Digitaal avondmaal? Koinonia Bijbelstudie Live! van 29 januari 2021

In Knokke zijn we van plan om een digitale avondmaalsdienst te vieren. Aanstaande zondag is het zover. In deze aflevering van Koinonia Bijbelstudie Live! spreken we over de vraag of een digitaal avondmaal eigenlijk wel mogelijk is. En verder praten we over de 10 aspecten van de avondmaalsviering. Gedachtenis, dankdienst, priesterdienst, getuigenis, etc.

Je goed voelen in je geloof

Het Christendom is een godsdienst van de openbaring, en daarom een godsdienst van het Woord. En omdat het een godsdienst van het Woord is, is het onderworpen aan de boodschap van het Woord. De kern van het evangelie luidt dat de mens in slavernij is aan de zonde, is beladen met schuld, en niet in staat zich daarvan te bevrijden. En dat een heilige God, in de ordening van de Schepping die Hij feitelijk heeft ingesteld, niet anders kan dan die mens aan een oordeel onderwerpen. We leven in een universum waarin elke daad aan een absoluut moreel oordeel onderworpen is. Elke zonde vereist een rechtszaak die schuld vaststelt en straf toemeet. Net zoals elk slachtoffer recht heeft op een rechtszaak waarin wordt vastgesteld wie verantwoordelijk is. 

Wie nu kijkt naar het Christendom – in ruime zin – ziet echter iets anders. Er blijven overeenkomsten met het Christelijk geloof van vorige generaties.  Maar het evangelie gaat niet langer over zonde en schuld, zoals het jaarlijkse spektakel van de Passion bewijst. En daarom gaat het ook niet over het offer van Christus aan het kruis, niet over plaatsvervangend sterven, niet over verzoening en verlossing. Men citeert wel “God is liefde”, maar niet dat deze liefde geopenbaard is in de overgave van de Zoon van God aan het kruis. 

Een bijzonder geval van dit contextloze en onvolledige citeren is ook de herhaling van de verzekering dat “niets ons kan scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.” Het is de tekst waarover Paul Tillich een preek schreef en publiceerde met de titel: “Jij bent aanvaard.” Goedkoper kan de genade niet zijn, wanneer verbroken beloften, de verwaarlozing van morele verplichtingen, de verzaking van natuurlijke plichten of de wreedheid tegenover anderen uiteindelijk onbestraft blijven en zelfs niet als schuld worden toegerekend. Geen instantie die ons aan de fouten van gisteren zal herinneren, behalve in de meest algemene termen als de “gebrokenheid van de wereld.” 

Mag men spreken over de castratie van een tekst, wanneer de consequentie ervan uit het bewustzijn wordt geweerd? Wanneer de zekerheid van genade door Christus wordt omgezet in de verzekering dat God achter elke poging staat om geluk na te jagen, is dat niet te betwijfelen. In de uitleg van dergelijke half-citaten wordt God niet meer genoemd. Zonde en schuld zijn verdwenen in de “therapeutische wending” in de theologie. Bevrijding is nog alleen maar verlossing van persoonlijke depressie en verwijdering van obstakels in het najagen van geluk. De therapeut, de voornaamste instantie binnen de seculiere cultuur van de zelfbevrijding van de mens, treedt hier majesteitelijk de kerkelijke theologie binnen. Het hart van het evangelie is het geluk, het goede gevoel over jezelf, het liefste gepaard aan een redelijke graad van welzijn en bevrediging op de werkplek. De seculiere, humanistische stalker van het evangelie weet dat te construeren zonder de lastige verwijzing naar een ontzagwekkende God. 

Daarmee is het Christendom tot een instrument geworden om vrede en geluk te vinden, zonder de noodzaak van berouw en bekering. Dit is net zozeer de boodschap van de vrijzinnige pastor die met het chiffre “God” en andere verheven woorden niet meer uit de voeten kan, als van de charismatische prediker die de Heilige Geest met hoofdletters spelt en zonder gêne praat over een God die hem meedeelt op zondagmorgen “religieuze huisjes te gaan afbreken” (Wilfried Giltjes in de Shelter in Haarlem). Moderne mensen die Kahlil Gibran of andere moderne nazaten van Norman Vincent Peale als bronnen van buitengewone wijsheid aanvaarden, gaat het om hetzelfde. Met Geest of zonder, met het Woord of zonder. Het gaat om zelfrealisatie, een geloof dat me geneest, een bediening waarin het Koninkrijk van God succesvol doorbreekt en aantoonbaar heeft geleid tot invloed op de samenleving. Of het gaat om zelfrealisatie, een geloof dat me kracht geeft, en een gevoel van verantwoordelijkheid voor elk leed in de wereld waaraan ik in ieder geval giraal wil bijdragen. 

Maar in het getuigenis van de Schrift wordt de strijd zichtbaar tussen de mens en een godheid die er bedoelingen en doeleinden op nahoudt die niet stroken met menselijke belangen en die niet kan worden geïdentificeerd met een wijsgerige verzameling hoogste beginselen. Dit is een God die elk beeld, ook het filosofische, tot een afgod proclameert en weigert de eerbied voor die beelden als deel van de dienst aan Hem te aanvaarden. Dit is de God van de executie op Goede Vrijdag, niet de godheid die zondagsrust en meditatie aanbeveelt. Een sterker bewijs dat het menselijke leven uiteindelijk niet in eigen hand is en niet op eigenbelang berust, dan de ondergang van de geliefde Zoon aan het kruis, is welhaast niet denkbaar. De theologie van het kruis is het uiterste verzet tegen elke religie van geluk en voorspoed. 

Het liberale, maar ook het charismatische Christendom heeft de NT-ische openbaring versmald tot haar levens-bevorderende gevolgen. Een sociaal en politiek utilisme kon een draagvlak bieden voor religieuze belevingen die tegelijkertijd in hun waarheidspretentie werden afgewezen. Wie op die weg wil staan, moet een waarschuwing horen vanuit het verleden. Is er niet een Duitse (Lutherse) theologie geweest die met volle inzet kon beweren dat ‘Das Volk’ een ‘Schopfungsordnung’ was? In het Duitse nationalisme van de jaren 30 van de vorig eeuw kon religie worden opgevat als een ondersteunende factor. Een dergelijk utilisme was de calculerende Nazi-staat niet vreemd.  Ondersteunend voor de demonische Hitler-staat wel te verstaan. De gedachte dat keurige Luthers soldaten van amper 20 jaar dienst deden in de doodskampen hoort bij de mysteries van de psychologie en van de geschiedenis.  Ook die toe-eigening van theologische noties als het volk berust op half-citaten maar dan nu van het Oude Testament. De toe-eigening van de Schrift van Israël met de daarbij horende vervangingsleer waarin het joodse volk werd opgeheven leverde daarvoor de context. Willekeur was het gevolg – waarom zijn wel de Tien Geboden van de God die Israël uit Egypte bevrijdde, maar niet het “Hoor, Israël, de Heer onze God is de Ene God” tot de kern van de Christelijke ethiek gemaakt? 

Ik besef met deze aanzet meer vragen op te roepen dan te beantwoorden.Ik wilde misschien alleen maar gezegd – en overdacht – hebben, dat een theologie die gericht is op welzijn en geluk, en zoekt naar het grootst mogelijke draagvlak voor haar geclaimde waarheid, een volledige contradictie vormt met het evangelie. Liberalen en charismatici zouden, met een hogere theologische integriteit, moeten belijden dat zij geen Christenen zijn. 

 

(On-)voorwaardelijke roeping – de soevereiniteit van God in het geding

“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.” (Mat. 9:13)

Wie worden dan wel geroepen en wie worden dan niet geroepen? Zijn dat nou zondaars in het algemeen? Want die zogenaamde “rechtvaardigen” zijn toch alleen in eigen ogen rechtvaardig, maar tegenover God net zo zondig als degenen die weten niet rechtvaardig te zijn? De tekst lijkt ons te zeggen, dat Christus niet gekomen is om alle zondaars te roepen, maar alleen diegenen die weten zondaars te zijn. “Christus kwam niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars, dat is gevoelig of met levend bewustzijn belaste zondaren tot bekering” zegt John Owen. Niet zondaars in het algemeen dus, want dat zijn alle mensen. De “rechtvaardigen” daarbij inbegrepen.

De consequentie is dat het evangelie alleen aan sommigen wordt aangeboden. Alleen diegenen die van zonde overtuigd zijn, zijn waarlijk zondaren, en alleen zij kijken uit naar de verlossing en alleen zij worden dus geroepen tot bekering. Alleen het verloren schaap wordt gered, maar dat is het schaap dat beseft verloren te zijn. Niet degenen die zeggen dat ze hopen op de verlossing, maar hen die zeggen dat er geen hoop is. 

Hoe zit het dan met die “rechtvaardigen” die toch evenzeer, omdat ook zij zondaars zijn, de genade nodig hebben? Zolang zij menen de genade niet nodig te hebben en zondaars te zijn, hebben zij te maken niet met het evangelie van de genade, maar met de Wet. De overtuiging van de zonde moet eerst worden gewekt, voordat het evangelie de genade aan hen verkondigen kan. 

Immers,  een drenkeling die meent zich door eigen zwemvaardigheid te kunnen redden, zal de uitgestoken hand niet aannemen die hem redden zal. Pas wanneer de ernst van de situatie tot hem doordringt en hij zich dus een drenkeling weet,  zal hij hulp aanvaarden. Tot dat moment zal hij zich zelfs verzetten tegen degene die hem uit het water probeert te halen. 

In ons vers sluit Jezus dus juist de waanrechtvaardigen – uitdrukking gevonden bij A. Weremeus – uit van zijn oproep tot bekering. 

Wat is in deze kwestie nu eigenlijk in het geding? Wanneer, als sommigen menen, het aanbod van genade en de roeping tot bekering alle zondaars gelden, dan is de verwerping van die roeping een weerstaan van Christus. Dan beslist de mens over de effectiviteit van die roeping en kan hem in geloof aanvaarden of in ongeloof verwerpen. Als we het vers dus zo begrijpen dat de Heer Jezus alle zondaren roept, dan verleggen we de laatste grond van het behoud naar de menselijke keuze voor of tegen Christus. De roeping door Jezus heeft dan geen effectiviteit. Het geloof van de mens komt daarmee voorop te staan. 

We kunnen daaraan wellicht ontkomen wanneer we verschil maken tussen een algemeen aanbod van genade en de roeping door Christus. Zoals Paulus spreekt over “God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4). Dat is niet de onweerstaanbare wil van Gods almacht, maar een uitvloeisel van Gods wezen. Hij kan het niet niet willen omdat Hij goedheid is, maar Hij wil het uiteindelijk niet, omdat Hij ook Zijn gerechtigheid en heiligheid tot uitdrukking moet brengen. Of zoals de prediking van Paulus wordt weergegeven in Hand.17:30, waar het God Zelf is die “verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren.” Sommigen die deze boodschap hoorden hebben haar ongetwijfeld verworpen: “sommigen spotten daarmee” zegt vers 32. Maar ook dit is een uitdrukking van Gods wezen en geen bevel dat onweerstaanbaar zal blijken te zijn. 

Tegenover dit algemene aanbod van genade binnen de regeringswegen van God kunnen we dan de effectieve roeping stellen die in Joh.3 als de wedergeboorte wordt aangeduid, en die in Rom.  8:30 dan zo wordt uitgedrukt:

“En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd.”

Wie kwam de Heere Jezus dus roepen en d.w.z. redden van het oordeel? Is dat de onbekeerde of de bekeerde zondaar? De bekeerde zondaar is al geroepen, lijkt het. Maar als dat de onbekeerde zondaar is, dan is er geen reden om de rechtvaardigen daarbij uit te sluiten omdat zij immers alleen “waanrechtvaardigen” zijn. Zij zijn toch evenzeer onbekeerde zondaars. En als we hen echter moeten uitsluiten, en de Heere dus niet kwam om hen te roepen, dan zijn de hier bedoelde “zondaren” degenen die weten zondaars te zijn – indien zij dat niet wisten, waren ook zij waanrechtvaardigen. 

Maar kan iemand dan weten een zondaar te zijn, zonder dat de Wet het hem heeft duidelijk gemaakt? Of is het juist de ontmoeting met de genade die in Jezus Christus openbaar is geworden, waardoor een mens zich van zijn zonde bewust wordt? Of zijn het nu precies deze beide elementen tezamen, die inbegrepen zijn in de roeping van zondaars? Is dat niet de tweevoudige wijze waarop de Heere geroepen heeft: door genade te schenken die ook bewijst waarom de genade nodig is? 

Moeten we niet vermijden dat we de grondslag van de roeping gaan leggen in het bewustzijn van een mens een zondaar te zijn? De soevereiniteit van de roeping door Christus wordt zeker verzwakt wanneer we aannemen dat die alleen voorwaardelijk is, en afhangt van het geloof of ongeloof van een mens. Maar wordt die soevereiniteit niet evenzeer verzwakt door de aanname dat alleen de zondaar die door schuldgevoel gebroken is, het evangelie kan horen en aannemen? Ook dan wordt aan de effectieve roeping door Christus een voorwaarde gesteld. Ook al is deze van andere aard en wordt niet de actieve aanname  van het evangelie maar het passieve besef van zonde als voorwaarde begrepen. 

Vanuit de Schrift moeten we toch zeggen dat de Heere Jezus zowel bij de Samaritaanse vrouw, die Hij aan haar zondestaat ontdekte, als bij de schriftgeleerde Nicodemus in zijn waangerechtigheid een bekering tot stand bracht. Daarom ontbreekt het onderscheid ook in Rom.8 – een ieder, dus zowel de waanrechtvaardige als de geknakte zondaar – wordt volgens Zijn voornemen geroepen, en dat is dus volstrekt in overeenstemming met Zijn soevereiniteit. Onvoorwaardelijk.