Een omheining rond de Torah – #3

Passage uit de Babylonische Talmoed, Traktaak Berachot (zegeningen), blad 2a

Rabban Gamliël zegt dat het sjema dat is voorgeschreven om ’s avonds te worden gereciteerd, kan worden gereciteerd tot aan de volgende ochtend.

Dit zal gemiddelde christenen helemaal niets zeggen. Daarvoor moet je eerst weten hoe de Rabbijnen een passage uit Deuteronomium hebben begrepen en toegepast. Het vierde vers van Deuteronomium 6 luidt: “Hoor, Israël, de HEERE onze God is een enig HEERE.” Dat wordt begrepen als de meest fundamentele geloofsbelijdenis in het Jodendom. Het vijfde vers zou je kunnen zien als een uitleg van de strekking van die belijdenis: “zo zult gij de HEERE, uw God liefhebben, met uw ganse hart en met uw ganse ziel en met al uw vermogen.”

Maar het blijft niet bij deze exegese. Want het zesde vers van dit hoofdstuk zegt: “En deze woorden” – de woorden van vers 4 tot en met 9 – “die Ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn. “De uitdrukking “in uw hart” betekent niet dat ze voor ons gevoel belangrijk moeten zijn, want het hart is in de Bijbel niet de zetel van de gevoelens. Het hart staat voor onze wil, onze levenshouding, de zetel van al onze fundamentele overwegingen. Het staat ook voor ons geheugen, zoals nog merkbaar is in de Engelse uitdrukking “to learn by heart”, wat wij vertalen met uit het hoofd leren. (Daarom betekenen de woorden van Jeremia 31:33, “Ik zal Mijn Torah…in hun hart schrijven” in eerste instantie alleen maar dat iedereen de woorden van de Torah uit het hoofd zal kennen, want Hij zal die Torah “in hun binnenste geven.”)

Maar dat is nog niet alles. Het zevende vers zegt dat we deze woorden moeten spreken. De Statenvertaling zegt dat we “daarvan” moeten spreken, maar de Rabbijnen volgen hier het Hebreeuws letterlijk en op de voet. 1) Deze woorden moeten dus worden uitgesproken. Waar en wanneer dan? Het zevende vers geeft het antwoord: “als gij in uw huis zit en als gij op de weg gaat, en als gij nederligt en als gij opstaat.” Nu komen we in de buurt van de vraag waar de Talmoed het over heeft, want “als gij nederligt”, dat wil zeggen als je gaat liggen om te slapen, moet toch wel de avond aanduiden. De conclusie van deze exegese is dat we de woorden die hier door God worden gesproken, in ons hart moeten zijn, dat we ze moeten uitspreken, en dat we dat in ieder geval moeten doen wanneer we gaan liggen om te slapen.

Tekst en vertaling van Deuteronomium 6:7

Zo ontstaat geleidelijk aan een praktijk van het reciteren van het “Sjema”, waarin drie passages worden gereciteerd: Deut. 6:4-9, 11:13-21, en Num. 15:37-41. Zo werd het het centrale gebed in het ochtend- en avondgebed van het Jodendom.

Wat betekent nu de uitdrukking “als gij nederligt” in termen van exacte tijd? Hier is een verschil in opvatting. Rabban Gamliël zegt dat de uitdrukking moet betekenen “tot aan het aanbreken van de ochtend.” Maar de meerderheid van de rabbijnen heeft besloten dat het Sjema moet worden gereciteerd “tot middernacht.” Dat lokt een discussie uit over de “omheining rond de Torah.” Om te voorkomen dat een mens rechtstreeks een gebod van de HEERE zou overtreden, bedachten de Rabbijnen aanvullende geboden en verplichtingen, om “een mens verre te houden van de overtreding.” Dat werd genoemd “sjag la-Torah”, een omheining rond de Torah.

De meerderheid van de rabbijnen was het eens met de exegese van Rabban Gamliël, dat de uitdrukking “als gij nederligt” moet betekenen “tot aan het ochtendgloren.” Maar deze interpretatie gaf alleen de zuivere  strekking van het gebod van de HEERE in de Torah. Stel nu dat iemand vermoeid thuiskwam van zijn werk, en wist dat hij nog tot de volgende ochtend de tijd had om het Sjema te reciteren, dan zou hij vermoedelijk het gebed hebben uitgesteld, wellicht in slaap zijn gevallen en dan wakker zijn geworden na het ochtendgloren. Daarmee was de juiste tijd voor het reciteren van het gebed verstreken. Om dat te voorkomen, om een mens dus verre te houden van de overtreding van de Torah, zeggen de Rabbijnen dat de juiste tijd voor dit gebed loopt “tot middernacht.” Het is een bewuste aanscherping van het gebod in Deuteronomium.

Nu zou je kunnen zeggen dat het dus alleen maar een menselijk gebod is. Het ligt voor de hand dat je een dergelijke toespitsing van het gebod gewoon kunt negeren. Maar daarom citeert de Talmoed deze tekst: “een ieder die de woorden van de meerderheid van de Rabbijnen (de “Chachamiem”) overtreedt, is des doods schuldig.” Dat zijn strenge woorden! Maar die strenge woorden worden niet uitgelokt door de boosaardigheid van deze overtreding. Ook niet door de intentie een Rabbijns gezag te vestigen dat hoger staat dan de geschreven Torah. Het wordt gezegd uit zorg dat de “omheining rond de Torah” zou kunnen worden genegeerd. Het laat ook meteen zien dat niemand kan zeggen dat het avondgebed een kwestie van persoonlijke keuze is.

Wanneer de HEER Jezus in de Bergrede spreekt over het gebod “gij zult niet doden”, kunnen Zijn woorden over uitingen van minachting worden opgevat als een omheining rond de Thora. Dat geldt ook voor het verbod “gij zult geen overspel doen” en het verbod “een vrouw aan te zien om haar te begeren”, en de toespitsing van de geboden rond de echtscheiding, en het zweren van een eed, en het principe van “oog om oog tand om tand.” Het is een oeroude joodse manier van denken om een beschermende maatregel, een aanvullend gebod op te stellen, waardoor de geboden en verboden die de HEERE God ons heeft gegeven in de Torah, worden beschermd. Zoals men een bloemperk kan beschermen tegen wildplukkers, door rondom het omringende grasveld een omheining te plaatsen.

En daarom kunnen wij niet zonder geboden en verboden die werken als een omheining met betrekking tot de liefde tot God en de liefde tot de naaste die ons geboden zijn. Wanneer Paulus schrijft “de liefde zij ongeveinsd” (Rom.  12:9), of: “weest eensgezind onder elkaar” (idem vers 16) zijn dat toespitsingen van het gebod om elkaar met broederlijke liefde lief te hebben.

Is het voldoende dat wij weten wat God ons geboden heeft? Of is er een apostolisch gezag merkbaar dat aan de woorden van de HEER Jezus nog “toevoegt” om een omheining rondom Zijn woorden te maken, zoals Hij dat deed met de woorden van de Torah. Ook het Nieuwe Testament is doordrongen van deze joodse manier van denken, en precies om die reden worden we niet alleen herinnerd aan het grote gebod en “het tweede gebod daaraan gelijk.” De meer dan 1000 imperatieven van het Nieuwe Testament vormen samen een omheining rondom de Wet van Christus.

Zo leren wij van het Jodendom. Omdat de HEER Jezus een joodse man was, en de apostelen op een joodse wijze dachten, en omdat aan Israël de Torah, de “uitspraken van God” was toevertrouwd. Het is om die reden dat de HEER Jezus Zelf ons heeft opgedragen, om al wat de Rabbijnen ons zeggen over geboden en verboden die wij moeten onderhouden, die volgens hun uitleg te onderhouden en te doen. (Mat. 23:3) Het conflict met de Farizeeën ging niet over fundamenteel valse leer, zoals veel evangelische theologen menen. Het jodendom van Jezus’ tijd wordt door Hem niet zomaar als afvallig bestempeld. Het aanbreken van de Messiaanse tijd moet echter wél verschil maken. De Messias staat immers, anders dan Mozes, bóven de Torah als de Ultieme Wetgever. Het conflict ging wel over de hypocrisie van vele schriftgeleerden, en uiteraard ook om de erkenning dat in de HEER Jezus de Messias gekomen was. Daarom leren wij toch van het Jodendom.

  1. De uitdrukking in Deut. 6:6 luidt: “we-dibarta bam” en dat betekent letterlijk: je zult spreken “in hen.” De standaard vertaling is dan:  “je zult óver hen (deze woorden)  spreken.” Maar dat suggereert een “bespreking” en niet een spreken “met”, dus het uitspreken ván deze woorden. Maar als je het heel letterlijk neemt staat er dat jouw spreken “in” (de taal van) deze woorden moet zijn. Dat je ze dus hardop moet reciteren en dat je eigen oren ze moeten hóren ligt dan ook voor de hand. Overigens, zo vertaalt men de tekst ook in de JPS vertaling: “recite them.”
Liked it? Take a second to support Robbert Veen on Patreon!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *