Engelen als woorden van macht – Walter Wink

Hoe kunnen wij de taal van de Bijbel over de “overheden en machten” als moderne mensen verstaan? We nemen aan dat in de antieke wereld deze machten letterlijk werden gezien als onzichtbare demonen die met hun vleugels rond flapper een in de lucht, en ongelukkige sterfelijke mensen af en toe raken met ziekte, of dood.

Als moderne mensen nemen we aan dat we deze klassieke teksten alleen maar kunnen opvatten als uitingen van hallucinaties, zonder fysieke basis, zodat we hun beschrijvingen moeten afdoen als restanten van mythisch denken. (Hoewel sommigen met moderne fysische opvattingen de taal van de Bijbel geheel en al letterlijk nemen.)

Wat voor ons heel moeilijk is, dat is nadenken in een dimensie die tussen het fysische en het metafysische in staat, en die we de symbolische orde, of de orde van de verbeelding moeten noemen. Wij kunnen over de machten niet nadenken zoals de Bijbel dat doet: als realiteiten zonder substantie, als geestelijke wezens die toch geen bestaan hebben buiten hun concrete aanwezigheid in de zichtbare wereld. Onze tactiek om ermee om te gaan is meestal deze: we lezen de geestelijke wezens in de Bijbel alsof het personages zijn, en vervolgens beoordelen we het door ons gebruikte begrip persoon als onwetenschappelijke vorm van bijgeloof. Wat de Bijbel verstaat onder een macht en wat wij daarmee bedoelen komt daardoor volledig uit elkaar te liggen. Wanneer we willen begrijpen wat de Bijbel onder deze machten verstaat, moeten we niet onze eigen sociologische categorieën van macht op de Bijbelse teksten toepassen. Wat we moeten doen is kijken naar het unieke vocabulaire en de begrippen uit de eerste eeuw, en proberen ons voor te stellen wat mensen uit die tijd bedoeld hebben met deze taal van de machten, binnen hun eigen wereldvisie en binnen hun eigen mythische referentiekader.

Natuurlijk mogen wij niet geloven in wat niet bestaat. Maar het is gevaarlijk om niet te geloven in datgene wat bestaat buiten onze beperkte categorieën. De overheden en machten van het Nieuwe Testament kunnen niet zomaar worden vertaald in de categorieën van de moderne sociologie of psychologie. De overheden en machten kunnen zeker wel worden opgevat als instituties, sociale systemen en politieke structuren. Zo komt ook een christelijke sociale ethiek, of een politieke theologie tot stand vanuit de taal van het Nieuwe Testament.

Toch blijft er dan een onzichtbare, geestelijke dimensie over die een ernstige realiteit bevat. Zeker, de taal van de overheden en machten verwijst naar de innerlijke en uiterlijke kant van een manifestatie van macht. Er is een geestelijke mentaliteit werkzaam in instituties, en dat is de innerlijke kant. Er is ook een uiterlijke kant: politieke systemen, aangestelde ambtenaren, wetten, alle tastbare manifestaties die macht ook heeft. Elke macht heeft een zichtbare kant en een onzichtbare kant. En die twee kanten ontstaan tegelijkertijd.

Wanneer een bepaalde macht zichzelf boven God plaatst, wordt die macht demonisch. De taak van de kerk is de afgoderij te ontmaskeren en zo de machten terug te roepen tot het doel dat God voor hen heeft aangewezen. Zo zegt Efeze 3:10:

Opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt.

De uitdrukking “in de hemelse gewesten” duidt niet op hun fysieke plaats van bestaan, maar op de pretentie dat ze goddelijk zijn, boven de mens staan in gezag en macht. Een materialistische verklaring wordt hier metafysisch – het is dan een tastbare maar tegelijk onzichtbare realiteit in een specifieke, hoewel onzichtbare plaats. Een spiritualisme geeft als verklaring dat het uitdrukkingen zijn voor een mentaliteit of een ideologie. Beide voldoen echter niet.

De taal van de machten loopt door het hele Nieuwe Testament heen. De ontmaskering van de machten is een belangrijk thema in de uitleg van het evangelie. Het Koninkrijk van God behelst de vol van deze machten of nog beter: het terugbrengen van deze machten onder het gezag van God.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is zeer gevarieerd. Er is sprake van heersers in Mattheus 20, koningen, hogepriesters in Lukas 24, engelen en machten in Romeinen 8, machten en namen in Handelingen 4, autoriteiten en delegaties in Handelingen 26.

De taal van de machten in het Nieuwe Testament is niet systematisch en het is mogelijk dat woorden wisselend worden gebruikt zowel voor menselijke machthebbers als voor de “machten” in de hemelse gewesten, dus met een element van het metafysische.

Desalniettemin vertonen deze kernwoorden in het Nieuwe Testament een duidelijk patroon van hun gebruik.
Archè wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het ambt, of de structuur van de macht – regering, Koninkrijk, machtsgebied.
Exousia is een aanduiding voor de sancties en vormen van legitimatie waardoor de macht wordt gehandhaafd, het heeft normaal gesproken een abstracte betekenis.
Thronos duidt een zetel van de macht aan, de plaats waar de macht is geconcentreerd.
Het woord “naam” refereert aan het geheel van de persoon die macht uitoefent, een rang bekleed of beroemd is.

De lijst van Romeinen 8:38-39 is bijna compleet: dood, leven, engelen, overheden, tegenwoordige dingen, komende dingen, machten, hoogte, diepte zijn allemaal termen voor deze machten in de symbolische orde. Met een onzichtbare kant en een zichtbare kant.

Alle machten in het Nieuwe Testament zijn goddelijk en menselijk, geestelijk en politiek, onzichtbaar en structureel, hemels en aards. Zo lezen we in Kol. 1:16

“In Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.”

De machten komen uit Christus voort en zijn bestemd om Hem te dienen. De machten worden demonisch en afgodisch als ze zichzelf dienen er goddelijke eer opeisen.

Kijken we in het bijzonder naar de taal van de engelen.

Engelen zijn de machten in hun hemelse vorm. Ook hier vinden we de dubbelzinnigheid van alle termen van de macht. Een engel is ook een menselijke boodschapper, of een ander woord voor de Heilige Geest. Zo bijvoorbeeld in Lukas 9:26 waar we lezen dat de Zoon des mensen komen zal in zijn heerlijkheid en die van de Vader en van de – en dan verwachten we Heilige Geest maar dan staat er – en van de heilige engelen.

Engelen worden aangeduid met een veelheid van termen. Het woord engel is blijkbaar synoniem met de meeste andere woorden voor macht in het Nieuwe Testament. Het lijkt erop dat het woord engel gebruikt wordt om machten aan te duiden niet als personen zozeer, maar als gepersonifieerd, dat wil zeggen machten die van Gods wegen uitgaan met de verstaanbare boodschap, dus in een situatie van communicatie.

Sinds Daniël 10 is het ook gebruikelijk om engelen te beschouwen als vertegenwoordigers van de mentaliteit van een volk, als de hoeder van hun bestemming. Dat werd ook ligt op een passage in 1 Kor. 6:3 waar Paulus zegt dat wij engelen zullen oordelen. Het lijkt mij dat dat dan engelen zijn die de volkeren representeren, en dat Paulus hier eenvoudig zegt dat wij betrokken zullen zijn bij het oordeel over de volkeren – overigens een bekend motief in de rabbijnse literatuur.

(Wordt vervolgd)

De gezindheid van Christus – Filippi 1:25 – 2:11

We hebben de vorige keer gezien hoe Paulus zijn leven samenvat. “Te leven is voor mij Christus en te sterven is winst.” Vanuit die houding kan hij rustig aanvaarden wat God voor hem bestemd heeft. Zo bereidt hij dan ook de conclusie dat zijn werk nog niet gedaan is. “In het vlees te blijven is nodiger ter wille van u.” Hij vertrouwt er zelfs op dat hij zal blijven leven. De gemeente heeft hem nog nodig. Hun vooruitgang in geloof en de groei van zijn blijdschap is voor hem de hoofdzaak.

Doorgaan met het lezen van “De gezindheid van Christus – Filippi 1:25 – 2:11”

De kenmerken van het reddende geloof bij Abraham – Rom. 4:13-25

13 – 15 Abraham niet gerechtvaardigd door de wet

13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. 14 Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan. 15 De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

Het geloof van Abraham is hem toegerekend tot gerechtigheid. De eerste gedachte bij Paulus is, dat Abraham dus niet is gerechtvaardigd door de besnijdenis. De besnijdenis is een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Maar dat geloof had Abraham al voordat hij besneden werd. Dat vinden we in vers 10 tot en met 14.

In vers 13 tot en met 15 vinden we dat Abraham ook niet gerechtvaardigd was door het onderhouden van de wet. De wet van Mozes immers werd pas 500 jaar later gegeven. De beloften aan Abraham, in Genesis 12 en 15 zijn dus niet verbonden met de wet van Mozes, maar alleen met de gerechtigheid van het geloof.

De belofte aan Abraham lag besloten in het verbond met Abraham. (Genesis 12,15, 18,22) Het verbond met Abraham had vier elementen. Volgens Genesis 15 geeft God een land aan de nakomelingen van Abraham – vijf eeuwen later onder Jozua is die belofte voorlopig vervuld. Voorlopig – want de omvang van het land dat aan Abraham is beloofd is vele malen groter dan het land dat feitelijk door Israël werd ingenomen.

In de tweede plaats beloofde God dat Abraham de vader van vele volkeren zou worden, en dat zijn nageslacht niet kon worden geteld. (Genesis 13:16, 15:5)

In de derde plaats beloofde God aan Abraham dat hij het middel zou zijn waardoor de hele wereld Gods zegen zou ontvangen.

In de vierde plaats lag in de belofte aan Abraham besloten dat in zijn zaad – en Paulus legt uit in Galaten 3:8 dat we daaronder Jezus moeten verstaan – de verlosser zou komen. God zou immers “voor Zichzelf het lam voor het brandoffer” voorzien.

Hebreeën 11 geeft ons daarvan een mooie samenvatting:

17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.18 Tegen hem was gezegd: Dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.19 En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

Op een of andere wijze heeft Abraham de komst van de Messias kunnen voorzien. En het was door middel van deze Messias dan Abraham tot een zegen voor alle volkeren van de aarde zou zijn. Zo blijkt uit Johannes 8:56, waar Jezus zegt: ” Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.”

Waarom zegt Paulus dat Abraham niet uit de wet is gerechtvaardigd? Hij zegt immers in Romeinen 7 heel duidelijk dat die wet heilig is, en dat het gebod heilig en rechtvaardig en goed is. We moeten echter begrijpen dat de wet van Mozes nooit gegeven is als een middel tot behoudenis. De wet werd niet aan Israël voorgehouden als de perfecte standaard, maar als een liefdevolle gave van Gods wijsheid voor het leven van een verlost volk. Die verlossing was Gods soevereine daad in de uittocht uit Egypte. Die verlossing moest brengen tot vertrouwen en geloof in de God van Israël. De overgave aan deze God in geloof, wat Deuteronomium 30 de besnijdenis van het hart noemt, was de werkelijke basis van de verlossing.

De enige gerechtigheid die God ooit heeft erkend, is de gerechtigheid van het geloof, van de overgave aan God. Uiteindelijk is dus elke gerechtigheid op grond van genade. Hebreeën 12 zegt daarom dat Jezus de “voleinder van het geloof” is. Aan wie gelooft in de persoon en het werk van de Here Jezus, wordt dat geloof toegerekend als de eigen gerechtigheid van Christus. Christus Jezus is voor ons geworden: “wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1:30). “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde (zondoffer) gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21).

Stel nu eens dat iemand in Israël door het houden van de wet de perfecte gerechtigheid voor God uit zichzelf zou hebben verworven? Dan zouden zij erfgenamen zijn op grond van de wet. Maar dan is het geloof van Abraham betekenisloos of “zonder inhoud gemaakt.” Bovendien zou de belofte aan Abraham, een daad van vrije genade van God, ook betekenisloos zijn. Waarom zou God het geloof van Abram tot gerechtigheid rekenen, als Abraham dat al door eigen werken verdiend had? Waarom zou God zijn belofte aan Abraham houden, als uit zijn nageslacht in ieder geval enkelingen in staat waren gebleken om de wil van God perfect te doen? Geloof is de vaardigheid om te ontvangen wat God heeft beloofd. Maar als je ontvangt wat God heeft beloofd op grond van gehoorzaamheid aan de wet, dan is geloof overbodig. Als jij iemand iets belooft met een voorwaarde die mogelijk kan worden vervuld, dan is het feitelijk geen belofte meer.

De wet van Mozes kan als zodanig geen redding brengen. De wet brengt kennis van de zonde, en uiteindelijk Gods toorn. Hoe meer wij proberen onszelf te rechtvaardigen door Gods wet te onderhouden, temeer demonstreren wij ons onvermogen vanwege de zonde die over ons heerst. De wet openbaart dus de gerechtigheid van God, door de zonde van de mens te demonstreren. Dat wil niet zeggen dat de wet van Mozes geen enkele functie heeft, omdat ze niet de verlossing brengt. Wanneer je de wet van Mozes echter gaat zien als een door God aangewezen weg tot redding, een weg die zonder geloof kan worden betreden, dan maak je ook de door God wel degelijk gevraagde gehoorzaamheid onmogelijk. De gehoorzaamheid aan God is gebaseerd op ons geloof in de Redder, en berust daarmee dus ook op onze erkenning van onze zonden. Zonder de belofte en de genade en het geloof is die gehoorzaamheid aan God onmogelijk.

Vers 16 – 17 Abraham is gerechtvaardigd door Gods genade

16 Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, 17 zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn.

Uiteindelijk is het Gods wil geweest dat de redding van zonde en dood, de vrijspraak in Gods oordeel, alleen op grond van genade zou zijn. Omdat het op grond van genade moet zijn, wordt ons geloof gerekend tot gerechtigheid. Ook ons geloof immers kan ons niet redden. Geloof is niet een bepaalde vorm van menselijke werken, of een of andere deugd. De macht van de redding ligt niet in ons geloof, maar in Gods genade waarin wij geloven. Het geloof van Abraham was immers niet op zichzelf genomen gerechtigheid, maar werd hem toegerekend als gerechtigheid. Ons geloof is geen gerechtigheid, maar is de erkenning van Gods genade waarmee Hij ons gerechtigheid schenkt.

Met name in de charismatische gemeenten zie je steeds deze denkfout, dat als de Schrift zegt dat iets “door het geloof”, of “uit het geloof” gebeurt, zij dat opvatten alsof het geloof de effectieve oorzaak ervan is. Zeggen “uw geloof heeft u behouden,” betekent echter hetzelfde als te zeggen: ” u bent behouden uit genade, die u in geloof hebt erkend.” Het geloof is niet de effectieve oorzaak, maar de genade, en het geloof is wat je zou kunnen noemen het zichtbare teken van die oorzaak.

Vers 18 – 25 de behoudenis is door Gods genade, niet door menselijke inspanning

18 En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. 21 Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. 22 Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, 24 maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, 25 Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

In deze verzen eindigt Paulus zijn weergave van Abraham als het voornaamste voorbeeld van een reddend geloof. In de behoudenis zijn zowel de genade van God als het geloof van een mens betrokken, maar dat zijn geen gelijkwaardige componenten, en het geloof is, zoals we gezien hebben, niet de effectieve oorzaak van de verlossing. Efeze 2 zegt het zo: “8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

“Uit genade” is een uitdrukking voor de effectieve oorzaak. De genade bewerkt het. “Door het geloof” is een uitdrukking voor de meewerkende oorzaak. Het geloof maakt de bodem rijp voor de ontvangst van deze genade. Wanneer je een cadeau geeft, dan is de gever de effectieve oorzaak, maar de ontvanger moet het aannemen, om het schenken compleet te maken. De ontvanger is dus de meewerkende oorzaak. En om te benadrukken dat het geloof niet een oorzaak van behoud, en niet een menselijk werk of prestatie is, zegt Paulus hier nadrukkelijk: “niet uit u.” Wij zijn niet zelf de oorzaak van ons geloof, het geloof is dus niet onze prestatie of daad.

We spreken in de evangelische wereld wel eens van een keuze. Je zou kunnen zeggen dat de bekering die vorm wel heeft in ons bewustzijn. Wij lijken te kiezen voor het evangelie, tegen ons natuurlijke leven in de wereld. Hoewel we het zo zouden kunnen ervaren, moeten we serieus nemen wat Paulus meteen daarna zegt: “het is de gave van God.” Maar als God ons geloof schenkt, hoe kan het geloof dan onze keuze, onze daad, onze prestatie zijn? Wanneer jij een geschenk ontvangt van iemand, kun je toch moeilijk zeggen dat jij het jezelf hebt gegeven, of dat jij het cadeau zelf tot stand hebt gebracht, en zelfs niet dat jij dat cadeau gekozen hebt. (Sinterklaaslijstjes van hele jonge kinderen daargelaten.)

Het geloof van Abraham heeft zeven belangrijke kenmerken:

  1. Paulus zegt dat Abraham geloofd heeft “tegen hoop op hoop.” Hoop is het verlangen dat iets gebeuren zal; geloof is het vertrouwen dat iets waar is of gebeuren zal. Abraham heeft erop vertrouwd dat iets zou gebeuren, waar hij van een menselijk gezichtspunt uit gezien geen enkele basis voor had. Er was geen rechtvaardiging voor zijn hoop, behalve zijn vertrouwen dat God zou doen wat Hij gezegd had.
  2. Vervolgens zegt Paulus dat Abraham niet zwak werd in geloof, dat wil zeggen dat hij geen twijfel toeliet die het geloof kon ondermijnen. Hij wist al 40 jaar lang dat zijn God leven geeft aan de doden en tot het bestaan kan roepen wat niet eerder bestond (Rom. 4:17). Dat is heel bijzonder omdat Abraham een dergelijk wonder van opwekking nooit gezien had, en evenmin gezien had dat God iemand tot bestaan bracht. Toch was Abraham ervan overtuigd dat de Heere tot die dingen in staat was. Zo lezen we ook in Hebreeën 11:17-19, dat Abraham, toen zijn geloof werd getest, Isaac geofferd heeft. Waarom? “Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.”
  3. Abrahams geloof heeft als derde kenmerk dat hij niet werd ontmoedigd door zijn eigen natuurlijke zwakheden. Zijn eigen onwetendheid en zwakheden waren geen obstakels voor zijn vertrouwen in God. Toen de belofte kwam dat hij een kind zou krijgen bij Sara, heeft hij niet gekeken naar zijn eigen leeftijd – 100 jaar oud!
  4. Er kwam ook een moment dat Abraham eraan kon twijfelen of de belofte zou worden vervuld, toen de omstandigheden om hem heen die vervulling onmogelijk leken te maken. De hoge leeftijd van Sara b.v. was voor hem geen reden om te twijfelen.
  5. Ten vijfde, met betrekking tot de belofte van God is Abraham niet heen en weer gegaan van geloof naar ongeloof. Veel gelovigen gaan op die wijze onrustig heen en weer. Als naar menselijk gezichtspunt de dingen goed gaan, is het makkelijk om God te vertrouwen. Maar als de omstandigheden zwaar worden, is het eenvoudiger om geen vertrouwen te hebben. Zeker, Sara heeft uiteindelijk het punt bereikt dat ze God vertrouwde. Maar op het moment dat de belofte wordt gegeven begint ze te lachen – Genesis 18:12.
  6. Paulus zegt ten zesde dat het geloof van Abraham gekenmerkt wordt door het feit dat hij alle eer aan God gaf. Het door God vereiste maar ook geschonken geloof verheerlijkt God. Uiteraard, als Hij ook de bron is van dat geloof. Elk geloof dat geen heerlijkheid aan God toekent, komt niet uit Hem voort. Mensen verheerlijken God, door hun geloof, omdat ze daardoor bevestigen dat God het vertrouwen waard is. Elke poging om God te eren of te aanbidden zonder geloof, is waardeloos en zelfzuchtig. Wie niet gelooft, zegt Johannes zelfs, maakt God tot een leugenaar.
  7. Dan ten zevende, tenslotte, heeft Abraham volledig geaccepteerd dat wat God beloofd had, Hij ook in staat was te doen. En daarmee kunnen we zeggen dat het geloof in God van Abraham volledig en zonder reserves is geweest.

Vers 22 geeft het antwoord op Abrahams geloof van Godswege. Abraham was naar het vlees totaal niet bij machte om te handelen volgens de eis van volmaakte gerechtigheid. Over die eis van de goddelijke gerechtigheid, die God als schepper aan de mens mag opleggen en opgelegd heeft, heeft Paulus eerder gesproken. De eisende gerechtigheid van God maakte dit evangelie van geschonken gerechtigheid ook noodzakelijk. Maar de blijde boodschap over God is nu juist, dat de Here het geloof, dat Hij Zelf aan een mens heeft gegeven, (of mogelijk heeft gemaakt?) zal aanrekenen tot goddelijke gerechtigheid van de kant van de zondaar.

[De gedachte dat God het geloof niet simpelweg heeft geschonken maar alleen heeft mogelijk gemaakt, is een poging om de uitverkiezing en de wedergeboorte te verzoenen met de ervaring van de bekering. Je zegt dan dat wij weliswaar kiezen voor het evangelie, maar niet zonder een aanleiding of aanraking door de Heilige Geest. Het begrip uitverkiezing kan dan nog alleen maar betekenen, dat God van tevoren wist dat wij die keuze zouden maken. God heeft dan alleen de omstandigheden geschapen waaronder iemand met ons bijzondere karakter tot die keuze geneigd zou zijn. De genade van God is dan bij de bekering een meewerkende oorzaak.

Vanuit Romeinen 8 lijkt het erop dat we dit anders moeten zeggen. “En hen die Hij tevoren heeft bestemd”  – namelijk om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn – ” heeft Hij ook geroepen.”  Waarbij we dan deze roeping moeten begrijpen als een soevereine daad van Gods genade die ons tot gelovigen heeft gemaakt. Dan schept God niet de omstandigheden waarin wij ertoe gebracht worden om een zelfstandige keuze te maken, maar is ons geloof een gevolg van deze “bestemming.” Gods genade is dan de effectieve oorzaak van ons geloof.]

In vers 23-25 maakt Paulus duidelijk dat dit niet uniek is voor Abraham. Ondanks het feit dat de inhoud van ons geloof het evangelie is van Jezus de Heere, de Opgestane uit de doden. Al eerder heeft Paulus gezegd dat Abraham van de betekenis van dit evangelie al doordrongen is geweest, zonder het in detail al te kennen. (Zoals Genesis 26 duidelijk maakt, dat Abraham al weet had van de concrete eisen van de gehoorzaamheid aan God, nog voordat de wet aan Mozes gegeven werd.) Ook ons geloof wordt gerekend tot gerechtigheid. En dat niet alleen, maar de inhoud van ons geloof – namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, en opgestaan vanwege onze rechtvaardiging – was ook de grondslag van de toerekening van gerechtigheid aan Abraham. Wij mogen helder weten, wat Abraham alleen kon vermoeden. Want ” Abraham verheugde zich om Mijn dag te zien et cetera.”

Geloof is een noodzakelijke voorwaarde voor de behoudenis. Maar dat geloof is vooral een geloof in God Zelf. Dat maakt vers 24 duidelijk. Wij, “die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,” hebben hetzelfde geloof als Abraham, die geloofde dat de Heere Isaac uit de doden kon opwekken.

Anders dan Abraham kennen wij het middel op grond waarvan ons geloof tot gerechtigheid gerekend wordt. Wij geloven dat God de Vader Jezus uit de doden heeft opgewekt. Wij geloven dat Jezus werd overgeleverd aan de dood vanwege onze overtredingen, en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Jezus Christus werd overgeleverd om het doodvonnis te ondergaan dat de passende straf was voor onze overtredingen. Jezus is opgestaan uit de doden om ons de rechtvaardiging (vrijspraak) te geven tegenover God die wij nooit hadden kunnen bereiken op eigen kracht of op grond van onze eigen verdiensten.

Een schuldbelijdenis van de kerk t.a.v. Israël

De grote corruptie van de christelijke kerk is begonnen toen christenen met een niet-joodse achtergrond de meerderheid gingen vormen. Met de haat tegenover de ongelovige joden in de tweede eeuw n. Chr. begon een geschiedenis van verguizing dat in de 20e eeuw in de Holocaust zijn voorlopige dieptepunt bereikte. Zeker, het was het volledig heidense nazisme dat verantwoordelijk was voor de Holocaust. Maar zonder een eeuwenlange voorbereiding in een christelijk antisemitisme zou het nooit gebeurd zijn.

In de periode na de tweede wereldoorlog hebben de christelijke kerken in Nederland pogingen gedaan om zich van de smet van het antisemitisme te bevrijden. Met verschillende mate van succes. Vaak bleef bij de gewone leden van de gemeente een hoge graad van wantrouwen en afkeer tegenover vooral orthodoxe joden in stand. Vaak ook werd dat gevoed door onbegrip en afwijzing van het Oude Testament. In 2020 kunnen we niet zeggen dat de kerk zich geheel en al van het antisemitisme heeft kunnen ontdoen. Deze houding van haat en afkeer zet zich ook vaak voort in onverschilligheid of vijandschap tegenover Israël, en in de theologische leer dat de kerk het volk Israël heeft vervangen. Zelfs op hoog theologisch niveau wordt nog vaak beweerd dat de voorlopers van het huidige Jodendom, de Farizeeën, terecht worden aangezien voor hypocrieten en leugenaars. Dat zegt Jezus toch zelf in Mattheus 23? Of er wordt beweerd dat de Joden satan tot hun vader hebben, en rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de dood van de Messias – dat staat toch te lezen in het evangelie naar Johannes?

Het opruimen van deze theologische misdaden, valt natuurlijk in het niet bij het simpele feit, dat de christelijke Kerken in de tweede wereldoorlog door hun passiviteit en stilzwijgen medeplichtig zijn geworden aan de Jodenvervolging. Daardoor hebben ze gefaald tegenover de opdracht van Jezus om zorg te hebben voor “de minste van Zijn broeders.” Daardoor zijn ze afgeweken van de houding die Paulus ons voorhoudt, namelijk dat hij zijn volk zo liefheeft, dat hij wel zou willen te worden afgesneden van het heil in Christus, om het Joodse volk te winnen voor Gods heil.

De Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk heeft het hieronder afgedrukte document samengesteld. Een liturgie van schuldbelijdenis, waarin de kern van het evangelie niet wordt geloochend. Wel een schuldbelijdenis die aanwijst hoezeer de christelijke kerken tegenover dat evangelie hebben gefaald. De schade is niet alleen te bespeuren in de historische moord op 6 miljoen joden, en in de schandelijke behandeling van de joodse overlevenden na 1945, of in de angst waarmee opeenvolgende Nederlandse regeringen de zaak van Arabische terroristen hebben gesteund, waardoor zij het overleven van het volk in het land na 1947 hebben bemoeilijkt. De schade ervan raakt ook ons begrip van het evangelie, van de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging, de doorlopend geldigheid van de Wet van Mozes voor israël 9rechtstreeks) en voor de Gemeente van Christus – indirect via de “wet van Christus.”

Het is de moeite waard kennis te nemen van deze schuldbelijdenis en van de andere liturgische teksten die door de Gereformeerde Bond worden aangereikt. Ik hoop dat het ook diegenen bereikt die weinig of geen aandacht hebben besteed aan het belang van het volk Israël in Gods ogen, en van de relatie tussen verleden, heden en toekomst van Israël en de christelijke gemeente.

HANDREIKING

Ondergetekenden hebben voor de kerken een Handreiking opgesteld voor een zondag van verootmoediging en schuldbelijdenis, waarin de kerken uitspreken nalatig te zijn geweest in het opkomen voor de bedreigde Joodse gemeenschap in ons land tijdens de holocaust.

De Handreiking bevat een inleidende tekst, de schuldbelijdenis en een gebed. Ondergetekenden vragen de plaatselijke kerken deze teksten met de gemeente te delen in de kerkdienst op zondag 15 november 2020. Het staat in de vrijheid van de kerken om van de bewoordingen in de inleidende tekst en het gebed af te wijken. Wij vragen wel dringend de tekst van de schuldbelijdenis niet te wijzigen, want we willen hierin met één mond spreken.

Ds R. ter Beek (GKV)

Ds C.P. de Boer (CGK)

Ds L. van Dalen (CGK)

Ds D.J. Diepenbroek (HHK)

Ds R. van de Kamp (HHK)

Ds A.A.A. Prosman (Geref. Bond)

H.J. Schouten (CGK)

Ds J.H. Soepenberg (GKV)

P.J. Vergunst (Geref. Bond)

Ds M.W. Vrijhof (CGK)

* * *

Inleidende tekst

Gemeente,

We willen op deze zondag ons in een verklaring uitspreken over de nalatigheid van de kerken om op te komen voor de bedreigde Joodse gemeenschap in ons land tijdens de holocaust.

In de afgelopen week werd herdacht dat in Duitsland in 1938 de Kristallnacht plaatsvond. Het was de nacht waarin het streven van de Nazi’s om het Joodse volk in Europa te vernietigen levensgroot zichtbaar werd. Veertien honderd synagogen werden in brand gestoken; duizenden winkels van Joodse eigenaren vernield. Ook ons land kreeg met die vernietiging te maken toen we in 1940 door de Duitse legers bezet werden en de anti-Joodse maatregelen ook hier van kracht werden.

Inmiddels ligt die periode van de Tweede Wereldoorlog ver achter ons. We vieren dit jaar dat we alweer 75 jaar in vrijheid leven. Dat we nu aandacht vragen voor die periode uit het verleden heeft te maken met de overwegend afstandelijke houding die de kerken in die tijd aannamen tegenover het grote lijden dat over de Joodse gemeenschap in ons land kwam.

In de afgelopen tijd klonken er verschillende stemmen in onze samenleving, onder andere van de regering en de Nederlandse Spoorwegen, die uiting gaven aan de verbintenis tussen heden en verleden. Stemmen die erkenden dat de Joodse gemeenschap aan haar lot is overgelaten toen de vervolging losbarstte en de vernietiging zich aandiende. Ook de koning erkende dat het hem niet loslaat dat zijn overgrootmoeder te weinig deed vanuit Londen om op te roepen tot hulp aan de Joden in Nederland.

Deze stemmen uit de samenleving stellen ons een vraag: ‘Kerken, hebt u gedaan wat in uw vermogen lag om Joodse medeburgers te beschermen in het uur van het dodelijke gevaar?’ Deze ernstige vraag hebben de kerken zich al vaker gesteld. Maar nog nooit kwam het tot een gezamenlijk gedragen belijdenis van schuld uitgesproken voor het aangezicht van God.

We weten dat de kerken tijdens de Tweede Wereldoorlog op bepaalde momenten stelling hebben genomen tegenover de barbaarse maatregelen van de bezetter; en ook dat er christenen zijn opgestaan om bescherming te bieden aan Joodse medeburgers in nood. Maar in grote lijnen was er een neutrale houding. Er werd ook geen verband gelegd tussen de vernietiging van het Joodse volk en de plek die dit volk ontving in de geschiedenis van Gods heil (Romeinen 9:1-5). Dit is een duistere erfenis die de kerken met zich meedragen en die mede een verhindering is geworden voor het licht van het evangelie om helder in onze samenleving te schijnen.

Het past de kerken om nu gezamenlijk tegenover God schuld te belijden voor haar passieve houding bij de deportatie van het Joodse volksdeel in onze samenleving. We mogen eraan denken dat bij een oprechte erkenning van schuld zich door Godsbelofte van vergeving een nieuwe weg opent. In het gaan van een nieuwe weg moet duidelijk worden dat de kerken daadwerkelijk afstand hebben genomen van een schuldig verleden.

Belijdenis van schuld

Vanuit onze verbondenheid met de kerk van vroeger tijden en vanuit de erkenning dat wij al te lang onze stem niet hebben laten horen, belijden wij beschaamd onze nalatigheid ten aanzien van de Joodse gemeenschap en anderen aan wie door de kerken onrecht is aangedaan zowel voor, tijdens als ook in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. We erkennen dat onze nalatigheid het volk betrof waaraan een blijvende bijzondere positie is toevertrouwd in de geschiedenis van Gods heil.

We zijn nalatig geweest toen het antisemitisme in het Europa van voor de oorlog toenam en wij onze stem daar niet tegen hebben verheven.

We zijn nalatig geweest toen ten tijde van de bezetting in steeds ernstiger mate anti-Joodse maatregelen werden genomen en wij bleven zwijgen.

We zijn nalatig geweest toen om ons heen Joodse medeburgers werden opgepakt en afgevoerd en wij dat hebben laten gebeuren.

We zijn nalatig geweest toen opgejaagde Joodse medeburgers bij ons een schuilplaats zochten en wij onze huizen voor hen gesloten hielden.

We zijn nalatig geweest toen wij ervoor kozen minder krachtig tegen de Jodenvervolging te protesteren ten einde de eigen gemeenteleden van Joodse komaf te beschermen.

We zijn nalatig geweest toen de realiteit van de vernietigingskampen bekend begon te worden en wij dat onrecht niet aan de kaak hebben gesteld.

We zijn nalatig geweest toen Joodse medeburgers terugkeerden uit de kampen en de onderduik en hun rechtmatige eigendommen weer opeisten en wij niet naar hen luisterden en hun rechten niet erkenden.

We zijn nalatig geweest toen Joodse families hun in de oorlog ondergedoken kinderen weer kwamen ophalen en wij hen hun kinderen niet meer wilden afstaan.

Het is met schaamte dat wij onze nalatigheid erkennen. Tegelijk erkennen we met dankbaarheid de moed van hen uit ons midden die wel hun stem verhieven en tegen het onrecht streden.

We gedenken hen die de moed hadden Joodse medeburgers bescherming te bieden en in die onderduik hun Jood-zijn te respecteren. Hun moed brengen wij respectvol in herinnering.

We noemen met dankbaarheid hen die na de oorlog de Joodse kinderen in de onderduik weer toevertrouwden aan hun Joodse families.

We erkennen dat velen die moed en dat respect niet opbrachten. Het belijden van nalatigheid houdt het voornemen in dat wij, die niet anders en beter zijn dan de generaties die ons voorgingen, verplicht zijn lering te trekken uit wat wij nu als schuld benoemen.

Het is ons gebed dat God ons onze tekortkomingen vergeeft, onze schuld verzoent en onze harten vernieuwt. Moge Gods Geest ons verlichten om in onze dagen moedig het kwade te weerstaan waar het zich manifesteert in antisemitisme en vreemdelingenhaat, opdat wij niet opnieuw nalatig zullen zijn.

Wij verootmoedigen ons tegenover de Joodse gemeenschap van onze dagen. We nemen de verplichting op ons, ons naar vermogen in te zetten voor de veiligheid van de Joodse gemeenschap in ons land.

***

Gebed

God van Abraham, Izak, Jakob en Israël,

die wij omwille van Jezus, de Messias, onze Vader mogen noemen,

met eerbied en ontzag roepen wij U aan

en doen een beroep op Uw ontferming.

Gedenkend dat we 75 jaar in vrijheid leven,

zien we met afschuw terug op de tijd

dat hier een geest uit de afgrond heerste,

angst wekkend,

dood en verderf zaaiend,

zinnend op de uitroeiing van Israël, het Joodse volk.

Als deelgenoot van de kerk der eeuwen en haar geschiedenis

belijden wij met schaamte

dat we in veel opzichten nalatig zijn geweest tegenover U

en tegenover het volk,

dat U in Uw Woord, Uw oogappel noemt.

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door niet onze stem te verheffen

toen antisemitisme toenam in Europa

en ook onze samenleving vergiftigde?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door niet te spreken

toen de bezetter met anti-Joodse maatregelen

de vernietiging van Uw volk voorbereidde?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen we het stilzwijgend lieten gebeuren

dat Joodse medeburgers werden opgepakt en afgevoerd?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen wij nalieten om een schuilplaats te bieden

aan Joodse medeburgers die werden opgejaagd en vervolgd?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

toen wij nalieten om op te komen

voor gemeenteleden van Joodse herkomst

toen zij maatschappelijk en kerkelijk in het nauw werden gedreven?

Wat hebben wij U en het Joodse volk aangedaan

door te weigeren bij ons ondergedoken Joodse kinderen

terug te geven aan hun ouders of hun families

die waren ontkomen uit de grote verschrikking?

Zie ons aan zoals wij zijn,

met de last van het verleden op onze schouders.

Ontferm U over ons en neem die last van ons af,

vergeef ons onze zonden.

MOMENT VAN STILTE

God van Abraham, Izak, Jakob en Israël,

die wij omwille van Jezus, de Messias, onze Vader mogen noemen,

met respect gedenken we hen

die wel de moed hadden hun stem te verheffen;

het onrecht te bestrijden;

een schuilplaats te bieden aan Joodse medeburgers.

Met dankbaarheid gedenken we hen

die na de bevrijding als vanzelfsprekend ondergedoken Joodse kinderen

weer toevertrouwden aan hun ouders of hun Joodse families.

Laat hun gedachtenis ons tot zegen zijn.

Met eerbied en ontzag roepen wij U aan

en doen een beroep op Uw ontferming

over de Joden die deze verschrikking hebben overleefd en over de generaties na hen die voort moeten leven met de erfenis van deze donkere nacht in de geschiedenis.

Zegen hen en bescherm hen,

laat het licht van Uw gelaat over hen schijnen,

wees hun genadig en geef hun vrede.

 

Laat ook ons delen in die zegen.

Vernieuw ons en verlicht ons door de heilige Geest

om in onze dagen niet nalatig te zijn

maar moedig het kwaad van antisemitisme en vreemdelingenhaat te weerstaan.

God van Israël, verhoor ons gebed omwille van Jezus, de Messias,

in Wie wij U mogen kennen.

In Zijn Naam bidden wij:

Onze Vader…