Woorden voor de liefde van God – KLIVE! 22 maart 2020

NOTA BENE – deze video is in HET GEHEEL NIET gewijd aan de coronacrisis.

In deze aflevering van Koinonia Bijbelstudie Live! bespreken we de fundamentele Bijbelse woorden voor liefde. Ahava in het Bijbels Hebreeuws, agapè en filia in het Bijbels Grieks. Wat betekenen deze woorden? En in hoeverre verschilt dat alles van onze standaard definitie van liefde.

We gaan ook nog in op het verschil tussen naastenliefde en liefde voor de broeders en zusters. De eerste heeft een beperking “zoals uzelf”, maar voor de tweede is er eigenlijk geen limiet: “niemand heeft grote liefde dan hij, die zijn leven inzet voor zijn broeders.”

De muziek werd verzorgd door Johan Sebastian Bach.

Minima Theologia

I

“Met dit boeket in pasteltinten laat je jouw onvoorwaardelijke liefde zien.” Stervende bloemen in een vaas met water, en wat chemicaliën erbij om te zorgen dat het lijk nog langer fris lijkt te zijn. Daarmee laat ik mijn onvoorwaardelijke liefde zien? Wat is dat dan eigenlijk, onvoorwaardelijke liefde?

Zeker, liefde is het mooiste dat er is. Dat weten we van de liefde, hoewel niemand bij machte is een goede definitie te geven. Ook ongelovige mensen grijpen dan wel eens naar de Bijbel. Geloof en hoop gaan voorbij, maar de liefde blijft. Elk echtpaar dat een standaard kerkelijke inzegening heeft doorgemaakt, herinnert zich nog flarden van het lied van de liefde in de brief van Paulus aan Korinthe. Daar komen al gauw kanttekeningen bij. De liefde is niet jaloers – maar dat blijkt anders te zijn wanneer de partner dreigt vreemd te gaan. De liefde zoek niet haar eigen belang – maar psychologen vertellen ons dat liefde voor een ander gemotiveerd kan zijn door liefde voor jezelf. Liefde rekent het kwade niet toe – maar mijn grootmoeder weigerde een half jaar lang met mijn grootvader te spreken omdat hij een keer “ach mens” gezegd had.

De taal van onze tijd zit vol met wijsheden over de liefde. “Bier in de man, liefde in de kan”, parafraseerde mijn grootmoeder. En iedereen moet natuurlijk “verschil maken tussen liefde en lust,” vermoedelijk een restant van de hoofse liefde die meer met poëzie dan met seksualiteit te maken had. In onze therapeutische tijden worden we ook nog eens bekogeld met allerlei diagnosen, zoals deze: “De liefde lijkt tegenwoordig geen kans meer te krijgen om langzaam op te bloeien.” Soms kent men nog een bijbelvers: “waar liefde woont, gebiedt de Here Zijn zegen.” Maar ook de wijsheden van vorige generaties doen het nog goed: “liefhebben is het leggen van ons geluk in het geluk van een ander.” En dan is er nog de grote verzameling van cynische spreuken: “vrouwen trouwen met mannen in de hoop dat ze veranderen, mannen trouwen in de hoop dat vrouwen niet veranderen, dus allebei worden ze teleurgesteld.” Sommige zijn zelfs grappig: “de meeste bruidegommen houden aan de huwelijksceremonie een trouwma over.”

II

Wat is liefde? Ik ben natuurlijk veel met de de Bijbel bezig, dus dat is mijn grote bron. Niet het woordenboek, niet de psychologie en uit mijn persoonlijke ervaringen kan ik ook niets universeels distilleren.

Wat is dus het Bijbelse idee van de liefde? Aan de woorden die in het Hebreeuws en Grieks worden gebruikt hebben we al enig houvast. Het Hebreeuws kent het woord ahava. Dat werd in het Grieks vertaald met een relatief ongebruikt woord in het klassieke Grieks namelijk agapè. Ongetwijfeld hebben de vertalers dat woord gebruikt omdat ze daarmee het aspect van de wil, van keuzes en handelingen, van een manier van leven konden overbrengen. Dat was belangrijk omdat het Hebreeuwse woord ahava niet alleen betrekking heeft op emoties en karakter, maar ook over deze externe uitingen ervan.

Niet dat die innerlijke kant van de liefde in het Hebreeuwse denken ontbrak. De dichter van Hooglied kon zeggen “ik ben ziek van liefde” (Hgl 2:5). En de liefde kon iemand laten zeggen: “Wat bent u mooi, wat bent u lieflijk, liefste, vol van genot!” (7:6). Maar daarmee werd de sterke affectie bedoeld die de Grieken met het woord eros hebben betiteld. Daar komt ons woord erotiek natuurlijk vandaan. (Waarmee voor ons de geestelijke dimensie van de eros – zie Plato – werd buitengesloten.) Zo vinden we zelfs de sterke uitdrukking “hij had hem lief met de liefde van zijn ziel” (1 Sam. 20:17). Is dat nog een sterke vriendschap of gaat het zelf verder? En natuurlijk wordt het woord ook gebruikt voor de verhouding van ouders en kinderen, en uiteraard tussen man en vrouw. Daarbij is ook het lichamelijke element betrokken, zoals we zien in Genesis 24:67, “en hij – Isaac – nam Rebecca en zij werd hem tot vrouw en hij had haar lief. Zo vond Isaac troost na de dood van zijn moeder.”

Maar meestal wanneer in het Hebreeuws wordt gesproken over ahava-liefde, is ook de wil en het verstand er nadrukkelijk bij betrokken. Dat is zeker het geval in Leviticus 19:18, waar we lezen: “u moet uw naaste liefhebben als uzelf. (Want) Ik ben de Here.” Dit liefhebben is heel concreet. Niet de broeder in je hart haten, wel je naaste terechtwijzen, geen wraak nemen, geen lasterpraat, geen onrecht in de rechtspraak, je naaste niet naar het leven staan, doven en blinden ontzien, je arbeiders het hun toekomende loon betalen, niet afpersen en niet beroven, niet stelen, niet liegen, geen valse eed afleggen, de afgevallen druiven van je wijngaard achterlaten voor de armen en voor de vreemdeling et cetera. De liefde voor de naaste krijgt een verankering in een reeks van geboden die een beroep doen op onze wil, onze gehoorzaamheid vergen.

Waarop kan dat nu gebaseerd zijn? De belangrijke kwestie hier is, dat de liefde voor de naaste niet wordt gemotiveerd door het karakter of de daden van die naaste zelf. De zorg voor die naaste moet jou evenzeer ter harte gaan als de zorg voor jezelf. Het Hebreeuws maakt dat op subtiele wijze duidelijk, door niet te zeggen dat wij onze naaste (als object) moeten liefhebben (Hebr. ve-ahavta ET reiacha) , maar dat wij liefde moeten betonen aan de naaste (Hebr. ve-ahavta LE-reiacha). In het eerste geval zou het een opdracht zijn om sterke en warme gevoelens voor de naaste te koesteren. Terecht zouden wij dan kunnen tegenwerpen, dat je emoties nu eenmaal geen bevel kunt geven. Als liefde echter vooral draait om onze wil, keuzes, handelingen, ja zelfs om onze manier van leven, krijgt het begrip liefde een concrete inhoud.

III

Niet alleen liefde voor de naaste wordt ons geboden, maar er is ook nog een eerste gebod. In het boek Deuteronomium klinkt dat zo: “Luister, Israël! De Here, onze God, de Here is een! Daarom zult u de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht. Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn” (Dt. 6:4-6). Hier moet je goed zien hoe de opdracht God lief te hebben in een kader staat van de belijdenis van vers 4 over het wezen van God – Hij is de Enige – en de opdracht Gods geboden in je hart op te nemen. En dat betekent weer dat je ze door en door moet kennen, moet overwegen, en moet gehoorzamen.

De opdracht om God lief te hebben met zo’n beetje alles wat we zijn en hebben – hart, ziel en kracht – is zonder die omlijsting maar moeilijk te begrijpen. Zoals de liefde voor de naaste concreet wordt in allerlei opdrachten die met gerechtigheid en vrede te maken hebben, zo wordt de liefde voor God hier concreet gemaakt. Geen afgoderij, geen gesneden beelden, het vieren van de sabbat, kortom: “U moet de geboden van de Here, uw God, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen, die Hij u geboden heeft, nauwgezet in acht nemen” (Dt. 6:17).

Maar het begint met de geloofsbelijdenis van Israël. Israël spreekt hardop de woorden na, die tot hen worden gesproken: “de Here, onze God, de Here is een!” Deze Ene en Enige God is “onze” God. Hij is de God die Zijn liefde voor Israël bewezen heeft door dat volk uit Egypte te leiden en naar het beloofde land te brengen. En Hij is geen lokale stamgod, maar Hij is de Enige – dat maakt Hem ook de God van de gehele wereld, ook van de volkeren.

De liefde voor de naaste is concreet gemaakt in de geboden die de belangen en het bestaan van die naaste beschermen. De liefde voor God is concreet in de geboden die hun levenswijze definiëren, het is daarom een (levens-)weg om te gaan: “Heel de weg die de Here, uw God, u geboden heeft, moet u gaan, opdat u leeft, en het je goed gaat… ( Dt. 5:33). ” Het zal trouwens een schok zijn voor velen, dat dit niet alleen maar een Oudtestamentisch idee is. Wat moeten we denken van de tekst van Johannes: “want dit is de liefde voor (van?)  God, dat wij Zijn geboden onderhouden” (1 Joh. 5:3). Of de woorden van Jezus Zelf: “als jullie Mij liefhebben, zullen jullie Mijn geboden bewaren” (Joh. 14:15).

Het is intussen wel duidelijk dat als het om de liefde gaat, de Bijbel ons niet vraagt “welke gevoelens heb je over deze persoon?”, maar wel aan ons vraagt: “welke keuzes moet je maken in relatie tot deze persoon?” Het gaat niet om wat we voelen, maar om wat we doen, niet om onze emoties maar om onze wilsdaden.

IV

In het Grieks wordt ook nog een onderscheid gemaakt tussen agapè en filia. Dat dit onderscheid bestaat wordt door velen bestreden. Het lijken synoniemen van elkaar te zijn. Maar over het algemeen wordt agapè gebruikt om een liefde aan te duiden die bewust is, gewild, berust op een besluit, en zich naar een ander uitstrekt ook zonder dat deze dat hoeft te verdienen. Het is bij uitstek het woord voor Gods liefde tegenover mensen die eigenlijk leven als Zijn vijanden en Zijn geboden niet houden. Een dergelijke liefde is dus niet wederkerig, maar eenzijdig.

Heel anders is het gesteld met het woord filia, dat zowel met liefde als met vriendschap vertaald kan worden. In het klassieke Griekse taalgebruik, is ook filia “eenzijdig” want vriendschap hoeft niet wederkerig te zijn. A is vriend van B betekent voor ons dat ze met elkaar vriendschap hebben. In het Grieks kan dat zo niet gezegd worden. Dan moet je het aanvullen: A is vriend van B en B is vriend van A. Daarom zal het niet zo’n groot verschil maken in het Nieuwe Testament of het ene of het andere woord gebruikt wordt. Maar misschien kun je dat nog anders zeggen.

Liefde die niet wordt uitgelokt door de beminnelijkheid van een ander, die niets terug verwacht, die alleen de belangen van een ander op het oog heeft, die tot offers bereid is, moet zonder meer agapè worden genoemd. In het woord filia klinkt toch iets meer door, dat er wel iets wordt terug verwacht, immers, “de Vader zoekt zulke personen die Hem aanbidden.” God bewijst zijn liefde aan Israël door het volk uit Egypte te bevrijden. Dat is de motivatie achter de opdracht om Hem nu lief te hebben. De liefde van God is weliswaar niet zelfzuchtig maar zuivere vrijgevigheid, maar alle liefde zoekt en streeft naar wederkerigheid. Natuurlijk willen wij dat degene die wij liefhebben, ook ons liefheeft. De liefde als gevoel wordt beantwoord door liefde met gevoel. De daden van liefde worden met daden van liefde beantwoord. Dat is bij God niet anders. Hoezeer we ook de vrijgevige, soevereine liefde van God als agapè mogen vieren en aanbidden, we moeten niet vergeten dat God ons oproept om ook Hem lief te hebben.

Die twee aspecten vinden we bij elkaar in het vierde hoofdstuk van de (eerste) brief van Johannes. De liefde van God is daarin geopenbaard, vertelt Johannes, dat God ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden (4:9, 10). Dat is eenzijdige, soevereine agapè. Wij hebben dat niet verdiend, wij hebben dat niet uitgelokt, wij hebben dat niet gezocht maar we ontvangen het als een vrije gave. Maar even verderop lezen we dan, “Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (vers 19). Wij antwoorden op Gods liefde met de liefde voor de naaste en de liefde voor de Here zodat de liefde wederkerig wordt. Hij eerst, daarna wij. Zo zien we dat agapè, met de nadruk op de soevereine vrijgevigheid van de “liefhebber”, de wederkerigheid van de vriendschap, de gevoelsrijke aanhankelijkheid, helemaal niet uitsluit. Agapè is samen met filia de Griekse poging om het Hebreeuwse begrip ahava in al zijn aspecten onder woorden te brengen. Dat woord immers omvat onze emoties (Hooglied), de liefde binnen een relatie (Isaac en Rebecca), zorgzaamheid voor anderen (Leviticus), en de inzet van heel onze persoonlijkheid in de gehoorzaamheid (Deuteronomium).

V

Waarom heb ik het nog steeds niet over 1 Kor. 13? Dat is toch het “lied van de liefde” van Paulus? Dat is toch de Bijbelse definitie van de liefde?

Helaas, dat is niet het geval. Het is zeker waar dat Paulus allerlei beschrijvingen van de liefde geeft, zowel naar de kant van onze emoties als naar de kant van onze daden. Het gaat om onze houding, om ons karakter, en ons wilsvermogen. Maar het hoofdstuk staat in een hele bepaalde context. Hoofdstuk 12 gaat over de eenheid in de gemeente tegenover de veelheid van bijzondere gaven en ambten. Vanuit hoofdstuk 12 moeten we zeggen, dat het lied van de liefde in feite gaat over de band die moet bestaan tussen de leden van de gemeente. Met andere woorden het is hier vooral een sociale kracht waar Paulus het over heeft. En dat mondt uit in hoofdstuk 14, waar het beginsel van de liefde op de uitoefening van de gaven in de gemeente wordt toegepast. Daarom is profeteren belangrijker dan spreken in een of andere vreemde taal. Want dan spreek je “voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting.”

Een reeks van eigenschappen van de liefde vinden we wel ergens anders. Liefde is bijvoorbeeld ongeveinsd (Rom. 12:9) of oprecht. En in liefde zet iemand het eigen leven in voor anderen (Joh. 15:13). Dertien maal vinden we ook de opdracht om elkaar lief te hebben. Maar dan ook nog: voor elkaar te zorgen, elkaar te ontvangen, om elkaar van harte lief te hebben, elkaar te groeten met een heilige kus, op elkaar te wachten, vriendelijk tegenover elkaar te zijn, om een ander hoger te achten dan jezelf, een ander in liefde te verdragen, elkaar te vergeven, elkaar niet te veroordelen, geen kwaad over elkaar te spreken, niet tegen elkaar te liegen, niet een ander tot boosheid uit te lokken en niet te klagen over elkaar.

Bent u al onder de indruk van deze opsomming? Maar we zijn nog maar net begonnen. De opdracht om elkaar lief te hebben houdt ook in dat de één zich aan de ander ondergeschikt maakt, dat we elkaar beschouwen als leden van één en dezelfde familie, dat we met elkaar in harmonie moeten leven, dat we elkaar moeten opbouwen in geloof, elkaar vermanen, elkaar aanmoedigen, ja zelfs dat we voor elkaar moeten zingen om zo elkaar te onderwijzen, dat we onze zonden aan elkaar moeten belijden, elkaar moeten dienen, elkaar de voeten moeten wassen – en dus niet de oren – dat we gastvrij moeten zijn tegenover elkaar, dat we elkaar moeten aansporen tot goede werken, dat we voor elkaar moeten bidden, dat we elkaars lasten moeten dragen et cetera.

De lijst van kenmerken die Paulus dus geeft in de brief aan Korinthe – eigenlijk alleen vers 4 tot en met vers 7 – is specifiek gericht op de onderlinge omgang in de gemeente. Met de liefde worden hier juist de uitwassen bestreden van de religieuze ambities van velen in de gemeente van Korinthe. De spectaculaire gaven van de Geest zijn een aanleiding geworden om zich te beroemen op hun geestelijk niveau, en anderen aan zichzelf ondergeschikt te maken. Daarom, zegt Paulus, is de liefde niet jaloers, zij praalt niet, is niet opgeblazen en zoekt haar eigen belang niet. Ook werden in de gemeente van Korinthe en aantal grote zonden getolereerd, zoals incestueuze relaties, zodat Paulus moet zeggen: “de liefde verblijdt zich niet over de ongerechtigheid.” En omdat ook in de gemeente van Korinthe allerlei conflicten en partijvorming aan de orde van de dag waren, benadrukt Paulus dat de liefde geduldig is, vol goedheid, niet onfatsoenlijk handelt en zeker niet verbitterd raakt van alle conflicten. En dat je weliswaar het kwade bij anderen goed kunt zien, maar dat het dan beter is omd at kwade niet toe te rekenen maar te verdragen. De liefde die hij bedoelt is het cement van de gemeente.

VI

Het eerste en het grote gebod is ook in het Nieuwe Testament: “u zult de Here uw God liefhebben met geheel uw hart. ” Het is het grootste gebod omdat het al het andere omvat. Het is het eerste gebod omdat alle andere geboden daaruit voortvloeien. Het is de ultieme samenvatting van wat God wil. Jezus heeft het belang van dit eerste en grote gebod nog alleen maar aangescherpt. (Daarom is het geenszins voldoende om van Jezus te leren dat we de naaste moeten liefhebben, want dat is een gebod dat zonder het eerste geen betekenis kan hebben.)

Ik zei hierboven al dat een mens de oneindige God kan liefhebben door Hem te gehoorzamen, Zijn geboden te houden. Dat is in ieder geval de externe en concrete kant van de ahava-liefde. Maar het is ook eredienst, dankzegging, gebed, en erkenning van Zijn gaven. Het heeft ook een innerlijke kant die onze emoties raakt. Dit is een God die ons zo heeft liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft om ons leven te schenken. De herhaalde overweging of zelfs meditatie over dit gegeven, kan toch niet anders dan ook onze affecties richten op God als de waarachtige bron van ons leven.

Maar in één adem klinkt dan toch ook “u zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Sterker nog, de liefde voor de naaste, voor anderen, is het enige bewijs van onze liefde voor God. We kunnen de geboden houden uit liefde voor onszelf, om daarmee roem en eer te verwerven. Maar alleen de vrijgevige en liefdevolle zorg voor anderen bewijst dat wij God meer liefhebben dan onszelf.

Het is duidelijk dat God de mens ook bedoeld heeft om te leven in liefdevolle relaties. De relatie van man en vrouw, en de relatie van iemand met zijn familie. Wie niet voor zijn eigen familie zorgt, is erger dan een ongelovige, zegt Paulus tegen Timotheus (1 Tim. 5:4, 8). Mannen moeten hun vrouw liefhebben als hun eigen lichaam (Ef. 5:25) en vrouwen moeten hun echtgenoten liefhebben (Titus 2:4).

De meest bijzondere relaties waarin wij leven zijn de broeders en zusters in de gemeente. Johannes spreekt in hoofdstuk 3 – 5 van zijn eerste brief voortdurend over de liefde voor de broeders en zusters. Die nemen toch een bijzondere plaats in. Paulus maakt dat ook duidelijk in Galaten 6:10, waar we lezen: “laten wij dus, wanneer wij gelegenheid hebben, goed doen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten van het geloof.” De broeders en zusters gaan voor. De familiebanden in de gemeente zijn immers gevormd niet door menselijke relaties van bloedverwantschap, maar door de verbondenheid op grond van het bloed van Golgotha. Je zou kunnen zeggen dat dit een hogere bloedverwantschap inhoudt.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de liefde voor de naaste geheel en al opgaat in de liefde voor de broeders en zusters. Maar het is ook niet waar dat de liefde voor de naaste een algemene en vage liefde voor de mensheid betekent. In de parabel van de barmhartige Samaritaan is de naaste een concreet persoon in nood die je op je eigen weg tegenkomt. En de opdracht is om een “naaste” te worden voor hem of haar. Naastenliefde is liefde voor wie nabij is. Het is ook niet alleen tolerantie, of een warm gevoel over de mensheid als geheel, of verontwaardiging over mensen in verre landen die worden onderdrukt. Het is veel moeilijker en concreter dan dat. Het is altijd voor de nabije, dat wil zeggen de buurman, de mensen op je werk, de personen die binnen je bereik zijn. Anders is naastenliefde puur passief. én abstract. Of het is alleen maar een vaag gevoel.  Maar het moet gaan om onze keuzes en handelingen. Het gaat om mensen die mij nabij komen en nodig hebben wat ik heb en geven kan. Zeker, de liefde voor de naaste strekt zich verder uit dan de liefde voor de broeders en zusters. Het strekt zich zelfs uit tot de vijand.

VII

De liefde voor de vijand is niet iets dat pas in het Nieuwe Testament wordt onderwezen. In Exodus 23:5 lezen we over de liefde voor de vijand in de vorm van een casus. Aan een bijzonder voorbeeld wordt duidelijk gemaakt wat hier het eginsel is. Dat is typerend voor ongeveer 10% van de wetsteksten van het Oude Testament. 90% van de wet heeft een andere vorm. Je hebt doorgaans algemene regels in de vorm van: “U mag het recht van de arme onder u niet buigen bij zijn rechtszaak” (vers 6). Dat noemen we apodiktisch recht. Het gaat dan om voorschriften en opdrachten die rechtstreeks als directe opdrachten of verboden worden geformuleerd. Het probleem daarvan is dat algemene regels vaak niet concreet genoeg zijn om te kunnen worden toegepast in specifieke situaties. Daarom vinden we ook een formulering in de trant van “wanneer iemand aan zijn naaste een ezel […] in bewaring geeft […] en het sterft […] dan moet de eed bij de Heere tussen hen beiden beslissen” (Ex. 22:11). Dat noemen we paradigmatisch of casuïstiek recht omdat het rechtstreeks spreekt over een bepaald geval (paradigma of casus), waaraan we echter een algemeen beginsel kunnen aflezen.

Duidelijker voor onze oren klinkt het in Spreuken 24:17, “Verblijdt u niet als u vijand valt, en laat uw hart zich niet verheugen als hij struikelt.” Of in de woorden van Spreuken 25:2 die ook een echo hebben in het Nieuwe Testament, “als iemand die u haat, honger lijdt, geef hem brood te eten, en als hij dorstig is, geef hem water te drinken.” Heel belangrijk was dit gebod echter niet binnen het Oude Testament. Dat verandert in de prediking van de Heer Jezus. Het illustreert opnieuw het verschil tussen een liefde die door de emoties wordt bepaald, en een liefde die ons geboden wordt en die een beroep doet op onze wil.

Dit is het unieke van de prediking van Jezus: heb je vijanden lief. Je kunt weliswaar niet altijd warme gevoelens voor hem hebben, maar je kunt wel de keuze maken om liefdevol tegenover Hem te handelen. Je kunt voor hem bidden, je kunt iets goeds voor hem doen, je kunt zelfs goed over hem spreken. Zo horen we in de Bergrede: “hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen” (Mat. 5:44). Bij Lukas staat dat nog uitgebreider: “hebt uw vijanden lief, doet wel aan hen die u haten, zegent hen die u vervloeken, bidt voor hen die u smaden” (Lukas 6:27, 28). Tussen haakjes, dit is een fraai voorbeeld van agapè in onderscheid tot de wederkerige filia. In vers 32 zegt Lukas: “En als u liefhebt hen die u liefhebben, wat voor dank hebt u? Immers, ook de zondaars hebben lief die Hem liefhebben.” Wederkerige liefde is niet moeilijk omdat je kunt rekenen op een tegenprestatie. Maar een vijand liefhebben terwijl hij je haat, goede woorden spreken, “zegenen”, over hen die tegelijkertijd jou vervloeken, dat is moeilijk. Bidden voor mensen die jou minachten en over je lasteren, dat is een opgave.

VIII

In onze cultuur is het model van de therapie, als de ultieme vorm voor het vinden van geluk, dominant geworden. Vandaar de nadruk op de liefde voor jezelf, om het opbouwen van je eigen waarden, om het opsporen van elementen van minachting van jezelf. Daarom wordt het ontdekken van jezelf, en het vervullen van je levensverwachtingen en het ontdekken van je eigenwaarde en het eigen belang, gepropageerd als de noodzakelijke werkelijke doelen van het menselijke leven. Het gebod van de naastenliefde noemt ook deze liefde voor jezelf. “Heb je naaste lief gelijk jezelf.” Nu ligt dit exegetisch lastig, want de Hebreeuwse tekst die aan het Nieuwtestamentische gebod ten grondslag ligt, bedoelde te zeggen dat wij voor een ander moeten zorgen met dezelfde zorg die wij aan ons zelf wijden. Het is bovendien veel waarschijnlijker, dat het hier om een zogenaamde “motivationele bijzin” gaat. De strekking van het geheel wordt dan: “heb je naaste lief omdat hij jouw gelijke is – dat wil zeggen dezelfde kwetsbaarheid, behoeftigheid en nood kent.

Als we de meest verbreide en nog steeds gehanteerde interpretatie volgen, zouden we hier kunnen spreken over de liefde voor jezelf. Deze liefde voor jezelf wordt in onze moderne cultuur aangezien voor het fundament van alle andere vormen van liefde. Wanneer we hieronder zouden moeten verstaan dat wij geheel en al geconcentreerd moeten zijn op ons zelf, onze eigen weg, onze eigen wil, onze eigen verlangens et cetera, dan is dit geen christelijke optie. Dat zou betekenen dat we hooguit kunnen streven naar wederkerige liefde, maar elke vorm van liefde die een opoffering vergt zou zijn uitgesloten. Het is duidelijk dat we dat als christenen niet kunnen accepteren.

Maar als de liefde voor jezelf zoiets betekent als het accepteren van jezelf, als het tegendeel van het verwaarlozen, minachten of verloochenen van jezelf, dan is er in ieder geval iets om over te praten. De exegese van de tekst wordt in ieder geval wel een hele andere richting ingeschoven. De moderne psychologie zou het zo kunnen uitleggen, dat het eerste gebod van Jezus is, om een hoge waardering van jezelf te ontwikkelen, om jezelf in hoge mate lief te hebben, en in ieder geval goed voor jezelf te zorgen. Dat is de allereerste taak. Want als je dat doet, zijn de voorwaarden vervuld om nu ook een ander lief te hebben. De liefde voor jezelf motiveert en fundeert de liefde voor een ander.

Ik denk niet dat in het tweede gebod is opgesloten, dat wij onszelf moeten liefhebben. Dat is geen gebod, dat is eenvoudig de manier waarop wij in elkaar zitten. Liefde voor onszelf is een natuurlijk feit. Nu dreigt er gevaar van de andere kant, namelijk dat we het karakter van opoffering dat ligt in de agapè-liefde, zodanig overdrijven dat we denken dat we onszelf moeten haten. Immers, Paulus schrijft toch ook in zijn tweede brief aan Timotheus: “Maar weet dit, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen zijn; want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, […] zonder liefde tot het goede […] meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God” (2 Tim. 3:1-5). Liefde voor jezelf, dat wil zeggen zelfzuchtig zijn, is een kenmerk van de decadentie van de eindtijd. Daaruit zou je moeten concluderen dat we onszelf moeten haten.

Ik denk dat dat een enorme vergissing is. Als we over de liefde niet spreken in termen van onze gevoelens, dan moeten we dat ook niet doen met het begrip haat dat daarvan het tegendeel is. Als liefhebben concrete daden van zorg inhoudt, is het duidelijk wat haten betekent: verwerpen, niet bevestigen, buitensluiten. Het ligt besloten in de houding van Kaïn, die alle verantwoordelijkheid voor zijn broer Abel buitensloot met de woorden “ben ik mijn broeders hoeder?”

Mijn stelling is deze: er wordt op ons een beroep gedaan om onszelf te verloochenen of bewust ervoor te kiezen ons eigen belang terzijde te schuiven wanneer de belangen van God of van een ander mens in het geding zijn.  Niet als doel op zichzelf. Wanneer iemand zijn eigen leven liefheeft, zelfzucht vertoont, de liefde voor zichzelf tot basis van zijn leven maakt, verwerpt hij de gerechtvaardigde aanspraak van God op zijn leven. God mag van ons vragen om alles in te zetten ten behoeve van een ander.

IX

Als God ons kan aanvaarden op grond van het werk van Christus, dan mogen wij onszelf aanvaarden – omdat wij door God gerechtvaardigd zijn, mogen wij onszelf als gerechtvaardigden zien. Het beeld dat een christen van zichzelf mag hebben is waarlijk niet gering: geschapen naar Gods beeld, verlost door het offer van Christus, en voorzien van een uniek levensdoel door God zelf. Vanuit die identiteit kan ik het gebod beamen en concreet maken dat zegt, dat ik mijn naaste moeten liefhebben als mijzelf – als een persoon die in Gods ogen van oneindige waarde is, geschapen naar Gods beeld, met een uniek doel in het leven. Want hij is zoals ik ben.

Maar liefde kan ook “verschuiven”. Om een beeld te gebruiken uit de psychologie, er is een corruptie denkbaar van de liefde, wanneer het legitieme voorwerp van die liefde wordt vervangen door een ding, een of ander symbool of een activiteit. In psychologische termen heet dat een fetisj. In Bijbels taalgebruik heet dat eerder een afgod, waaraan we immers ook eer betonen die alleen aan God toekomt.

Nu is er een gebruik van het woord liefde dat niet op personen gericht is en toch legitiem is. Je kunt een groot idee liefhebben, je kunt enthousiast worden voor een bepaalde missie in het leven. Vriendelijkheid tegenover dieren bijvoorbeeld, dierenliefde, is ook een uitvloeisel van de liefde voor God. Spreuken 12:10 zegt kort en krachtig, wat ik ontdekte bij de boeren in de provincie Groningen waar ik gewerkt heb: “de rechtvaardige kent het leven van zijn vee.” Dat suggereert dat goede zorg voor het vee een kwestie van rechtvaardigheid is. En het suggereert dat er een zorgzame interesse moet zijn voor alles wat met dat vee samenhangt. De Wet van Mozes kent bovendien legio geboden en verboden die het leven van dieren betreffen, met wellicht als belangrijkste dat dieren die voor consumptie zijn bestemd, zo pijnloos mogelijk moeten worden gedood. Ook het voorschrift om geen vlees te eten bij een maaltijd waarin ook melk wordt gebruikt en verwerkt is, moet dienen als een herinnering aan de waardigheid van het dierlijk leven. Namelijk een bokje niet te koken in de melk van zijn moeder – een fraai voorbeeld van een casuïstieke regel.

Rijkdom kan een afgod zijn: Mammon. Maar de afgoden van onze tijd dragen weliswaar andere namen dan in de klassieke tijd, en ze worden niet gezien als werkelijk levende persoonlijkheden, maar ze worden feitelijk op dezelfde wijze gediend en geëerd. Mammon is dan maar een voorbeeld van een verafgoding, en het tot een doel maken van iets wat uitsluitend als middel bedoeld is. Zelfzucht die zich als hebzucht ontpopt, is afgoderij. Volgens Jacobus zelfs de wortel van alle kwaad. Het maakt blind voor de noden van anderen, zoals de rijke man blind werd voor de nood van de arme Lazarus.

Maar ook de staat kan een afgod zijn. Dat hoeft niet eens zo duidelijk te zijn als bij de religieuze verering die aan de leider van Noord-Korea wordt toebedeeld. Het kan ook de vorm hebben van wat we in moderne zin een idool noemen. Een menselijke figuur, geprojecteerd op het doek van onze verbeelding tot bovenmenselijke proporties. Of dat nu een representatie is van de macht van de staat (Poetin) of een representatie van een menselijke voortreffelijkheid die in een openbare vorm wordt vereerd (de sterren van het witte doek), het zijn en blijven afgoden. Niet alleen maar omdat er verering aan te pas komt die uitsluitend aan God toekomt, maar ook omdat de onderwijzing voor het leven die God wil geven, hierdoor wordt weggedrukt. De filmsterren kregen de functie van voorbeeld; niet in moreel opzicht, maar wel in hun politieke overtuigingen, hun overwinning op tegenslagen, ondanks al hun eveneens breed uitgemeten persoonlijke tekortkomingen. Dat laatste werkt alleen maar bevestigend. In de trant van, “als onze helden het overkomt, als onze helden dit of dat doen, dan zijn wij zeker gerechtvaardigd om zo te handelen.”

X

Één van de zwaarste opdrachten die voortvloeit uit de liefde voor de naaste, en de liefde voor de broeders en zusters, en de liefde tussen man en vrouw is de opdracht om waarachtig te vergeven. De opdracht om te vergeven is misschien ook wel de grootste vernieuwing die de Here Jezus in de ethiek van het Jodendom gebracht heeft. Vergeving schenken komt immers met een prijs. Er is altijd iemand die betalen moet. Als ik iemand vergeef die van mij heeft gestolen, draag ik het verlies van het gestolene. Het is een andere zaak wanneer hij teruggeeft, want dan is vergeving ook heel makkelijk. Want de opdracht tot vergeven kent niet de voorwaarde van restitutie. Degene die vergeeft, betaalt dus de prijs. Wanneer iemand zijn zonde bekent, en, om bij dit voorbeeld te blijven, het gestolene terug heeft, dan is er een daad die verzoening brengt. Maar er is in zo’n geval geen sprake van vergeving. Ik zeg dat om heel precies af te bakenen waarover we het hier hebben.

Een werkelijke vergeving houdt ook in dat die prijs niet op afbetaling toch wordt geïnd bij degene die ik vergeven heb. Er steeds weer herinneren aan de fout, een cumulatie van verwijten – ik heb je vergeven, maar ik kan het niet vergeten et cetera – is een symptoom van het niet kunnen vergeven. Dan is het namaak, een tijdelijke wapenstilstand of een uitgesteld verwijt gaat niet samen met werkelijke vergeving.

Maar moet ik wel vergeving schenken aan iemand die geen berouw toont? Moet ik vergeven wanneer iemand niet om vergeving vraagt? Ligt dat antwoord niet besloten in Lucas 17:3, “past op uzelf. Als uw broeder zondigt, bestraf hem; en als hij berouw heeft, vergeef hem. En als hij zeven maal per dag tegen u zondigt en zeven maal tot u terugkeert en zegt: ik heb berouw, zult u hem vergeven.” We zijn in ieder geval verplicht om te vergeven wanneer iemand berouw laat merken. Zo werkt ook de vergeving van God. Je kunt zeggen dat dit het normale geval is, de reguliere vorm van de vergeving. Maar er is nog iets anders.

Christus aan het kruis, en Stephanus bij zijn steniging hebben gebeden dat God niet de moordenaars zou straffen. In het gebed van Jezus: “vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat zij doen.” Hier is geen sprake van dat de moordenaars berouw hadden getoond zijn om vergeving hadden gevraagd. Er zijn twee redenen om toch te vergeven.

De eerste is deze: de liefde voor de vijanden kan zover gaan, dat we voor hem bidden ook zonder dat hij dat waardig is. Daar zie je opnieuw het karakter van liefde voor de vijand als agapè-liefde. Die vijand hoeft niet te verdienen dat ik voor hem bidt; de broeder of zuster die tegen mij zondigt hoeft niet te verdienen dat ik hem of haar vergeven. Het is goed om te vergeven ook wanneer er geen berouw getoond wordt.

De tweede is deze. Wat is hier eigenlijk de kern van de situatie? Wanneer je alleen kijkt naar jezelf, dan zie je alleen maar de beschadiging die je hebt ondergaan, door minachtende woorden bijvoorbeeld. Maar wanneer iemand tegen jou zondigt zijn er dus twee mensen in het geding. Degene die zondigt heeft die vergeving, die verzoening met God, immers heel erg nodig. Degene die in de zonde valt, is degene die genade nodig heeft om weer op het goede spoor terecht te komen. Het is een van de meest opvallende vernieuwingen in de ethiek, dat Jezus duidelijk maakt dat de zondaar weliswaar de plicht heeft tot restitutie, en dat van hem berouw in de vraag om vergeving kan worden verwacht, en dat anderzijds van het slachtoffer kan worden verwacht dat hij die vergeving schenkt zelfs wanneer dat berouw uitblijft. Het is een oefening in onvoorwaardelijke vergeving als een echo van de onvoorwaardelijke vergeving die God aan ons heeft geschonken.

(wordt later nog weleens vervolgd)

De eerste zes zegels van de boekrol – Openbaring hoofdstuk #6

In deze aflevering bespreken we het zesde hoofdstuk van het boek Openbaring.

In dit hoofdstuk worden de eerste zes zegels geopend van de boekrol die nu door het lam is aangenomen.
We zien de Here Jezus op een wit paard uitstrekken om te overwinnen. Drie andere paarden krijgen alvast de macht: het rode paard om de vrede van de aarde weg te nemen, het zwarte paard om hongersnood en sociale verdeeldheid te brengen, en het grauwe of bleekgroene paard om 25% van de wereldbevolking te doden.

Als het vijfde zegel opengaat zien we de martelaren in de hemel; onder het altaar zingen zij hun wraakpsalm maar moeten nog wachten tot hun aantal volledig is. En tenslotte ziet Johannes, wanneer het zesde zegel opengaat, een grote kosmische ramp: een grote aardbeving, een enorme zonsverduistering, en hij ziet de hemel terugwijken. Alle mensen zullen beseffen dat nu de grote dag van de toorn van het Lam is aangebroken.

De prediking van Astrid Feddes – een kritische analyse

Analyse van (bijna) een hele “preek” van Astrid Feddes.

Dit keer geen theologische kritiek op de charismatische uitgangspunten, maar het vastleggen van mijn reacties zoals die er zouden geweest zijn als ik in die gemeente naar haar geluisterd had.

Vooral heb ik gekeken naar de manier waarop zij haar teksten ge- of beter gezegd misbruikt. Jozua 13:1, Jozua 18:4-6. 2 Cor. 2:14-16, ze zit er steeds naast.

Wat vooral opvalt is het volgende:
1) Geen onderscheid maken tussen de opdracht aan Jozua, aan het aardse volk van God, en onze positie in het Nieuwe Verbond en dat verbinden met onze persoonlijke, moderne leefsituatie. Wij moeten geen land in “erfelijk bezit” nemen. Wij hebben een hemels erfdeel dat we ontvangen bij de wederkomst.
2) Geen onderscheid maken tussen de historische situatie van de apostelen en van onszelf. Inzoverre ook wij het evangelie verkondigen, en voorzover dat gebeurt in tijden van vervolging, kan de tekst ook op sommigen van ons van toepassing zijn. (Dus zijn wij niet zonder meer een “aangename geur” zoals Paulus dat van hemzelf en zijn medewerkers kan zeggen.)
3) Misvattingen over de betekenis van de “aangename geur” in 2 Kor. 10. Dat heeft een connectie met de welriekende rook van het offer tegenover God (maar zie (2), maar niet met de uitstraling van ons Christen-zijn, of met het “verhogen van Jezus” in de wereld.
4) Pure fantasieën – de “geur van de kennis van de kennis van Christus” vergelijken met “parfum”. En daar dan allerlei fantasieën op loslaten zoals: “wie met Jezus knuffelt neemt Zijn geur mee de wereld in.” De aangename geur komt van wierook, dat de priesters verspreiden, maar niet als een geur op zichzelf aanbrengen. Wierook moet branden om geur af te geven.
5) Een mislukte genezingsbediening. Als u de man bent met een zilveren montuur, en pijn aan het rechteroog, die Feddes maar niet kon vinden, mag u zich melden als u geheel en al genezen bent.
6) Insinuaties van profetische gaven – “dit is het jaar…”; “ik heb openbaringen ontvangen en die wil ik delen.” Ik heb niets gehoord van enige relevantie.
7) Een onnozel visioen: “de rode zomen van Gods mantel hingen beschermend boven deze gemeente.”
8) Gebrabbel (“tongentaal”) in plaats van een oprecht en duidelijk gebed dat iedereen verstaan kan en waarop “Amen” kan worden gezegd. Overigens, ook geen voorbede voor de wereld en de kerk en voor de slachtoffers van het coronavirus.
9) In plaats van een gebed, een bevelend spreken “in de naam van Jezus” waarmee ze zich apostolische authoriteit aanmeet. En daarna blijkt dat ze niet over dat gezag beschikt, want het gejubel over genezingen blijft uit.
10) De sjiboleths van de charismatische beweging worden binnengesmokkeld, zoals de verwijzing naar Joh. 14:12, dat wij “grotere” werken zouden doen dan Jezus gedaan had. (Als algemene opdracht aan alle gelovigen, en niet als bemoediging voor de apostelen die het werk van de Heer Jezus in de opbouw van de gemeente zouden voortzetten, maar ook numeriek zouden overtreffen.)
11) Voortdurende als een life-coach mensen opbeuren met zeer seculiere opvattingen: als je maar zegt “hier ben ik” kan God jou gebruiken, je moet je roeping ontdekken. En dat wil ze dan “in de authoriteit van Jezus” afbidden.

Kortom, een “flat bible” die met eigen invallen wordt uitgelegd, met de pretentie dat de Heilige Geest de leraar was.
Nog afgezien van de kwestie dat in een bijbelgetrouwe gemeente zou moeten gelden dat een vrouw niet mag leren of prediken.

“Want wij prediken niet onszelf, maar Jezus Christus als Heere.”
“…daar wij niet wandelen in sluwheid of het Woord van God vervalsen.”
2 Kor. 4:5, 2

Het oordeel over de volkeren in de Bijbel en de Talmoed (1/2)

Genesis 32:24 Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak. 25 En toen de Man zag dat Hij hem niet kon overwinnen, raakte Hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde. 26 En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is aangebroken. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent. 27 En Hij zei tegen hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Jakob. 28 Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen. 29 Jakob vroeg daarop: Vertel mij toch Uw Naam. En Hij zei: Waarom vraagt u naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar. 30 En Jakob gaf die plaats de naam Pniël. Want, zei hij, ik heb God (elohiem, hier een geestelijk wezen) gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered. 31 En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël gegaan was; hij ging echter mank aan zijn heup.

Wie is toch deze Man?

Om dat te bepalen moeten we eerst een paar details uit deze tekst goed begrijpen. In de eerste plaats moeten we zien dat de worsteling die deze man begint, een poging is om Jakob eronder te krijgen, te overwinnen. Maar is het een man? Waarom staat er zo nadrukkelijk dat deze “man” zijn worsteling staakt wanneer de dageraad aanbreekt? “Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.” En waarom komt deze man tot Jakob in de nacht? Het lijkt er eerder op dat we te maken hebben met een kwaadaardige geest, of misschien zelfs met Ezau zelf.

Het lijkt mij ook dat we kunnen uitsluiten dat het Ezau zelf is. Jakob zou hem toch zeker herkend hebben, en er is geen reden dat hij zich niet bekend zou gemaakt hebben bij Jakob. Bovendien meldt vers 28 dat Jakob met “God” heeft gestreden. Dat laatste is een kwestie van vertaling. Het Hebreeuwse woord elohiem  kan zowel God als een geestelijk wezen als zelfs een aardse rechter aanduiden. Het lijkt uitgesloten dat het God is die met Jakob hier worstelt, aangezien Jakob juist de belofte en de zegen van God al ontvangen had. Het lijkt eveneens uitgesloten dat het hier om een “rechter” zou gaan. Dan blijft alleen nog over dat we hier te maken hebben met een tussenwezen, een demonische macht in menselijke vermomming die namens Ezau de strijd met Jakob aangaat. Daarop wijst ook de zinsnede, dat Jakob gevochten heeft met “een goddelijk wezen” en met “mensen” – een soort demon in mensengedaante.

Het gaat om de zegen

Het is ook niet toevallig dat het hier uiteindelijk om de zegen gaat. Jakob is een naam die verwijst naar het stelen van het eerstgeboorterecht. Is het hier een demonische schutsengel van Ezau die Jakob daarvoor wil straffen? Dat Jakob heeft overwonnen merken we niet alleen maar aan het gejammer van de man “laat mij gaan”, maar ook aan de opdracht van Jakob. Wanneer hij zegt: “ik zal u niet laten gaan tenzij u mij zegent,” krijgt dit zijn betekenis uit de voorgeschiedenis. Jakob heeft recht op de zegen van de eerstgeborene. Nu vraagt hij aan de engel van Ezau of deze bereid is dat recht ook te erkennen. Hem te zegenen staat dan gelijk aan de erkenning van de zegen die aan Jakob toekomt. Zodra (de engel van) Ezau het recht en de zegen van Jakob als de waarachtige eerstgeborene in geestelijke zin erkent, zal Ezau ook delen in die zegen. Jakob is immers de ontvanger van de zegen van Abraham – “in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.” Wanneer Ezau de zegen van Jakob erkent, zal hij er ook in delen.

De profetische duiding

Dit alles heeft een diepe betekenis voor de wereldgeschiedenis. Het lot van de volkeren is volledig verbonden met het lot van Israël. Wie Israël zegent, zal delen in de zegen van Israël. Maar wie Israël kwaad doet of het kwade toespreekt, wordt van het leven afgesneden, dat is: is vervloekt.

Zo beschouwd is de opdracht die Jakob aan de engel geeft een uiting van zijn liefde voor Ezau. Wanneer Israël aan de volkeren van de wereld vraagt, haar bijzondere status als uitverkoren volk te erkennen, is dat uiteindelijk tot een zegen voor die volkeren. Israël is en blijft immers Gods volk, dat God in het heilige land geplaatst heeft om daar de navel van de wereld te zijn. Het centrum van de wereld is het letterlijke, fysieke land Israël. De erkenning van dat land en van het recht van het volk daar te wonen, is de basis voor de zegen die de volkeren van God te verwachten hebben.

Israël zegenen

Wat de exegese van de tekst betreft zijn er nog twee zaken van belang. In de eerste plaats dat Ezau – en zijn zoon Edom – staan voor Rome, eigenlijk voor het Romeinse Rijk dat nu bestaat in de vorm van een innerlijk verdeeld Europa.

Met andere woorden Ezau staat voor heel de westerse wereld. Het lot van die westerse wereld staat of valt met de erkenning van de onverbrekelijke samenhang tussen het land en het volk Israël. Wie het volk zegent dat in het land is – het goede voor haar doet en haar het goede toespreekt – zal zelf door dat volk gezegend worden. Wie de God van Israël wil kennen, kan niet om Zijn volk heen. “Het heil is uit de Joden”, dat wil zeggen God schenkt het heil niet aan de vijanden van Israël.

Israël vervolgd door Christelijk Rome en Europa

In de tweede plaats is van belang, dat de engel van Ezau Jakob raakt aan de heup, naar Bijbelse spraakgebruik de plaats van de kracht tot voortplanting, d.i. de nakomelingen van Jakob. Ezau probeert de zegen van Jakob te ontkrachten, door Jakob onvruchtbaar te maken. Is dat niet vele malen in de geschiedenis geïllustreerd? De mannelijke nakomelingen werden in Egypte in de Nijl gegooid, de Assyriërs verdreven Israël uit het noordelijke rijk en verstrooiden het over hun grondgebied. De Romeinen verwoestten de tempel en lieten alle Israëlieten in ballingschap gaan aan het einde van de tweede Joodse Oorlog. De geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk  – het “gekerstende” Rome – staat bol van de vele vervolgingen, pogroms en vernederende maatregelen. En de nazi’s hebben de poging gedaan om alle Joden in de wereld uit te roeien in de Holocaust.

Misschien dat niet de volkeren beseffen wat het belang is van Israël voor hun eigen lot, maar de schutsengelen van deze volkeren zullen dat maar al te goed geweten hebben. Hier ligt de keuze: Israël zegenen, haar voorrang in Gods bestel erkennen en daardoor zelf gezegend worden, ofwel: Israël vervloeken, bestrijden, bevechten, en onderwerpen, en daardoor zelf blootgesteld worden aan Gods vloek.

Christenen die Israël erkennen

De geschiedenis van West-Europa kan het beste worden begrepen vanuit het conflict tussen Jakob en Ezau, tussen de God van Israël en de god van Rome/Europa, de satan. Ezau probeert voortdurend Jakob aan de heup te raken. Maar Israël heeft Ezau nooit opgegeven. Israël houdt Ezau broederlijk vast en zal hem niet loslaten totdat het eerstgeboorterecht van Israël zal worden erkend.

Binnen Europa zijn er mensen die Israël erkennen als Gods eigen volk. Dat geldt niet voor de politieke systemen waarin die mensen leven. Maar de zegen die Jakob ontvangt om door te geven aan de volkeren, berust op de erkenning van de positie die hem gegeven wordt. Wie in deze tijd Israël erkent, zegent en aan dat volk het goede toespreekt, wordt zelf gezegend met Israël. Die mensen zijn als Ruth die tegen Naomi zegt: “uw God is mijn God, uw volk is (mede ook) mijn volk.” Of ze zijn als de mensen in Zacharia 8:23, die zeggen “Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord dat God met u is.”

(wordt vervolgd)

De vier leugens in de zeven sleutels van Tom de Wal – Charismania

De vier leugens:

1. Wij doen in deze wereld hetzelfde als Jezus, want wij zijn zoals Hij. Dus genezingen, onkwetsbaarheid voor ziekte etc. (Als we maar 100% geloven…)

Neen! Wij delen in dezelfde positie die Jezus heeft gehad op aarde: minachting, soms vervolging, met de missie om van de waarheid te getuigen.

2. Psalm 91 leert ons hoe we onkwetsbaar kunnen zijn voor het coronavirus en alle andere ziekten. Als we die belofte maar geloven.

Neen! Psalm 91 is een Messiaanse Psalm en spreekt over de bescherming die God gaf aan de Heer Jezus op aarde – de ware zoon van David – tot het moment waarop Hij vrijwillig Zijn leven gaf.

3. Wanneer wij met gezag Gods belofte spreken, zullen de engelen ons beschermen en bijstaan.

Neen! Deze bijzondere bijstand van de engelen is aan Christus gegeven, niet aan ons. Wij beschikken niet over “macht”, want alle macht berust bij Christus. Het bijzondere gezag van de apostelen is hun gegeven, maar niet aan ons overgedragen.

4. Wij zullen anderen genezen, ook van het coronavirus, dat is ons bijzondere getuigenis op grond van Markus 16:14-18.

Neen! De teken en wonderen van Markus 16 staan in verband met a) het ongeloof van de discipelen, vandaar de woorden “Hen nu die geloven”, d.w.z. vertrouwen hebben dat de apostelen in het begin ontbrak en b) staan in verband met hun pediking van het evangelie, die door God in deze teklenen werd bevestigd. De apostolische periode is echter met de dood van Johannes tot een einde gekomen.