Johannes (6) – Het getuigenis van de 2e en 3e dag

Terwijl Jezus nog onderweg is naar Bethanië, heeft Johannes de vragen van de delegatie uit de Farizeeën beantwoord. Zijn getuigenis verwijst naar de eeuwige Zoon, die ver boven Johannes verheven is: hij is het niet waard “de riem van Zijn sandalen los te maken.” Tegenover Jezus is Johannes nog minder dan een slaaf. Dat is het antwoord dat de Farizeeën hebben meegenomen naar Jeruzalem.

We lezen niet wat ze ermee gedaan hebben. Maar het lijkt duidelijk te zijn dat vanaf dat moment alle berichten over Johannes en Jezus nauwlettend in de gaten zijn gehouden. Het is veelzeggend namelijk, dat er geen antwoord staat. We lezen in Mattheus 21 vanaf vers 23 over een twistgesprek met de priesters en de “oudsten van het volk”. Ze vragen aan Jezus met welke bevoegdheid Hij “deze dingen” – de reiniging van de tempel en Zijn onderwijs – allemaal doet. En dan stelt Jezus ze de vraag of de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen was. Ze overleggen met elkaar over hun antwoord, en zeggen dan tegen elkaar: “Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” Als de doop van Johannes inderdaad uit de hemel was – als ze zijn getuigenis hadden aangenomen – dan ligt het voor de hand dat de delegatie in Bethanië daar gebleven was om te zien over Wie Johannes gesproken had. Johannes gaf getuigenis van het licht (vergelijk vers 7), maar “de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Vers 11)

De volgende dag, zegt vers 29, komt Jezus aan bij de plaats waar Johannes doopte, in Bethanië, aan de andere kant van de Jordaan. Nu spreekt Johannes tot de schare die bij hem verzameld zijn. “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” In Hem worden de woorden van Johannes vervuld, en krijgt de doop met water zijn betekenis. Dat was immers “een doop van bekering tot vergeving van zonden.” (Markus 1:4) Dat was de reiniging die vooraf zou gaan aan de openbaring van de Messias en de komst van de heilige Geest. (Ezechiël 36:25)

Het is belangrijk om hier te zien dat het woord “zonde” in het enkelvoud staat. Jezus komt niet de symptomen wegnemen, maar de oorzaak van de ziekte zelf. Maar heeft Israël zoiets verwacht? Zij hebben gedacht dat de Messias zou komen als een profeet en koning, in plaats daarvan krijgen ze een Lam. Waarom? Waarom komt Jezus niet als profeet en koning? Hoewel wij weten dat Hij dat in alle opzichten ook is. Kun je het Woord van God horen en verstaan en gehoorzamen, als de zonde nog over je heerst? Kun je door God geregeerd worden, kun je de Koning gehoorzamen, als de zonde nog macht over je heeft? Heel de geschiedenis van Israël had toch laten zien, dat de zonde telkens weer de gemeenschap tussen God en het volk heeft verstoord. Zolang de zonde er is, is de relatie met God verstoord. Er kan alleen geestelijke gemeenschap zijn met de heilige God, als je zelf gereinigd bent van je zonden en je schuld, en dat niet tijdelijk en elke keer weer, maar wezenlijk, en volkomen en eens en voor altijd. Christus heeft eenmaal voor altijd de zonde weggenomen zodat wij met een geweten dat is gereinigd van alle dode werken vrijelijk tot God de Vader konden komen. Daarom moest Hij in de eerste plaats het Lam van God zijn. En Johannes de Doper heeft dat geweten en verkondigd en dat is zijn getuigenis nu op de tweede dag, wanneer Jezus bij hem komt. “Zie het Lam van God!”

Het eerste getuigenis is heel eenvoudig: de Messias is al gekomen! Het tweede getuigenis is gecompliceerder, zeker voor de oren van de menigte in Bethanië. Deze Messias is het Lam van God! God komt niet alleen maar om te heersen en Zijn Woord te brengen, Hij komt om te reinigen van zonde en schuld, dat moet eerst worden gedaan. Daarom was de doop van Johannes “tot vergeving van zonden.” Die doop verwees naar het Lam, dat die vergeving van zonden zou teweegbrengen. Het berouw en de bekering konden die vergeving niet tot stand brengen, daarvoor moest Jezus Zijn leven geven op het kruis van Golgotha.

Dan vertelt Johannes hoe hij zelf ontdekt heeft wie Christus is. Op die dag, pak en beet 40 dagen daarvoor, kwam Jezus bij hem om door hem gedoopt te worden. Dat was weer een andere functie van de doop van Johannes. God zou Zijn Messias openbaar maken op het moment dat Hij de doop van Johannes onderging. Op het moment dat Jezus zijn dienstwerk begint en zich identificeert met de schare die uit de geestelijke woestijn van Jeruzalem is weggetrokken, om in de vlakte van de Jordaan opnieuw te beginnen. Er is een nieuwe uittocht gaande, en er is een nieuwe Mozes die de schare zal leiden naar de verlossing. Ook daarom doopte Johannes in de Jordaan, zoals hij zegt: “En ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik gekomen om te dopen met het water.” (Vers 31) God geeft dan aan Johannes een teken, dat hij alleen met geestelijke ogen gezien kan hebben. “Ik heb de Geest zien neerdalen uit de hemel als een duif, en Hij bleef op Hem.” (Vers 32) Die uitdrukking “als een duif” betekent niet dat Johannes een duif zag, en begreep dat dat de heilige Geest was. Het betekent dat de heilige Geest naar beneden kwam op de manier waarop een duif neerdaalt uit de lucht.

Toch heeft Johannes ook bij die gebeurtenis Jezus nog niet gezien als de Zoon van God. Vers 34: “En ik kende Hem niet.” Er was een bijzondere openbaring van God voor nodig, zodat Johannes werkelijk zou begrijpen dat Jezus de Zoon van God was. Johannes was immers, zegt vers 6, door God gezonden. God heeft dus tegen hem gezegd “op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met de heilige Geest doopt.” En op grond van die profetische ingeving komt Johannes dan tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” Zo ging het ook bij Petrus. Als Jezus aan de discipelen vraagt wie zij zeggen dat Hij is, dan antwoordt Petrus met de woorden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” (Mattheus 16:16) en Jezus antwoordt dan: “vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.” Hoe kan iemand weten en geloven dat Jezus de Zoon van God is? Uiteindelijk alleen maar omdat God het hem of haar te zien geeft. De woorden van Jezus en de wonderen op zichzelf – zo zal ook blijken in dit evangelie – kunnen iemand niet overhalen om tot die belijdenis te komen. Ook Johannes kan het met zijn natuurlijke ogen niet zien. God zelf is de eerste en belangrijkste getuige. Wanneer Hij dat getuigenis in iemands hart legt, dan komt iemand tot gelovige erkenning van Jezus. Dan wordt iemand een kind van God. Op grond van deze openbaring dus, komt Johannes tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.”

Twee getuigenissen hebben we nu gehoord. Het eerste wat je moet geloven is dat Jezus de Christus is, de Messias, de Zoon van God. Het tweede wat je moet geloven is, dat deze Zoon van God gekomen is om de zonde weg te nemen, radicaal en op volmaakte wijze; gekomen is om de macht van de zonde en de dood te breken. Kortom, nu moet je ook geloven dat deze Jezus ook het Lam van God is. En dan komt de derde dag met het derde getuigenis, nu aan twee van de volgelingen van Johannes zelf.

Wat zegt Johannes daar? Johannes staat bij het water met twee van zijn discipelen. En dan wijst hij naar Jezus en zegt: “zie, het Lam van God!” Dat is niet alleen maar een herhaling van de verkondiging van vers 29. Op deze manier gezegd betekent het: volg Hem. Daar, bij Hem moet je zijn. Maar wat betekent dit volgen? Sommigen hebben gedacht dat het de bedoeling is dat zij discipelen van Jezus worden. Dat zou ook uiteindelijk gebeuren. Maar de uitdrukking “volgen” in dit gedeelte betekent eerder een letterlijk volgen, achter iemand aangaan. Daarom lezen we ook in vers 38 dat Jezus zich omkeert en dan “zag dat zij volgden.” Wat zegt Johannes dus? Hij zegt tegen zijn discipelen dat Jezus het Lam van God is, maar hij zegt er meteen bij dat ze niet zijn woord moeten geloven, maar zelf op onderzoek uit moeten gaan. Het is alsof hij zegt: Ga het maar aan Jezus zelf vragen, spreek maar met hem en ontdek voor jezelf dat hij waarlijk het Lam van God is, en dat hij waarlijk de Zoon van God is. En daarmee is het getuigenis van Johannes compleet. Eerste getuigenis: Jezus is de Zoon van God. Tweede getuigenis: de Zoon van God is ook het Lam van God. Derde getuigenis: ga voor jezelf de waarheid daarvan ontdekken door Hem te volgen. Geen oproep dus tot navolging, maar een oproep om te ontdekken. (De oproep tot navolging gaat van Jezus Zelf uit.)

Zijn dat geen prachtige woorden? Is het niet geweldig wanneer mensen op onderzoek uitgaan, en dan niet meer kijken naar het getuigenis van anderen, zoals zij hier niet langer het getuigenis van Johannes de Doper hebben aangehoord, maar met hun vragen bij Jezus zelf komen? Is dat niet de kern van alle catechisatie? Wij geven het getuigenis: Jezus is de Zoon van God, Jezus is het Lam van God, en dat zul je voor jezelf moeten ontdekken en dat kan alleen als je met Hem bezig bent, Hem volgt. Is dat samen niet de kern van het christelijk getuigenis? De getuige zelf is alleen maar een stem, de getuige is tegenover de Heer over wie hij spreekt nog minder dan een slaaf, maar God heeft iets aan hem geopenbaard. En daarom heeft de getuige gezien dat deze Jezus de Zoon van God is en het Lam van God is. En nu hij dat eenmaal weet is het enige wat hij nog moet doen anderen daarop te wijzen. Dat is alles wat vanaf de kansel en bij de catechisatie kan worden gezegd: “Zie!” In het besef dat alleen God Zelf te zien kan geven, alleen God iemand kan brengen tot de erkenning van Zijn Zoon. Maakt dat het getuigenis onbelangrijk? Of gebruikt God juist dat getuigenis om het hart van mensen te raken en te vervullen met de kennis van Zijn Zoon? De getuige kan geen roem opeisen voor wat hij of zij doet. Kan geen succes claimen als iemand tot bekering komt. Maar elke getuige moet wel net als Paulus zeggen: “wee mij als ik het evangelie niet verkondig.”

Johannes (5) – De eerste getuige, de eerste dag (Joh. 1:19-28)

Het evangelie van Johannes is een boek vol getuigenissen. De apostel Johannes zegt tegen ons dat hij een getuige is van Jezus Christus, dat Hij de Zoon van God is. En hij heeft net in de proloog uitvoerig uitgelegd wat dat betekent: Jezus is het vleesgeworden Woord, de schepper, die genade en waarheid brengt in de wereld, die het licht en het leven van de mensen is. Dat is het getuigenis van de evangelist. Net als in een gerechtshof worden nu andere getuigen ten tonele gevoerd. Er moet meer dan een getuige zijn. En de eerste getuige die Johannes oproept, is zijn naamgenoot Johannes de Doper.

In het gedeelte dat nu voor ons ligt, horen wij Johannes de Doper op drie verschillende dagen tegenover drie verschillende groepen mensen drie verschillende dingen over Christus zeggen. Johannes de Doper was de eerste profeet in Israël na 400 jaar en bij zijn prediking liepen de mensen hem vol enthousiasme na. Zijn optreden was dynamisch en krachtig. Het gebied van zijn missie was bij de rivier de Jordaan, in de vallei, en iedereen ging daar naar toe om hem te horen. Vermoedelijk was hij een goede bekende van de Jeruzalemmers, omdat hij de zoon was van een priester, Zacharias. Maar hij treedt niet op in Jeruzalem. Eigenlijk verlaat hij de normale samenleving en identificeert zich met de armen. En de armen die droegen kleren van kameelhaar en leren gordels, en dat is de reden dat ook Johannes de Doper dat droeg. En arme mensen die ver buiten de steden en dorpen woonden in hun kleine nederzettingen, die aten sprinkhaan en wilde honing, en dat is dus ook wat hij gegeten heeft. Op die manier identificeerde hij zich met de mensen aan wie hij getuigde. Er was dus niets bijzonders aan zijn optreden. Zijn dieet en kleding waren de standaard voor de arme mensen die in de wildernis woonden.

Zijn optreden wekte de belangstelling van mensen in Jeruzalem. Heel het land Judea ging uit om Johannes te zien. En iedereen dacht bij zichzelf, stel je eens voor dat dit de Messias was, misschien is dit wel degene op wie wij gewacht hebben. Kortom, Johannes de Doper was een buitengewoon populaire man. De tekst vertelt ons nu over het getuigenis van Johannes in een plaats aan de overkant van de Jordaan, aan de oostelijke kant dus, waar Johannes de Doper de doop van de bekering tot vergeving van zonden toediende. In vers 28 van het eerste hoofdstuk, wordt in de meeste vertalingen die plaats aangeduid als Bethabara. Maar wij kennen die plaats eigenlijk gewoon als Bethanië. Er waren namelijk twee plaatsen met die naam, de ene net ten zuiden van Jeruzalem waar Martha en Maria en Lazarus woonden, en de andere aan de overkant van de Jordaan. Met die laatste hebben wij hier te maken.

Op die plaats hoorden de mensen de verkondiging van Johannes. En de kern van zijn boodschap was, “maak jezelf gereed, de Messias komt eraan.” En de mensen maakten zich gereed, en ze hadden berouw over hun zonden en ze bekeerden zich en wilden werkelijk een geestelijke reiniging in hun leven om klaar te zijn voor de komst van de Messias. En de doop van Johannes was niets anders dan een symbool van die geestelijke reiniging. Dat was het karakter van de doop van Johannes.

Nu moeten we de chronologie van deze gebeurtenissen eens goed bekijken. Johannes de Doper begon in het zuidelijke deel van de Jordaanvlakte en ging beetje bij beetje naar het noorden toe. In dat zuidelijke gedeelte was Jezus al naar Johannes toegegaan en was door hem gedoopt in de Jordaan. Na de doop van Jezus lezen we dat de Geest Hem de woestijn in dreef om daar 40 dagen door de duivel te worden verzocht. Terwijl hij in die zuidelijke woestijn verkeerde, reisde Johannes door de Jordaanvallei stap voor stap naar het noorden. En na de verzoeking in de woestijn gaat Jezus ook naar het noorden en vindt dan Johannes de Doper in Bethanië, aan de oostkant van de rivier. En dat is dan de gebeurtenis waarover wij het bericht lezen in vers 29. Maar terug naar het getuigenis van Johannes.

De eerste dag getuigt hij aan de eerste groep en spreekt de eerste verkondiging uit. We beperken ons hier tot deze eerste dag. Vers 19: “En dit is het getuigenis van Johannes.” Er komen enkele Levieten en priesters uit Jeruzalem naar Johannes toe. (Gewoon “Johannes” heeft nu betrekking op Johannes de Doper, zoals altijd in dit evangelie. De schrijver vermeldt zichzelf niet.) En deze mensen zijn op een missie gestuurd, en moeten hem deze vraag stellen: “wie ben jij?” Ze zijn gestuurd door “de joden”, en dat is geen ander woord voor iedereen die tot Israël behoort, maar een ander woord voor de tegenstanders van Jezus. Zo gebruikt Johannes dat woord, het staat ongeveer voor de Judeërs die Hem verworpen hadden in tegenstelling tot de Galileërs van wie velen in Hem geloofden. En nu komt de oppositie tegenover Johannes aan de orde. Wat is de reden van hun vijandigheid? Waarschijnlijk zitten zij in Jeruzalem en zeggen bij zichzelf, we weten niet wie deze vreemde figuur is die daar in de wildernis zoveel belangstelling naar zich toe trekt, maar we moeten er iets aan doen, want hij bedreigt de religieuze rust in het land. Ze zijn bezig om Israël te beschermen tegen een valse Messias, en ze gaan daarin zover dat ze Israël ook verre houden van de ware Messias. Dus deze mensen komen naar Johannes toe en vragen “wie ben je?” En omdat sommige mensen hadden gedacht dat Johannes de Messias was, betekent hun vraag eigenlijk: “Ben jij de Messias?” En daarachter zit de gedachte: “als jij dan de Messias bent, waarom draag je dan deze belachelijke arme kleding en loop je rond in de woestijn? Waarom kom je dan niet in Jeruzalem om jezelf aan de priesters te vertonen?” Hoe weet ik dat ze dat dachten? Vanwege het antwoord dat Johannes hier geeft. Hij zegt niet dat hij Johannes heet en dat hij doopt enzovoorts of dat hij de zoon van Zacharias is, maar hij zegt meteen – er staat dat hij het belijdt, belijden in de betekenis van ervoor uitkomen wie je bent – dat hij de Messias niet is.

OK, jij bent dan niet de Messias, vragen zij verder, maar ben je dan Elia? Er staat immers geschreven in Maleachi 4:5, “Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de Here komt, die grote en ontzagwekkende dag.” Ze vragen Johannes of hij de voorloper is van de Messias wanneer die komen zal om te oordelen. Maar Johannes weet dat Christus niet gekomen is om te oordelen en dat hij dus niet de Elia van Maleachi 4 is. We lezen wel in het evangelie naar Lucas over Johannes: “Hij zal voor Hen uitgaan in de geest en de kracht van Elia…” Dus zijn optreden heeft iets gemeenschappelijks met het optreden van Elia, beide profeten vertonen een grote kracht en zijn vol van de Geest. Niet Elia is echter gekomen, maar een laatste profeet die op Elia lijkt in de wijze van zijn bediening.

“Ben je dan de profeet?” We weten niet precies waar dat op slaat. Mozes had aangekondigd dat hij een opvolger zou krijgen in een profeet, en dat is letterlijk vervuld met de komst van Jozua. Een tweede vervulling vinden we in het optreden van Jezus zelf. Hij is de profeet die na Mozes zou komen. Misschien waren er mensen die verschil maakten tussen de profeet die de opvolger van Mozes zou zijn en de Messias. In ieder geval is het antwoord van Johannes opnieuw duidelijk: “nee, ik ben de profeet niet.” “Wie ben je dan wel?” Het antwoord van Johannes is zo prachtig. Hij geeft het in vers 23. “Ik ben niet belangrijk,” zegt hij. “Ik ben maar een stem van iemand die roept in de woestijn. Ik ben alleen een stem die wijst op het Woord van God. Ik ben iemand die oproept om voorbereid te zijn op de komst van dit Woord.” Ligt daar niet precies de grootheid van Johannes de Doper? In zijn nederigheid? Hij wil alleen maar verwijzen naar het vleesgeworden Woord, naar de Messias die komen zou. Maar in het vijfde hoofdstuk van het evangelie, horen we Jezus getuigen over Johannes de Doper. Deze Johannes heeft “van de waarheid getuigd.” (Johannes 5:33) “Hij was de brandende en lichtgevende lamp, en u hebt u voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen.” (Vers 35.)

Is dit ook niet een prachtige tekst over de kerntaak van een predikant of evangelist? Ik ben niet belangrijk, ik ben maar een stem die spreekt over het vleesgeworden Woord. Hij moet groot worden, en ik moet zo klein mogelijk zijn om de boodschap niet in de weg te zitten met mijn eigen persoonlijkheid. Dit is de kerntaak van een predikant: naar Jezus Christus te verwijzen. Ook het pastoraat is daarvan afgeleid: mensen in hun bijzondere omstandigheden te wijzen op Jezus Christus. Meer niet, minder ook niet. Predikanten zijn geen raadgevers, psychologische raadslieden, emotionele coaches, ziekenbegeleiders etc. Dat zijn allemaal beroepen en roepingen (op zijn best dan) die met het werk van de predikant niets te maken hebben. Konden alle predikanten dat maar zeggen: “ik ben alleen een stem die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heere, want het gaat om Hém!”

Zo heeft Johannes al hun vragen beantwoord. Hij is niet de Messias, en hij is niet Elia en hij is niet de profeet. Dus is de volgende vraag: “waarom doopt u dan?” Maar waarom vragen ze dat? Ze kennen de profetie van Ezechiël. Daar lazen ze in hoofdstuk 36 dat God Zijn grote Naam zou heiligen, maar voor het volk betekende dat de noodzaak van reiniging. Vers 25: “Ik zal rein water op uw sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” En daarna vers 27: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Et cetera.” En dan ook in Zacharia 13:1, daar lezen we een verwijzing naar een reiniging: “Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.” Wanneer de Messias zou komen zou er een reiniging zijn op een of andere manier. Dat wisten zij in Jeruzalem ook wel. Maar als Johannes de Doper niet de Messias was en ook niet Elia, waarom doopt hij dan? Is zijn doop toch een vervulling van de profetie in Ezechiël? Het antwoord van Johannes lijkt de betekenis van deze doop te minimaliseren. Zijn doop is alleen maar een doop met water, zijn doop is alleen maar een doop van voorbereiding. De doop van Johannes was een symbool van de bekering en de reiniging, dat is alles. Maar zijn doop had daarom geen rechtstreeks verband met de doop die Christus zou geven, de doop met de heilige Geest.

En dan komt het getuigenis van Johannes op het hoogtepunt. “Te midden van jullie staat iemand die jullie nog niet kennen. Hij is al aanwezig in deze tijd en in dit volk. En Hij zal jullie dopen met de heilige Geest.” Elke gelovige die Jezus Christus aanneemt, wordt gedoopt met de heilige Geest, eens voor altijd. Het wordt nooit herhaald. Er wordt nooit een prestatie voor vereist. Het is zoals we lezen in 1 Kor. 12:13, “want door één Geest zijn wij allen gedoopt in één lichaam.” Op het moment dat je Christus gaat vertrouwen en je leven aan Hem toevertrouwt, op het moment dat je tot geloof in Christus komt, wordt je gedoopt door de heilige Geest die jou reinigt en aanvaardbaar maakt voor God. Eens en voor altijd. Mensen die spreken over de doop met de heilige Geest en dat in verband brengen met het spreken in tongen hebben het niet begrepen. De doop met de heilige Geest wordt op geen enkele manier in verband gebracht met bijzondere gaven van de Geest. De doop met de heilige Geest vindt plaats op het moment dat wij Christus aannemen in onze harten. Daarnaar verwijst Johannes de Doper. De Messias komt! De Zoon van God komt, en zal ons dopen in de heilige Geest om ons te reinigen. De doop van Johannes is dus maar een symbool, maar Christus geeft ons de werkelijkheid.

Dat is dus het getuigenis van Johannes op de eerste dag. De officiële delegatie van de joden uit Jeruzalem is gekomen en heeft gevraagd “wie ben jij?” En Johannes heeft geantwoord dat hij niet is wat zij denken, niet de Christus en niet Elia. Johannes de Doper is alleen maar een stem die spreekt over de Messias die komen zal. En die Messias is al in ons midden, en Hij zal binnenkort zichtbaar worden en Hij brengt de werkelijkheid van het Koninkrijk: de doop met de heilige Geest.

Johannes (4) – De vleeswording van het Woord – met de controverse over Kerst

Waar gaat het Kerstfeest eigenlijk over?

Ik denk dat de meesten van ons het verhaal zullen navertellen van Mattheus en Lucas. Zo vertellen we dat Maria, de moeder van Jezus, zwanger was geworden zonder toedoen van Jozef en dat de engel tot haar gesproken had en gezegd had dat haar zoon Jezus zou moeten heten. En dat de wijzen uit het oosten kwamen om Hem als de pasgeboren Koning van de joden te aanbidden. En dat Jozef en Maria gevlucht waren naar Egypte, en dat Herodes alle kinderen in het gebied rondom Bethlehem onder de twee jaar oud liet doden, en dat de engelen waren verschenen aan de herders in het veld en hadden gezongen: “Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.” En wie is dat kind dan? De “Koning der joden.”

Er is genoeg te vinden voor iedereen in deze historische vertelling. Je kunt ontroerd zijn, wie je ook bent, over de jonge Maria die met haar oudere man door de winterkou heen naar Bethlehem reist op een ezeltje. Wat geeft het, dat we niet zeker weten dat Jozef een oudere man was, dat we zeker weten dat het niet de winter was, en dat we zeker weten dat zij niet op een ezeltje reisde. Het romantische beeld zit nu eenmaal in ons hoofd. Je kunt ontroerd zijn van de aanblik van de pasgeboren Jezus die in de kribbe ligt, te midden van het vee en het stro omdat er in de herberg geen plaats was. Je gaat goede gedachten denken over asielzoekers en mensen die het zo moeilijk hebben in de wereld. Msschien geef je zelfs nog wat meer in de collecte dan vorig jaar. Wat geeft het, dat Hij niet te midden van het vee heeft gelegen, omdat de os en de ezel op de binnenplaats hebben gestaan, en dat de voederbak niet met stro gevuld was, omdat Jozef en Maria in het verblijf van de knechten hebben gelegen. Wat geeft het, dat het niet de normale herberg was, maar een pleisterplaats voor veehandelaren. Ook als je geloof op een heel laag pitje zit, en je eigenlijk alleen maar met kerstavond naar de kerk gaat, kun je vol nostalgie raken wanneer je over het lied van de engelen nadenkt. De hemelse boodschappers vertellen immers dat God welbehagen aan je heeft, dat Hij van alle mensen houdt en dat Hij het goede met iedereen voor heeft. Een heerlijke, romantische, nostalgische, geruststellende en inspirerende  – en valse – jaarlijkse boodschap voor iedereen.

En ik geloof er niks van.

Voor mij is dit romantische plaatje vol met prietpraat en sentiment. En eigenlijk kun je dat al zien wanneer je nauwkeurig leest in het evangelie van Mattheus en Lucas. Zijn komst is een buitengewoon Goddelijk ingrijpen in de schepping en de geschiedenis van de mensheid. Maria is zwanger uit de heilige Geest; engelen verschijnen, Gods heerlijkheid wordt op aarde zichtbaar. De Koning van Israël is de Messias voor jood én niet-jood; Hij is de Heer met all gezag in hemel en op aarde; Hij is de wetgever die de mens Zijn wil oplegt en ons allen roept Hem na te volgen en te gehoorzamen in alle dingen; de volmaakte mens bij Lukas is het zondoffer voor de zonden van de gehele wereld etc.  Het gaat om de redding van de mensheid in dit verhaal, niet om morele inspiratie voor goedbedoelende mensen – die wij denken te zijn. Maar dat is iets wat ik nu niet wil uitwerken. Ik wil juist gaan kijken naar een heel ander kerstverhaal. En dat is een verhaal dat door al onze oppervlakkige,  historische en romantische plaatjes héén prikt en ons brengt bij de cruciale vraag: Wie wordt hier geboren? En welke relatie heb ik met Hem?

In de proloog van het evangelie naar Johannes wordt ons verteld wie deze Jezus is. Hij is het eeuwige woord zegt het eerste vers. Hij is de schepper van alle dingen zegt het derde vers. In Hem was de bron van alle geestelijke leven dat als een licht straalt over de mensen, zegt vers 9. En dit waarachtige licht komt in de wereld, zegt Johannes. En Hij was in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet gekend. Dat heeft Hem niet belemmerd om in deze wereld Zijn licht uit te stralen, want de duisternis heeft dat licht niet gegrepen, zegt het vijfde vers. En dan komt Kerstmis: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, en heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.”

De Jezus die geboren wordt op kerstochtend is het eeuwige Woord, de schepper van hemel en aarde, Hij is het leven en het licht. Maar Hij is ook de verworpene, want de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hebben wíj Hem aangenomen? Heeft u Hem aangenomen? Toch hebben sommigen Zijn heerlijkheid gezien, Zijn genade en waarheid. Dat is het getuigenis van de apostelen dat ook nu nog naar ons toekomt. Beseft iedereen dat, die het kerstfeest viert? Dat de genade van God is verschenen in Christus Jezus? Dat is de genade die wij nodig hebben omdat wij ver van God zijn afgedwaald, vijandig staan tegenover God en Zijn geboden, en omdat wij verzoening nodig hebben met deze God om behouden te zijn. Beseft iedereen die kerst viert dat? Dat deze Jezus de waarheid over God aan ons heeft gedemonstreerd en verteld? Niemand is in staat om God te zien en te begrijpen. De Zoon van God, die in de kerstnacht geboren is, die heeft Hem ons verklaard.

Het kerstfeest is niet het feest van goede bedoelingen, ook niet van de goede bedoelingen van onze God. Het is het moment dat God Zijn Zoon inbrengt in de wereld om het Lam van God te zijn, dat de zonden van de wereld wegdraagt. Om het schuldoffer te worden in onze plaats. Om ons de waarheid over God te vertellen opdat wij die zouden gehoorzamen. Dat alles lijkt juist ver weg, als we oppervlakkig de historische omstandigheden nalezen, waarover Mattheus en Lucas bericht hebben. Dan kun je blijven steken aan de buitenkant. Daarom is voor mij het mooiste verhaal van kerst de proloog van het evangelie naar Johannes. Alle ruis en alle mist is weggevallen, en we horen in heldere woorden wat er werkelijk gebeurd is in die kerstnacht. Het Woord is vlees geworden – God heeft zich niet vermomd als een mens, en ook is geen mens goddelijk verklaard, maar God heeft Zelf de gedaante van een mens aangenomen, is aan ons gelijk geworden, heeft ons bestaan gedeeld. De schepper treedt in, in Zijn schepping. En Hij heeft ons leven gedeeld, hij heeft onder ons gewoond – Hij is in alle opzichten aan ons gelijk geworden, de enige uitzondering is de zonde. De volmaakte Zoon van God was in ons midden, er was geen bedrog in hem, geen verkeerd woord kwam van zijn lippen, heel Zijn hart was God toegewijd en gevuld met liefde voor de mens. Johannes de evangelist was er bij, en Hij getuigt met dit evangelie. “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Door dit menselijke leven héén en door deze oppervlakkige historische gebeurtenissen héén, hebben de discipelen Gods Heerlijkheid gezien in Hem. Alle voortreffelijk eigenschappen die God heeft, straalden in Jezus Christus naar buiten met een ongekende helderheid. Getemperd alleen, opdat menselijke ogen het konden waarnemen. Liefde, genade, barmhartigheid, goedertierenheid, geduld, mededogen, begrip, zuiverheid, licht dat ons aan onszelf ontdekt, en leven dat ons doet ontwaken uit de dood. Alle wijsheid van God, elke onbenoembare volmaaktheid in God, straalde in deze Jezus van Nazareth. In dit Kind, in deze kribbe, in deze kerstnacht.

Stel nu eens dat je op een berg had gestaan met een verrekijker in je hand, zodat je alles kon zien wat er in Bethlehem, ja zelfs wat er in het paleis van Herodes die dagen allemaal gebeurd was. Je was dan getuige geweest van de geboorte van Jezus en al het andere dat in die nacht heeft plaatsgevonden. En zou je dan niet gezegd hebben: wat heeft die moeder het moeilijk gehad? Waar komt dat licht vandaan bij die herders in het veld? Wat betekenen die woorden toch die ik hoor: in mensen een welbehagen? Verder was je nooit gekomen, als God het je niet geopenbaard had, zoals Hij het aan de discipelen in hun hart openbaarde. Zonder de theologie van het evangelie naar Johannes, zijn de gebeurtenissen die worden geschetst in het evangelie naar Mattheus en naar Lucas – zelfs als je al hun theologische kanttekeningen meerekent – onbegrijpelijk en onbetekenend.

Johannes zegt ons, dat pas toen Jezus werd geboren, mensen God konden zien. In Jezus zagen ze de volledige volmaakte godheid. Jezus was één met God, hij was één met Hem in genade en waarheid. Alles wat je ooit in je leven van God zou kunnen en moeten weten, weet je in Hem. Weet u, je kunt het kerstverhaal elk jaar horen, zoals het wordt verteld bij Mattheus en Lucas. Je kunt je er elk jaar over verbazen en verwonderen en er zelfs ontroerd van raken. Maar als je niet begrijpt wie Hij is die hier wordt geboren, en als je niet gelooft in Diegene die hier geopenbaard wordt, dan heb je daar helemaal niets aan. Dan ben je, zegt Johannes, helemaal geen kind van God. “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht (eigenlijk: recht, bevoegdheid) gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Hem aannemen is in Zijn Naam geloven. In Zijn Naam geloven betekent, geloven en vertrouwen in alles wat Hij is en gezegd heeft. En de kern van dit “alles wat Hij is” vinden we precies bij Johannes. Dit Kerstkind is het eeuwige Woord, en buiten dat Woord om kun je geen kind van God zijn, kun je geen genade ontvangen en geen waarheid kennen, blijf je dood in je zonden en ontvang je het leven niet, en wandel je in de duisternis omdat je het Licht niet over je laat schijnen.

Elke keer weer, wanneer wij kerst vieren, lezen we of Mattheus of Lucas. Maar eigenlijk zouden wij elk jaar meteen na het lezen van het kerstverhaal, de proloog van het evangelie naar Johannes moeten lezen. Want de inzichten die Johannes hier met ons deelt, die verhinderen dat ons het grootst mogelijke misverstand overkomt: te menen dat het evangelie niets anders is dan een wonderlijk geboorteverhaal over een goed mens die tragisch stierf, in een voor ons onbereikbaar verleden. Neen! Deze Jezus is het eeuwige Woord, de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven in de dood, opdat ik zou leven door Hem.

Kent U Hem? Kent U de Zoon van God? Is Hij uw Heer en Heiland?

PERSOONLIJKE VOETNOOT

Henneke las deze tekst, vlak nadat ik die op internet had geplaatst. Haar commentaar was, dat ik (weer) in de aanval was gegaan tegen mensen die deze “prietpraat en valse sentimenten” juist heel prettig vonden. “Je moet ze er zachtjes op wijzen.” In mijn ervaring van de laatste 40 jaar helpt het NOOIT wanneer je mensen ergens “zachtjes” op wijst. Je bent dan alleen wollig, onhelder, mensen vergissen zich over je eigenlijke bedoelingen etc. Je bent dan weliswaar een vriendelijke man in hun ogen, maar ze leggen de boodschap die je brengt net zo makkelijk naast zich neer, als de tekst te lezen is die je geschreven hebt. Ik heb in mijn tekst geen mensen op het oog gehad, het is geen aanval op iemand, maar het is wel gericht tegen een bepaalde manier van gelovig-zijn. Je meent dat je gelovig bent omdat je het kerstverhaal zo mooi vindt? Maar dat is een illusie! Dat is geen geloof in Jezus Christus die door de Vader gezonden is. En alleen “wie Hem aanneemt” in geloof, ontvangt van Hem het leven en het Licht. Vanuit Gods Woord kun je niet anders – meen ik – dan daar duidelijk en helder op wijzen. Dat het “kerstgevoel” van de meeste mensen helemaal niets te maken heeft met de waarheid van de geboorte van Jezus. Dat het verhaal van de ongelukkige joodse martelaar die zo’n bijzondere geboorte had, geen evangelie is. Dat er méér staat in de Bijbel dan in dit oppervlakkige verhaal terug te vinden is.

Je kunt en mag dat van mij niet leuk vinden, en je kunt en mag vinden dat ik dat (te) hard neerzet. Leg het naast je neer, en er is geen schade. Noem mij een vervelende vent, en ik lijd geen schade. Maar als ik niet de (Bijbelse) waarheid spreek, lijdt iedereen schade – ik, omdat ik mijn opdracht verzaak het evangelie te verkondigen en jij, lezer, omdat ik de stroopkwast hanteer en jou niet helder zeg wat ik denk. Daar schiet jij immers ook niets mee op. Dat doet bovendien iedereen al. Maar je kunt en mag er ook iets van leren. Namelijk opnieuw leren dat Kerst over de Heer Jezus Christus gaat die kwam om ons te redden, die het leven met ons deelde etc. etc. Kortom je kunt en mag er ook van leren wat de ware Kerstboodschap is. Daar word je niet minder van, integendeel.

Johannes (3) – Leven en Licht

De eerste drie verzen van de proloog van het evangelie naar Johannes vertellen ons rechtstreeks iets over de godheid van Jezus Christus. Hij was vanaf de eeuwigheid. Hij was bij God, dat wil zeggen communiceerde met God, was voor Zijn aangezicht, er was een levende, persoonlijke betrekking en relatie tussen God en het Woord. En het derde wat hij zegt is dit: God heeft alle dingen door het Woord gemaakt, het Woord is de schepper van alle dingen, en niets dat bestaat, bestaat buiten Hem om.

In de verzen 4 en 5 gaat het vervolgens om het vleesgeworden Woord. Gaat het om de relatie tussen het Woord en de wereld. Twee dingen worden daar gezegd. In de eerste plaats, dat het Woord de bron van alle leven is. En dat dit leven ook het licht is van de menselijke wereld. Leven en licht. Dat is vers 4. En dan het tweede, dat rechtstreeks te maken heeft met de komst van Jezus in de wereld. Het Woord is licht, en schijnt in de duisternis die over onze wereld ligt. En de duisternis heeft dat licht niet kunnen overwinnen. Het is meer dan “niet begrepen” wat in de Herziene Statenvertaling staat. Het gaat er niet om dat de wereld die in duisternis ligt niet heeft begrepen dat Hij het Woord is, maar dat deze duisternis dat licht niet heeft kunnen overwinnen, niet heeft kunnen overmeesteren.

“In Hem was het leven.” Het woord dat hier gebruikt wordt is niet bios, wat op het fysieke en laten we zeggen biologische leven slaat. Het gaat om het geestelijke leven en om die reden gebruikt Johannes het woord dzoè. Als schepper van de wereld is Hij ook de bron van al het levende, dus van het leven. Maar Hij is ook de bron van het geestelijke leven. Dat leven is in Hem.

Wat is geestelijk leven? Het staat tegenover geestelijk dood zijn. Wat is dan geestelijk dood zijn? Paulus zegt in de brief aan Efeze: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.” (2:1) Geestelijk dood zijn betekent dat je niet bij machte bent om God te antwoorden, om in een levende betrekking tot Hem te staan. In deze wereld zijn de meeste mensen geestelijk dood, omdat hun zonden en overtredingen tegenover God niet vergeven zijn. Omdat ze de kracht van de levendmakende Geest niet hebben meegemaakt. Daarom gebruikt Johannes in dit evangelie meer dan 50 keer het woord dzoè, geestelijk leven. De mensen in de wereld waren dood, en Hij kwam om hen het leven te geven. Opdat de mensen wél met God in een levende betrekking konden staan, Hem waarachtig zouden kennen, met Hem zouden wandelen in hun leven. Daarom zegt Hij van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

En dan wordt dit Leven dat Jezus Christus kon brengen ook nog eens het licht genoemd. Dat Leven dat in Hem is, straalt naar buiten toe, verlicht alle mensen, verdrijft de duisternis. Net zoals licht vanuit een lichtbron straalt, zo straalt het leven uit Jezus Christus die de bron van het leven is. En dat licht van het leven straalt uit naar alle mensen in de wereld, zoals we lezen in vers 9. “Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” Hoe kun je dat leven ontvangen? Hoe kun je dat licht in je leven laten schijnen? Johannes gaat het in zijn evangelie uitleggen.

In de eerste plaats moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Als je dat niet gelooft zoek je het licht op de verkeerde plaats, of blijf je liever in de duisternis, en dan heb je de bron van het leven niet gevonden. Er worden in deze wereld zoveel leugens verteld, de waarheid is zo schaars, maar in Christus vind je de bron van alle waarheid, de Waarheid zelf.

In de tweede plaats moet je vertrouwen hebben in wat Hij geopenbaard heeft. Moet je geloven dat Hij werkelijk de Vader heeft laten zien en de Vader in eenheid met Hem is. Want alleen als je Zijn Woord aanvaard, weet je wat je doen moet en hoe je dat leven kunt ontvangen. Je moet Hem dus erkennen als de Weg die tot het leven leidt.

En in de derde plaats moet je je leven toewijden aan deze twee dingen, je moet de Zoon van God daadwerkelijk gehoorzamen en Hem je leven toevertrouwen. Niet alleen maar weten dat dat zo moet, maar het ook daadwerkelijk doen. Wie dat doet heeft het leven in zichzelf ontvangen, en wandelt in het licht, en is – zoals vers 12 het zegt – een kind van God. Daarom is Hij het Leven zelf, omdat Hij het geestelijke leven geeft aan iedereen die Hem aanneemt in geloof.

Johannes (2) – Het Woord van God

Aan het begin van zijn evangelie geeft Johannes een indrukwekkende samenvatting van heel zijn betoog. In de eerste 18 verzen van het eerste hoofdstuk krijgen we maar liefst zes verschillende beelden van de Zoon van God te zien. Dit is allemaal theologie.

Misschien zegt u bij uzelf, maar wat hebben we nou aan theologie? Is dat niet allemaal theoretisch? Voor een gelovige zijn er twee vragen die bij uitstek praktisch zijn. De eerste vraag luidt: hoe krijg ik vergeving van zonden en verzoening met God? De tweede vraag luidt: hoe kan ik leven op een wijze die God welgevallig is? Rechtvaardiging en heiliging, dat zijn de twee kernwoorden van het praktische christelijke leven. Maar je kunt die vragen niet beantwoorden zonder eerst te weten wie Christus is. De twee praktische vragen zijn afhankelijk van een andere vraag, die ik niet theoretisch zou noemen, maar die wel verbonden is met onze belijdenis, onze erkenning van wie Jezus Christus is.

Voor Johannes is het duidelijk, dat verzoening en vergeving alleen te vinden zijn in de overgave en het offer van de Zoon van God. Zoals die andere Johannes, Johannes de Doper, van Hem getuigt: “Zie het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt.” Om door God te worden gerechtvaardigd en met God verzoend te worden, moet je geloven in de Naam van de Zoon van God. Dat wil zeggen je moet geloven in wie Hij is, en wat Hij gedaan heeft. Maar dat is theologie!

En ook voor die andere vraag, de vraag naar de heiliging, moet je weten wie Jezus Christus is en in welke relatie je tot Hem staat. In dit evangelie is het duidelijk, dat de heiliging voortkomt uit de erkenning en de kennis van de Zoon van God. Wij gehoorzamen aan Zijn opdracht, bij voorbeeld, om elkaar lief te hebben. Maar dat vergt dat we in een levende relatie met Hem staan. Zonder Hem kunnen wij niets doen. Wij zijn als ranken die in de wijnstok zijn geënt. En de kern van het “werk” dat God ons opdraagt, is dat wij geloven in Hem die door de Vader gezonden is. Allemaal zaken die we later nog zullen tegenkomen. En ook dat is allemaal theologie. Het wordt tijd dat we de allergie tegen de theologie van ons afwerpen.

Het eerste beeld van de Zoon van God dat we te zien krijgen, staat in de eerste drie verzen van het eerste hoofdstuk.

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

Verschillende malen wordt in de bijbel over het begin gesproken. De bijbel begint ermee in genesis. “In het begin”, dat is het begin van tijd en ruimte, “schiep God de hemel en de aarde.” We vinden ook een begin in Spreuken 8, waar van de Wijsheid wordt gezegd: “De Here bezat Mij aan het begin van Zijn weg, al vóór Zijn werken.” Dat is het begin waarop God in de eeuwigheid de schepping heeft gewild. Die Wijsheid is Christus, zoals blijkt uit 1 Kor. 1:30 en Kol. 1:15-20. De evangelist Marcus opent met de woorden: “Het begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.” De vervulling van de profetie in het optreden van Johannes de Doper is hier dat begin. En dan vinden we het ook nog een keer in de eerste brief van Johannes, waar het gaat over het begin van het optreden van Jezus: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben…” Etc. Maar het begin van het evangelie van Johannes gaat nog verder terug. Daarom ontbreekt ook het lidwoord. Het is geen bepaald begin, maar… Ga maar terug in de tijd, ga maar terug naar een begin dat voorafgaat aan alle tijd, ga maar terug in de eeuwigheid zover je maar kunt, ga dan nog verder terug zoals alleen God het kan, en dan is het Woord van God er al. In elk begin was het Woord er al, in elk denkbaar begin waar dan ook en hoe dan ook, het Woord van God was er al en ging aan alles vooraf.

Vanaf dit begin dat nooit begonnen is, was Christus er al. Hij is er vanaf de eeuwigheid en hij zal bestaan tot in eeuwigheid. Misschien zegt u, dat is allemaal onbegrijpelijke taal. Ik kan mij de eeuwigheid niet voorstellen. Hoe kan Jezus Christus nu van eeuwigheid af bestaan hebben, ik kan me daar geen voorstelling van maken. Maar dat is niet erg, want ik begrijp het ook niet, niemand begrijpt het, ook geen enkele theoloog begrijpt het. Wie het kon begrijpen, zou zelf God zijn.
Zo worden we meteen in het begin van dit evangelie met iets onbegrijpelijks geconfronteerd. Maar wat onbegrijpelijk is, is nog geen duister mysterie waarover we alleen kunnen mompelen. We weten wel wat het betekent. Het onbegrijpelijke is als een zwart gat dat we niet direct kunnen peilen, maar we weten er wel iets van omdat het effecten heeft erbuiten, we zien het in de werking van de zwaartekracht. Zo is het ook hier. We begrijpen de godheid van Jezus niet, en de vleeswording niet etc. Maar we weten wat het is, omdat het van Zichzelf getuigt, zichzelf geopenbaard heeft. Het betekent dat alle eigenschappen van Christus die uiteindelijk het Woord van God is, al een rol hebben gespeeld bij de schepping van de wereld. Het betekent dat Jezus die in ons midden is, verreweg ook de oudste is, en de oorsprong kent van een ieder van ons, dat Hij aan heel de wereld voorafging en dat de wereld nu bestaat door Hem en vanwege Hem. De plechtige verklaring waarmee Johannes zijn evangelie begint, zegt al meteen en duidelijk, dat Jezus God Zelf is. Er is geen twijfel over mogelijk. En eigenlijk is het beste commentaar ter verklaring van deze woorden van Johannes al te vinden in het Oude Testament, in de verzen die ik hierboven al citeerde.

spreuken_8

Waarom noemt Johannes Hem hier het Woord? Waarom zegt hij niet “in het begin was Christus”? We weten dat Johannes wilde bewijzen dat Jezus Christus de Zoon van God was. Joden en Grieken zouden beiden het idee van het Woord kunnen begrijpen. Voor joden was dit een verwijzing naar het Woord van God waarmee de schepping tot stand was gebracht. (devar haShem, of Aramees: memrat haShem) God sprak en het was er. Steeds wanneer de wil van God en de geest van God tot mensen gericht was, was er sprake van het Woord. De term “Woord” stond voor openbaring in het algemeen. Zo “komt het Woord” van de Heere tot de profeten in het Oude Testament. God heeft gesproken door de profeten (Hebr. 1:1). De evangelist Johannes zegt dus eigenlijk meteen in dit eerste vers tegen de joden, kijk eens, als jij je afvraagt wat dat Woord van God nu eigenlijk is, wat nu de kern en het wezen van de openbaring van deze God is, kijk dan naar Jezus Christus. In Hem woont de scheppende wil en de almacht en de redelijkheid van God, die je ook al kende uit het Oude Testament. Als je heel die openbaring samengevat wilt zien, zoals die eruit zou zien in een levende persoon, kijk dan naar Jezus. Want dat is wie Jezus is. De belichaming van dat Woord. Als je wilt zien door welk Woord de schepping tot stand kwam, als je wilt zien hoe de openbaring van God werkt, als je wilt zien hoe het Woord van God leven en licht schenkt aan de mensen, kijk dan naar Christus. Wat in het Oude Testament het Woord genoemd werd, en wat in het Nieuwe Testament de Zoon van God heet, zijn een en dezelfde.

Maar de Grieken zouden dit woord ook verstaan hebben. Niet omdat ze het Oude Testament kenden natuurlijk, maar wel omdat ze zich bezighielden met de filosofie. Ook de Grieken kende het begrip “woord”. Zij geloofden in een kosmische almacht die ook redelijk was en intelligent. De wil en het verstand van God doortrokken de hele wereld en gaven ook aan de mens de macht van de redelijkheid. Deze onpersoonlijke macht bewoog zich door de wereld heen en was het instrument waarmee een of andere godheid de wereld gemaakt had. En deze macht noemden zij Logos, en dat is het Griekse woord voor “woord”. En zo zegt de evangelist Johannes dus tegen de Grieken, kijk eens, als je zoekt naar deze macht die de hele kosmos bij elkaar houdt, en als je zoekt naar deze wijsheid en redelijkheid waarvan die kosmos doortrokken is, en waar ook mensen mee te maken hebben, kijk dan naar Christus. Alles wat de Grieken dachten van het woord, van de Logos, is feitelijk aanwezig in de vleesgeworden Zoon van God.

Voor de joden en voor de Grieken was het Woord toch nog alleen een intermediair tussen God en de wereld. En daarom moet Johannes er nog iets aan toevoegen. En wat hij eraan toevoegt gaat ook nog verder dan wat de tekst in het boek Spreuken gezegd had. Daar lazen we dat God de wereld door middel van de Wijsheid gemaakt had. Maar voor joden en Grieken was er een verschil tussen God, voor Grieken: de goddelijke almacht en oorsprong die de kosmos had voortgebracht, voor joden: de God van Genesis die sprak en de wereld was er –  en de wijsheid en het woord en die macht zelf die de hele kosmos doortrok. Wanneer Johannes dus zegt, “en het Woord was bij God”, dan is dat nog, laten we zeggen op het niveau van joodse theologie en Griekse filosofie gezegd. Want dan kun je nog denken aan een onderscheid of een rangorde tussen twee verschillende wezen. En dat onderscheid is er ook zegt Johannes. Maar dan komt de beslissende wending, het volstrekt nieuwe. “En het Woord was God.” Het Woord was tegelijk  letterlijk en feitelijk God. Bij God en God Zelf. Een onderscheiding,  ja, maar een onderscheiding binnen God Zelf tussen twee personen en niet een onderscheid tussen twee verschillende wezens, van wie God er dan één is en het Woord de ander. God IS het Woord dat Hij spreekt – Hij openbaart zich volledig – en tevens is Hij niet zonder meer dat Woord, maar BIJ dat Woord – want Hij valt met Zijn openbaring niet samen. Jezus Christus is het levende Woord, Hij is de perfecte openbaring van God en er is geen andere. Het Woord is Christus en het is alleen Christus. Waarom? Omdat Hij God is, in een lichaam. Alles wat God is, is Christus. Dat is de reden dat in dit evangelie Jezus zegt: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” , “Ik en de Vader zijn één.”

Omdat Jezus Christus God is, is elke andere benaming van Hem of betiteling voor Hem daarvan afgeleid. Er zijn christelijke sekten en theologen die Hem niet aanvaarden als God. Vanuit het standpunt van het evangelie van Johannes gezien, is dat een blasfemie. Jezus als een goed mens, als een belangrijke profeet, als een martelaar in het joodse conflict met de Romeinen, het is allemaal mooi en aardig, maar zonder deze waarheid dat Jezus God is, is dat allemaal zonder enige waarde. Johannes zegt het zelf in zijn tweede brief:

Want er zijn veel misleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Dat is de misleider en de antichrist.

Met andere woorden, er zijn mensen die zeggen dat Christus niet het vleesgeworden Woord is, dat hij niet de belichaming is van God zelf. Johannes zegt weer duidelijk, wie dat allemaal denkt, is een misleider en een antichrist.
Dus Christus is bij God en Hij is God. Dat is een geweldig belangrijke waarheid, omdat Christus die in deze wereld kwam daarmee God dicht bij de mens heeft gebracht. Hoeveel generaties hebben niet gevraagd waar is God? Hoeveel mensen vragen nu nog steeds niet in hun ellende, waar is God? Het antwoord van Johannes is helder: kijk naar Christus, zie op Hem, daar is je God.

En als dat waar is, dan is het ook niet moeilijk in te zien dat je kunt zeggen dat Jezus Christus de wereld heeft geschapen. Deze wereld is van Christus. Johannes heeft hier ook meteen gezegd wat nodig is tegen de ketters van zijn tijd. Zij zeiden dat het onmogelijk is dat de goede God de wereld heeft geschapen omdat de wereld kwaadaardig was. En dan zegt Johannes dat Jezus Christus alles heeft geschapen, dat het Zijn wereld is, ook al ligt die nu in de duisternis. En dat Hij juist gekomen is in de wereld om het Licht te zijn dat deze duisternis zal verdrijven. Door de verzoening en de vergeving van de zonden herstelt Jezus Christus de wereld die Hij ooit Zelf gemaakt heeft.

Johannes (1) – Het evangelie der evangelieën

Het komende seizoen zullen wij, zo God het wil, ons bezighouden met het evangelie naar Johannes. Door het hele evangelie heen staan we tegenover Jezus Christus, de Zoon van God. Dat is de wijze waarop dit evangelie ons Hem voorstelt en die boodschap is het doel van het schrijven van Johannes. De evangelist vertelt het ons zelf in hoofdstuk 20: “deze [tekenen RAV] zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.” Het evangelie heeft dus een tweevoudig doel. In de eerste plaats wil het demonstreren dat Jezus waarachtig de Zoon van God is, dat wil zeggen dat Hij aan God gelijk is, God Zelf is. En in de tweede plaats wil het tot geloof wekken, omdat alleen door het geloof in Jezus als de Zoon van God mensen het eeuwige leven kunnen verwerven. Dat is ook het patroon van het evangelie. Steeds weer opnieuw is er een getuigenis voor Jezus als de Zoon van God, en steeds opnieuw is er het ongeloof van de omgeving, maar dan zijn er ook de enkelingen aan wie God het vergund heeft om Jezus in Zijn waarachtige status te erkennen.

Het evangelie naar Johannes is het vierde evangelie in de volgorde van de boeken van de bijbel. Waarom zijn er vier evangeliën? Verschillen zij van elkaar? Spreken ze elkaar tegen? Ik geloof het niet. Het zijn vier verschillende portretten van Jezus Christus. Maar zij vullen elkaar aan. Dat is juist bij het evangelie naar Johannes het duidelijkst te zien. Hij kende immers het evangelie van Mattheus, Markus en Lucas. Op hoge leeftijd schreef de apostel Johannes dit evangelie in Efeze, enige tijd voor zijn verbanning naar het eiland Patmos. Ergens tussen het jaar 80 en 90. Johannes heeft dan vermoedelijk een rijpe leeftijd bereikt, tussen de 70 en 90 jaar oud is hij.

Om te weten waarom het nodig was dat Johannes een evangelie schreef, moeten we een ogenblik kijken naar de gezichtspunten van de andere evangeliën. In het evangelie naar Mattheus bijvoorbeeld, wordt Jezus gepresenteerd als de beloofde Messias van Israël. De korte boodschap van Mattheus is dan ook: zie uw koning. Markus daarentegen presenteert Christus niet als koning, maar als de getrouwe Dienaar en profeet. Precies om die reden kent het evangelie naar Marcus geen geslachtregister omdat die er niet toe doet bij een Knecht van de Heer. De boodschap van Marcus is dus eenvoudig: zie uw Knecht. En tenslotte in het evangelie naar Lucas zie je Jezus als de volmaakte mens en vandaar dan ook de boodschap van dat evangelie: zie de Mens. Lucas wilde de menselijkheid van Jezus Christus aan ons voorstellen.

Dan komen we bij het evangelie naar Johannes. Als we beginnen te lezen zien we de hemelen opengaan en het eerste wat we zien gebeuren is dat de eeuwige Zoon van God neerdaalt naar de wereld. Hij is God en mens tegelijk. Een heerlijke persoon, de eeuwige Zoon van God, Jezus Christus. De boodschap van het evangelie naar Johannes is dus: zie uw God. De waarheid van de godheid van Jezus is het onderwerp van dit evangelie. Hij is niet een beetje God en een beetje mens, maar hij is volmaakt en volledig God en volmaakt en volledig mens. Johannes kent dus wel een geslachtregister, maar daarin komen geen mensen voor. Hij gaat terug naar de tijd voor alle tijd, hij gaat terug naar de eeuwigheid en zegt dat daar alles begonnen is. Jezus Christus is niet in de tijd begonnen, maar hij was er altijd al. En op die wijze presenteert Johannes ons de Zoon van God.

Lang geleden hoorde ik van een broeder in de Vergadering deze uitleg van de noodzaak van de vier evangeliën. Het lijkt op de inrichting van het kamp tijdens de reis van Israël door de woestijn. De tabernakel stond in het midden en alle stammen waren rondom de tabernakel gelegerd. In Mattheus vinden we de presentatie van Gods regering in zijn geheel. Het hele kamp is rondom de koning opgebouwd en God regeert alle stammen vanuit het midden. Na Mattheus, komt Marcus. Dat is de buitenste plaats van de tabernakel, de voorhof en/of de “hof van de heidenen” waar God werd gediend en vereerd en waar de offers werden gebracht. In het evangelie van Marcus is de volmaakte dienaar ook het volmaakte offer. Dan in het evangelie naar Lucas doen we een stap in het heilige, de eerste afgesloten ruimte van de tabernakel waar alleen de priesters mochten komen. Daar staat het toonbrood en de kandelaar. Het evangelie naar Lucas presenteert ons Christus die zijn priesterlijke werk temidden van de mensen verricht, aan mensen getuigenis aflegt en met hen één is.

Wanneer we vervolgens het evangelie van Johannes gaan lezen, komen we in het heilige der heiligen. Daar zien we God Zelf, God in het vlees gekomen. Het evangelie naar Johannes brengt ons in de tegenwoordigheid van God zelf. Daarom is het evangelie naar Johannes het evangelie van alle evangeliën. Het is het heilige der heiligen van het Nieuwe Testament. Nu moeten we onze schoenen uit doen want we staan op heilige grond als we dit evangelie bestuderen. Dit evangelie spreekt over de menselijkheid van Jezus, het spreekt over de dienaar, het spreekt over Zijn koningschap, maar in de allereerste plaats laat het ons Zijn godheid zien.

Het lezen van het evangelie naar Johannes is een bijzondere ervaring. Tijdens mijn vakantie in Tsjechië hebben mijn vrouw en ik samen dat evangelie twee keer in zijn geheel doorgelezen. Het heeft ons hart diep geraakt. Het is een evangelie vol diepe gedachten in eenvoudige taal. Het is een evangelie dat je in de hoogte opheft tot aan de hemelen toe. Het laat ons de vernedering zien van onze Heer Jezus Christus, maar tegelijkertijd toont het ons Zijn heerlijkheid. Het laat het verschrikkelijke drama zien van ongeloof tegenover de Zoon van God. En het wekt de hoop, dat geloof in deze Zoon het eeuwige leven schenkt.

Of de menselijke ervaring een basis is om over God te spreken? – Q.1, art. 3

VRAAG 1 Wat is de eigen en passende aard van ons spreken over God?

Artikel 3

Of de menselijke ervaring een basis is om over God te spreken?

Wij gaan aldus voort met betrekking tot het derde artikel:

Tegenwerping 1. Het lijkt erop dat we over God alleen kunnen spreken op grond van algemeen-menselijke ervaring. Ervaring moet nu eenmaal aan elk menselijk spreken voorafgaan, zoals ook Tilleman zegt: “Ervaring zal altijd de basis vormen. Zonder ervaring hebben we immers ook geen behoefte om er over te spreken! We kunnen God dus ervaren, voelen.” (T, p. 13) Daarom is de menselijke ervaring in al haar verscheidenheid de basis van ons spreken over God.

Tegenwerping 2. Voorts, moeten we zelfs nog sterker zeggen, dat “God” zodanig ons verstand te boven gaat, dat hij in principe ook alleen maar een gevoel is. Zoals we lezen: “God is in principe ook altijd een gevoel en nooit meer. Dat komt omdat God zo ongrijpbaar is. Hij gaat ons verstand te boven. We redden het dus niet met concrete en rationele kennis. God kunnen we niet weten. God kunnen we enkel voelen.” (T, p.13) Daarom is de menselijke ervaring in zekere zin ook het voorwerp van ons spreken over God.

Tegenwerping 3. Voorts is het op grond van de ervaring toch ook weer onmogelijk om God onder woorden te brengen. Immers, voor sommigen geldt: “Zij nemen er ook genoegen mee dat God een mysterie blijft dat niet in woorden valt uit te drukken.”(T, p. 13) Ook als we zouden loochenen dat de menselijke ervaring ons een toegang kan geven tot God, is er in ieder geval geen andere kennis mogelijk.

Tegenwerping 4. Voorts, een andere manier om God te ervaren ligt in wat we “spiritualiteit” noemen. Zoals Tilleman zegt: “Spiritualiteit … is telkens een manier die op zoek is naar wegen om in aanraking te komen met God, één te worden met God. Spiritualiteit heeft dus vaak het doel om ons huidige ik te overstijgen en te komen tot een hoger niveau.” (T, p. 15) Een dergelijke ervaring geeft ons het Hogere, ook zonder dat we dat gedwongen “God” moeten noemen.

Tegenwerping 5. Tenslotte, ook de ervaring van God in de muziek is een mogelijke grondslag van ons spreken over God. De mens heeft dus “de ervaring van God in kunst, muziek en de natuur. Want veel mensen ervaren vooral daarin het Hogere.” Daarom is de menselijke ervaring de basis van het spreken over God.

In tegendeel. Er staat geschreven: “Hij Die als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont; Hem heeft geen mens gezien en niemand kan Hem ook zien. Hem zij eer en eeuwige kracht.” (1 Tim. 6:16) Wat een ontoegankelijk licht bewoont, kan echter niet door menselijke ervaring worden gekend, omdat menselijke ervaring berust op “een zeker onmiddellijk tegenwoordig-zijn bij het andere”, een contact dus met het “omgevende.” We ervaren dus wel wat in het licht staat, maar niet het licht zelf. (Peters, Metafysica, Par. 77)

Ik antwoord dat, het woord “ervaring” op vele manieren te verstaan is, maar dat het woord in ieder geval wijst op een ontmoeting met een zaak die op een of andere wijze binnen het menselijk voelen en denken tegenwoordig is. Mits goed begrepen, kan de these dat we God kennen op grond van de ervaring worden beaamd. De mens die een ontmoeting heeft met Gods Woord, heeft  in die zin een ervaring die hem inzicht geeft in het karakter van dat Woord. Vandaar dat Johannes schrijven kan: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens…” (1 Joh. 1:1) Terwijl dezelfde apostel ook schrijft: “Niemand heeft ooit God gezien.” (Joh. 1:18) Kennis van God in de ervaring is dus alleen mogelijk in die ervaring, waarin God een mens tegemoet komt door Zijn Woord tot die mens te spreken.

De ervaring van God is daarentegen niet een afgeleide van onze algemeen-menselijke ervaring, of van ons gevoel of van welke ander menselijk beleven dan ook buiten het geloof om. Wanneer God hetzelfde zou zijn als dat gevoel of in dat gevoel een ononderscheiden één-zijn van de mens met God besloten ligt, is God niet langer de Ander bij uitstek en beschikt Hij bovendien niet over Zijn openbaar-zijn. God wordt dan openbaar binnen maar ook door middel van ons gevoel. In dat geval wordt Hij door ons gevoel “ontdekt” te midden van de andere voorwerpen van ervaring binnen de wereld, wat de definitie van God weerspreekt. Zoals Karl Barth zegt: “De kenbaarheid van God … kan niet worden begrepen als een predicaat van het menselijke zijn.” (Kirchliche Dogmatik, II, 1, p. 162)

Op grond van de ervaring van Gods Woord kunnen, mogen en moeten wij dus zelfs over God spreken. Het is immers Gods openbaring van Zichzelf in Christus die ons geloof wekt, en ons daarmee inzicht geeft in Zijn wezen. Wanneer deze openbaring van God als een predicaat wordt gezien van de menselijke ervaring zelf, als een ervaring van het “Hogere”, worden oorzaak en gevolg met elkaar verwisseld.

In deze zin van het woord “ervaring” is het waar, dat de menselijke ervaring ons inzicht kan geven in Gods wezen, namelijk wanneer we dan inzien, dat het alleen de werkelijke Mens Jezus Christus is, die onmiddellijk in verstand, gevoel en handelen, in volkomen eenheid met God de Vader geleefd heeft en leeft. Het is Zijn menselijke ervaring waarop we dan doelen. Het is echter een werk van de heilige Geest wanneer gelovigen vervolgens deel krijgen aan deze intieme Godskennis die alleen de Zoon hebben kan. Zoals we lezen bij Johannes: “Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij gezonden hebt.” (Joh. 17:25) Jezus Christus kent de Vader, en in de erkenning (geloof) van Jezus als degene die God gezonden heeft, ligt de mogelijkheid van een ervaring van God.

De gedachte dat de ervaring de grondslag moet zijn van ons spreken over God – een begrip ervaring dat dan breed uitwaaiert over gevoel, spiritualiteit en de beleving van het sublieme in kunst en muziek – negeert Gods eigen spreken. Ze berust op een religieuze eigenzinnigheid van de mens die ten diepste een vorm van vijandschap tegen God is. Door het geloof in Christus op die manier in te schalen in de religieuze uitingen van de mensheid, wordt een verburgerlijking van het evangelie bereikt, want de bedoelde ervaringen zijn “leunstoelervaringen” waaraan de eigenlijke ernst van de ontmoeting met God ontbreekt.

In de ontmoeting met Gods Woord immers, ligt ook de uitdrukking van het volstrekte Anders-zijn van God besloten in het oordeel over onze eigenwillige zonde, onze verlorenheid aan de dood, en de wanhopige eigen wil die zich staande wil houden in de diepte van de menselijke ellende maar geen houvast vinden kan. Als hoogste uitdrukking van de menselijke ervaring, die streeft naar het rechtstreekse contact met het goddelijke, kan tenslotte alleen nog dit woord van Paulus gelden: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?” (Rom. 7:24) Maar in de werkelijke ervaring van Gods Woord kan dan ook gebeuren  – en als ervaring is het in Christus mogelijk – “Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.”

Antwoord op 1. De bewering dat ervaring altijd “de basis” zal vormen, mede omdat zij ook de behoefte oproept om over God te spreken, is een losse bewering. Zolang niet verhelderd is wat we hier onder ervaring moeten verstaan. De suggestie wordt gewekt, dat al principieel is beslist, dat we in het menselijke kennen te onderscheiden hebben het verstandelijke en rationele enerzijds en daar tegenover het gevoelsmatige en intuïtieve anderzijds.  En vervolgens, dat we al kunnen weten dat alleen het niet-rationele voldoende toegang geeft tot Gods bestaan. Dergelijke vooroordelen van filosofische aard belemmeren een dieper inzicht in de vragen die gesteld  moeten worden.

Antwoord  op 2-5. Deze tegenwerpingen zijn al in het antwoord weerlegd.

Johannes (0) – Kiezen….

Er is geen evangelie dat zijn lezers zo direct en absoluut voor een keuze plaatst als het evangelie naar Johannes. Dat zit hem al in de proloog, waarin allerlei zaken over de persoon van Jezus worden meegedeeld.  Hij is de Zoon van God, dat wil zeggen in alles aan God gelijk. Hij is het Woord van God, zodat de Heer alles wat Hij wilde openbaren in Hem zichtbaar en hoorbaar heeft gemaakt.

Dat is een bewering. En dan komt er het moment van de keuze. Je gelooft het, of je gelooft het niet. Er is bij Johannes geen nuancering denkbaar, geen grijstint. We kunnen niet zeggen dat het interessant is wat ene meneer Johannes over zijn vriend en leraar te melden heeft. We kunnen niet zeggen dat we de boodschap moeten gaan vertalen naar het heden, zonder Johannes wezenlijk tegen te spreken.

Jezus IS de zoon van God of het hele evangelie van Johannes – de genezingen, het wonderteken in Kana, de oproep in Hem te geloven, de belofte van het eeuwige leven, de opdracht om elkaar lief te hebben, de vergeving van zonden door de kruisdood van het “Lam van God dat de zonden van de wereld draagt” – dat alles is dan zonder betekenis. Het evangelie is dan een leugen, of ze nu interessant en inspirerend mag heten of niet. Johannes maakt wel duidelijk dat hij zijn evangelie als zuivere waarheid ziet. “Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is.” Joh. 21:24

Waren er andere ondertekenaars van dit evangelie? Wie zijn deze “wij” anders dan de schare van discipelen rondom Jezus die de waarheid van deze dingen op grond van hun eigen ervaring konden bevestigen?

Johannes ziet zijn evangelie niet alleen als waarheid, maar hij maakt ook duidelijk wat zijn doel is. “Deze [dingen] zijn beschreven , opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn naam.” Joh. 20:31 wie kan hier nog een tussenweg bedenken? Het is erop of eronder. Of je gelooft dat Jezus de Zoon van God is, of je gelooft het niet, en dat maakt dan een wezenlijk verschil in je leven.

Kies! Zegt Johannes. Als het waar is, leef dan volgens deze waarheid. Sta voor deze waarheid. Als het niet waar is, niet helemaal en absoluut waar, leef je leven dan maar op je eigen wijze, maar pretendeer dan niet dat je een discipel bent van Jezus Christus, de Zoon van God.

De passage van aanstaande zondag, de tweede zondag van de Lijdenstijd, gaat nu precies over een ervaring, die alleen maar begrijpelijk is vanuit het geloof in Jezus als de Zoon van God. Waarom krijgen Maria en Martha bij de dood van hun oudere broer Lazarus het harde woord te horen, dat de dood van Lazarus bedoeld was tot verheerlijking van God en opdat allen zouden geloven? Wanneer Jezus hen ziet huilen om de gestorven Lazarus is Zijn geest ontroerd. Waarover? Niet over de gestorven Lazarus. Hij weet wat er zou gaan gebeuren. Maar Jezus is bewogen om het gebrek aan geloof van Maria en Martha!

Zo staan in het evangelie van Johannes wel vaker de mensen tegenover God. Onze ontzetting, verdriet en falen worden door de Zoon van God oneindig overstegen. En weggenomen. En hersteld. En vernieuwd. Dit is het evangelie van de wedergeboorte, Gods radicale transformatie van een mens. Soeverein handelt God als schepper van de nieuwe mens. Het leven overwint de dood, onze sterfelijkheid verdwijnt in de tedere macht van het Leven dat bij God was en in Jezus tot volle ontplooing komt. Jezus handelt soeverein wanneer Hij het lijden en de dood op zich neemt uit liefde voor God Zijn Vader en de mensen.

Met dit alles dringt Johannes aan op een beslissing, een keuze voor of een keuze tegen. Geen uitwegen, geen middenweg, geen compromis.  Maar stel eens dat het de waarheid is, vriend, wie je ook bent? Is het dan in ieder geval niet de hoogste en diepste waarheid die je maar kunt denken? Het is  een magistraal liefdesverhaal, waarbij alle liefde van God uitgaat en in deze Zoon zichtbaar wordt. Liefde voor ons. En het eindresultaat van Gods  interventie in deze wereld is, dat jij en ik een nieuw leven krijgen, het leven van de Zoon van God mogen delen. En dat wij mogen weten dat we voor eeuwig bij God zullen zijn.

Over de preek van Augustinus over Johannes 1 – slot

1

In zijn versie van de Bijbel moet Augustinus vers 3 en 4 gelezen hebben als: “Alles is door Hem gemaakt en zonder Hem gemaakt is niets. Wat gemaakt is, was in Hem leven etc.” Dat is beduidend anders dan onze versies die ongeveer zo lezen: “Alles is door Hem gemaakt en zonder Hem is niets gemaakt dat gemaakt is. In Hem was het leven etc.” Zo vinden we het ook in de moderne edities van de Latijnse Bijbel.

Als we het lezen zoals hij het deed, zullen we met hem moeten instemmen dat de tekst dan schijnt te zeggen  dat alles leven is. Er is niets gemaakt zonder Hem. In Hem is alles leven, wat gemaakt is; alles wat in Hem gemaakt is, is te betitelen als “leven.” Dan mag je ook zeggen dat aarde en hout evenzeer “leven” zijn. Net als de zon, de maan en de sterren – alles is leven. Nu zeggen we dat soms wel, merkt Augustinus op, maar alleen in de symbolische zin dat “hout” bij voorbeeld staat voor het “kruis” en het kruis van Christus leven geeft. Wij hebben leven ontvangen door het houten kruis van Golgotha. We kunnen daarom in dit bijzondere geval wel billijken dat “wat in Hem gemaakt is, leven is.” Dan hebben we te doen met beeldspraak. Christus maakte het hout waaraan Hij zelf gekruisigd werd. En Hij gaf leven aan iedereen die in dat houten kruis gelooft, d.w.z. gelooft in Degene die op dat hout Zijn leven gaf voor de zonden van de wereld. Het is helder dat we dan dit hout “leven” noemen op grond van een overdracht van de betekenis: omdat het houten kruis leven bracht, kunnen we het hout “leven” noemen. Zo noemen we een medicijn of voedingsmiddel “gezond”, omdat het je gezond máákt.

Maar als we dat eenmaal toestaan als een algemeen taalgebruik, lokken we een ketterij uit, namelijk die van de Manicheeërs. Die zeggen dat een steen leven is, en dus een ziel heeft, evenals een muur en een touw en wol en kleding etc. Als “wat gemaakt is, in Hem leven is”, dan zijn alle dingen bezield en in zekere zin levend. Wanneer ze gewezen worden op de absurditeit van die gedachte, wijzen ze op het vers dat we hier bespreken en zeggen: “wat gemaakt is, is in Hem leven.” Wat ze vergeten is, dat hier staat dat wat gemaakt is, leven is IN HEM! Niet in zichzelf en zonder meer. En er staat ook niet dat wat gemaakt is “levend” is. Het is leven, maar alleen “in” Hem. Wat kan dat anders beduiden dan een “in de geest” aanwezig zijn? Dus een “mentale” existentie aanduiden?

2

 Wat kan het dus betekenen? Wat is de toepassing van het vers? De aarde is gemaakt, zeker. Maar wil dat zeggen dat de aarde “leven” is?  Moeten we het woord “leven” in dit verband niet heel anders begrijpen? Heeft de Schepper in Zijn wijsheid niet een reden (ratio) gehad bij het maken van de aarde? Wat is die reden dan? Volgens de normale betekenis van het woord “ratio” kunnen we denken aan een motief of een doel.  Christus heeft toch een doel voor ogen gestaan toen Hij de aarde schiep. Is dat niet de zin van het woord “leven”? In de wijsheid van Christus was een reden om de aarde te maken en die reden heet “leven.” Al snel kun je denken dat het Augustinus hierom te doen is. Het leven in de schepping is de reden en het doel die God voor ogen stonden. De schepping is er, ter wille van het leven. Is dat niet vanzelfsprekend? Augustinus gebruikt immers het woord “ratio” dat reden en motief kan betekenen. Maar al snel wordt duidelijk dat hij het woord in een technische, en wel filosofische betekenis bedoelt.

Augustinus wil de term “ratio” duidelijk maken met een voorbeeld. Een timmerman maakt een houten kist. Het eerste wat hij doet is, dat hij in zijn geest een voorstelling maakt van de kist. Als hij geen voorstelling heeft, kan hij ook niets maken. Het maken van een kist is niet een willekeurig snijden en binden en timmeren aan verschillende stukken hout in de hoop dat uit die chaos een kist ontstaat. Hij bepaalt de maat, zoekt geschikt hout, zet zijn gereedschap klaar, heeft een vorm in gedachten en pas daarna begint hij het te maken, kortom: hij ontwerpt een kist voordat zijn werktuigen ook maar iets doen. De “reden” is niet het motief om iets te doen, maar de rationele vorm die iemand voor ogen staat. De “ratio” is de kist-in-ontwerp.

Daar zit Augustinus’ leer in van de zogenaamde rationes seminales, de geestelijke vormen die God gebruikt heeft als “kiemkrachtige gedachten” om de wereld tot stand te brengen. Maar dat behoort tot zijn (neo-Platoonse) filosofie die ik hier niet bespreken wil. Het is mij nu voldoende om de prediking te volgen.

Terug naar het ontwerp van de kist. Stel nu dat na een paar uur timmeren de kist die de timmerman ontworpen heeft, nu tastbaar voor me staat. Het ontwerp was onzichtbaar in mijn geest, maar de kist die ik gemaakt heb staat zichtbaar voor me. Het ontwerp is realiteit geworden in de kant en klare kist. Is daardoor het ontwerp van de kist verdwenen? Bestaat er nu geen ontwerp van de kist meer, nu ik dit ontwerp heb uitgevoerd door de kist ook daadwerkelijk te maken?  Blijkbaar wel. Stel dat de kist in brand vliegt en weer verdwijnt, kan ik dan niet opnieuw die kist maken als ik het ontwerp ervan nog in mijn gedachten heb? Het ontwerp blijft, terwijl de kist vergaat.

Je moet dus het verschil blijven zien tussen het ontwerp van de kist en de gemaakte kist. De gemaakte kist is niet “leven”, maar er is een goede grond om te zeggen dat de ontworpen kist wel leven is. Waarom? Omdat de ontwerper van de kist zelf levend is. Het ontwerp behoort tot zijn gedachten, tot zijn bewustzijn. De kist als ontwerp is “in hem”, in de gedachten van de maker, en omdat hij zelf levend is, “leven.”

Het blijft een vreemde manier van spreken. Waarom zeggen we dan niet, dat het ontwerp van de kist als gedachte leeft in de maker? En daar ook blijft als de feitelijke kist vergaat? En kunnen we op grond daarvan zeggen dat de kist “leven” is? Augustinus trekt wel die conclusie: “Dus, mijn beminde broeders, omdat de Wijsheid van God, waardoor alle dingen gemaakt zijn, alles al bevat in de vorm van een ontwerp voordat ze gemaakt zijn, daarom zijn de dingen die gemaakt zijn naar dit ontwerp niet zonder meer leven, maar wat er ook maar gemaakt is, is leven in Hem.” Zo is het echt met alles. Je ziet de zon, de maan en de sterren. In de werkelijkheid zijn het hemellichamen, maar in de Geest van Hem die ze gemaakt heeft, is het alles leven.

3

Het vers gaat verder met de woorden: “en het leven was het licht van de mensen.” Dit slaat op de menselijke wijsheid die een licht is dat we ontvangen.  Alleen mensen ontvangen deze verlichting. Alleen mensen zijn in staat rationeel te denken. Alleen mensen kunnen de wijsheid van God begrijpen, omdat alleen mensen geschapen zijn naar het beeld van God. Het leven waardoor alle dingen gemaakt zijn – het ontwerp dus in Gods eigen geest – is het licht voor mensen die het kunnen begrijpen. Wanneer we de werkelijkheid kennen, dan doen we dat door de “rationes”, de gedachten van God, van het ontwerp, te begrijpen. Een appelboom in de werkelijkheid is begrijpelijk omdat ik de “ratio” ken van de “appelboom”. Deze kennis is het licht, het intuïtieve begrip van de wereld om mij heen op grond van de ideeën, vormen, of “rationes” die ik met mijn verstand kan vatten. Daarom zegt de tekst: “Dit was het waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht die in de wereld komt.”

Het “komen in de wereld” wordt door Augustinus gelezen als verwijzing naar degenen die verlicht worden. Wij spreken meestal over het licht dat in de wereld komt en ieder mens verlicht. Voor Augustinus was het aanwijzing voor hoe wij de wereld kunnen begrijpen, hoe wij Gods wijsheid kunnen verstaan. Mij lijkt het toe, dat de termen bij Johannes gebruikt worden in een morele zin. Niet dat Augustinus dat niet ziet, maar het is voor hem een en hetzelfde. Het licht van het verstand waardoor wij de wereld begrijpen komt voort uit Gods wijsheid. En onze duisternis, wat ons belemmert om de waarheid te kennen is van morele aard: het zijn de zonden en overtredingen die ons verstand verduisteren.

4

Niet iedereen kan dit licht ontvangen dat voortkomt uit het leven van de Schepper, uit het Woord zelf. Sommigen worden geplaagd door hun zonden, zodat ze niet kunnen zien. Laat dat er niet toe leiden dat je denkt dat er ook geen licht is, alleen maar omdat jij het niet kunt zien. Zo vinden we het hier ook: “Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.” Net zoals je een blinde in het zonliucht kunt plaatsen, zodat de zon aan hem present is – toch is de blinde niet present aan de zon, d.w.z. hij ziet het zonlicht niet. Dat betekent toch niet er geen zonlicht is, omdat het er niet is voor de blinde?

Iedere dwaas, iedere zondaar, een ieder die zich verre houdt van de godsdienst is in wezen een blinde. Hij is niet aanwezig als het licht schijnt en meent dan dat er geen licht is. Wat moet zoiemand dan doen? Laat hij dan eerst maar eens zuiver worden, zodat hij het licht weer kan zien. Verwijder alles wat aan je hart – je geestelijk gezichtsvermogen – het zicht belemmert. Dan zul je de wijsheid zien die altijd aanwezig is.

Zalig zijn de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.

AMEN