van genade zou zijn. Omdat het op grond van genade moet zijn, wordt ons geloof gerekend tot gerechtigheid. Ook ons geloof immers kan ons niet redden. Geloof is niet een bepaalde vorm van menselijke werken, of een of andere deugd. De macht van de redding ligt niet in ons geloof, maar in Gods genade waarin wij geloven. Het geloof van Abraham was immers niet op zichzelf genomen gerechtigheid, maar werd hem toegerekend als gerechtigheid. Ons geloof is geen gerechtigheid, maar is de erkenning van Gods genade waarmee Hij ons gerechtigheid schenkt.

Met name in de charismatische gemeenten zie je steeds deze denkfout, dat als de Schrift zegt dat iets “door het geloof”, of “uit het geloof” gebeurt, zij dat opvatten alsof het geloof de effectieve oorzaak ervan is. Zeggen “uw geloof heeft u behouden,” betekent echter hetzelfde als te zeggen: ” u bent behouden uit genade, die u in geloof hebt erkend.” Het geloof is niet de effectieve oorzaak, maar de genade, en het geloof is wat je zou kunnen noemen het zichtbare teken van die oorzaak.

Vers 18 – 25 de behoudenis is door Gods genade, niet door menselijke inspanning

18 En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. 21 Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. 22 Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, 24 maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, 25 Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

In deze verzen eindigt Paulus zijn weergave van Abraham als het voornaamste voorbeeld van een reddend geloof. In de behoudenis zijn zowel de genade van God als het geloof van een mens betrokken, maar dat zijn geen gelijkwaardige componenten, en het geloof is, zoals we gezien hebben, niet de effectieve oorzaak van de verlossing. Efeze 2 zegt het zo: “8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

“Uit genade” is een uitdrukking voor de effectieve oorzaak. De genade bewerkt het. “Door het geloof” is een uitdrukking voor de meewerkende oorzaak. Het geloof maakt de bodem rijp voor de ontvangst van deze genade. Wanneer je een cadeau geeft, dan is de gever de effectieve oorzaak, maar de ontvanger moet het aannemen, om het schenken compleet te maken. De ontvanger is dus de meewerkende oorzaak. En om te benadrukken dat het geloof niet een oorzaak van behoud, en niet een menselijk werk of prestatie is, zegt Paulus hier nadrukkelijk: “niet uit u.” Wij zijn niet zelf de oorzaak van ons geloof, het geloof is dus niet onze prestatie of daad.

We spreken in de evangelische wereld wel eens van een keuze. Je zou kunnen zeggen dat de bekering die vorm wel heeft in ons bewustzijn. Wij lijken te kiezen voor het evangelie, tegen ons natuurlijke leven in de wereld. Hoewel we het zo zouden kunnen ervaren, moeten we serieus nemen wat Paulus meteen daarna zegt: “het is de gave van God.” Maar als God ons geloof schenkt, hoe kan het geloof dan onze keuze, onze daad, onze prestatie zijn? Wanneer jij een geschenk ontvangt van iemand, kun je toch moeilijk zeggen dat jij het jezelf hebt gegeven, of dat jij het cadeau zelf tot stand hebt gebracht, en zelfs niet dat jij dat cadeau gekozen hebt. (Sinterklaaslijstjes van hele jonge kinderen daargelaten.)

Het geloof van Abraham heeft zeven belangrijke kenmerken:

  1. Paulus zegt dat Abraham geloofd heeft “tegen hoop op hoop.” Hoop is het verlangen dat iets gebeuren zal; geloof is het vertrouwen dat iets waar is of gebeuren zal. Abraham heeft erop vertrouwd dat iets zou gebeuren, waar hij van een menselijk gezichtspunt uit gezien geen enkele basis voor had. Er was geen rechtvaardiging voor zijn hoop, behalve zijn vertrouwen dat God zou doen wat Hij gezegd had.
  2. Vervolgens zegt Paulus dat Abraham niet zwak werd in geloof, dat wil zeggen dat hij geen twijfel toeliet die het geloof kon ondermijnen. Hij wist al 40 jaar lang dat zijn God leven geeft aan de doden en tot het bestaan kan roepen wat niet eerder bestond (Rom. 4:17). Dat is heel bijzonder omdat Abraham een dergelijk wonder van opwekking nooit gezien had, en evenmin gezien had dat God iemand tot bestaan bracht. Toch was Abraham ervan overtuigd dat de Heere tot die dingen in staat was. Zo lezen we ook in Hebreeën 11:17-19, dat Abraham, toen zijn geloof werd getest, Isaac geofferd heeft. Waarom? “Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.”
  3. Abrahams geloof heeft als derde kenmerk dat hij niet werd ontmoedigd door zijn eigen natuurlijke zwakheden. Zijn eigen onwetendheid en zwakheden waren geen obstakels voor zijn vertrouwen in God. Toen de belofte kwam dat hij een kind zou krijgen bij Sara, heeft hij niet gekeken naar zijn eigen leeftijd – 100 jaar oud!
  4. Er kwam ook een moment dat Abraham eraan kon twijfelen of de belofte zou worden vervuld, toen de omstandigheden om hem heen die vervulling onmogelijk leken te maken. De hoge leeftijd van Sara b.v. was voor hem geen reden om te twijfelen.
  5. Ten vijfde, met betrekking tot de belofte van God is Abraham niet heen en weer gegaan van geloof naar ongeloof. Veel gelovigen gaan op die wijze onrustig heen en weer. Als naar menselijk gezichtspunt de dingen goed gaan, is het makkelijk om God te vertrouwen. Maar als de omstandigheden zwaar worden, is het eenvoudiger om geen vertrouwen te hebben. Zeker, Sara heeft uiteindelijk het punt bereikt dat ze God vertrouwde. Maar op het moment dat de belofte wordt gegeven begint ze te lachen – Genesis 18:12.
  6. Paulus zegt ten zesde dat het geloof van Abraham gekenmerkt wordt door het feit dat hij alle eer aan God gaf. Het door God vereiste maar ook geschonken geloof verheerlijkt God. Uiteraard, als Hij ook de bron is van dat geloof. Elk geloof dat geen heerlijkheid aan God toekent, komt niet uit Hem voort. Mensen verheerlijken God, door hun geloof, omdat ze daardoor bevestigen dat God het vertrouwen waard is. Elke poging om God te eren of te aanbidden zonder geloof, is waardeloos en zelfzuchtig. Wie niet gelooft, zegt Johannes zelfs, maakt God tot een leugenaar.
  7. Dan ten zevende, tenslotte, heeft Abraham volledig geaccepteerd dat wat God beloofd had, Hij ook in staat was te doen. En daarmee kunnen we zeggen dat het geloof in God van Abraham volledig en zonder reserves is geweest.

Vers 22 geeft het antwoord op Abrahams geloof van Godswege. Abraham was naar het vlees totaal niet bij machte om te handelen volgens de eis van volmaakte gerechtigheid. Over die eis van de goddelijke gerechtigheid, die God als schepper aan de mens mag opleggen en opgelegd heeft, heeft Paulus eerder gesproken. De eisende gerechtigheid van God maakte dit evangelie van geschonken gerechtigheid ook noodzakelijk. Maar de blijde boodschap over God is nu juist, dat de Here het geloof, dat Hij Zelf aan een mens heeft gegeven, (of mogelijk heeft gemaakt?) zal aanrekenen tot goddelijke gerechtigheid van de kant van de zondaar.

[De gedachte dat God het geloof niet simpelweg heeft geschonken maar alleen heeft mogelijk gemaakt, is een poging om de uitverkiezing en de wedergeboorte te verzoenen met de ervaring van de bekering. Je zegt dan dat wij weliswaar kiezen voor het evangelie, maar niet zonder een aanleiding of aanraking door de Heilige Geest. Het begrip uitverkiezing kan dan nog alleen maar betekenen, dat God van tevoren wist dat wij die keuze zouden maken. God heeft dan alleen de omstandigheden geschapen waaronder iemand met ons bijzondere karakter tot die keuze geneigd zou zijn. De genade van God is dan bij de bekering een meewerkende oorzaak.

Vanuit Romeinen 8 lijkt het erop dat we dit anders moeten zeggen. “En hen die Hij tevoren heeft bestemd”  – namelijk om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn – ” heeft Hij ook geroepen.”  Waarbij we dan deze roeping moeten begrijpen als een soevereine daad van Gods genade die ons tot gelovigen heeft gemaakt. Dan schept God niet de omstandigheden waarin wij ertoe gebracht worden om een zelfstandige keuze te maken, maar is ons geloof een gevolg van deze “bestemming.” Gods genade is dan de effectieve oorzaak van ons geloof.]

In vers 23-25 maakt Paulus duidelijk dat dit niet uniek is voor Abraham. Ondanks het feit dat de inhoud van ons geloof het evangelie is van Jezus de Heere, de Opgestane uit de doden. Al eerder heeft Paulus gezegd dat Abraham van de betekenis van dit evangelie al doordrongen is geweest, zonder het in detail al te kennen. (Zoals Genesis 26 duidelijk maakt, dat Abraham al weet had van de concrete eisen van de gehoorzaamheid aan God, nog voordat de wet aan Mozes gegeven werd.) Ook ons geloof wordt gerekend tot gerechtigheid. En dat niet alleen, maar de inhoud van ons geloof – namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, en opgestaan vanwege onze rechtvaardiging – was ook de grondslag van de toerekening van gerechtigheid aan Abraham. Wij mogen helder weten, wat Abraham alleen kon vermoeden. Want ” Abraham verheugde zich om Mijn dag te zien et cetera.”

Geloof is een noodzakelijke voorwaarde voor de behoudenis. Maar dat geloof is vooral een geloof in God Zelf. Dat maakt vers 24 duidelijk. Wij, “die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,” hebben hetzelfde geloof als Abraham, die geloofde dat de Heere Isaac uit de doden kon opwekken.

Anders dan Abraham kennen wij het middel op grond waarvan ons geloof tot gerechtigheid gerekend wordt. Wij geloven dat God de Vader Jezus uit de doden heeft opgewekt. Wij geloven dat Jezus werd overgeleverd aan de dood vanwege onze overtredingen, en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Jezus Christus werd overgeleverd om het doodvonnis te ondergaan dat de passende straf was voor onze overtredingen. Jezus is opgestaan uit de doden om ons de rechtvaardiging (vrijspraak) te geven tegenover God die wij nooit hadden kunnen bereiken op eigen kracht of op grond van onze eigen verdiensten.

Bijbelkring Knokke – Fil. 1:12-24

AUDIO:

Bijbelbespreking De Hoeksteen – 20 oktober 2020

Fil. 1:12-24

Paulus bespreekt nu eerst zijn persoonlijke omstandigheden. De gemeente in Filippi maakt zich over hem bezorgd. Het is heel persoonlijk wat Paulus hier schrijft, en toch kunnen we daar veel uit leren.

Paulus zegt dat zijn gevangenschap het evangelie heeft gediend. Hij kon over Jezus spreken met hooggeplaatste Romeinse ambtenaren. Die begrijpen nu dat zijn gevangenschap niet te wijten is aan zijn misdaden. De keizerlijke lijfwacht, de rechters, die joodse aanklagers en ook zijn verdedigers begrijpen nu dat hij alleen gevangen is genomen omdat hij het evangelie heeft verkondigd.

Ook de broeders en zusters in Rome durven nu zonder angst over het evangelie te spreken, bemoedigd door het voorbeeld van Paulus. Natuurlijk is die gevangenschap geen prettige ervaring. Maar bij Paulus draait alles om het evangelie. Zo kan God ook ons vaak gebruiken voor Zijn doelen. Wij ervaren misschien lastige omstandigheden, maar God maakt er gebruik van.

Vanaf vers 15 maakt Paulus melding van sommige predikers van het evangelie, die worden gemotiveerd door afgunst en twist, door partijzucht, en zelfs de bedoeling hebben om het Paulus nog moeilijker te maken. Het maakt Paulus niet uit, zolang Christus maar op de goede wijze wordt verkondigd. Daaruit kunnen we leren dat uiteindelijk de persoonlijke motivaties er weinig toe doen. Als Christus op de juiste wijze wordt verkondigd is dat een reden tot blijdschap. Je moet de boodschap beoordelen, en niet de boodschapper. Er zijn vele predikers in deze wereld, die als persoon grote indruk maken, terwijl ze toch een valse boodschap verkondigen.

Vanaf vers 19 legt Paulus nog duidelijker uit, wat voor hem de zin van het leven is. “Te leven is voor mij Christus en te sterven is winst.” Wij kunnen dat de apostel niet zomaar nazeggen. Op een schaal van 0-10 zit Paulus misschien wel bij een 9. Wij blijven misschien in vergelijking met hem steken op een 6, of een 4 of een 2, maar uiteindelijk doet dat er niet toe. Eenmaal in de heerlijkheid aangekomen, worden we door God allemaal volmaakt gemaakt, tot een 10. Het principe blijft voor ons hetzelfde: onze werkelijke leven is met Christus, in Christus en door Christus. Ook al zijn we nog zo afgeleid door de zorgen van ons werk, ons gezin, onze gezondheid.

Heel bijzonder ook is vers 23 en 24. Volgens Paulus is het verreweg het beste om bij Christus te zijn, “te sterven is winst.” Ook daar kunnen we iets van leren. Vanuit God gezien is onze dood een thuiskomst. Hij zal ons verwelkomen als wij afscheid moeten nemen van dit leven. God voelt geen rouw bij ons sterven, dat is meer iets voor ons als nabestaanden. Daarom leven wij in de hoop, in de verwachting dat ons leven nu en ons leven na de dood in Gods handen berust.

Het Paasoffer – Exodus 12:7-13

EXODUS 12


7 En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.


Van het bloed te nemen – in het bloed is immers het leven, en het verschieten van het bloed van het dier als een plaatsvervanger van het bloed van een mens, is het bijzondere symbool van de verzoening. Dat is de strekking van het bloedige offer.
Het bloed moet worden genomen door een huisgezin, dat wil zeggen door de vader van het huis. Vanwege de onreinheid van het volk werd later bepaald dat de Levieten dit offer zouden uitvoeren, volgens 2 Kronieken 30:17, “er waren er velen onder de gemeente die zich niet geheiligd hadden. Daarom waren de Levieten belast met het slachten van de paaslammeren voor ieder die niet rein was, om hen voor de Heere te heiligen.”

Strijken – met een bundel hyssop als een soort kwast gedoopt in het bloed werden de zijkanten van de deur bestreken. Waarom de zijkanten? Omdat de verderfengel door deze deur zou binnengaan en dan zowel links als rechts het teken van de bescherming zou zien.

De bovendorpel – dit woord lijkt in het bijzonder te slaan op de opening boven de deur die in Egyptische huizen was voorzien van een vlechtwerk van latjes. Doorgaans denkt men hier echter simpelweg aan de bovenkant van een deur, maar dit is alleen een opening in het huis waar een kleed voor kon worden gehangen.


8 En het vlees moet u dezelfde nacht nog eten; op vuur gebraden, met ongezuurde broden, en met bittere kruiden moeten zij het eten.


Gebraden – bij de offers in het Oude Testament moet het vlees doorgaans gekookt. Zie de beschrijving van het priesterlijke werk van de zonen van Eli in 1 Samuel 2:13, 14. Waarom gebraden? Braden gaat sneller en is eenvoudiger dan koken; het vuur kan gezien worden als een symbool van het oordeel; koken van een heel dier is lastiger dan het braden ervan.

Met bittere kruiden – letterlijk met bitterheden. In de Misjna vinden we wilde sla, brandnetels, en andijvie onder andere als voorbeelden van bittere kruiden.


9 U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar alleen op vuur gebraden, met zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.


Niets rauw eten – zoals in vele andere godsdiensten gebruikelijk was, met name in de Griekse godsdienst van Bacchus.

Met zijn kop, met zijn poten – waarom het hele dier? Omdat het hier een symbool is van de eenheid van Israël, of omdat het een symbool is van het ongebroken lichaam van Christus, die het ware Paaslam is.

De ingewanden – volgens de Joodse traditie werden die ingewanden er eerst uitgehaald, gewassen, het bloed werd eruit gehaald en daarna werden ze weer teruggeplaatst in het lam.


10 U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de volgende morgen van over is, moet u met vuur verbranden.


Niets overlaten – het gehele lam moet door de familie en de gasten in één maaltijd worden opgegeten. Wat er overbleefvan de maaltijd zoals de botten en vleesresten moest worden verbrand om te voorkomen dat het op een minachtende wijze werd gebruikt, bijvoorbeeld wordt weggegooid.

Met vuur verbranden – zonder dat dit zelf een ceremoniële betekenis had.


11 En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.


Uw middel omgord et cetera – geheel en al voorbereid op een lange reis. Niet aangekleed zoals je het in huis gewend zou zijn. Deze verplichting geldt volgens sommigen alleen maar voor deze eerste viering van het Pasen, terwijl anderen ook nog op de huidige dag dit als voorschrift nemen.
Met haast – want je weet niet wanneer de reis naar het beloofde land begint.


12 Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.


Ik zal door het land Egypte trekken – dat is de reden van dit nieuwe feest en een verklaring van de uitdrukking Pesach. De eerstgeborenen van elk huis zal worden geraakt. Dat geldt niet per se voor het vee, want het lijkt erop dat daarmee de dieren worden aangeduid die als symbool bij de verschillende Egyptische goden behoren. De uitdrukking “aan al de goden van de Egyptenaren” lijkt dus een verklaring te geven voor het slaan van de eerstgeborenen van het vee.


13 En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen.


Het bloed zal u tot een teken zijn – het is een teken voor God of de verderfengel, ten behoeve van de Israëlieten. Het is niet een teken voor de Israëlieten.

Zal Ik u voorbijgaan – dat is de kern van Pesach, Wanneer God voorbijgaat (passah) aan de Israëlieten van wie de deuren met bloed zijn gemarkeerd.

Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese

Midden in het dramatische conflict tussen de Here en de goden van Egypte, is er deze onderbreking. Drie verschillende belangrijke wetten worden hier, dat wil zeggen in Egypte, geïntroduceerd. Pesach, ongezuurde broden en de wijding van de eerstgeborene krijgen hun plaatsen daarmee ook hun betekenis juist binnen het verhaal van de exodus. De boodschap van alle drie deze feesten is eenvoudigweg dat Israël eigendom is van de Here vanwege de redding van het volk. Doorgaan met het lezen van “Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese”