Klaagliederen als weeklacht of als berisping – een discussie in Eicha Rabbah

Een van de minst gelezen boeken uit de Bijbel is het boek Klaagliederen. Toch is het voor christenen van groot belang dit boek te bestuderen, vanwege de grote parallellen tussen de ondergang van Israël en Jeruzalem in de Babylonische ballingschap, en de huidige situatie van de Kerk. De Kerk is immers ook verre van dichtbevolkt. Ook de Kerk is als een weduwe en verplicht tot een dienstbaarheid aan de omringende samenleving – de herendienst van het eerste vers.

Het boek als geheel laat ons ook zien, dat ons geloof niet zonder uitdagingen en beproevingen is. Als God rechtvaardig is en barmhartig, hoe kunnen wij dan in dergelijke beproevingen terechtkomen? Waarom handelt God soms zo streng en hard met Zijn eigen kinderen? En misschien nog belangrijker, zien wij wel voldoende dat wij medeverantwoordelijk zijn voor onze pijn en ellende?

Wat is nu het thema van het boek Klaagliederen? In de joodse traditie is er een kleine discussie over die vraag. Die discussie geef ik hier beneden weer. Is het dan een vermaning om de afgodendienst te verlaten? Of is het een weeklacht over het volk dat door zijn eigen zonde gedwongen werd door die ballingschap heen te gaan?

Hoe eenzaam zit zij neer, die stad, eens zo dichtbevolkt! Als een weduwe is zij geworden, zij die groot was onder de heidenvolken. Een vorstin onder de gewesten is verplicht tot herendienst. (Klaagl. 1:1) 

Wat kunnen we nu leren van de midrasj over dit vers? Wat betekent de uitdrukking “hoe” precies? 

Midrasj Rabbah Eicha 1:1 (Klaagliederen):


Een andere zaak: eicha (hoe) Jeremia zei tegen hen: Wat hebben jullie in de afgoderij gezien dat jullie zo enthousiast zijn om het te volgen? Als het een mond had om mee te debatteren, dan hadden we dit wel gezegd. In plaats daarvan zullen we erover spreken en we zullen over Hem spreken.’

Als de afgoden een mond hadden om mee te spreken, dan zouden we wel een discussie hebben gevoerd. Dan zouden we een argument tegen de afgoden hebben ingebracht. Maar omdat de afgoden niet kunnen spreken, zullen we zelf over de afgoderij en over de Heere God moeten spreken.

We zullen erover [over de afgoderij] spreken: “Zo heeft de Heer gezegd: Leer niet de weg van de volken, en laat je niet bang maken door de tekenen van de hemel, hoewel de volken er bang van worden” (Jeremia 10:2).

Wat kunnen we dan over de afgoderij zeggen? De afgoderij is in ieder geval een onderdeel van het leven van de volkeren. De weg van de volkeren is echter voor Israël verboden. Die volkeren in hun afgoderij letten op de tekenen van de hemel en laten zich daardoor leiden. Ondanks het feit dat het resultaat daarvan vooral angst is. Maar het is Israël verboden om de tekenen van de hemel, de astrologie of andere manieren van voorspelling, in plaats van het Woord van God te zetten.

Jeremiah, one of the great poets of the Old Testament, chromolithograph from a home bible, 1870, Heinz Tschanz-Hofmann

Wij zullen van Hem spreken: “Zeg hun dit: De goden die de hemelen en de aarde niet gemaakt hebben, zullen van de aarde en onder deze hemelen verdwijnen. Hij maakt de aarde met Zijn macht” (Jeremia 10:11-12). “Het erfdeel van Jakob is niet zoals deze, want Hij is degene die alles vormt, en Israël is de stam van Zijn erfenis, de Heere der heerscharen is Zijn naam” (Jeremia 10:16).

Wat kunnen we dan zeggen over de Heere, de God van Israël? In de eerste plaats hoort het tot Zijn kenmerken, dat alle afgoden nietig zijn en uiteindelijk van de aarde zullen verdwijnen. In de tweede plaats is het de Heere, de God van Israël die hemel en aarde gemaakt heeft. De schepper van hemel en aarde heeft zich in de geschiedenis verbonden met het volk Israël. Daarom is het ondenkbaar dat Israël de afgoden volgt, die immers de aarde en de hemelen niet gemaakt hebben, en Israël niet hebben verkozen tot hun erfenis. Gesteld trouwens dat er afgoden zijn, dan nog zou de Here de God van Israël over hen heersen, vandaar Zijn Naam: de Heere der heerscharen.

Rabbi Jehoeda en Rabbi Neḥemya, Rabbi Jehoeda zegt: De term eicha is niets anders dan een uitdrukking van berisping. Dat is wat er geschreven staat: “Hoe [eicha] kunnen jullie zeggen: Wij zijn wijs, en de wet van de Heer is met ons…”? (Jeremia 8:8).

Omdat Jeremia in het geciteerde vers in feite aan Israël de schuld geeft van de verwoesting van de stad Jeruzalem, is het opvallend dat het woord eicha (hoe) daar ook gebruikt wordt. Omdat het vers in Jeremia acht dus een berisping is, moet het Woord in het eerste vers van Klaagliederen ook als een berisping worden uitgelegd. Dat maakt dat het hele boek moet worden gezien als een schuldigverklaring.

Rabbi Neḥemya zegt: De term eicha is niets anders dan een uiting van weeklagen. Dat is wat er geschreven staat: “De Heere God riep tot de man en zei tegen hem: Waar ben je [ayecha]?” (Genesis 3:9), wee jij [oy lecha].

Je kunt het ook anders lezen. Het woord heeft immers dezelfde letters als het woord ayecha (waar ben je) in het Hebreeuws in Genesis 3:9. (Hebreeuws wordt immers alleen met consonanten geschreven, dus in dit geval A J CH. dat woord kan dan worden gelezen als ajècha en als eicha.) De uitdrukking “waar ben je” suggereert dat God niet weet waar Adam en Eva zijn. Dat is natuurlijk niet het geval. Het kan beter worden opgevat als een oproep aan de mens zichzelf te gaan verantwoorden. Waar ben je? D.w.z. waar sta je nu? Dan is het vermanend. Maar het kan ook worden opgevat met dezelfde letters als oj lecha, wat dan zoiets betekent als “wee jij o Adam.” Dan is het een weeklacht. 

Wanneer werd de Klaagliederenrol opgeschreven? Rabbi Jehoeda zegt: Het werd opgeschreven in de dagen van Jehojakim.

Wanneer het woord eicha een oproep tot bekering inhoudt of een vermaning  is over de afgoderij en de zonde van het volk, dan zou dat het  thema van het hele boek Klaagliederen zijn. Dat betekent dat het geschreven moet zijn vóór de verwoesting van Jeruzalem en de tempel, anders heeft een dergelijke vermaning geen zin. Het zou aan Israël de mogelijkheid geven om de tragedie te ontlopen. Daarom zegt Rabbi Jehoeda dat Klaagliederen een boekrol moet zijn die Jeremia heeft geschreven tijdens de regering van koning Jehojakim (608-597 v. GT), dus vóór het begin van de Ballingschap in 586 v. GT. 

Rabbi Nechemja zei tegen hem: “Weent iemand over de doden voordat hij sterft? Wanneer is het dan geschreven? Na de verwoesting van de Tempel. Dit is de oplossing ervan: “Hoe [eicha] zat…eenzaam?”*

Rabbi Nechemja interpreteert het woord eicha echter als een weeklacht. Zo ziet hij het thema van het boek Klaagliederen als een uitdrukking van rouw klacht. Maar dan moet het wel geschreven zijn ná de verwoesting van de tempel. Zoals ook wel gesuggereerd wordt door het gebruik van de verleden tijd jashvah: “hoe heeft ze in eenzaamheid gezeten”, en niet: “hoe zal ze in eenzaamheid zitten.”

[ *Deze zin impliceert dat Jeruzalem al verlaten was.]


דָּבָר אַחֵר, אֵיכָה, אָמַר לָהֶם יִרְמְיָה, מָה רְאִיתֶם בַּעֲבוֹדַת כּוֹכָבִים שֶׁאַתֶּם לְהוּטִין אַחֲרֶיהָ, אִלּוּ הָיָה לָהּ פֶּה לְמֵיסַב וּלְמֵיתַב, הָיִינוּ אוֹמְרִין כָּךְ, אֶלָּא נֶאֱמַר דִּידָהּ וְנֶאֱמַר דִּילֵיהּ,

נֶאֱמַר דִּידָהּ (ירמיה י, ב): כֹּה אָמַר האֶל דֶּרֶךְ הַגּוֹיִם אַל תִּלְמָדוּ וּמֵאֹתוֹת הַשָּׁמַיִם אַל תֵּחָתּוּ כִּי יֵחַתּוּ הַגּוֹיִם מֵהֵמָה.

וְנֶאֱמַר דִּילֵיהּ (ירמיה י, יא): כִּדְנָה תֵּאמְרוּן לְהוֹם אֱלָהַיָּא דִי שְׁמַיָא וְאַרְקָא וגו‘, (ירמיה י, טז): לֹא כְאֵלֶּה חֵלֶק יַעֲקֹב כִּי יוֹצֵר הַכֹּל הוּא וְיִשְׂרָאֵל שֵׁבֶט נַחֲלָתוֹ הצְבָאוֹת שְׁמוֹ.

רַבִּי יְהוּדָה וְרַבִּי נְחֶמְיָה, רַבִּי יְהוּדָה אוֹמֵר אֵין לְשׁוֹן אֵיכָה אֶלָּא לְשׁוֹן תּוֹכֵחָה, הֲדָא מָה דְאַתְּ אָמַר (ירמיה ח, ח): אֵיכָה תֹאמְרוּ חֲכָמִים אֲנַחְנוּ וְתוֹרַת האִתָּנוּ וגו‘.

וְרַבִּי נְחֶמְיָה אוֹמֵר אֵין לְשׁוֹן אֵיכָה אֶלָּא קִינָה, הֲדָא מָה דְאַתְּ אָמַר (בראשית ג, ט): וַיִּקְרָא האֱלֹהִים אֶל הָאָדָם וַיֹּאמֶר לוֹ אַיֶּכָּה, אוֹי לְכָה.

וְאֵימָתַי נֶאֶמְרָה מְגִלַּת קִינוֹת, רַבִּי יְהוּדָה אוֹמֵר בִּימֵי יְהוֹיָקִים נֶאֶמְרָה, אָמַר לוֹ רַבִּי נְחֶמְיָה וְכִי בּוֹכִין עַל הַמֵּת עַד שֶׁלֹא יָמוּת, אֶלָּא אֵימָתַי נֶאֶמְרָה אַחַר חֻרְבַּן הַבַּיִת, הֲרֵי פִּתְרוֹנוֹ: אֵיכָה יָשְׁבָה בָדָד.

Dit bericht is geplaatst in Israël, Jodendom, Theologie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *