Israël en de Gemeente – vier opties

Ter ondersteuning van onze discussie – op de Bijbelbespreking van de dinsdag – over de samenvatting in stellingen van zes artikelen van Arnold Fruchtenbaum, wilde ik een korte weergave opstellen, van wat over Israël wordt gezegd in een aantal andere dogmatische hoofdwerken.

1. Verbondstheologie over Israël – Van Genderen

In de eerste plaats de “Beknopte Gereformeerde Dogmatiek”, van Van Genderen en Velema. Ik beperk mij tot par. 46.2 op pagina 631 – 634.

We spreken over de kerk als over het volk van God. Dat plaatst de kerk nadrukkelijk in relatie tot God de Vader. Benamingen als “lichaam van Christus” en “tempel van de Heilige Geest” stellen de kerk in relatie tot de Zoon en de Geest zodat we kunnen zien dat de kerk het werk is van de trinitarische God.

Beide benamingen volk van God komt toch meteen de vraag op, dat de relatie is van de kerk tot Israël die in het Oude Testament het volk van God genoemd wordt. God heeft Israël gekozen als Zijn volk, een Verbond met hen gesloten en aan hen Zijn verlossende daden verricht. Aan Israël werd heil beloofd en dat volk is voor Zijn dienst door Hem in beslag genomen – Israël moest een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn (Ex. 19:6).

Van Genderen, de schrijver van dit hoofdstuk, laat hierop onmiddellijk de aantekening volgen, dat “Israël echter maar ten dele geweest is wat het moest zijn.” Hij ondersteunt dat met het citaat uit Hosea 1:9, 10 waar de profeet zegt “Gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn” (Lo-Ammi). De boodschap van de profeten luidt, dat er een oordeel zal zijn over Israël, en dat alleen een overblijfsel behouden zal worden. De uitverkiezing van Israël als geheel wordt zo omgezet tot de uitverkiezing van dit overblijfsel. Vervolgens wordt de uitverkiezing nog weer beperkt tot de Knecht van de Heere in Jesaja, door wie een nieuw volk verzameld zal worden, uit Israël en de volkeren. Merk op dat de term “overblijfsel van Israël” dus niet naar de toekomst verwijst, maar betrekking heeft op het deel van Israël waaruit de Messias Jezus is voortgekomen.

Allerlei beloften uit het Oude Testament gaan nu in vervulling voor dit nieuwe volk van God dat door de ware Knecht van de Heere tot stand is gebracht. Zo heeft Paulus de woorden uit Hosea toegepast op de gemeente: wat eerst niet Zijn volk was, is nu Gods volk – net als 1 Petrus 2:10. Dit nieuwe volk van God heeft geen grenzen meer die door nationaliteit, ras of cultuur bepaald worden. Er is ook geen begrenzing in de tijd: de algemeenheid (katholiciteit) van de kerk houdt in dat zij een eenheid vormt met allen die in het verleden Zijn volk waren en in de toekomst Zijn volk zullen zijn.

Zo komt een definitie van de gemeente van Christus tot stand. Allen die Jezus Christus als hun Heere belijden, vormen het ware volk van God dat de vervulling is van het historische volk van God, dat wil zeggen van Israël. Volgens de definitie van Fruchtenbaum en vele anderen, is dit een vorm van vervangingstheologie. De kerk als het ware volk van God is de voortzetting en vervulling van het Israël uit het Oude Testament en erfgenaam van de beloften.

In het lange excurs op pagina 633 wordt vervolgens de vraag behandeld wat dan de verhouding is van de kerk tot het huidige Israël. We nemen daarvan enkele notities over:

Onder punt 2 merkt Van Genderen op, dat “het ware Israël gevormd wordt door hen die in Christus geloven.”
En onder punt 5 stelt hij vast, dat we “dat deel van Israël dat op een joods–orthodoxe of op een andere wijze aan Christus voorbijgaat, niet het volk van God noemen.” Israël kan alleen maar zo worden genoemd met een verwijzing naar het toekomstige herstel, want “God heeft zijn oude verbondsvolk niet afgeschreven en er blijven verwachtingen voor Israël bestaan.”

Onder punt 4 bespreekt Van Genderen de positie van H. Berkhof. Bij hem zouden verschijning van Christus geleid hebben tot twee gestalten en twee wegen van het volk van God. Joden zijn onderweg naar Gods Koninkrijk langs de weg van de thora, en christenen volgende weg van het geloof in Christus. De aanspraken van Jezus op exclusiviteit, bijvoorbeeld in Johannes 14 waar Hij zegt dat niemand tot de Vader komt dan door Hem, wordt met een verwijzing naar Rosenzweig en Lapide gepareerd. Als de joden al bij de Vader zijn en Hem nooit hebben verlaten, is het voor hen niet nodig om nog tot de Vader te komen. Zo is er een eigen weg van Israël naast de weg van de gemeente van Christus.

Het leidt ertoe dat voor sommigen het een zeer aantrekkelijke voorstelling is, dat joden en christenen samen op weg zijn – waarbij de ene in de toekomst Christus zal herkennen bij Zijn terugkeer, en de andere Christus zal erkennen bij Zijn terugkeer. De Messiasverwachting wordt gedeeld met als enige onderscheid de vraag of Hij in het verleden al gekomen is.

Van Genderen bestrijdt deze opvatting. In de eerste plaats zegt hij, dat de woorden van Jezus in Johannes 14, dat Hij de enige weg tot de Vader is, toch gesproken zijn te midden van het joodse volk en gericht aan Zijn Joodse discipelen.

In de tweede plaats verwijst hij naar de brief aan de Romeinen, waar Paulus worstelt met het behoud van Israël. Als er sprake zou zijn van twee onderscheiden maar gelijkwaardige wegen, zijn met name de hoofdstukken 9 – 11 van die brief onbegrijpelijk. Waarom zou Paulus wensen gescheiden te zijn van Christus, als hij daarmee maar enkelen uit Israël zou kunnen behouden? Waarom zou Paulus spreken over Christus als het “einde der wet” enzovoorts.

In de derde plaats is deze opvatting van twee gelijkwaardige wegen in strijd met de belijdenis van de kerk van de eeuwen heen. De kerk heeft altijd geleerd dat het heil alleen te vinden is in de persoon van Christus.

2. De twee wegen van Israël en de Kerk – H. Berkhof

Heeft Van Genderen nu recht gedaan aan de opvatting van Berkhof? Leert deze inderdaad twee gelijkwaardige wegen van het volk Gods? In zijn “Christelijk Geloof” zegt hij het volgende:

“Had de aangebroken heilstijd zich overeenkomstig het profetisch visioen naar zijn voltooiing toe ontwikkeld, dan was de weg open komen te liggen naar een nieuwe wereldgemeenschap, met Israël als kern, vermeerderd met allen die zich uit de volkeren tot de God van Israël zouden bekeren. Doordat Israël zich in grote meerderheid hieraan onttrokken heeft, heeft de verschijning van Christus juist tegen de bedoeling in geleid tot twee gestalten en twee wegen van het volk Gods.”

“De eerste gestalte, Israël, zet de oude verbondsdialectiek voort en wacht op haar verlossing, alsof Jezus Christus in dit opzicht geen wending had betekend. De tweede gestalte, de kerk, waarin als teken van hoop een “rest” uit Israël nooit ontbroken heeft, gaat uit van het nieuwe verbond, het volbrachte heilswerk, en beleeft de werking van de Geest wereldwijd onder de volkeren.”

Let wel, Berkhof bedoelt dit niet als een constatering van een feitelijke stand van zaken. Zeker, Israël heeft niet gezien dat in Christus de heilsgeschiedenis en wending heeft doorgemaakt. Maar dat betekent niet dat Israël niet langer een gestalte van het verbondvolk is en dus terzijde zou zijn geschoven. Integendeel. De Kerk kan de betekenis van de huidige periode in de geschiedenis alleen goed begrijpen, wanneer ze ook het huidige Israël blijft zien als het uitverkoren volk. De kerk heeft dus een positieve relatie tot Israël als geheel en mag haar niet uitsluiten van het heil. Deze historische functie van het ongelovige Israël brengt Berkhof als volgt onder woorden:

“Dit bewijst al, dat de beide gestalten niet van elkaar los komen. Zolang Israël zijn Messias niet erkent, wordt de kerk eraan herinnerd dat haar geloof weersproken en weerspreekbaar is en dat ze nog niet in de vervulde heilstijd leeft, maar aan deze zijde van de grote toekomst. Vervulling en voleinding, heilsopenbaring en verlossing vallen blijkbaar niet samen. En als de kerk toch wil doen alsof het Rijk al was aangebroken, dan komt het Jodendom met zijn eindeloze lijdensweg deze illusie grondig verstoren.”

Net zomin als Israël gelijk moet worden aan de Kerk, moet de Kerk zich conformeren aan Israël. Hoewel christenen ook niet geroepen zijn om het evangelie aan Israël te verkondigen, is het wel hun taak om een getuigenis te zijn tegenover Gods uitverkoren volk. De twee wegen van het verbondsvolk zijn weliswaar niet gescheiden en gelijkwaardig, maar wel verschillend:

“En toch kan de kerk de geloofsopvattingen van Israël niet overnemen. Zij gelooft niet alleen aan een toekomst, maar ook aan een reeds geschied heil waarvan de toekomst de ontvouwing zal zijn; niet alleen aan een eind der tijden waarheen wij rusteloos op weg zijn, maar ook aan een midden waarin wij mogen rusten.”

Resoluut formuleert Berkhof de gelijkwaardigheid van de twee gestalten van Gods volk: “De kerk blijft geloven voor Israël (dat het volk en zijn Messias elkaar zullen vinden) en daarom ook aan Israël (dat binnen de weg van dit volk de tekenen van Gods verbond zichtbaar zullen blijven en steeds opnieuw zullen worden). Wij verwachten niet, dat Israël in de kerk zal worden opgelost en uitgewist, maar wel dat het daarin zijn centrale rol zal vervullen. Het behoudt in de heilsperiode die wij beleven, als speciaal adres van de trouw en de beloften van God, zijn eigen gestalte als apart volk met een apart land en een aparte weg van gericht en genade, dus ook met aparte toekomstbeloften. Die apartheid kan voor Israël een verzoeking worden tot hoogmoedig isolement, en voor de kerk een ergernis, omdat het haar de grenzen van haar universaliteit bewijst. Maar voor beiden is het een herinnering aan de voorlopigheid van de huidige heilsperiode, die ons doet uitzien naar een toekomst van herkenning en samengaan vanuit de Messias Jezus waarvan de christenen uit Israël de eeuwen door voorteken en onderpand zijn.”

Het is duidelijk dat Berkhof meent dat hij hiermee een nauwkeurige uitwerking geeft van de relatie tussen de gemeente van Christus en Israël die Paulus onder woorden brengt in de brief aan de Romeinen.

[Israël kan niet worden weggedrukt of geforceerd worden bekeerd. Dat zijn wel de twee gangbare wegen. RAV] “Paulus wijst een derde weg: zoals Israël door zijn ongehoorzaamheid het heil naar de volkeren bracht, zo moet de kerk door haar gehoorzaamheid het heil naar Israël brengen, door het “tot naijver op te wekken”, dat wil zeggen met haar geloofsgehoorzaamheid en de vruchten daarvan Israël ervan te overtuigen, dat in Christus en de Geest radicaal bevrijdende en vernieuwende, op de voleinding anticiperende krachten namens God de wereld zijn binnengestroomd.”

Het lijkt mij duidelijk dat Berkhof zijn positie niet uitsluitend aan de exegese van het Nieuwe Testament ontleend heeft. Dit is geen Bijbelse theologie die in een vacuüm tot stand is gekomen. De ervaringen van de Holocaust en het acute besef van een eeuwenlang antisemitisme in de kerk en haar theologie, brengen hem ertoe de mogelijkheid van een zelfstandige en gelijkwaardige positie van het (ongelovige) Israël naast de gemeente tot het uiterste te beproeven. Naast Rosenzweig en Martin Buber citeert hij daarom nog deze woorden van Hans-Joachim Schoeps:

“Het Messianisme van Israël kijkt uit naar de komende, de eschatologie van de wereldkerk kijkt uit naar de Terugkeer van de Gekomene. Beide zijn verenigd in de gemeenschappelijke verwachting, dat de beslissende gebeurtenis nog uitstaat – als het einddoel van de wegen van God, die Hij in Israël en in de Kerk met de mensheid gaat. De Kerk van Jezus Christus heeft van haar Heer en Heiland geen afbeelding bewaard. Als Jezus morgen zou terugkeren, zou niemand Hem kunnen herkennen aan Zijn gelaat. Maar het is heel goed mogelijk, dat Degene, die aan het einde der dagen komt, die de verwachting van zowel de synagoge als de kerk is, hetzelfde gelaat heeft.” (Paulus, p. 274; Berkhof, p. 279.)

3. Reflectie: Fruchtenbaum en de vele opties in de moderne theologie

Aan het begin van zijn serie artikelen over Israël en de kerk spreekt Fruchtenbaum over de verschillende benaderingen van de Verbondstheologie en het dispensationalisme. In de eerste wordt Israël opgenomen in de gemeente en verliest het in het heden elke relatie met God omdat het verbond is verbroken. In de tweede wordt Israël weliswaar in het heden terzijde geschoven, maar komt het in de toekomst volledig tot bloei, wanneer God de beloften van het Oude Testament tot vervulling gaat brengen.

In die twee theologische benaderingen hebben we de keuze tussen het uitwissen van Israël in het heden, en de iets minder radicale gedachte dat Israël in het heden terzijde geschoven is totdat zijn nieuwe toekomst aanbreekt. Van Genderen geeft ons een voorbeeld van een benadering van Israël vanuit de Verbondstheologie: het uitverkoren Israël is opgegaan in het overblijfsel dat volledig wordt gerepresenteerd door Christus, en van Hem uit heeft God een nieuw volk tot stand gebracht uit Israël en de volkeren. In het heden is er dan geen plaats voor Israël als Gods partner in de heilsgeschiedenis. De opvatting van het dispensationalisme vinden we bijvoorbeeld bij John MacArthur waarin eveneens voor het Israël in het heden geen plaats is. Net als bij Van Genderen is het huidige Israël terzijde geschoven om dat het zijn Messias heeft verworpen. We zullen in een andere bijdrage de positie van MacArthur nog proberen te verhelderen wanneer we kijken naar zijn exegese van Romeinen 9 – 11. 

De opvatting van Berkhof, mede gebaseerd op Rosenzweig, Buber en Schoeps, plaatst Israël naast de gemeente en laat het verbond van de Sinaï met Israël ondanks het ongeloof in de Messias gewoon doorgaan. Het is immers een apart volk met een apart land en een aparte weg van gericht en genade. De ongehoorzaamheid van Israël tegenover het evangelie is een factor van heil voor de volkeren. Als daad van God die Zijn volk voor een deel verharding gaf opdat de volheid van de heidenen zou kunnen ingaan, heeft dat een andere status dan de ongehoorzaamheid van de heidenen om deze zelfde Messias te aanvaarden. Als het ongeloof van Israël Gods daad is ter wille van de volkeren, dan is de weg van Israël in ongeloof door God zo gewild. Dan is de maatstaf van het Israël in het heden het verbond van de Sinaï en is zijn gehoorzaamheid aan de thora als een eigen Heilsweg, door God zo gewild.

4. Bilaterale ecclesiologie: de positie van Mark S. Kinzer

Ik wijs er tenslotte nog op, dat er nog een ander type Messiasbelijdend Jodendom bestaat, dat niet uit de evangelische theologie is voortgekomen zoals de Israelologie van Fruchtenbaum. De theoloog Mark S. Kinzer werkt vanuit een post-liberale theologie aan wat genoemd kan worden: een bilaterale ecclesiologie.

Henk Bakker, (hoogleraar geschiedenis en theologie van het Baptisme aan de Vrije Universiteit Amsterdam) vat zijn positie (In: Soteria, 32 j, n. 2, 2015, p. 31 e.v.) als volgt samen:

“De gemeente van Christus bestaat uit twee sub-gemeenschappen die samen één geestelijke lichaamsvormen. Het ene lichaam van Christus bestaat uit jodenchristenen en uit heiden christenen die een onderscheiden achtergrond, leefstijl en positie hebben. […] De gemeente heeft zogezegd een bipolaire structuur en is ellipsvormig, met twee kernen die zich in een spanningsveld van elkaar weg bewegen en tot elkaar aangetrokken worden. Zo horen bij elkaar, hebben elkaar nodig, en toch kunnen ze niet bij elkaar. Ze zijn een bilaterale eenheid, omdat dit lichaam in nauwe verbinding staat met het volk van Israël.”

“Israels tijdelijke ongeloof is een paradox, omdat Paulus dit ongeloof duidt als participatie in het plaatsvervangende lijden van Jezus. Paulus heeft te lijden onder het ongeloof van zijn volk en als apostel binnen de gelovige “rest” heeft dit lijden corporatieve betekenis. Zoals Jezus leed en stierf als deel voor het geheel (pars pro toto), zo lijdt Jezus in zijn lichaam verder voor de verlossing van jood en heiden. […]
Juist daarom blijft de heilige Joodse “rest” dicht bij het joodse volk, ook al verwerpen de laatsten Jezus als Messias. […] De “heilige rest” heiligt het ongelovige deel van Israël en daarom leven christelijke joden als echte Israëlieten en onderhouden zij de traditionele joodse gebruiken. Als zij niet opgaan in het joodse leven, kunnen zij het joodse volk niet heiligen. Indien Jezus niet mens was geworden en niet opging in het menselijke leven, had ook hij geen mensen kunnen redden.”

“Volgens Kinzer zijn alle joden – christen of niet, orthodox of niet – door God geroepen om als teken van Israelsver-Bonds trouw aan God de joodse wetten en regels te gehoorzamen. Waar dit niet gebeurt, vult de heilige “rest” het tekort als het ware aan, als deel voor het geheel. In die zin is Jezus in de kern nog altijd onder het joodse volk aanwezig, zij het onzichtbaar en verborgen. Het “overblijfsel”, de heilige rest die Jezus vertegenwoordigt, speelt door dit aanwezig zijn als joods-christelijke gemeente in Israël dus een sleutelrol. Zij belichaamt de Verbondstrouw en overgave van het volk Israël aan de Heer die haar (sic) koos en riep. […]
“De kerk is te zien als een uitbreiding van het joodse volk en niet als een vervanging.”

Wanneer wij dus in de Apostolische Geloofsbelijdenis spreken over “een algemene christelijke kerk” kan dat niet waar zijn in de praktijk, als de joods-christelijke gemeente in die oecumene niet betrokken wordt. Waarom is in het heden de rol van Israël in Gods handelen in de geschiedenis niet uitgespeeld? Omdat het “overblijfsel” dat tot geloof in de Messias kwam, nooit ophield te bestaan. Het is door dat overblijfsel dat ook het ongelovige Israël niet alleen in de toekomst maar ook in het heden de status toekomt van Gods uitverkoren volk. Het overblijfsel representeert geheel Israël tegenocer de heiden-kerk en tegenover de wereld. Zij heiligt het gehele volk, zodat van een onzichtbare maar werkzame presentie van de Messias binnen het volk sprake is. 

5. Wat zijn dus de mogelijkheden voor de verhouding van Israël en de Kerk?

1. De Kerk is de huidige vorm van Gods volk, de vervulling en voltooiing van het volk van God in het Oude Testament. Het ware, gelovige Israël is opgegaan in de gemeente. (Verbondstheologie, Van Genderen)
2. Israël is tijdelijk terzijde geschoven, maar zal ooit in de toekomst weer Gods volk zijn. (Dispensationalisme, MacArthur)
3. Israël en de Kerk staan op twee verschillende wegen die in beginsel gelijkwaardig zijn. Pas bij de Wederkomst van Christus komt het tot een eenheid van beide. Het lijden van Israël herinnert de Kerk eraan dat Gods beloften voor het Rijk van Christus nog niet vervuld zijn. (Berkhof)
4. De Kerk bestaat uit twee verschillende sub-gemeenschappen: het Messiaanse Jodendom en de Kerk uit de heidenen. Het gelovig overblijfsel gaat niet op in de heidense Kerk, maar heeft een dubbele identiteit. Zij blijft Israël om Israël voor het evangelie te winnen; zij is Messiaans en daarom ook deel van de Gemeente van Christus. (Kinzer)

We zullen in de Bijbelbesprekingen van maart nog uitgebreid aan de orde stellen, wat de opvatting is van Fruchtenbaum over deze kwestie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *