Hoe oud zijn de evangeliën? – een conferentie in Opheusden (deel 2)

Na de lezing van drs. G. van der Veen – een aanvulling op de lezing van Thomson, een verdediging dus van de betrouwbaarheid van de Byzantijnse teksttraditie – was er aan het eind van de dag nog een lezing van dr. P.J. Lalleman (Londen) over het ontstaan van de evangeliën. Ik was er zeer benieuwd naar, omdat ik verwachtte dat hier de moderne historische kritiek zou worden tegengesproken en wellicht zelfs weerlegd. Maar dat liep anders…

codex_alexandrinus_johannes_1

Na te hebben gesteld dat elk van de evangeliën “los van elkaar” werden geschreven – dat heb ik werkelijk gehoord en genoteerd! – kwam het gebruikelijke verhaal over de redactionele afhankelijkheid van de evangeliën. Markus is dan het oudste evangelie, dat als bron werd gebruikt door Mattheus en Lukas, daarnaast is er dan nog een bron Q die kan verklaren wat er wel in Lukas en Mattheus, maar niet in Markus staat, dan hebben we het materiaal dat Mattheus eigen is, en niet bij de anderen voorkomt (M) en hetzelfde bij Lukas (L) en uiteindelijk nog Johannes die relatief zelfstandig is t.o.v. de andere, zogenaamde Synoptische evangeliën. Dat was en is de gebruikelijke historisch-kritische opvatting en consensus over de ontstaansgeschiedenis van de evangeliën.

DE DATERING VAN MARKUS

Hoe werkt dan de datering voor Markus? De inleiding in de NBV geeft aan Markus een datum van publicatie rond het jaar 70. De verwijzing naar de verwoesting van de Tempel moet immers in Markus zijn opgenomen ná die gebeurtenissen en de evangelist legt dan een voorspelling van die gebeurtenis in de mond van Jezus. Terecht merkte Lalleman hier op, dat de verwijzingen naar de verwoesting van de Tempel in Markus dusdanig vaag zijn, dat het eigenlijk ondenkbaar is dat Markus werkelijk kennis van deze gebeurtenis kan hebben gehad. Bovendien is de a priori ontkenning van de mogelijkheid dat Jezus Christus als profeet kon spreken een rationalistische aanname die in gedegen Christelijke Bijbelwetenschappen geen plaats heeft. Wikipedia houdt blijkbaar een slag om de arm en spreekt over de periode van 66 tot 73 na Christus als het tijdvak van het ontstaan van dit evangelie. Een door Lalleman geciteerde auteur Becker meent zelfs dat Markus ná 73 geschreven moet zijn.

Een van de argumenten bij het vaststellen van deze datering is de interpretatie van Markus 13:14

Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover door de profeet Daniël gesproken is, zult zien staan waar het niet behoort – laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

Wat is die “gruwel van de verwoesting”? Zou het kunnen dat dit verwijst naar de plaatsing van een standbeeld van de keizer Caligula in de Tempel van Jeruzalem in het jaar 40 n. Chr.? Op grond van dezelfde redenering dat er geen sprake kan zijn van een voorspelling moet het evangelie geschreven zijn ná het jaar 40. Of zou dit kunnen slaan op het begin van de Joodse oorlog? Dan zitten rond het jaar 70. Of het begin van de tweede Joodse oorlog? Dan spreken we over het begin van de 2e eeuw! In ieder geval moeten Mattheus en Lukas láter zijn geschreven dan Markus op grond van de veronderstelling dat de onderlinge overeenkomsten wel moeten berusten op redactionele afhankelijkheid en niet kunnen worden toegeschreven aan de betrouwbare en gemeenschappelijke overlevering van het evangelie in een orale fase. 

DE DATERING VAN JOHANNES

We moeten voorzichtig zijn, met dergelijke dateringen, stelde Lalleman. Het is maar al te vaak gebeurd dat stellige uitspraken over de ouderdom van bij voorbeeld het evangelie naar Johannes moesten worden teruggenomen op grond van nieuw bewijsmateriaal. Zo werd lange tijd aangenomen dat het evangelie geschreven moest zijn in het midden of zelfs het einde van de tweede eeuw. De vondst in Egypte van een fragment van de tekst die gedateerd kon worden rond het jaar 100 – 125 maakte aan die hypothese een eind. Als het evangelie rond die tijd in die omgeving gevonden kan worden moet het al een behoorlijke tijd in omloop zijn geweest om van Efeze in Klein-Azië daar te belanden,  zodat de traditionele datering rond het jaar 80 zo vreemd nog niet is. Het evangelie naar Johannes is dan aan het eind van de eerste eeuw gepubliceerd.

MARKUS’ RELATIE MET PETRUS

Over Markus is nog meer te vertellen. Ook Lalleman ondersteunt het sterke vermoeden dat Markus in wezen de notities van de apostel Petrus uitwerkt. Het gaat om diens herinneringen en de inhoud van zijn verkondiging. Markus moet dat rond het jaar 65 zeker van Petrus gehoord hebben, met enige regelmaat zelfs. Er zou aanleiding kunnen zijn om de titel van het evangelie te wijzigen in: “Het evangelie volgens Petrus.” Ook Clemens, de bisschop van Rome die leefde als jongere tijdgenoot van Petrus, bevestigt deze gedachte. Evenals Irenaeus dat doet maar dan ná de dood van Petrus. Tenslotte kan in ieder geval worden gewezen op de invloed van het latijn in het Grieks dat Markus hanteert. Of dat impliceert dat het evangelie door iemand geschreven is die goed Latijn sprak of dat het in Rome vervaardigd moet zijn – ter versterking van de Petrus-hypothese – is niet duidelijk.

Vreemd genoeg is het oudste fragment van Markus een deel van de Chester Beatty collectie aangeduid als P-45, rond het jaar 200 geschreven. Het jongere evangelie naar Johannes heeft dus een oudere tekstgetuige!

Lalleman benadrukte dat de betrouwbaarheid van een evangelie in het geheel niet afhangt van de datering ervan. Het gaat er ook om of de schrijver een betrouwbare bron is en door de gemeente al vroeg werd geaccepteerd. In Johannes 21:20 en 24 vinden we een aanwijzing hoe die gemeentelijke ondersteuning een rol heeft gespeeld:

24 Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is.

Wie zij die “wij” anders dan de gemeenten van Johannes die bij het rondgaan van deze brief deze woorden aan de tekst hebben toegevoegd?

HET EVANGELIE NAAR LUKAS

Bij Lukas zien we weer iets anders naar voren komen. Nadrukkelijk verklaart deze in Luk. 1:1-4 dat hij onderzoek gedaan heeft bij de ooggetuigen en inzage heeft gehad in de overleveringen – geschreven en mondeling.

1 Aangezien velen ter hand genomen hebben een verslag op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben,
2 zoals zij die van het begin af ooggetuigen en dienaren van het Woord zijn geweest, aan ons overgeleverd hebben,
3 heeft het ook mij goedgedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het geordend voor u te beschrijven, hooggeachte Theofilus,
4 opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u onderwezen bent.

Het evangelie van Lukas – maar dat geldt ook voor de andere –  is nadrukkelijk niet alleen maar een preek of een verkondiging. Lukas wilde in zijn evangelie zelfs nadrukkelijk als historicus te werk gaan – zij het dan zonder de naturalistische aannames van de moderne geschiedwetenschap, en zonder het axioma dat alleen herhaalbare gebeurtenissen historisch beschreven kunnen worden. (De stelling dus dat het unieke zoals de opstanding, geen deel kan uitmaken van een historische relaas.)

  • Lukas wilde een verslag schrijven – dus een historisch relaas over de feiten.

  • Lukas wilde vast stellen hoe de “dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben” door de ooggetuigen en dienaren van het Woord beschreven zijn.

  • Lukas wilde dat “nauwkeurig” onderzoeken zodat er geen twijfel kon bestaan over de juistheid van zijn verslag en alle feitelijke mededelingen daarin.

  • Lukas wilde dit verslag een ordelijke indeling geven, die niet per se chronologisch maar wel thematisch kon zijn. (Zoals bij voorbeeld de gedeeltelijk geografische ordening van een verkondiging in Galilea (4:14-9:50) via het verweer in Judea (9:51-13:21) naar het bijzondere onderwijs in Perea (13:22-19:27).)

  • Lukas had niet tot doel mensen te bekeren, maar wel de bekeerden “zekerheid” te geven, d.w.z. dat deze ‘dingen” van het geloof in de verkondiging als vastgesteld konden gelden.

HISTORISCHE BETROUWBAARHEID

Lalleman had het al gezegd en hij herinnerde ons eraan: hoe oud een evangelie is, zegt niets over de betrouwbaarheid ervan. De betrouwbaarheid van de evangeliën krijgt wel ondersteuning van een aantal feiten. Bij voorbeeld dat het redelijk zeker is dat Markus een getuige als Petrus kon raadplegen. En dat Mattheus en Lukas zich op het verslag van Markus gebaseerd hebben. En het feit dat Lukas nadrukkelijk bronnenonderzoek gedaan heeft en dus “sceptisch” gekeken zal hebben naar zijn materiaal en bij tegenspraak en onzekerheid en falende geheugens zijn eigen conclusies heeft moeten trekken.

Een belangrijk punt voor Lalleman was het idee dat het bestaan van vier evangeliën juist als een vier-voudig getuigenis kan worden opgevat. De verschillende getuigen ondersteunen elkaar. Dat was in overeenstemming met zijn gedachte aan het begin van de lezing, dat de evangeliën “los” van elkaar geschreven zouden zijn. Op dit moment dacht ik echter: maar als literair en redactioneel van elkaar afhankelijk zijn, dan valt dit argument weg, omdat het dan geen zelfstandige getuigen zijn. Getuigen die van elkaar iets overnemen zijn onbetrouwbaar. Trouwens, als ze dan literair afhankelijk zouden zijn, zijn ze dan ook niet concurrenten van elkaar waar ze van elkaar verschillen? Alleen als ze gezamenlijk teruggaan op een gemeenschappelijke traditie kunnen ze als zelfstandige en verschillende getuigen elkaar aanvullen en bevestigen.

Staan we er wel eens bij stil dat wanneer een evangelist iets niet opneemt dat wel bij anderen voorkomt, dat niet een theologisch oordeel hoeft te zijn en zeker geen vergissing, maar simpel ligt aan het feit dat iets niet met voldoende zekerheid is bevestigd door de getuigen en schriftelijke bronnen? Denk maar aan de eerste Tempelreiniging die Johannes vermeldt in aanvulling op de tweede tempelreiniging waar de andere evangeliën over spreken. Laten zij het weg omdat zij er in hun bronnen te vage aanwijzingen voor hebben gehad? De apostelen bij voorbeeld bij voorkeur over deze tweede Tempelreiniging hebben gesproken?

Behalve deze interne aanwijzingen zijn er ook nog de externe. Het feit dat geschiedschrijvers buiten de kerk, vooral de joods geschiedschrijver Flavius Josephus, in hoofdlijnen de gebeurtenissen van het Nieuwe Testament bevestigen. Veel joodse bronnen die over deze tijd spreken ontkennen de feiten niet, maar wijken uiteraard af in hun oordeel. Voor wat betreft de vroege datering van Markus is het van belang dat de evangelie-boodschap van Paulus tussen 36 (bekering) en 62 (vermoedelijke martelaarsdood) dezelfde inhoud heeft gehad.

Wanneer de evangeliën geschreven zijn binnen tien of twintig jaar na de dood van Jezus is ook het aanwezig zijn van zovele getuigen van vele gebeurtenissen een rem op de fantasie. Wanneer evangelië in die periode sterk zouden afwijken van wat door de getuigen was gezien en doorgegeven, dan zou zo’n evangelie niet zijn aangenomen door de gemeente.

Tenslotte: de verschillen tussen de evangeliën demonstreren juist het feit dat het werkelijk om ooggetuigenverslagen gaat. Juist en volstrekt identiek verhaal zou de argwaan moeten wekken.

En dat brengt ons weer terug bij de notie van de literaire of redactionele afhankelijkheid. Ik stelde daar nog een vraag over – want ik heb de werken van F. David Farnell en Robert L.Thomas gelezen.

Mijn vraag was deze:

U stelde aan het begin van uw lezing dat de evangeliën los van elkaar geschreven zijn, maar u lijkt bij alles uit te gaan van de historisch-kritische aanname van de literaire afhankelijkheid van de evangeliën en u onderschrijft zelfs de hypothese van een bron Q. Is dat echter in overeenstemming t brengen met het feit dat u juist de aanwezigheid van ooggetuigen als belangrijk naar voren hebt geschoven? Zowel als bron van de teksten als ook als een rem op de fantasie, dus als argument voor de betrouwbaarheid? Wat is er tegen bij voorbeeld om te zeggen dat het Mattheus evangelie het oudste evangelie is en dat Markus een samenvatting geeft van dat evangelie – en hier en daar een langere versie gebruikt – voor een publiek in Rome?

Mattheus zou immers ook het getuigenis van Petrus hebben kunnen horen in Antiochië in Syrië waar Petrus lange tijd geweest is – en Markus kon met zijn evangelie én met de hulp van Paulus in Rome dan later – rond het jaar 60 – zijn evangelie hebben opgesteld.

Het leek Lalleman niet waar te zijn, maar alles was mogelijk. Hij meende van niet omdat je regelmatig kon zien waarom Mattheus anders was dan Markus, daar was dan steeds een reden voor te geven. Dus was er sprake van een bewuste overname en aanpassing van Markus binnen het Mattheus-evangelie. Het standaard argument dus van de historisch-kritische school.

Met dit enigszins teleurstellende slot was voor ons de conferentie afgelopen.

De 15 voordelen van tekstuitleggende prediking

Expository preaching oftewel “tekstuitleggende”, of “tekstvolgende” prediking, is een manier van prediken waarin de betekenis van een passage of tekst van de Schrift centraal staat, die ook bepaalt hoe de prediking verloopt. Dus niet alleen het onderwerp wordt vastgelegd door de tekstkeuze, maar ook de inhoud, wat erover gezegd wordt, en ook de verschillende stappen van de preek. De opbouw van de preek volgt de opbouw van de tekst.

Daarbij komt ook nog dat we de tekstkeuze zoveel mogelijk laten bepalen door het boek dat we voor een langere periode kiezen, d.w.z. we proberen zoveel mogelijk te verhinderen dat we (te) selectief tewerk gaan en alleen maar aan de orde stellen wat ons uitkomt. Niet steeds weer de Bergrede of de goede herder of de barmhartige Samaritaan! Ook niet als die selectie door een commissie van onze kerk is uitgevoerd en we volgens een leesrooster zouden willen preken – ook dat is een keuze die door theologische en oecumenische overwegingen bepaald is.

Wat zijn de voordelen hiervan?

1. Het bevestigt de autoriteit van God

God moet spreken wanneer ik preek. Zo simpel is dat! De predikant heeft geen enkele autoriteit, zijn kennis en kunde hebben geen enkele autoriteit over de gemeente. Alleen een valse leraar zou gezag claimen over zijn gemeente of de schijn wekken dat zijn inzichten belangrijker zijn dan Gods Woord. En zelfs wanneer de predikant bescheiden alleen zijn mening aanbiedt, is hij een wolf die de schapen niet voedt en weidt, maar in het moeras van de onwetendheid stuurt. God heeft gesproken! Wij als predikant mogen dat Woord vertolken – niet vertalen, niet aanpassen, niet geschikt maken voor consumptie, maar alleen: uitleggen en verhelderen. Expositie dus, een tentoonstelling maken van het Woord, zodat Gods gezag over de gemeente wordt bevestigd.

2. Het bevestigt de regering van Christus over Zijn kerk

Alleen Christus heeft het recht om met gezag tot Zijn gemeente te spreken. Een predikant kan niet zijn eigen advies en opinie geven. Er is ook geen “stem van God” te horen buiten de Schrift om en de predikant moet demonstreren dat dat zo is. Wanneer wij zeggen dat “het is immers de gemeente van Christus” dan moet ook blijken aan de prediking, aan het beleid, aan de keuzes die de gemeente maakt.

3. Het geeft de ruimte aan de heilige Geest

Alle redding en alles wat goed is voor de ziel komt uit Gods Woord. Geloof is uit het gehoor, en het gehoor door de prediking van Gods Woord. (Vgl. Rom. 10:17) Petrus spreekt over de wedergeboorte “tot een levende hoop” als een gevolg van de opstanding (1 Pe. 1:3), en stelt daarmee het Woord gelijk: “U, die opnieuw geboren bent…door het levende en eeuwig blijvende Woord van God” – 1 Pe. 1:23. De predikant geeft de uitleg, de heilige Geest doet de toepassing op het hart.

4. Het demonstreert de onderwerping aan de Schriften

In de prediking gaat het niet over de meningen van mensen. Het gezag van de Schrift gaat boven elke menselijke opinie uit omdat de Schrift Gods Woord is. En dat moet aan de gemeente ook steeds weer getoond worden. De predikant moet de eerste zijn die dit gezag van de Schrift voelt en doorgeeft, en ook verdedigt tegenover twijfelaars en critici van het Woord. De herder van de gemeente moet een stok dragen om de wolven buiten te houden. En wanneer we zeggen dat allen Jezus de Goede Herder is, dan is de predikant soms een herdershond die de schapen moet weghouden van de gevaren van dwaalleer. David versloeg een beer en een wolf om de schapen te redden, moet ook een predikant niet soms een beer en een wolf verslaan? Dat alles op grond van de aanname dat ons geloof en de inhoud ervan “het” geloof ertoe doen, belangrijk zijn! Als dat er niet toe zou doen, waarom al die moeite? Maar het Woord van God is betrouwbaar en nuttig voor vermaning en weerlegging, voor troost en bemoediging, want het oordeelt ons – en niet:  wij beoordelen het Woord.

5. Het vermindert de eigenwijsheid van de predikant

Wat de predikant doet in de prediking is een voorbeeld voor de gemeente. Daarom hoort de gemeente: “Denk aan uw voorgangers”  – niet zomaar in het algemeen, maar – “die het Woord van God tot u gesproken hebben.” Want de gemeente wordt immers opgeroepen: “Volg hun geloof na” (Hebr. 13:7). Maar dan moet de predikant ook werkelijk geloven in het Woord dat hij predikt. En dan moet hij dat Woord kennen zodat zijn eigen meningen er niet toe doen – die eigen mening mag dan niet de aanvulling zijn op zijn eigen beperkte begrip van het Woord. Eis van je predikant dat hij het Woord van God bestudeert, de arbeid verricht die daarvoor nodig is. Zeg niet dat de tijd die voor studie is gereserveerd ook wel minder kan zijn, omdat hij al “voldoende” weet – dat zegt alleen maar iets over de gemeente die nog minder weet. het allerergste: een predikant die de Bijbel niet kent, maar toch vol is van zijn eigen theologie of filosofie en beseft dat hem dat een voorsprong op de gemeente geeft. En dan daarin berust! Voortdurende, ingespannen studie, worstelen met het Woord, zodat het in je doordringt en je eigen denken en leven bepaalt en bewaart. Dat is de harde arbeid van het predikantschap waaruit alle andere vormen van zijn dienst voortvloeien: in de eerste plaats de gezamenlijke bijbelstudie, en de catechese van jongeren en volwassenen in de fundamenten van het geloof, maar dan ook: leiding geven aan het pastoraat, het evangelie ook verkondigen bij mensen thuis, anderen voorgaan in gebed ook in de omstandigheden van hun leven. Al die functies horen voort te vloeien uit de kerntaak van de predikant en dat is de studie en de verkondiging van Gods Woord.

6. Het bevordert de diepgang en het begrip in onze eredienst

Oppervlakkig begrip van de Bijbelse boodschap bevordert ook een oppervlakkige aanbidding of vroomheid. Er is een sfeer van kinderlijkheid in de gemeente geslopen, alsof we alleen maar met sprookjes bezig zijn. We zingen steeds minder ook liederen die de geest en de woorden van de Schrift ademen. Soms maak ik echter mee, dat de woorden van het lied dat we zingen een grotere diepgang hebben dan de woorden die we horen van de kansel. Of dat de liederen theologisch tegenspreken wat de voorganger beweert. Als we dan onoplettend zijn, laten we een dergelijke verwarring ook nog eens toe in onze geest.

7. Het bevordert een begrip van Christus

Christus, de Heer, willen we leren kennen.Ik ga ervan uit dat dat een axioma is voor alle gelovigen en dat het er niet alleen om gaat om iets te horen dat voor ons aangenaam en versterkend is. Het is niet van belang dat we onze cultuur kennen, de filosofie of de wijsheid van de wereld. Of een muzikale smaak ontwikkelen of politiek op de hoogte zijn. Om de goede keuzes te maken in het leven moet je Gods Woord kennen! Dan heb je de “zin” van Christus, zoals we lezen in 1 Kor. 2:16. Daarmee beoordelen we alle dingen. En we hebben de “zalving van de Heilige”- 1 Joh. 2:20 – en “deze zalving onderwijst u met betrekking tot alle dingen” 1 Joh. 2:27.

8. Het bevordert Bijbelstudie in de gemeente

We leven van elk woord dat uit de mond van de Heer uitgaat! Zo was het voor de Heer Jezus en zo is het bij ons. In deze manier van preken laten we zien hoe we een conclusie hebben bereikt, hoe we geredeneerd hebben op grond van de Schrift. Zo laat je ook zien hoe je met de Bijbel omgaat zodat de gemeente dat ook thuis doen kan. Het alternatief is een soort “soundbyte”,  waarmee je opnieuw niets anders geeft dan conclusies zonder te laten zien hoe je die bereikt hebt. Daar leert de gemeente wél wat jij denkt, maar niet hoe de Schrift denkt – en daar gaat het nu net om!

9. Het laat Gods stem horen in de actuele kwesties van de tijd

Zoveel vragen leven er bij mensen op grond van het bombardement van informatie op televisie. Waarom laat God al dit kwaad toe? Wat is de dreiging die uitgaat van de Islam? Van ISIS? Wat moeten we als volk doen met de vluchtelingenstroom? Je kunt daar een politieke opinie over hebben, maar wat zegt Gods Woord over dergelijke zaken?

10. Het bevordert een gemeente die gevoelig is voor Gods eer

Wanneer de eerbied voor Gods Woord vermindert, vermindert ook de eerbied voor God Zelf. Hij wordt een vage grootheid op de achtergrond, in plaats van een heldere presentie die met een duidelijke stem spreekt. Veel van het verval en de onhelderheid van het geloof in onze tijd is een gevolg van het loslaten van het beginsel dat God gesproken heeft: helder, duidelijk en met gezag. Er is geen “mysterie” dat we te ontraadselen hebben, er is waarheid die we uit de verpakking moeten halen! Het mysterie ontstaat door ons slechte luisteren en eigenwijze spreken!

11. Het reikt de Schrift aan als enige werkelijke bron van ondersteuning

Wanneer de prediking niet laat zien dat de Schrift het antwoord geeft op de diepe levensvragen zullen mensen naar andere bronnen van troost gaan verlangen. Ze zullen zich willen laven aan de praatjes van sterrenwichelaars en de vrome praatjes indrinken van Oosterse goeroes. Zo werken menselijke behoeftes nu eenmaal. Wanneer de prediking de troost niet biedt die daarin ligt, zullen mensen ook niet verlangen naar het Woord. En de troost die het Woord geven kan heeft een belangrijk voordeel boven andere troostpraatje: zij is waarachtig.

12. Het laat het aan God over om het leven van mensen te veranderen

Mensen vragen om actuele prediking, die midden in het leven staat en ze bedoelen dat de prediking hen ook de toepassing van het Woord moet aanreiken. Ze moeten er iets mee “kunnen”, terwijl het gaat om de vraag wat het Woord kan. Welnu, dat Woord kan doordringen tot in de diepste regionen van het menselijk leven en is daar een tweesnijdend zwaard dat chirurgisch tot heling leidt, maar ook bestraffend tot kennis van de zonde kan leiden. Maar het is niet de predikant die dat doen moet, het gaat niet om zijn zwaard. Het Woord moet de kans krijgen om op te bloeien in hart en geweten van de hoorders. De heilige Geest moet de toepassing op het hart zijn, de na-prediker zijn. Maar al te vaak verzandt de prediking in een doorgeven van goedbedoelde levensadviezen vanuit de ervaring en positie van de predikant, en niet vanuit het Woord.  De predikant moet het Woord verhelderen en hij is verantwoordelijk voor de boodschap. Maar hij is niet verantwoordelijk voor de reactie op de boodschap. Dat is tussen de gelovige en de heilige Geest.

13. Het verhindert dat de Schrift gaat klinken als de zoveelste opinie

We leven in een post-moderne tijd, dat wil zeggen dat we er allemaal van doordrongen zijn dat er alleen maar opinies zijn – behalve in de harde wetenschappen – en dat niemand gelijk heeft. Niemand heeft de waarheid? Als de predikant h4et woord van de Schrift laat klinken als de zoveelste opinie tussen alle andere, dan zal de hoorder dat ook gaan denken. Het woord van Jesaja of dat van Jezus komt dan naast de woorden van anderen te staan en niet boven die andere woorden. Maar het Bijbelse Woord is geen perspectief naast andere, geen mening naast andere! Het is Gods Woord en dus de eeuwige waarheid die ons heiligt. “Heilige hen door Uw waarheid”- waar is die waarheid dan? Of is dat ook maar een opinie? “Uw Woord is de waarheid”- is een uitspraak van Jezus zelf.

Mensen zeggen dat we pretenderen de waarheid in “pacht” te hebben, dat we doen alsof het ons eigendom is. Een tekstgetrouwe prediking komt op die mensen over als arrogant. Maar een ander komt met de schijn van wijsheid en met bedrieglijke woorden en spreekt met veel bescheidenheid, en ze zullen de leugen volgen die op die manier zoet verpakt is. Een arts kan een medicijn voorschrijven dat bitter smaakt. En een patiënt volgt het advies van de arts omdat die het weten kan. Is dat arrogantie aan de kant van de arts? Of is dat levensreddend inzicht, verworven in vele jaren studie, voortbouwend op inzicht en ervaring van generaties voor hen?

Wij hebben de waarheid niet “in pacht” of anderszins, alsof die uit ons zou zijn voortgekomen. Maar “wij prediken niet onszelf”, en niet onze eigen opinies en we doen niet aan bedrog en misleiding en vervalsen het Woord van God niet (1 Kor. 4:2)  en bedrijven ook geen handel ermee, door aan te prijzen wat ons uitkomt en te verzwijgen wat ons geen voordeel geeft ( 1 Kor. 2:17). We maken dat Woord, dat de Waarheid is, openbaar! En dat is onze aanbeveling aan het geweten van mensen, niet onze superieure wijsheid. “Wij prediken Christus als de Heere” ( 2 Kor. 4:5) – want alleen Hij heeft gezag. En dat kan alleen als we het Woord prediken, zoals Paulus aan Timotheus opdraagt: “Predik het Woord” (2 Tim. 4:2). De Bijbelse tekst, het apostolische en profetische Woord dat de heilige Geest uit het “Zijne”, uit Christus Jezus, genomen heeft; de woorden die de Geest bij de Vader gehoord heeft (vgl. Joh. 16), die prediken wij “gelegen of ongelegen”, of het de hoorder nu past en hem zint of niet. Want de Geest van de waarheid geeft ons niet de waarheid in pacht, maar “zal ons de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet uit Zichzelf spreken”,  – dus geen openbaring naast en buiten de Bijbel – “maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken. De toekomstige dingen” – die op dat moment nog toekomstig waren: kruisiging, opstanding, hemelvaart, Pinksteren – “zal Hij”, de Geest, “u”, de apostelen “verkondigen”. En wij hebben het Nieuwe Testament ontvangen zodat we die verkondiging ook kennen en begrijpen.

14. Het bevordert de liefde tot God

Veel prediking toont de eigenliefde van de prediker die vol is van zichzelf en zijn waardevolle ideeën. Je hoort te vaak: ik dacht deze week… Wat je zou moeten horen is: open eens uw bijbel bij… Of: laten we nog dit vers erbij lezen. Als de predikant werkelijk de Bijbel liefheeft demonstreert hij daarmee dat hij God werkelijk liefheeft. Je kunt moeilijk volhouden dat je iemand liefhebt als je geen of nauwelijks interesse toont voor wat hij gesproken heeft.

15.Het laat de onverbrekelijke band zien tussen leer en leven

Je leven is wat je gelooft! Theologie is natuurlijk óók een theoretisch kennen van de waarheid, waar we niet per se allemaal een gave voor hebben ontvangen. Maar theologie is ook de overtuiging, het geloof in de waarheid die het dagelijks leven bepaalt, aandrijft, stuurt, kracht geeft. Gods Woord is de motor, het stuur, de Tom-Tom, van ons dagelijks leven. De benzine is de heilige Geest, de hand aan het stuur is ons geloof. Waarmee houden wij ons stuur recht? Als wij het houden naar Gods Woord – vgl. Psalm 119:9. Maar theologie, kennis van God, is ook liefde! Je moet de waarheid, die niets anders is dan het karakter van Christus Zelf – Hij IS de waarheid en het leven, Hij IS het licht van de wereld – ook leren liefhebben. Als Johannes schrijft aan “jonge mannen” in het geloof, die nog de kracht hebben en ook soms de opdracht om te strijden voor het geloof, dan horen we de heilige Geest door Johannes zeggen: “Ik heb u geschreven, jonge mannen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft – en wat is daarvan dan het gevolg, van dit blijven in Gods Woord?: en u de boze hebt overwonnen. Een leven in geestelijke overwinning, dat is het resultaat van het blijven in Gods Woord, dat leven geeft in overvloed.