Johannes 14:1-3 in een preek van Augustinus (1/3)

We moeten nu onze bijzondere aandacht geven, broeders, aan God zelf, zodat we de woorden van het heilig evangelie kunnen begrijpen die we net hebben gehoord. Want de Here Jezus heeft gezegd: “laat uw hart niet in beroering zijn. Geloof in God en geloof in mij.” Hij troost hen, zodat ze geen angst zullen hebben voor de dood, en daardoor in beroering raken, door te bevestigen dat ook Hij God is. “Geloof,” zegt Hij, “in God, geloof ook in mij.” Wanneer je gelooft in God is het een logische consequentie, dat je ook in Mij moet geloven: wat geen consequentie zou zijn als Christus niet God was. “Geloof in God, en geloof in” Hem, die door Zijn natuur en niet door diefstal, gelijk is aan God; want Hij heeft zichzelf ontledigd; echter niet door de vorm van God te verliezen, maar door de vorm van een slaaf aan te nemen. Jullie zijn bang vanwege deze vorm van een dienstknecht, “laat uw hart niet in beroering zijn,” de vorm van God zal het opnieuw opwekken.

Maar waarom hebben we dan het volgende: “In Mijn Vaders huis zijn vele woningen,” behalve dan omdat zij ook angst hadden over zichzelf? En in die angst hebben ze dan deze woorden gehoord, “laat uw hart niet in beroering zijn.” Want, was er dan iemand onder hen die vrij kon zijn van angst, wanneer tegen Petrus, de meest zelfverzekerde en actieve van hen allen, werd gezegd, “de haan zal niet kraaien totdat jij mij drie keer hebt verloochend”? Omdat zij overwogen, te beginnen met Petrus, dat zij gedoemd waren om ten onder te gaan, hadden ze ook goede reden om in beroering te zijn: maar wanneer ze dan nu horen, “in Mijn Vaders huis zijn vele woningen: als het niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben; want Ik ga heen om plaats te bereiden,” worden zij uit hun moeilijkheden opgewekt, ontvangen zekerheid en zijn nu ervan verzekerd dat zij na alle gevaren van verleidingen uiteindelijk zullen wonen met Christus in de tegenwoordigheid van God. De een mag dan sterker zijn dan de ander, de een mag dan wijzer zijn dan de ander, de een mag dan rechtvaardiger zijn dan de ander, “in het huis van Mijn  Vader zijn vele woningen;” zodat niemand van hen buiten dat huis zal blijven, waar iedereen, in overeenstemming met zijn verdienste, een woning zal ontvangen. Zij hebben allen in gelijke mate dat muntje, dat de heer des huizes heeft bevolen om gegeven te worden aan allen die hebben gewerkt in de wijngaard, zonder verschil te maken tussen hen  die minder en hen die meer hebben gewerkt; en met dat muntje, wordt natuurlijk het eeuwige leven bedoeld, waarin niemand langer leeft dan een ander, want in de eeuwigheid heeft het leven geen verschil in lengte. Maar de vele woningen wijzen op de verschillende niveaus van verdienste in dat ene eeuwige leven. Want er is een heerlijkheid van de zon, een andere heerlijkheid van de maan, en weer een andere heerlijkheid van de sterren: want de ene ster verschilt van de andere ster in heerlijkheid; en zo is het ook met de opstanding van de doden. De heiligen, net als de sterren aan de hemel, verkrijgen in het Koninkrijk verschillende woningen met verschillende gradaties van helderheid; maar vanwege dat ene muntstukje wordt niemand afgesneden van het Koninkrijk; en God zal alles zijn in allen op zo’n manier, dat, zoals God liefde is, liefde tot stand zal brengen dat wat door de ene als bezit geclaimd kan worden tegelijkertijd ook aan alle anderen toekomt. Op deze manier heeft iedereen het werkelijk in bezit, wanneer hij namelijk in een ander graag ziet wat hij niet zelf heeft. Er zal dus om die reden geen enkele jaloezie zijn in deze diversiteit van helderheid, aangezien in hen allen de eenheid van de liefde zal heersen.

Elk christelijk hart moet daarom volkomen het idee verwerpen, van degenen die zich voorstellen dat er van vele woningen sprake is, omdat er ook een plek zal zijn buiten het Koninkrijk van de hemelen, die de woonplaats zal zijn van die gezegende onschuldigen die dit leven hebben verlaten zonder gedoopt te zijn, omdat zonder de doop zij het Koninkrijk van de hemelen niet kunnen binnengaan. Geloof zoals dit is geen geloof, in ieder geval is het niet het ware en katholieke geloof. Ben je dan niet een dwaas en verblind met een vleselijke verbeelding zodat je het waard bent om bestraft te worden, als je op die wijze de woning probeert te sluiten, niet voor Petrus of Paulus, of een van de apostelen, maar voor enig gedoopt kind uit het Koninkrijk van de hemel? Denk je dan niet dat jij bestraffing verdient als je op die wijze een scheiding maakt tussen hen en het huis van God de Vader? De woorden van de Here zijn immers niet dat er “in de hele wereld”, of, “in de hele schepping,” of, “in het eeuwige leven en de gezegende staat,” vele woningen zijn; maar Hij zegt, “in Mijn Vaders huis zijn vele woningen.” Is dat dan niet het huis waar wij een gebouw van God hebben, een huis niet gemaakt met handen, eeuwig in de hemelen? Is dat dan niet het huis waarover wij tot de Here zingen, “gezegend zijn zij die in Uw huis wonen; zij zullen U prijzen voor altijd en eeuwig”? Wil je dan proberen het huis uit het koninkrijk van de hemel buiten te sluiten, niet dat van elke gedoopte broeder, maar van God de Vader Zelf, tot Wie, wij allen die broeders zijn zeggen: “Onze Vader, die in de hemelen zijt,” of op zo’n manier een verdeling maken , dat sommige van deze woningen binnen en andere buiten het Koninkrijk der hemelen liggen? Ver, ver mag het zijn van hen die het verlangen hebben om in het Koninkrijk der hemelen te verblijven, dat zij gewillig zouden willen wonen in een dergelijke dwaasheid samen met u. Ver moge het zijn, zeg ik, omdat ieder huis van zoons dirigeren nergens anders kan zijn maar binnen het Koninkrijk, dat nu enig deel van het Koninklijke Huis zelf buiten het Koninkrijk zou liggen.

“En als Ik ga,” zegt Hij, “en een plaats voor u bereid, zal ik terugkeren, en u bij mijzelf brengen; zodat waar ik ben, jullie ook zullen zijn. En waarheen ik ga weten jullie, en jullie weten de weg.”
O,  Here Jezus, hoe kan het dat u uitgaat om een plaats te bereiden, als er al vele woningen zijn in het huis van Uw Vader, waar Uw volk zal wonen met u samen? En als u hen allen bij uzelf ontvangt, hoe kan het dan dat U terugkeert, u, die nooit Uw aanwezigheid terugtrekt? Zulke onderwerpen als deze, geliefden, als wij een poging zouden doen om ze te verklaren met de beknoptheid die past bij de natuurlijke grenzen van onze toespraak vandaag, zouden zeker te lijden hebben in helderheid van de samenvatting, en we zouden een tweede onhelderheid introduceren door hier te korte tijd over te spreken. We zullen daarom deze schuld enige tijd uitstellen.

Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese

Midden in het dramatische conflict tussen de Here en de goden van Egypte, is er deze onderbreking. Drie verschillende belangrijke wetten worden hier, dat wil zeggen in Egypte, geïntroduceerd. Pesach, ongezuurde broden en de wijding van de eerstgeborene krijgen hun plaatsen daarmee ook hun betekenis juist binnen het verhaal van de exodus. De boodschap van alle drie deze feesten is eenvoudigweg dat Israël eigendom is van de Here vanwege de redding van het volk. “Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese” verder lezen

Exodus 12:1-6 (1) in de joodse uitleg van Nachmanides

 

Discussie

Exodus 12:2

Wat betekent de uitdrukking “deze maand zal voor u het begin van de maanden zijn?” Terwijl Nissan niet de maand is van rosj hasjana (nieuwjaar). 

Dit is het eerste gebod dat de Here God oplegt aan Israël door middel van Mozes. Dat wordt benadrukt doordat de tekst zegt dat het gebod wordt gegeven in het land Egypte. Dus niet op de berg Sinai.

“In het land Egypte” betekent ook dat het buiten de stad gebeurd is.

Het is opmerkelijk dat vers 2 blijkbaar alleen tegen Mozes en Aaron in het land Egypte gezegd is. Pas in vers 3 staat er: “spreek tot heel de gemeenschap van Israël.” Had er niet moeten staan: “de Here zei tegen Mozes en tegen Aaron in het land Egypte, spreek tot heel de gemeenschap van Israël: “deze maand et cetera.””

Het antwoord van Nachmanides: Mozes en Aaron staan hier in de positie van Israël. Wanneer de Here het tot hen zegt is dat het zelfde als dat Hij het zegt tot Israël in alle generaties. De uitdrukking in vers 3, spreek tot de gemeenschap et cetera heeft een bijzonder doel, namelijk een gebod gegeven dat niet voor alle tijden van kracht is, namelijk het kopen van het paaslam in Egypte op de 10e dag van de maand Nisan. Dat is immers alleen maar een gebod voor dat historische moment. In latere generaties mag het paaslam worden gekocht op elk geschikt moment, en het hoeft zeker niet in Egypte te worden aangeschaft.

Mozes en Aaron in vers 1 staan dus voor het hele volk, en het gebod van vers 3 is beperkt tot deze bijzondere dag.

Onze tekst zegt: deze maand zal voor u de eerste maand zijn. Wat is de implicatie van de uitdrukking “voor u”? Dit betekent dat de heiliging van de nieuwe maan alleen maar kan worden uitgevoerd door een commissie van experts, zoals Mozes en Aaron waren. Dat is de tweede reden dat er bij de verwijzing naar de eerste maand niet gezegd wordt, “spreek tot de gemeenschap van Israël et cetera.”

Waarom moet deze maand de eerste van de maanden zijn? Zodat bij het noemen van alle maanden, als tweede derde vierde et cetera, het wonder van de uittocht steeds voor de aandacht geplaatst wordt. (Want de derde maand is de derde steeds omdat de eerste de maand van de uittocht was.) In de Thora hebben de maanden nog geen individuele namen, maar worden ze geteld. (De namen van de maanden die nu gebruikt worden, stammen uit de Babylonische tijd.)

Deze ordening bij het tellen van de maanden heeft niets te maken met het nieuwe jaar, wat valt in de zevende maand. Vandaar dat er staat “voor jullie”, het wordt de eerste maand genoemd vanwege de gedachtenis aan de verlossing. Waarom worden dan nu de Babylonische namen voor de maanden gebruikt? Dat heeft tot doel om ons nu ook te herinneren dat we uit de ballingschap in Babel verlost zijn en dat we daar in onze ballingschap verbleven hebben. (Alleen in Esther worden deze namen gebruikt, die van oorspronkelijk Perzische herkomst zijn.).

Exodus 12:6

Wat betekent de uitdrukking “bein ha-arbajim,”  tussen de avondschemering(en)? 

Dan de uitdrukking in het zesde vers tussen de avonden, (bein ha-arbajim) dat wil zeggen met de avondschemering. Nachmanides citeert eerst Rasjie.

“Deze uitdrukking wordt gebruikt voor het zesde uur, gerekend vanaf het begin van de dag. In de thora wordt een dag altijd in 12 uren ingedeeld. Vanwaar deze uitdrukking? Omdat de zon hier onderweg is om te worden verduisterd, dat wil zeggen onder te gaan. De uitdrukking geeft de uren aan tussen dat begin van het donker worden van de dag en het uiteindelijke verduisteren aan het begin van de nacht. Dus het begin van het zevende uur, vanaf de tijd dat de schaduwen van de avond uitgestrekt zijn – Jeremia 6:4. Het Hebreeuwse woord erev voor nacht, is een uitdrukking van somberheid en duisternis, zoals in Jesaja 24:11. Alle vreugde wordt verduisterd –‘ arvah.

Volgens Rabbi Abraham ibn Ezra is deze interpretatie niet correct. Er staat immers geschreven in Jesaja 30:8, “en toen Aaron de lampen aanstak in de avondschemering” (bein ha’arbajim). Dat moet echter zonsondergang aanduiden. Zoals blijkt uit Jesaja 27:21. Daar vinden we immers dat Aaron en zijn zoons de lampen moeten aansteken, in een dienst die de tijd tussen de avond tot aan de ochtend beslaat. De uitdrukking bein ha-arbajim slaat dus niet op het zevende uur van de dag, maar op zonsondergang.

Hij brengt nog een tweede argument. In Deuteronomium 16:6 lezen we, “…daar moet u het paaslam slachten, in de avond, als de zon ondergaat, op het tijdstip dat u uit Egypte trok.” Natuurlijk betekent “als de zon ondergaat” precies wat wij bedoelen met zonsondergang. Maar dat is niet het begin van het zevende uur. Rasjie lijkt dus ongelijk te hebben.

Nachmanides zegt dat dit helemaal geen weerlegging is van de uitleg van Rasjie. In Berachot 9a vinden we al de betekenis van het vers uit Deuteronomium.

  • In de avond – moet je het lam slachten
  • als de zon ondergaat – moet je het eten
  • op het tijdstip dat u uit Egypte trok (in de ochtend) – moet je het restant verbranden.

Zo heeft Rasjie het ook al uitgelegd in zijn commentaar op Deuteronomium 16:6.

Nachmanides geeft dan zijn opinie.

Het is duidelijk dat ‘erev soms de nacht aanduidt, maar doorgaans de avond. (En dus gedeeltelijk een synoniem is van lailah.) Het duidt het begin van de nacht aan, wanneer de sterren zichtbaar worden. In Genesis 1:5 bijvoorbeeld waar het zegt dat was avond geweest en morgen geweest et cetera.

Wanneer de engelen naar Sodom komen ba ‘erev zit Lot daar al. Dat moet het het einde van de dag aanduiden, dus de avondschemering. Lot heeft daar immers niet de hele nacht gezeten.

Wanneer de middag, dat wil zeggen het vijfde en zesde uur van de dag, teneinde gaat, en de zon niet langer aan twee kanten van een gebouw schijnen kan, dan hebben we de tijd van de dag die arbajim heet. De middag wordt genoemd tsohoraim, een meervoud (een dualis), omdat het die twee uren omvat, of omdat de zon niet in het oosten of in het Westen is geconcentreerd, maar aan alle kanten licht geeft. De avondschemering is dus het begin van het zevende uur waarin de zon onderweg is naar de plaats waar hij ondergaat. Ongeveer een uur en een kwartier voordat de sterren uitkomen, spreken we niet meer van avondschemering of arbajim, maar dan spreken we over ‘erev jom, de avond van de dag. (Terwijl lailah dan de hele periode van de ondergang van de zon aanduidt tot aan de opkomst van de zon.)

Waarom staat er nu echter bein ha-arbajim? Van waar nu de term “tussen”? Het heeft hier de betekenis “te midden van”. (Bewijsplaatsen te over.) Er staat niet ba ‘arbajim, in de avondschemeringen, want dat zou de avond van verschillende dagen kunnen aangeven. De thora zegt ons dus dat wij het paaslam moeten offeren in het midden van de avondschemering, dat wil zeggen van na het zesde uur van de dag tot de werkelijke ondergang van de zon.

Dat moeilijke geloof… Exegetische problemen in Rom. 1:17 – (eerste ruwe versie van de inleiding)

“Niet immers schaam ik mij voor het evangelie, want een kracht van God is het tot behoud voor een ieder die gelooft, en wel eerst voor de Jood en dan ook voor de Griek.
Gerechtigheid immers van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, ‘maar de rechtvaardige zal uit geloof (over –) leven.'”

Een bijzonder moeilijke tekst in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen zijn deze verzen 16 en 17. Wanneer aan deze verzen inderdaad de functie toekomt het thema van de brief te omschrijven, is het eigenlijk vreemd dat Paulus hier een uitdrukking gebruikt die op het eerste gezicht helemaal niet zo helder is. Het gaat om de uitdrukking “uit geloof tot geloof”, dat zowel op de gerechtigheid kan slaan, als op het woord geopenbaard. Gaat het om een gerechtigheid die het geloof als bron of voorwaarde heeft? Of gaat het om een gerechtigheid die wordt erkend of ontvangen vanuit geloof? Gaat het om een geloof dat bij een individu groeit tot meer geloof? Of om een geloof dat aanstekelijk werkt en anderen tot geloof brengt? Of is het subject van het eerste geloof iemand anders dan wij en moeten we denken aan de trouw, bijvoorbeeld de trouw aan het verbond, dat de Here Jezus kenmerkte?

Aan het woord “geloof” kleeft ook nog de dubbelzinnigheid, dat het zowel om een benaming van het evangelie met verstand en wil kan gaan, als ook om datgene wat met verstand en wil wordt erkend, terwijl het ook de eenvoudiger connotatie van vertrouwen of trouw kan hebben.

De oplossingen die in de exegetische literatuur te vinden zijn, lopen sterk uiteen. We geven een overzicht:

  1. Thomas van Aquino, “deze gerechtigheid van God wordt geopenbaard in het evangelie voorzover mensen worden gerechtvaardigd door geloof in het evangelie in elk tijdperk. Daarom voegt hij eraan toe ‘ uit geloof tot geloof’, dat wil zeggen, vanuit het geloof binnen het Oude Testament tot het geloof in het Nieuwe Testament, omdat in beide gevallen mensen rechtvaardig worden gemaakt en worden gered door geloof in Christus, omdat zij hebben geloofd in Zijn komst met het zelfde geloof dat wij hebben dat Hij gekomen is. […]
    Het kan echter ook betekenen: van het geloof van de predikers tot het geloof van de hoorders – Rom. 10:14. Of van het geloof in het ene geloofsartikel tot het andere, omdat rechtvaardiging het geloof in alle artikelen van het geloof vereist: ‘zalig is hij die de woorden van deze profetie leest en hoort’ (Op. 1:3).
  2. Johannes Calvijn (noot 1): gerechtigheid wordt door het evangelie aangeboden, het wordt door geloof ontvangen. Dus: uit geloof, d.w.z. uit het evangelie dat wij geloven. En hij voegt toe “tot geloof; want als ons geloof voortgang maakt en vooruitgaat in kennis, wordt ook de gerechtigheid van God in ons groter, en het bezit ervan wordt op zekere wijze bevestigd.” Het gaat dus om de dagelijkse vooruitgang die elke gelovige doormaakt.
  3. Kanttekeningen bij de Statenvertaling op Rom. 1:17.  Hier sluit men aan bij Calvijn. “36. Dat is, tot dagelijkse toeneming en versterking in het geloof.”
  4. BMK, de verklarende kanttekeningen van Dr. H.M. Matter: “de gerechtigheid is uit het geloof, dat wil zeggen we kunnen haar niet verwerven, zelfs niet uitdenken. We kunnen haar slechts als voldongen feit geloven. We zouden het kortweg kunnen weergeven door g”eloofsgerechtigheid” in tegenstelling tot de “werkgerechtigheid” der Joden. “Tot geloof” onderstreept het voorafgaande uit geloof nog eens. (…) Ons geloof wordt integendeel steeds meer geloof.”
  5. NET: “het zou kunnen betekenen dat deze gerechtigheid door het geloof wordt verworven omdat het voor geloof bestemd was.”
  6. MNC, John MacArthur: “uit geloof tot geloof lijkt een parallel te zijn van “een ieder die gelooft” in het voorafgaande vers. Als dat zo is, dan betekent het zoiets als “van geloof tot geloof tot geloof tot geloof,” alsof Paulus het geloof van elke individuele gelovige apart wilde benoemen.” Een keten van mensen die tot bekering komen.
  7. CNT (Jakob van Bruggen): Je zou kunnen zeggen: “de gerechtigheid van God wordt openbaar in het evangelie van geloof tot geloof.” Het evangelie kan enkel en alleen door geloof worden aangenomen. Deze interpretatie verwerpt Van Brugge echter en zegt het volgende: “het accent ligt op het evangelie als gebeurtenis van verkondiging in die tijd. Het evangelie verspreidde zich in de wereld als een lopend vuurtje van het geloof van de ene prediker naar het geloof van de andere gelovende.” Het geloof verbreidt zich dus ook van de joodse christenen naar de niet-joodse christenen toe. Belangrijk is ook dat Van Brugge de mogelijkheid verwerpt dat Paulus deze woorden gebruikt als een exegese van het citaat uit Habakuk. Het gaat er alleen maar om dat het geloof een kracht is tot behoud. Wanneer het wel een uitleg zou zijn van dit citaat, dan kan het niet gaan om het “overslaan van het geloof van de een op de andere dankzij het evangelie.”
  8. NIBC, “in het licht van 3:21-22 is de meest natuurlijke betekenis “vanuit Gods trouw tot menselijke trouw.” (Zo ook James Dunn.) De tekst in het derde hoofdstuk zegt “door het geloof [van Jezus Christus ] tot allen die geloven.” Als we de genitivus moeten lezen als een genitivus objectivus – dus als het geloof in Jezus Christus – is er echter geen sprake van een parallel tussen 3:21 e.v. en 1:17.
  9. IB, “de lastige uitdrukking, letterlijk weergegeven als uit geloof tot geloof, is waarschijnlijk alleen maar een manier om het exclusieve belang van het geloof te benadrukken, alsof je kan zeggen, “geloof van begin tot eind.” (Gerald R. Cragg) Het citaat van Habakuk past niet helemaal bij deze gedachte, maar ondersteunt het idee van Paulus dat dit geloof al in het Oude Testament is aangekondigd.
  10. EBC is van mening dat de uitdrukking “uit geloof” geen verwijzing is naar een uitgangspunt, noch het uitgangspunt van Gods trouw, noch het uitgangspunt van het geloof van een prediker. Het Griekse voorzetsel is immers niet apo, dat naar een herkomst verwijst, maar ek, dat door Paulus regelmatig samen met geloof wordt gebruikt om te spreken over de grondslag van de rechtvaar-diging. Of van de gerechtigheid. De term gerechtigheid kan vaak de kracht krijgen van de rechtvaardiging. Problematisch is alleen de uitdrukking tot geloof. “Misschien wil dit zeggen dat de gelovigen moet worden vermaand dat het geloof dat rechtvaardigt alleen het begin van het christelijk leven is. Dezelfde houding van het geloof moet ook dominant zijn in de voortgaande ervaring van gelovigen als kinderen van God.” Harrison en Hagner citeren met instemming Bruce, dat het citaat van Habakuk eigenlijk de tekst is van deze hele brief; “wat hierna volgt is in hoge mate een expositie van de woorden van de profeet.”
  11. Enduring Word (David Guzik) – “door geloof van begin tot eind.” Dat wil zeggen niet vanuit geloof tot werken, of uit werken tot geloof; maar van geloof tot geloof, dat is “alleen door geloof.”

De uitleg van vers 17 door de eeuwen heen en verspreid over verschillende tradities kan ruwweg in drie categorieën worden ingedeeld. Wat betekent de uitdrukking van geloof tot geloof?

1) het verwijst naar de voortgang van het evangelie door de prediking.
2) het verwijst naar de voortgang van het evangelie in het leven van een christen
3) het is een omschrijving van het evangelie: Gods trouw tot (ons) geloof

Welke van deze drie interpretaties wordt nu door de context gesteund?

Paulus heeft net hiervoor gezegd dat hij bereid is het evangelie te verkondigen. Het is immers een kracht tot behoudenis. In het evangelie wordt immers de gerechtigheid van God geopenbaard – een gerechtigheid die in het eerstvolgende gedeelte vooral gezien wordt als Gods maatstaf van gerechtigheid tegenover een goddeloze en onrechtvaardige wereld. Dat wordt helder in vers 18.

In de onmiddellijke context is de uitdrukking “voor ieder die gelooft” die eraan voorafgaat, en het citaat van Habakuk dat erop volgt van groot belang. Paulus introduceert de term “geloof” in eerste instantie in verband met de behoudenis. Die behoudenis ligt volgens het geheel van de brief in het ontvangen van Gods gerechtigheid als een gave. Geloof is dus vooral het aannemen van het aanbod van het evangelie. De erkenning van de gerechtigheid van Christus waaraan ik deel mag krijgen als ik mij daartoe wend in geloof.

Op grond hiervan lijkt mij de eerste uitleg niet helemaal ter zake. Wanneer het zou gaan om de prediking, dan leggen we een verband met vers 6 en vers 15. Paulus die het evangelie wil verkondigen in Rome, laat die gedachte mee klinken in de uitdrukking van geloof tot geloof. Ook vers 6 krijgt dan gewicht, waar Paulus spreekt over het feit dat het geloof van de gemeente in Rome over de hele wereld bekend is geraakt. Op grond daarvan zou je kunnen besluiten dat de prediking van het evangelie aan de orde is in de uitdrukking van geloof tot geloof. Het lijkt mij echter dat we daardoor de directe context te zeer verwaarlozen.

Ook de tweede uitleg is onbevredigend, omdat we voor die benadering helemaal geen aanknopingspunt hebben in de context. Hooguit zou je kunnen zeggen dat de vertroosting door elkaars geloof in vers 12 dan zou meewegen in de uitdrukking van vers 17. Ook dat lijkt mij te ver weg voor de uitleg van deze problematische uitdrukking.

Dan blijven er twee mogelijkheden over. Wanneer we het voorafgaande vers 16 benadrukken, zou de uitdrukking van geloof tot geloof te maken kunnen hebben met het ontvangen van de gerechtigheid van God door geloof in Jezus. Dat geloof is de voorwaarde van het ontvangen van Gods gerechtigheid, dat wil zeggen van de behoudenis. Het evangelie openbaart dat de gerechtigheid van God alleen maar door geloof kan worden aangenomen. Uit geloof betekent dan zoiets als “alleen maar door geloof aan te nemen”. Dat is dan de eerste mogelijkheid: in het evangelie wordt geopenbaard, dat de gerechtigheid (dat wil zeggen de rechtvaardiging die wij ontvangen) het geloof als grondslag heeft.

Dan blijven we echter zitten met de eigenlijk overbodige uitdrukking “tot geloof.” De verklaring van sommigen dat Paulus daarmee alleen maar een nadruk wil geven is voor mij niet bevredigend. De kanttekening van de EBC, dat het voorzetsel ek doorgaans bij Paulus gebruikt wordt om de grondslag aan te geven en niet de herkomst, moeten we hier ook verdisconteren.

Wanneer de gerechtigheid is op grond van geloof, wat betekent het dan dat ze ook “tot geloof” is? Zou het kunnen zijn dat Paulus “uit geloof” in verband brengt met vervullen van de voorwaarde voor het ontvangen van de gerechtigheid, en tot geloof verbindt met de openbaring daarvan? De gerechtigheid in het evangelie wordt ontvangen door het geloof, en is geopenbaard om dat geloof op te roepen.

Het nadeel echter van deze optie is, dat het citaat van Habakuk in het tweede deel van vers 17 nu geen belangrijk doel meer dient. Het illustreert alleen een samenhang tussen gerechtigheid en geloof. Is het wel zo zeker dat Paulus geen exegese van dit vers probeert te geven?

Sommigen sluiten deze mogelijkheid uit, ook met een beroep op het feit dat de lezers in Rome over het algemeen geen Hebreeuws kunnen lezen, en de Hebreeuwse tekst van Habakuk dus ook niet in het hoofd hebben. Die Hebreeuwse tekst bevat namelijk een dubbelzinnigheid. Letterlijk staat daar: “en (of: maar) de rechtvaardige zal leven in (door) “zijn” geloof. Het woordje “zijn” is in het Hebreeuws maar een enkele letter, een zogenaamde wav. De Hebreeuwse tekst maakt niet duidelijk of de rechtvaardige leven zal op grond van zijn geloof, dat wil zeggen zijn trouw en vertrouwen binnen het verbond, of dat hij zal leven op grond van Zijn, dat is Gods trouw aan het Verbond. Die ambiguïteit is wellicht ook opzettelijk. Het is juist de bedoeling, dat we met deze beide vertaalmogelijkheden rekening houden.

In het Grieks kan Paulus die mogelijkheden suggereren door het woordje “zijn” gewoon weg te laten. En daarmee is een exegese van de tekst van Habakuk voorbereid. Gerechtigheid van God wordt geopenbaard op grond van Gods trouw (uit geloof) die het vertrouwen en de trouw van de gelovigen mogelijk maakt (tot geloof). Dat is dan ook dezelfde gedachte van hoofdstuk 3:26.

Het lijkt daarmee duidelijk geworden dat de beste benadering ligt in de derde mogelijkheid. De behouden s is voor ieen eder die zijn geloof stelt in het evangelie. In dat evangelie wordt Gods gerechtigheid immers geopenbaard op een bijzondere wijze. Gerechtigheid van God blijkt te zijn een daad van Gods trouw die ontvangen wordt en erkend wordt in ons geloof. De gerechtvaardigde op grond van Gods trouw die zal leven. Want de gerechtigheid die nodig is om staande te blijven in het oordeel, wordt ontvangen en niet tot stand gebracht.

NOTEN


(1) When at first we taste the gospel, we indeed see God’s smiling countenance turned towards us, but at a distance: the more the knowledge of true religion grows in us, by coming as it were nearer, we behold God’s favor more clearly and more familiarly. What some think, that there is here an implied comparison between the Old and New Testament, is more refined than well-founded; for Paul does not here compare the Fathers who lived under the law with us, but points out the daily progress that is made by every one of the faithful. Calvin ad locum.

Eredienst van 13 september 2020

Video registratie van de eredienst van de VPKB Hoeksteen, in St George in Knokke-Heist.

Voorganger: ds. Robbert Veen

Thema: het geloof dat ons behoudt.

Tekst: Lukas 17:11-23

 

Koinonia Bijbelstudie Live! – 11 september 2020

We zijn weer begonnen met Koinonia Bijbelstudie Live! Een nieuwe serie wekelijkse uitzendingen is vandaag gestart. In deze aflevering:

1. De nieuwe series video’s die we gaan maken voor Internet: Bijbels Hebreeuws, Talmoed, Romeinenbrief, Bijbels Grieks.
2. Wat we niet meer wekelijks doen: Charismania, en Johannes-evangelie. Af en toe maken we ook video’s over Karl Barth, Willem Ouweneel (Israeltheologie) en Augustinus (Johannes commentaar).
3. Wat is de rol van “traditie” en “leer”in het Protestantisme? We vergelijken het met de betekenis van de mondelinge Torah (=mondelinge traditie) in het Jodendom volgens Spreuken der Vaderen 1:1.
4. Korte weergave van een zeer goede lezing van Don Carson: “The Gospelshape of Scripture.”
5. Kort commentaar op Johannes 8:12-14

En uiteraard, veel muziek van Johan Sebastian Bach, uit diverse cantates.

VIDEO:

 

AUDIO:

Proeve van een rabbijnse exegese uit Berachot 5b

Rabbijnse exegese – voorbeeld uit BBer. 5b

TANNA STATEMENT:

a. IF A MAN BUSIES HIMSELF IN THE STUDY OF TORAH,

b.                                                     AND IN ACTS OF CHARITY

c.                                                     AND BURIES HIS CHILDREN

[THEN] ALL HIS SINS ARE FORGIVEN HIM.

R. JOCHANAN RESPONSE:

A. I GRANT YOU TORAH AND ACTS OF CHARITY

SPREUKEN16:6 – Door liefde (be-chèsèd, door barmhartigheid) en trouw (‘èmet, waarheid) wordt de ongerechtigheid verzoend.

בחסד ואמת יכפר עון [וביראת יהוה סור מרע:]

A.1. chèsèd is acts of charity

Die rechtvaardigheid (tsedakah, vaak gelezen als “daden van barmhartigheid,” aalmoezen) en weldadigheid (chèsèd, barmhartigheid) najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden – Spr. 21:21

רדף צדקה וחסד ימצא חיים צדקה וכבוד׃ 

A.2. èmet is Torah

Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand. Spr. 23:23

אמת קנה ואל־תמכר חכמה ומוסר ובינה׃ 

HOW DO YOU KNOW [THAT IT ALSO REFERS TO] ONE WHO BURIES HIS CHILDREN?

B. ELDER: IT IS CONCLUDED FROM THE ANALOGY IN THE USE OF THE WORD INIQUITY

B.1. SPREUKEN16:6 – Door liefde (be-chèsèd, door barmhartigheid) en trouw (‘èmet, waarheid) wordt de ongerechtigheid verzoend.

בחסד ואמת יכפר עון [וביראת יהוה סור מרע:]

B.2. die aan duizenden goedertierenheid bewijst en de ongerechtigheid der vaderen in de boezem van hun kinderen na hen vergeldt, – Jer.. 32:18