Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus

16 Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.

ik schaam mij niet –

Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen. Markus  8:38

In de tijd van Paulus waren er vele redenen om je te schamen over het evangelie. In ieder geval in beschaafd Romeins gezelschap. Dit was een godsdienst die zijn oorsprong had in het verachtelijke en onbeschaafde land Israël; de stichter van deze godsdienst was een Jood en dan nog bovendien een uit Galilea. De centrale figuur in deze godsdienst stierf als een opstandeling tegen Rome aan het kruis. En bovendien kwamen de meeste volgelingen uit de laagste kringen in de samenleving. Iedereen die de inhoud van zijn geloof zou uitleggen in deze tijd, moest spreken over het geloof in een gekruisigde Heiland die Gods barmhartigheid naar de mensen toe bracht, met de eis van een totale levensvernieuwing, en een leven van zelfverloochening. Deze religie werd verspreid zonder de overtuigingskracht van welsprekendheid of poëzie, en werd niet aanbevolen door filosofen. Ze kende geen prachtige tempels en geen schitterende rituelen, en kleurrijke priestergewaden waren niet te vinden.

Ook de apostel Paulus had zelf vele redenen om zich te schamen voor het evangelie. Hoe kon hij als jood en rabbijn, die in hoog aanzien stond bij de wetgeleerden van zijn tijd, zich aansluiten bij een godsdienst die het Jodendom zag als een voorbereiding? Hoe kon hij nu komen met een leer, waarin de studie en toepassing van de letter van de wet werd verworpen? Hoe kon hij zeggen, tegen de gemeente van Korinthe, dat zijn verkondiging niet gepaard kon gaan met uitnemendheid van woorden of wijsheid? Had hij dan geen “overredende woorden van wijsheid”?

In onze tijd is dat net zo. We schamen ons over het evangelie omdat het geloof in een persoonlijke God gezien wordt als een psychologisch mankement, en moreel wordt verworpen omdat het gezag toekent aan verouderde geboden en instellingen – die zo totaal in strijd zijn met de geest van onze tijd. We schamen ons voor het evangelie omdat het aanspraak maakt op de waarheid, in een tijd waarin dat zowel onmogelijk als onfatsoenlijk wordt beschouwd. Christenen, dat zijn die mensen die denken dat ze nog de waarheid in pacht hebben, en anderen mogen beleren over hun morele opvattingen. En wat voor morele opvattingen! Christenen discrimineren toch aan de lopende band, tegenover vrouwen zonder politieke rechten, tegenover mensen met een andere seksuele geaardheid en ga zo maar door. Bovendien geloven ze in een boek waarin genocide wordt bevolen, de diefstal van land goddelijk voorschrift is en waarin te lezen staat dat een zoon die rebelleert moet worden gestenigd.

Zo raakt de boodschap van het evangelie in de tijd van Paulus net zozeer als in onze tijd in een strijd verwikkeld met de huidige cultuur. Het evangelie claimt een boodschap te zijn waarin de begrensdheid van onze wereld wordt getoond. Het evangelie wijst op een andere, onbekende, maar toch levende werkelijkheid die alle claims op waarheid van een vraagteken voorziet. Zij stelt zich niet naast alle andere waarheden op, en concurreert niet met andere godsdiensten om de voorkeur van de religieuze consument. In die zin komt ze volledig van bovenaf, zonder enig respect voor de gevoeligheden van priesters, wijzen en filosofen.

een kracht van God –

Nu zegt Paulus wel dat hij zich niet schaamt, maar hij doet zelfs het tegenovergestelde. Hij roemt in het evangelie. Het is een kracht van God, zegt hij. Het evangelie is sterker dan de wereld. Het is zeker waar dat de boodschap van het kruis in de ogen van de wereld een dwaasheid is. Zo kunnen ze het zien. Het zijn maar woorden. Maar het gaat niet om het idee dat deze woorden toch interessant zijn, of een goed leven mogelijk maken, of bij elkaar genomen een boeiende filosofie van het leven zijn. Wanneer Paulus zegt dat de boodschap van de opstanding – want om die opstanding gaat het nu juist – een kracht van God is, dan bedoelt hij te zeggen dat het voorwerp van die boodschap aan de werking van de woorden voorafgaat. In het evangelie wordt de gerechtigheid van God geopenbaard, maar dat niet als een idee, maar als iets dat werkzaam is, mensen verandert, de wereldgeschiedenis bepaalt. God maakt zich in dit evangelie bekend, niet als natuurkracht of als werkzaam idee, en stelt zich zeker niet naast de andere krachten in het leven. Maar Hij is ook niet te aanschouwen in enig ander spectaculair wonder in de wereld, dat voor alle ogen zichtbaar is. Het wonder van het evangelie gebeurt in de kracht van de Geest en kan alleen maar door de menselijke geest worden erkend. Daarom is het niet relatief of afhankelijk van ons begrip. Ze heeft aan zichzelf genoeg, ze is onvoorwaardelijk en in zichzelf waar. Het evangelie beschrijft het beslissende keerpunt in de relatie tussen God en mens. Wanneer Paulus het evangelie verkondigt, dan is het deze goddelijke beslissing die hij aan het geweten van zijn toehoorders voorlegt, en hij nodigt ze uit om deze boodschap niet te verwerken, niet te begrijpen en te absorberen, maar om die aan te nemen. Dat wil zeggen, zichzelf met heel het leven en heel het denken aan die boodschap te onderwerpen.

tot zaligheid –

Deze boodschap geeft ons ook een heldere diagnose van de ellende waarin de mens gevangen is. Wij staan verder van God af dan wijzelf denken, en de consequenties van die afstand reiken verder dan wij ons kunnen voorstellen. Wij gaan ervan uit dat het beginsel van ons bestaan ligt in onze vrijheid om over onszelf te beschikken. Wij handelen in vrijheid, wij denken in vrijheid, wij bepalen zelf ons lot in het leven, en uiteindelijk zijn wij het die beslissen over goed en kwaad. Er is geen hemel boven ons die met ons mee leeft, de weg wijst, onze eindbestemming verheldert; er is alleen maar de aarde. Daartegenover staat het evangelie dat zegt dat wij gevangen zitten en beperkt worden door het feit dat wij schepsel zijn. Onze zonde is ook onze schuld. Ons sterven is ook ons noodlot. De wereld waarin wij leven is omgeven en bedreigd door de chaos van dood en zinloosheid. Omringd door al deze ontkenningen van de ultieme zin van ons bestaan, willen sommigen de vraag stellen of er een God is? En weer anderen probeerden die vraag bevestigend te beantwoorden en construeren een godsdienstig leven dat verzoening moet brengen met de heersende zinloosheid en de noodlottige reis van de dood. Wanneer het evangelie echter komt, zal deze religieuze overmoed moeten verdwijnen. Het evangelie brengt immers een laatste en definitieve inzichtelijkheid.

Daarom komt het woord van het evangelie als een dwaasheid onze wereld binnen. Het spreekt over God zoals Hij is en bedoelt dan Hem Zelf – in de ogen van de wereld de arrogantie bij uitstek! Dit is de pretentie: spreken over God zoals Hij werkelijk en waarachtig is – buiten en boven al onze Godsbeelden en religieuze voorstellingen. Het spreekt over die schepper die onze verlosser werd. Het geeft ons de aankondiging van de vergeving van onze zonden en van de uiteindelijke triomf van het leven in Christus boven de dood. Dat kunnen we niet beredeneren en reduceren tot een filosofie. Hier bereiken we de grens van wat we kunnen weten. We kunnen het alleen erkennen en aannemen. Dat is wat de kracht van God in het evangelie doet, het mogelijk maken dat een mens het erkent en aanneemt.

Daarom is de ware inhoud van het evangelie de opstanding van Jezus Christus. In die opstanding, zei Paulus in het vierde vers, is Jezus Christus bevestigd “als Gods Zoon in kracht.” Dit ingrijpen van God in de schepping is niet de uitzondering op de regel, maar de begrenzing van de realiteit van onze regels. Dat wat tegen alle natuurlijke verwachting ingaat, is uiteindelijk haar fundament. Het wonder van de opstanding is niet meer of minder dan het wonder van de schepping zelf. In de opstanding spreekt God het vonnis uit over de dood die haar geheime beginsel is. De gevangenis van ons bestaan is nu geopend, de schuld die wij dragen wordt weggedaan. Onze dood is niet langer een noodlot, maar een station onderweg naar de eeuwigheid. Het onmogelijke blijkt de grondslag van het mogelijke te zijn.

voor ieder die gelooft

Dit evangelie vraagt om geloof; geloof is de vorm van de erkenning en de aanname van deze waarheid. Alleen voor de gelovige kan dit evangelie een “kracht van God tot zaligheid” zijn. Jezus is door de opstanding verklaard Gods Zoon te zijn, maar dat is “naar de Geest van de heiligheid.” Deze boodschap die niet vanuit de wereld komt, kan niet worden aangenomen door een geest die uit de wereld is. Aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus dan ook: “En wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die uit God is, opdat wij weten de dingen die ons door God geschonken zijn (1 Kor. 2:12).” Alleen afgoden kunnen rechtstreeks worden gekend en begrepen. Dat de kracht van God in de boodschap  – alleen woorden! – van het evangelie ligt, is in tegenspraak met alles wat in de wereld als vanzelfsprekend en natuurlijk wordt gezien. Hier is een boodschap die niet onderhandelt, die niet gedeeltelijk aanvaard kan worden, die geen argumenten met zich meebrengt om zich bij de hoorder aan te bevelen. Geen overredende woorden van wijsheid, geen uitnemendheid van woorden. Wat Paulus verkondigt – verkondigt! dat wil zeggen voorlegt, openbaar maakt, aanbeveelt – is niets minder dan “wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.” Geen enkel compromis is is mogelijk. Maar dat is geen reden van angst. Dit evangelie komt niet met geweld, zoals de “goede boodschap” van de geboorte van de keizer.

Het evangelie kan alleen maar geloofd worden. Dat wil zeggen, men kan met de wil beslissen om het aan te nemen, maar niet met het intellect concluderen dat het op waarheid berust. Het kan niet op een waarheid berusten die anders is dan de boodschap zelf. Het evangelie is het fundament van alle waarheid. Dit geloof bestaat uit een diep respect voor Gods oneindigheid; in de erkenning van de onmogelijke boodschap van de opstanding, in de bevestiging van het goddelijk oordeel over mijn zonden, en in de aanvaarding van de weg tot redding die God er in gewezen heeft. Wie gelooft? Hij die de trouw van God met zijn eigen trouw beantwoordt, dat wil zeggen Gods trouw beantwoordt met geloof. Wat gelooft hij? Dat het evangelie de kracht van God is tot behoud. Hoe gelooft hij? In het voortdurend kiezen van het geloof tegen de ergernis en de schaamte in, die het evangelie in de wereld oproept. Het draait uiteindelijk niet om de innerlijke ervaring, of het diepe gevoel van verhevenheid, of de kracht van de overtuiging, of de verandering van de innerlijke stemming. Dat zijn begeleidende zaken. De kracht van het geloof toont zich vooral als de ontkenning van de afgoden, van de vanzelfsprekendheid van het kwade, van de noodzakelijkheid van de dood, van de onvrijheid van ons bestaan. Het geloof is nooit zomaar vroomheid. Het geloof is nooit een aanvulling en toevoeging aan onze menselijke mogelijkheden. In strikte zin, zegt Barth ergens, kunnen wij niet geloven. En toch is het geloof ons opgedragen, en is het de noodzakelijke voorwaarde van de ontvangst van het heil.

eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.

Maakt het dan nog verschil of je uit een gelovige gemeenschap komt als jood, of uit een ongelovige gemeenschap als heiden? Maakt het verschil of je een religieus of een a-religieus mens bent? Zeker, wie gedoopt is en tot een kerkelijke gemeenschap kan worden gerekend, zal wellicht als eerste worden opgeroepen om de keuze voor Christus te maken. In de kerk staan allen aan de rand van deze andere wereld en horen het evangelie. Toch betekent dat geen voorrang. Voor beide geldt dat het evangelie gehoord moet worden, en dat jood en Griek de verantwoordelijkheid hebben om het aan te nemen, te geloven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *