Predik het Woord

Predik het Woord, volhard daarin, gelegen of ongelegen, weerleg, bestraf, vermaan en dat met alle geduld en onderricht. (2 Tim. 4:2)

Al maandenlang denk ik na over het karakter van mijn prediking in de gemeente van IJmuiden. Vindt mijn prediking wel aansluiting bij het geloof van de gemeente? Zijn mijn preken niet te onderwijzend of te vermanend? Schenk ik voldoende aandacht aan de normale ervaringen van mijn gemeenteleden, die lang niet allemaal op hetzelfde niveau van geloof leven? Ben ik te zeer gericht op het onderwijs vanuit de Schrift en komt daardoor de bemoediging tekort?

Ik zou niet weten waar ik het antwoord op die vragen anders zou moeten zoeken, dan in het Woord van God zelf. De opdracht om te prediken heb ik bij mijn examen als predikant aanvaard als een opdracht om volgens het Woord te prediken. Ik heb zelfs de belofte afgelegd, dat ik mij zou verzetten tegen alles wat met de leer van het Woord van God in strijd is. Mijn kerkelijke opdracht is dus hetzelfde als de Bijbelse opdracht die Paulus hier verwoordt: “Predik het Woord.” Dat betekent in ieder geval dat ik me moet aansluiten bij de woorden die Paulus elders spreekt: “wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere” (2 Kor. 4:5).

Zonder deze Bijbelse en kerkelijke opdracht zou het leven een stuk eenvoudiger zijn. Als je elke zondag tussen de 20 en 30 minuten mag spreken over een onderwerp dat je zelf wel aardig vindt, en dat je nuttig vindt voor de toehoorders, dan ben je zo klaar. Maar de opdracht van een predikant is helemaal niet gering. Hij is verantwoordelijk voor zijn prediking in de eerste plaats tegenover God zelf. Maar toch is er een gemeente die over zijn prediking ongetwijfeld een oordeel heeft. Het is goed dat de gemeente beseft vanuit welke opdracht een predikant moet spreken. Daarom zal deze tweede brief aan Timotheüs ongetwijfeld in Efeze en op andere plaatsen in de gemeente zijn voorgelezen. Als de gemeente de opdracht aan de predikant niet ondersteunt, wordt zijn leven buitengewoon moeilijk. Laten we daarom eens kijken naar een deel van de tekst die de opdracht aan de predikant definieert.

Paulus en de gemeente van Efeze

Paulus heeft grote zorgen om de gemeente van Christus in Efeze. In de laatste brief die hij geschreven heeft voor zijn dood, roept hij zijn leerling Timotheüs daarom op om vol te houden. Ondanks de moeilijke tijden die in Efeze zijn aangebroken. Deze tweede brief aan Timotheüs laat veel van die zorg zien, en de opdracht van de plaatsvervanger van Paulus in die gemeente is dan ook een behoorlijk zware opdracht.

Veel vooral jonge predikanten vragen zich in onze tijd af met welke strategie ze de gemeente moeten onderwijzen en het evangelie moeten verkondigen. Ze zoeken naar een “strategie” zoals een bedrijf probeert een onpopulair en onbekend product te slijten aan de massa. Daar is een campagne voor nodig, en er moet reclame worden gemaakt en een goede prijsstelling binnen de markt. Het is een manier van denken die ook de kerk is binnengeslopen. Hoe kunnen we het evangelie aanvaardbaar maken voor moderne mensen? Hoe kunnen we onze erediensten aantrekkelijk maken voor jongeren? Hoeveel van de moderne cultuur moeten wij opnemen, zodat er tenminste nog gesproken kan worden over God en Christus? Misschien moet de prijs van het evangelie wel drastisch worden verlaagd, misschien moeten we in ons optreden naar buiten toe – onze reclame – de kerkelijke taal vermijden en aansluiten bij de beleving van moderne mensen. Ondanks al die mooie strategieën worden onze kerken steeds leger.

Al het onderwijs dat ik in mijn opleiding heb ontvangen over het vinden van de juiste strategie, over het rekening houden met het karakter van de gemeente, over de aansluiting van de Bijbel met de ervaringen van de mensen, dat alles zou ik graag hebben ingeruild voor een goede heldere exegese van deze brief van Paulus. Want eigenlijk staat het hier allemaal al. De grondslag van het ambt in de kennis van het Woord van God bijvoorbeeld in het derde hoofdstuk: “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent….” en alles wat daarna volgt over het karakter en het nut van de Schrift. De zware verantwoordelijkheid, niet tegenover de gemeente, maar tegenover “God en de Heere Jezus Christus, die levenden en doden zal oordelen…” aan het begin van hoofdstuk 4. Dan de opdracht zelf die ik hierboven geciteerd heb, en dan de diagnose: “Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen…” (vers 3).

Diagnose: de verdeeldheid van de gemeente

Om met dat laatste te beginnen: hoe is dan de diagnose van onze gemeente? Het zal niet veel verschillen van andere gemeenten binnen onze Protestantse Kerk. Er zijn mensen die naar de kerk gaan omdat ze dat van jongs af aan gewend zijn. Er zijn mensen die gaan omdat ze gesteld zijn op de liederen en elkaar graag willen ontmoeten. Vanwege vriendschappen die soms meer dan een halve eeuw terug gaan. Wat het geloof betreft zijn er ongetwijfeld mensen die uit een gelovig nest komen, en alles met de paplepel hebben meegekregen. De Bijbelse woorden zijn hun vertrouwd en ze geloven die woorden met heel hun hart. Maar tussen deze beide uitersten in, zijn er ongetwijfeld ook mensen die bezig zijn hun geloof en hun betrokkenheid bij de kerk te verliezen. Je ziet ze niet elke zondag meer. Ze staan met één been buiten de kerk en hebben de moderne cultuur meer lief dan het evangelie. Sommigen staan aarzelend op de rand van de bekering, onzeker of ze het evangelie voluit moeten omhelzen of een kritische distantie in acht moeten nemen. En dan zijn er nog de mensen voor wie het geloof een vanzelfsprekendheid is en die in de kerk liever bezig zijn met de praktische vragen waar ze elke dag op stuiten. Hoe heb ik mijn naaste lief? Hoe ver moet ik gaan in mijn zorg voor anderen? Of, als hun bezorgdheid voortkomt uit het krantenbericht van zaterdag, dan willen ze op zondag horen hoe het dan zit met de Islam, of met de zorg voor vreemdelingen, of het geweld in de wereld.

Het is onmogelijk dat een predikant in een preek al deze mensen geven kan wat zij naar hun eigen oordeel nodig hebben. Maar het is de vraag of dat ook de norm kan zijn. De diagnose die Paulus al gaf, lijkt onverkort ook van kracht voor onze tijd. Mensen zullen zoeken wat het gehoor streelt, zegt hij. Wat het gehoor streelt, is altijd wat je al wist. Wat het gehoor streelt, is wat jou een goed gevoel geeft over jezelf. Wat het gehoor streelt, is een troostend woord waardoor je je eigen moeilijkheden even kunt vergeten. Wat veel gemeenteleden verwachten van de preek, wordt door Paulus hier gekarakteriseerd als een uitvloeisel van persoonlijke behoeften en voorkeuren. Het maakt niet uit of mensen de waarheid horen, als het maar hun gehoor streelt en overeenkomstig hun eigen begeerten is. Feilloos wijst Paulus het hart van dit probleem aan: “ze zullen zich van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.”

Prediking als zorg om de waarheid

Ongetwijfeld veronderstelt Paulus hier, dat de prediking van het Woord een prediking van de Waarheid is. Een preek is geen suggestie om de wereld eens anders te bekijken. Een preek is geen poging om te entertainen, te coachen, te adviseren, te overtuigen van de vriendelijkheid van de prediker, en het is zeker geen peptalk waardoor iemand zich goed kan gaan voelen. Met de Schrift, zegt Paulus, wordt onderwezen, maar ook weerlegd en verbeterd en opgevoed – 2 Tim. 3:16. Er is een waarheid in het geding, die besloten ligt in het Woord van God, die “de overleggingen en gedachten van het hart” oordeelt. Het Woord van God is “levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard” (Hebr. 4:12).

Waarom moet de gemeente met aandacht luisteren naar het woord van haar predikanten? Omdat deze voorgangers “het Woord van God tot u gesproken hebben”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen deze voorgangers werkelijk te gehoorzamen? Omdat “zij waken over uw zielen”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen om te bidden juist voor de voorgangers? – “omdat zij rekenschap moeten afleggen”, en een grotere verantwoordelijkheid dragen dan anderen, en “opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend” (Hebr. 13:7). Maar de gemeente zal moeten begrijpen, dat de maatstaven die zij aanlegt voor haar predikant geen andere mogen zijn, dan de maatstaven die het Woord van God aan die predikanten oplegt. De gemeente moet beoordelen of de predikant zijn Bijbelse opdracht trouw is. De maatstaf is dus nadrukkelijk niet, of de prediking het gehoor streelt en overeenkomstig de eigen verlangens is.

In zijn prediking spreekt een predikant in zijn eigen gemeente tegen mensen die hij kent, van wie sommigen het allemaal al denken te weten, anderen aarzelend staan tegenover het evangelie, weer anderen afgeleid zijn door hun dagelijkse zorgen, weer anderen met één been buiten de kerk zijn gaan staan en weer anderen die verdwaald zijn en eigenlijk door hun ongeloof in de kerk niets te zoeken hebben, en tenslotte ook nog tegen gelovigen die onderwijs nodig hebben om in hun geloof gesterkt en gevoed te worden.

Prediking volgens de gezonde leer

Paulus zegt niet tegen Timotheüs dat hij een strategie moet ontwikkelen om al deze verschillende groepen op een eigen en passende wijze aan te spreken. De opdracht die Paulus zelf van de Heere ontvangen heeft, geeft hij door aan zijn leerling Timotheüs. In drie Nederlandse woorden: predik het Woord. Wat God zegt tegen de gemeente moet door de predikant worden vertolkt. Het moet onderwijs zijn en dus “gezonde leer.” Die “leer” is de samenvatting van het Bijbelse verhaal, de hoofdpunten van het evangelie, de waarheid die God geopenbaard heeft, dat alles is “leer”. Het ligt voor ons fundamenteel vast in de belijdenis en in de Catechismus, en de predikant – maar niet alleen hij, ook de gemeente – leert het kennen door het bestuderen van de werken van de grote leraren van vroeger. Het Woord van God moet worden gepredikt, zoveel als maar mogelijk is in overeenstemming met de gezonde leer, en dat betekent voor ons: de gereformeerde traditie. De prediking kan dan niet alleen maar troostend en bemoedigend zijn. Het is ook en altijd onderwijs, weerlegging en verbetering. Dat wil zeggen, de prediking probeert onwetendheid over het evangelie in Christus te veranderen in wijsheid en kennis; foutieve gedachten en aannames over Gods waarheid tegen te spreken en ten goede te keren; onzekere en onjuiste overtuigingen over Gods wil te corrigeren en zo alles te doen om de gemeente een opvoeding te geven. Zoals een leraar een klas opvoedt, zoals ouders hun kinderen opvoeden.

Gelegen of ongelegen

Predik het Woord dus. Ik denk dat dat alleen waar wordt, als we de methode van de expositie volgen. De tekst bepaalt het thema, het verloop van de argumenten, roept de illustraties op en niet omgekeerd, loopt uit in een toepassing van de Bijbel op het leven – en niet de toepassing van het leven op de Bijbel. Timotheüs wordt daarbij zelfs opgeroepen om te volharden, om aan te dringen, om ervoor te staan, allemaal betekenissen van dat Griekse woord dat daar gebruikt wordt. Dan staat er ook nog: gelegen of ongelegen. Letterlijk: volgens een goede tijd en tegen de goede tijd in. Het Griekse woord “kairos” is tijd in de zin van het goede en passende moment. Een huwelijksdatum is een “kairos” – de zinvolle tijd –, terwijl de tijd die verstrijkt volgens de klok op het nachtkastje eerder met het woord “chronos” wordt aangeduid – de vergleidende tijd. Gelegen of ongelegen slaat op de situatie waarin de prediker zich bevindt. Het gaat erom dat hij het Woord moet prediken of het hem nu uitkomt en voor hem de passende tijd is, of dat hij zich wat ongelukkig voelt, aarzeling moet overwinnen, en het voor hem helemaal niet een passende tijd is. Overigens, een vers als dit geeft geen legitimatie aan onbeschoftheid. Een woord opdringen aan anderen, die je bijvoorbeeld ontmoet in familiekring, of bij een huwelijksfeest, heeft niets te maken met gelegen of ongelegen, maar wel met gebrek aan beleefdheid.

Het kan heel ongelegen zijn, om het Woord van Christus te prediken volgens de gezonde leer in een tijd waarin mensen zoeken wat het gehoor streelt. Veel predikanten zijn daarbij gesneuveld. Het Woord wordt vervangen door een tekst, de uitleg van die tekst wordt vervangen door een opbeurend praatje, het opbeurende praatje wordt overschaduwd door een anekdote uit het dagelijks leven. Het resultaat is precies volgens de verwachting van veel gemeenteleden: evangelisch nietszeggend, zonder vermaning, troostend vanwege mooie losse woorden, een ruwe en primitieve poëzie die het goede gevoel wil opwekken, maar het hart en het verstand hongerig laat. De alledaagse ervaring domineert het Woord. God spreekt niet tegen ons, wij spreken tenslotte alleen nog tegen elkaar.

Het lot van een Kerk zonder het Woord

In sommige steden zijn de grote kerken leeg. Op de zondag morgen blijft het donker want de gelovigen van Hervormde of Gereformeerde komaf hebben al lang ontdekt dat in hun kerken geen geestelijk voedsel meer wordt aangereikt. Ook in Leeuwarden staan de kerken leeg en zijn sommigen al verkocht om te worden omgebouwd tot appartementen. Maar in een van de wijken van Leeuwarden staat een gemeente met 1800 leden. De leden daarvan hebben de verplichting op zich genomen om elke week een bijbelstudie te volgen. En dat is naast de wekelijkse Bijbelstudie op een dag in de week die ze óók volgen. Op zondagmorgen na de dienst gaan ze elk naar hun eigen lokaal, want ze zijn verdeeld over meerdere klassen of leergangen. Permanente educatie van een gelovige door Bijbelstudie – in die gemeente wordt het als voorwaarde gesteld. De toegang is daardoor moeilijker geworden. Maar in die kerk gaat op zondag het licht aan en de kachel niet uit als niet alleen de lofzang is gezongen uit 1800 kelen, want er wordt in het hele gebouw in groepjes van 40 man aan diepgaande Bijbelstudie gedaan. Zo’n gemeente is in dit opzicht “volmaakt en toegerust tot elk goed werk” (2 Tim. 3:16, 17). Het is Bijbelstudie volgens de leer en gericht op het leven.

Waarom zien we zo vaak in die buiten kerkelijke gemeenten, zoveel mensen die eerder bij de Protestantse kerken zijn afgehaakt? Is het niet eenvoudig hierom: als je als gelovige voeding zoekt vanuit Gods Woord, heb je in verreweg de meeste van onze Protestantse gemeenten niets te zoeken. Wij sukkelen voort op de oude weg, van aanpassing aan de cultuur, van troostende praatjes, en we willen niets weten van een intense studie van Gods Woord. Zolang we ons over alle andere dingen druk maken in de kerk, over financiën, zaalverhuur, de verwarming, de geluidsinstallatie, het lekkende dak, de diaconale doelen, het aantal huisbezoeken per week, kunnen we onszelf als toegewijde christenen zien. De studie van Gods Woord is voor ons een sluitpost geworden. De meesten van ons zien het nut er niet van in. Ik betreur dat zeer.

Gods Woord wijst ons een andere weg.

Een gedachte over “Predik het Woord

  1. Beste Robbert, wat een “raak” artikel. Je slaat de spijker op z’n kop. Wat in deze tijd meer dan ooit nodig is, is de verkondiging en het belijden in woord en daad van het evangelie. Net zoals Paulus in zijn brieven, en de Here Jezus in zijn brieven aan de gemeentes in Openbaring schrijft. Daar is moed voor nodig, ik kijk hierbij m.n. naar mij zelf, dan zal God het werk zegenen. Ik las deze week het getuigenis van Isik Abla, gevlucht uit Turkije, zij roept op tot gebed om ijver voor verspreiding van het evangelie. Groet Nanko

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *